Download hier het nieuwe handboek loonheffingen

De Belastingdienst heeft een nieuwe en actuele pdf van het ‘Handboek Loonheffingen 2019’ uitgebracht

In deze uitgave zijn de wijzigingen tot 1 juli 2019 verwerkt. Het betreft een dynamisch document, dat telkens bijgehouden wordt. U kunt het ‘Handboek Loonheffingen 2019’ hier downloaden.

Het volledige document staat op deze pagina, echter voor een meer leesbare versie kunt u ook het meest recente handboek loonheffingen hier downloaden, klik op deze link

Bronvermelding: Belastingdienst.nl
Hilger Administratie is hèt Administratiekantoor met Incassoservice voor de ZZP’er en het MKB

Handboek Loonheffingen 2019

Uitgave 1 juli 2019

LH 022 – 1T92FD

Inhoudsopgave
Versiebeheer …………………………………………………………………………………………….. 8
Wijzigingen 2e kwartaal 8
Stappenplan …………………………………………………………………………… 10

Stap 1 Nagaan of er een dienstbetrekking is …………………………………………………. 10
1.1 Wat is een dienstbetrekking? 10
1.2 Opgaaf van uitbetaalde bedragen aan een derde 13

Stap 2 Gegevens werknemer administreren …………………………………………………… 15
2.1 Aanmelden als werkgever 15
2.2 Identiteit van uw werknemer vaststellen 16
2.3 Gegevens voor de loonheffingen krijgen 17
2.4 Eerstedagsmelding doen 20
2.5 Fusie of overname en dergelijke 20
2.6 Anoniementarief 20

Stap 3 Loonadministratie aanleggen …………………………………………………………….. 22
3.1 Informatie die u nodig hebt voor de loonadministratie 22
3.2 Algemene administratieve verplichtingen 23
3.3 Bijzondere administratieve verplichtingen 24
3.4 Inkomstenverhouding 26
3.5 Bewaarplaats, bewaartermijn en controle 31
3.6 Samenhangende groep inhoudingsplichtigen 32

Stap 4 Bepalen wat tot het loon hoort ………………………………………………………….. 33
4.1 Uniform loonbegrip voor de loonheffingen 33
4.2 Loon 34
4.3 Loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking 36
4.4 Loon in geld 37
4.5 Loon in natura 39
4.6 Vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen 40
4.7 Uitkeringen en verstrekkingen bij bijzondere gebeurtenissen 41
4.8 Aanspraken, en uitkeringen op grond van aanspraken 41
4.9 Negatief loon 42
4.10 Verzekeringsuitkeringen die belast zijn voor de loonheffingen 43
4.11 Aandelenopties 44
4.12 Geen loon of geen belast loon 45
4.13 Schema loon 48
4.14 Doorbetaaldloonregeling (afstaan van loon) 49
4.15 Cafetariaregeling 49

Stap 5 Premies werknemersverzekeringen berekenen …………………………………….. 52
5.1 Werknemersverzekeringen en premies 52
5.2 Premie WW-Awf 53
5.3 Sectorpremie 54
5.4 Ufo-premie 55
5.5 Basispremie WAO/IVA/WGA 55
5.6 Gedifferentieerde premie Whk 55
5.7 Premies werknemersverzekeringen berekenen 60
5.8 Eigenrisicodragerschap werknemersverzekeringen 63

Stap 6 Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw berekenen ……………………………………. 68
6.1 Nominale premie Zvw 68
6.2 Werkgeversheffing Zvw en bijdrage Zvw 68

Stap 7 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen …………………………… 74
7.1 Grondslag voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen bepalen 74
7.2 Wanneer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden: hoofdregel 77
7.3 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen: rekenvoorschriften en tabellen 79
7.4 Van nettoloon naar brutoloon: bruteren 98
7.5 Eindheffing 99
7.6 Regels voor het bij elkaar optellen van lonen 99

Stap 8 Eindheffing werkkostenregeling berekenen …………………………………………. 105
8.1 Hoe werkt de werkkostenregeling? 105
8.2 Hoe werkt de vrije ruimte? 108

Stap 9 Bedragen in de loonstaat boeken ………………………………………………………. 110
9.1 Rubrieken loonstaat 110
9.2 Kolommen loonstaat 110

Stap 10 Loonstrook aan werknemers geven ………………………………………………….. 116

Stap 11 Loonheffingen aangeven en betalen …………………………………………………. 118
11.1 Aangiftetijdvak 118
11.2 Aangifte doen 120
11.3 Controle van de aangifte na verzenden 124
11.4 Betalen 125
11.5 Boetes 127
11.6 Aansprakelijkheid 129
11.7 Aangifte pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen 131

Stap 12 Aangiften corrigeren ………………………………………………………………………. 132
12.1 Welke gegevens moet u corrigeren en wanneer? 132
12.2 Manieren van corrigeren 133
12.3 Correcties over 2019 136
12.4 Correcties over 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 138
12.5 Belastingrente en boetes bij corrigeren 140
12.6 Schema correcties over 2019, 2018, 2017, 2016, 2015 en 2014 142
Stap 13 Jaaropgaaf aan werknemers geven ………………………………………………….. 143
13.1 Aantal jaaropgaven 143
13.2 Jaaropgaaf vormvrij 143
13.3 Verplichte gegevens op de jaaropgaaf 2019 143

Stap 14 Informatieplicht …………………………………………………………………………….. 145
14.1 Boekenonderzoek 145
14.2 Bedrijfsbezoek 145
14.3 Waarneming ter plaatse 145
14.4 Meewerken aan controle 146
14.5 Informatieverzoeken 146

Stap 15 Einde van inhoudingsplicht of dienstbetrekking ………………………………….. 147
15.1 U bent niet meer inhoudingsplichtig 147
15.2 Dienstbetrekking van een werknemer eindigt 148

Thema’s ………………………………………………………………………………… 150

16 Bijzondere arbeidsrelaties ……………………………………………………………………… 150
16.1 (Partners van) aandeelhouders met een aanmerkelijk belang 150
16.2 Aannemers van werk en hun hulpen 154
16.3 Agenten en subagenten 155
16.4 Artiesten 155
16.5 Au pairs 155
16.6 Beroepssporters 156
16.7 Bestuurders 156
16.8 Commissarissen 157
16.9 Gelijkgestelden 157
16.10 Leerlingen en stagiairs 158
16.11 Meewerkende kinderen 159
16.12 Oproepkrachten 160
16.13 Personeel of dienstverlening aan huis 161
16.14 Pseudowerknemers (opting-in) 163
16.15 Sekswerkers die werken voor een exploitant 164
16.16 Studenten en scholieren 165
16.17 Thuiswerkers en hun hulpen 166
16.18 Topsporters met een A-status 167
16.19 Uitzendkrachten en payrollmedewerkers 167
16.20 Vrijwilligers 168
16.21 Werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt 170

17 Werken over de grens: loonbelasting ………………………………………………………. 172
17.1 Algemene uitleg over belastingheffing bij grensoverschrijdende arbeid 172
17.2 Meest voorkomende gevallen van grensoverschrijdende arbeid 177
17.3 Bijzondere situaties 182
17.4 Extraterritoriale kosten en de 30%-regeling 184
17.5 Werkkostenregeling in buitenlandsituaties 190
17.6 Vrijstelling van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor uw werknemers 194

18 Werken over de grens: sociale zekerheid …………………………………………………. 196
18.1 Algemene uitleg over sociale zekerheid bij grensoverschrijdende arbeid 196
18.2 Meest voorkomende gevallen van grensoverschrijdende arbeid 199
18.3 Bijzondere situaties 206

19 Aanspraken, vrijgestelde uitkeringen, ontslaguitkeringen en pensioenen ………. 209
19.1 Aanspraken en uitkeringen op grond van aanspraken 209
19.2 Vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen 215
19.3 Ontslaguitkeringen 217
19.4 Pensioen, prepensioen en vroegpensioen 218

20 Gerichte vrijstellingen, nihilwaarderingen en normbedragen ……………………….. 223
20.1 Gerichte vrijstellingen 223
20.2 Nihilwaarderingen 232
20.3 Normbedragen 238

21 Vervoer en reiskosten ……………………………………………………………………………. 242
21.1 Reizen met een eigen auto, motor, (brom)fiets enzovoort 242
21.2 Reizen met openbaar vervoer 247
21.3 Reizen met een personenauto van de zaak 252
21.4 Reizen met een bestelauto van de zaak 273
21.5 Reizen met een ander vervoermiddel van de zaak 280
21.6 Reizen met een taxi, boot of vliegtuig 280
21.7 Fietsen 280
21.8 Carpoolregeling 282
21.9 Vervoer vanwege de werkgever 283
21.10 Parkeergelegenheid 283
21.11 Reiskosten voor periodiek gezinsbezoek 284
21.12 Tijdelijk ander vervoer door wegwerkzaamheden 285

22 Levensloopregeling ……………………………………………………………………………….. 286
22.1 Sparen in de levensloopregeling 286
22.2 Bijdrage werkgever 287
22.3 Schriftelijk vastleggen 287
22.4 Opnemen uit levenslooptegoed 288
22.5 Overlijden van de werknemer 289
22.6 Levensloopverlofkorting 289
22.7 Levensloopregeling en pensioen 290
22.8 Deelname directeur-grootaandeelhouder aan levensloopregeling 290

23 Heffingskortingen …………………………………………………………………………………. 291
23.1 Loonheffingskorting 291

24 Eindheffingen ……………………………………………………………………………………….. 297
24.1 Eindheffing naheffingsaanslagen 297
24.2 Eindheffing publiekrechtelijke uitkeringen 298
24.3 Eindheffing tijdelijke knelpunten van ernstige aard 299
24.4 Eindheffing verstrekkingen aan anderen dan uw werknemers 299
24.5 Eindheffing goederen en diensten in de promotionele sfeer en voordelen uit spaarsystemen voor
anderen dan uw werknemers
299
24.6 Eindheffing doorlopend afwisselend gebruik bestelauto’s 300
24.7 Pseudo-eindheffing RVU-regeling 300
24.8 Pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen 301
24.9 Eindheffing berekenen 301

25 Afdrachtverminderingen …………………………………………………………………………. 303
25.1 Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk 303
25.2 Afdrachtvermindering zeevaart 306

26 Loonkostenvoordelen, lage-inkomensvoordeel (LIV) en jeugd-LIV ……………….. 309
26.1 Loonkostenvoordelen 309
26.2 Lage-inkomensvoordeel (LIV) 315
26.3 Jeugd-LIV 318
26.4 Verloonde uren 320

27 Gemoedsbezwaarden …………………………………………………………………………….. 321
27.1 Werknemer heeft een ontheffing voor 1 of meer verzekeringen 321
27.2 U hebt een ontheffing voor 1 of meer verzekeringen 322
27.3 Loonkostenvoordelen 323
27.4 Aangifte loonheffingen en jaaropgaaf 323

Tarieven, bedragen en percentages vanaf 1 januari 2019 ………………………………… 325
Tabel 1 Schijventarief loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 7.3) 325
Tabel 2a Heffingskortingen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie hoofdstuk 23) voor
werknemers jonger dan de AOW-leeftijd
325
Tabel 2b Heffingskortingen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie hoofdstuk 23) voor
werknemers met AOW-leeftijd en ouder
326
Tabel 2c Vermindering van de arbeidskorting (zie hoofdstuk 23) voor werknemers jonger dan AOWleeftijd
327
Tabel 2d Vermindering van de arbeidskorting (zie hoofdstuk 23) voor werknemers met AOW-leeftijd en
ouder
327
Tabel 2e Afbouw algemene heffingskorting voor werknemers jonger dan AOW-leeftijd (zie hoofdstuk
23)
327
Tabel 2f Afbouw algemene heffingskorting voor werknemers met AOW-leeftijd en ouder (zie hoofdstuk
23)
327
Tabel 2g Afbouw ouderenkorting voor werknemers met AOW-leeftijd en ouder (zie hoofdstuk 23) 328
Tabel 3 Tabel voor artiesten en buitenlandse beroepssporters (zie paragraaf 16.4 en 16.6) 328
Tabel 4 Tabel voor aannemers van werk, thuiswerkers, sekswerkers en gelijkgestelden (zie paragraaf
16.2, 16.17, 16.15 en 16.9)
328
Tabel 5 Eindheffing voor werknemers jonger dan AOW-leeftijd (zie paragraaf 24.9) 328
Tabel 6a Eindheffing voor werknemers met AOW-leeftijd en ouder, geboren in 1945 of eerder (zie
paragraaf 24.9)
331
Tabel 6b Eindheffing voor werknemers met AOW-leeftijd en ouder, geboren in 1946 of later (zie
paragraaf 24.9)
333
Tabeltarief 334
Tabel 7 Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (zie paragraaf 25.1) 335
Tabel 8 Minimumloon per 1 januari 2019 336
Tabel 9 Premies werknemersverzekeringen (zie paragraaf 5.2, 5.5 en 5.6) 336
Tabel 10 Premie sectorfonds 2019 (zie paragraaf 5.3) 336
Tabel 10a Sectorale premies voor de gedifferentieerde premie Whk 2019 (zie paragraaf 5.6) 338
Tabel 11 Loontijdvakbedragen maximumpremieloon en maximumbijdrageloon (zie paragraaf 5.7.1,
6.2.1 en 6.2.2)
340
Tabel 12 Loontijdvakbedragen maximumpremieloon en maximumbijdrageloon voor werknemers met
vakantiebonnen voor 19 of minder vakantiedagen per jaar (zie paragraaf 5.7.1, 6.2.1 en 6.2.2)
340
Tabel 13 Loontijdvakbedragen maximumpremieloon en maximumbijdrageloon voor werknemers met
vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar (zie paragraaf 5.7.1, 6.2.1 en 6.2.2)
340
Tabel 14 Overige bedragen voor 2019 340
Tabel 15 Normbedragen 341

Bijlagen ………………………………………………………………………………… 342

Beoordeling gezagsverhouding ……………………………………………………………………. 342

Adressenlijst …………………………………………………………………………………………….. 350

Afkortingenlijst …………………………………………………………………………………………. 352

Verklarende woordenlijst ……………………………………………………………………………. 354

Stappenplan
Stap 1 Nagaan of er een dienstbetrekking is
We kennen verschillende soorten arbeidsrelaties:

– een arbeidsovereenkomst (dienstbetrekking)
Dit is een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer waarin zij afspraken maken over de
voorwaarden waaronder de werknemer tegen betaling en in gezagsverhouding zal werken.

– aanneming van werk
Dit is een overeenkomst waarbij de opdrachtnemer zich verplicht om tegen een bepaalde prijs een
bepaald (bouw)werk tot stand te brengen voor de opdrachtgever.

– een overeenkomst van opdracht
Dit is een overeenkomst waarbij de opdrachtgever een bepaalde dienst of prestatie opdraagt aan een
opdrachtnemer. De opdrachtnemer voert deze dienst of de prestatie zelfstandig uit.

Bij de beoordeling van een arbeidsrelatie is het van belang wat partijen voor ogen staat bij het begin van de
werkzaamheden en hoe zij dat vormgeven. Voor het uiteindelijk vaststellen van de soort arbeidsrelatie is niet
1 enkel kenmerk beslissend: alle omstandigheden bij de feitelijke uitvoering van de overeenkomst zijn in hun
onderlinge samenhang beslissend. Want de feitelijke werkzaamheden moeten in overeenstemming met de
overeenkomst zijn uitgevoerd.

Als er sprake is van een overeenkomst van opdracht of van aanneming van werk, hoeft u over de betalingen
geen loonheffingen in te houden en te betalen. Alleen als een arbeidsrelatie een dienstbetrekking is, moet u
loonheffingen inhouden en betalen.

Loonheffingen zijn:
– de loonbelasting/premie volksverzekeringen
– de premies werknemersverzekeringen
– de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (werkgeversheffing Zvw en bijdrage Zvw)

Met inhouden en betalen van loonheffingen bedoelen we:
– loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden op het loon van de werknemer en betalen
– premies werknemersverzekeringen betalen
– werkgeversheffing Zvw betalen of bijdrage Zvw inhouden op het loon van de werknemer en betalen
U moet dus eerst bepalen of de arbeidsrelatie een dienstbetrekking is (zie paragraaf 1.1). Een werknemer
kan meer dan 1 dienstbetrekking bij u hebben. Hij heeft dan verschillende functies met elk hun eigen
arbeidsvoorwaarden en beloning. U moet dan per dienstbetrekking een loonstaat aanleggen (zie paragraaf
3.2.1). In de aangifte loonheffingen moet u meerdere inkomstenverhoudingen aangeven (zie paragraaf 3.4).
Neemt u voor het eerst iemand in dienst, dan moet u zich als werkgever aanmelden (zie paragraaf 2.1).
Als u iemand betaalt die niet als ondernemer bij u werkt en ook niet bij u in (fictieve) dienstbetrekking is,
moet u die betalingen aan ons doorgeven (zie paragraaf 1.2).

1.1 Wat is een dienstbetrekking?
Een dienstbetrekking is een arbeidsrelatie die is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst tussen een
werkgever en een werknemer. Met deze overeenkomst maken werkgever en werknemer afspraken over de
voorwaarden waaronder de werknemer tegen betaling en in gezagsverhouding zal werken. Meestal leggen de
werkgever en werknemer deze afspraken schriftelijk vast, maar zij kunnen dat ook mondeling of stilzwijgend
doen.
Er is niet alleen sprake van een dienstbetrekking als iemand in vaste dienst is. Ook de omvang van het werk
bepaalt niet of er een dienstbetrekking is. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een dienstbetrekking bij:
– losse hulpkrachten en vakantiewerkers
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 10
– huishoudelijke werkzaamheden (zie paragraaf 16.13.1)
– een ambtelijke aanstelling (benoeming)
– vrijwilligerswerk (zie paragraaf 16.20)
De wet kent 2 soorten dienstbetrekkingen:
– echte dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.1)
– fictieve dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.2)
Daarnaast kan iemand ook loon genieten uit een vroegere dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.3, of uit een
bestaande dienstbetrekking van een ander (zie paragraaf 1.1.4.).
Sommige arbeidsrelaties zijn geen dienstbetrekking voor 1 of meer van de loonheffingen (zie paragraaf
1.1.5). Artiesten en beroepssporters vallen als aparte groep onder de loonbelasting (zie paragraaf
1.1.6). Twijfelt u of er sprake is van een dienstbetrekking, dan kunt u uw belastingkantoor schriftelijk
om een beslissing vragen. Bent u opdrachtgever en wilt u de zekerheid dat er geen sprake is van een
dienstbetrekking, dan kunt u een modelovereenkomst gebruiken (zie paragraaf 1.1.7).
1.1.1 Echte dienstbetrekking
Een echte dienstbetrekking heeft de volgende kenmerken:
– De werknemer heeft zich verplicht om persoonlijk voor de werkgever te werken.
– De werkgever is verplicht om de werknemer voor het werk loon te betalen.
– Tussen de werknemer en de werkgever bestaat een gezagsverhouding.

Gezagsverhouding
Er is een gezagsverhouding als u het recht hebt om opdrachten en aanwijzingen te geven voor het werk
dat moet worden gedaan, of voor bijvoorbeeld werktijden, productie-eisen of omgang met klanten. De
werknemer moet zich aan uw opdrachten en aanwijzingen houden. U kunt het geven van opdrachten en
aanwijzingen ook overlaten aan een ander, bijvoorbeeld aan degene bij wie de werknemer eigenlijk werkt
(bijvoorbeeld als u uw werknemer uitzendt of detacheert).
Er kan ook sprake zijn van een gezagsverhouding als u nauwelijks opdrachten en aanwijzingen geeft.
Bijvoorbeeld als het om eenvoudig werk gaat of als de werknemer specifieke vaardigheden heeft. Zelfs als u
helemaal geen opdrachten en aanwijzingen geeft, kan er sprake zijn van een gezagsverhouding. Bijvoorbeeld
als u toezicht houdt op de werkzaamheden, het werk controleert of klachten over het werk behandelt.

1.1.2 Fictieve dienstbetrekking
Als er geen sprake is van een echte dienstbetrekking, kan de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en
opdrachtnemer (en zelfs de hulpen van de opdrachtnemer) een fictieve dienstbetrekking zijn. Een fictieve
dienstbetrekking en een echte dienstbetrekking worden voor de loonheffingen op dezelfde manier behandeld.
U past voor het inhouden en betalen van loonheffingen dezelfde regels toe als bij echte dienstbetrekkingen.
De volgende arbeidsrelaties zijn fictieve dienstbetrekkingen voor alle loonheffingen:
– aannemers van werk en hun hulpen (zie paragraaf 16.2)
– agenten en subagenten (zie paragraaf 16.3)
– bestuurders van coöperaties met werknemerszelfbestuur (zie paragraaf 16.7)
– uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen met een one tier board en alle
bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen met een two tier board (zie paragraaf 16.7)
Dit geldt alleen voor overeenkomsten tussen bestuurders en beursgenoteerde nv’s die zijn aangegaan
vanaf 1 januari 2013. Is de overeenkomst aangegaan voor 2013, dan is sprake van een echte
dienstbetrekking.

– gelijkgestelden (zie paragraaf 16.9)
– leerlingen en stagiairs (zie paragraaf 16.10)
– sekswerkers die werken voor een exploitant (zie paragraaf 16.15)
– thuiswerkers en hun hulpen (zie paragraaf 16.17)
– topsporters met een A-status van NOC*NSF (zie paragraaf 16.18)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 11
– uitzendkrachten (zie paragraaf 16.19)
Voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zijn de volgende
arbeidsrelaties ook fictieve dienstbetrekkingen:
– (partners van) aandeelhouders met een aanmerkelijk belang, tenzij ze al een echte dienstbetrekking
hebben (zie paragraaf 16.1)
– meewerkende kinderen (zie paragraaf 16.11)
– pseudowerknemers (opting-in) (zie paragraaf 16.14)

1.1.3 Vroegere dienstbetrekking
Bij een vroegere dienstbetrekking is de dienstbetrekking beëindigd. De ex-werknemer heeft nog
wel inkomsten uit die beëindigde (vroegere) dienstbetrekking. Bijvoorbeeld een pensioen- of een
ontslaguitkering. Ook sommige soorten uitkeringen zijn loon uit vroegere dienstbetrekking, waarvoor de
regels voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en soms ook
de premies werknemersverzekeringen gelden (zie ook paragraaf 4.3).
1.1.4 Bestaande dienstbetrekking van een ander
Als de werkgever in verband met de dienstbetrekking van een werknemer aan een derde een uitkering
doet waarop slechts de derde en niet de werknemer recht heeft dan moet daarop loonbelasting worden
ingehouden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als u een kind van een werknemer een zelfstandig recht geeft op
een studietoelage.

1.1.5 Geen dienstbetrekking voor 1 of meer van de loonheffingen
Sommige arbeidsrelaties zijn geen dienstbetrekking voor:
– de loonbelasting
– de werknemersverzekeringen
– de loonbelasting én de werknemersverzekeringen
Geen dienstbetrekking voor de loonbelasting
Woont uw werknemer in het buitenland en werkt hij ook alleen in het buitenland? Dan is de arbeidsrelatie die
u met hem hebt, geen dienstbetrekking voor de loonbelasting (zie hoofdstuk 17).
Geen dienstbetrekking voor de werknemersverzekeringen
Sommige arbeidsrelaties zijn alleen voor de werknemersverzekeringen geen dienstbetrekking. U hoeft voor
deze arbeidsrelaties geen premies werknemersverzekeringen te betalen. U moet wel loonbelasting/premie
volksverzekeringen inhouden, en werkgeversheffing Zvw betalen of bijdrage Zvw inhouden.

De arbeidsrelaties met de volgende personen zijn geen dienstbetrekking voor de werknemersverzekeringen:
– vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland houden
– huispersoneel
– leden van de vrijwillige politie en brandweer
– bepaalde directeuren-grootaandeelhouders van een nv of bv (zie paragraaf 16.1.1 en 16.7)
– ministers en staatssecretarissen
– commissarissen van de Koning en leden van Gedeputeerde Staten
– burgemeesters, wethouders, raadsleden
– Nationale Ombudsman en de substituut ombudsman
– voorzitters van waterschappen
– Rijksvertegenwoordigers voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
– werknemers die wonen of werken in het buitenland en daar verzekerd zijn (zie hoofdstuk 18)
– bepaalde werknemers in het internationaal vervoer

Een werknemer is vanaf de dag waarop hij de AOW-leeftijd bereikt en niet meer werkt, niet meer verzekerd
voor de werknemersverzekeringen. U hoeft geen premies werknemersverzekeringen meer te betalen vanaf
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 12
de 1e dag van de maand waarin de werknemer deze leeftijd bereikt (zie paragraaf 16.21). In 2019 is de
AOW-leeftijd 66 jaar plus 4 maanden.
Een werknemer die de AOW-leeftijd heeft bereikt en ook na de AOW-leeftijd doorwerkt, is verzekerd voor
de ZW. U betaalt voor deze werknemer geen premies werknemersverzekeringen. Als de werknemer ziek
is, betaalt u hem maximaal 13 weken zijn loon door. Betaalt UWV het ziekengeld aan deze werknemer, dan
verhaalt UWV het ziekengeld op u.
Twijfelt u of er voor de werknemersverzekeringen sprake is van een dienstbetrekking? Dan kunt
u uw belastingkantoor schriftelijk vragen om een beslissing over het verzekerd zijn voor de
werknemersverzekeringen.
Geen dienstbetrekking voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen
Enkele arbeidsrelaties zijn geen dienstbetrekking voor de loonbelasting en ook niet voor de
werknemersverzekeringen. Het gaat om de volgende arbeidsrelaties:
– vrijwilligers die onder de vrijwilligersregeling vallen
– personen die werken via een overeenkomst van opdracht of modelovereenkomst

1.1.6 Artiesten en beroepssporters: aparte groep voor loonbelasting
Artiesten en beroepssporters die niet in echte dienstbetrekking zijn en die ook niet hebben gekozen
voor opting-in (zie paragraaf 16.14), vallen als aparte groep onder de loonbelasting. Dat geldt ook voor
buitenlandse gezelschappen van artiesten en beroepssporters. Topsporters met een A-status van NOC*NSF
hebben een fictieve dienstbetrekking voor alle loonheffingen (zie paragraaf 16.18).
Let op!
Artiesten zijn voor de werknemersverzekeringen in fictieve dienstbetrekking. Meer informatie vindt u in
de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de handleiding voor 2019
in de loop van het jaar downloaden van belastingdienst.nl.

1.1.7 Modelovereenkomsten en de wet DBA
Als u werkt met een freelancer of zelfstandige zonder personeel en twijfelt of er sprake is van een
dienstbetrekking, gebruik dan een modelovereenkomst. U hoeft geen loonheffingen in te houden en te
betalen als u en uw opdrachtnemer volgens deze overeenkomst werken. De opdrachtnemer is niet verzekerd
voor de werknemersverzekeringen en u houdt geen bijdrage Zvw in. Voor de inkomstenbelasting en de
bijdrage Zvw krijgt de opdrachtnemer zelf een aanslag.
De modelovereenkomsten vervangen de ‘Verklaring arbeidsrelatie’ (VAR), die sinds 1 mei 2016 is
afgeschaft. Meer informatie over het werken met modelovereenkomsten, de wet Deregulering Beoordeling
Arbeidsrelaties (wet DBA) en de handhaving daarvan vindt u op belastingdienst.nl/dba.

1.2 Opgaaf van uitbetaalde bedragen aan een derde
Als u iemand betaalt die niet als ondernemer bij u werkt en ook niet bij u in (fictieve) dienstbetrekking is,
moet u die betalingen aan ons aanleveren. Dat geldt voor betalingen in geld en voor betalingen in natura. Dit
zijn de zogenoemde uitbetaalde bedragen aan een derde. Denk aan:
– betalingen aan auteurs, sprekers en deelnemers aan medische proeven
– medewerkers voor wie de fictieve dienstbetrekking niet geldt, omdat ze niet voldoen aan alle
voorwaarden van bijvoorbeeld gelijkgestelden (zie paragraaf 16.9) of thuiswerkers (zie paragraaf 16.17)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 13

Let op!
Betalingen aan vrijwilligers die onder de vrijwilligersregeling vallen, hoeft u niet aan ons aan te leveren.
Meer informatie over vrijwilligers vindt u in paragraaf 16.20.
U levert gegevens over de uitbetaalde bedragen aan derden aan vóór 1 februari van het jaar na het jaar
waarin u de bedragen hebt betaald. Betaalt u in 2019 bedragen aan derden? Dan moet u deze betalingen dus
voor 1 februari 2020 aan ons aanleveren. Dat doet u digitaal.
Meer informatie over het digitaal aanleveren van de gegevens vindt u op belastingdienst.nl/ib47.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 14

Stap 2 Gegevens werknemer administreren
Als u voor het eerst een werknemer in dienst neemt, moet u zich als werkgever aanmelden (zie paragraaf
2.1).
Voordat een werknemer bij u gaat werken, moet u:
– de identiteit van de werknemer hebben vastgesteld (zie paragraaf 2.2)
– de gegevens van de werknemer hebben verzameld voor de aangifte loonheffingen (zie paragraaf 2.3)

In bijzondere gevallen moet u voor uw werknemers eerstedagsmelding doen (zie paragraaf 2.4).

Let op!
Gaat uw werknemer werken op de dag waarop u hem aanneemt? Dan moet u deze verplichtingen
nakomen voordat uw werknemer begint met werken.
Soms kunt u van deze regels afwijken, bijvoorbeeld bij een fusie of overname (zie paragraaf 2.5). Als u van
een werknemer geen gegevens voor de loonheffingen hebt of als u zijn identiteit niet kunt vaststellen, past u
voor deze werknemer het anoniementarief toe (zie paragraaf 2.6).

2.1 Aanmelden als werkgever
Als u voor het eerst een werknemer in dienst neemt, moet u zich als werkgever aanmelden. Dat doet u
met het formulier ‘Melding Loonheffingen Aanmelding Werkgever’. U kunt dit formulier downloaden van
belastingdienst.nl.
In de volgende situaties gebruikt u niet het formulier ‘Melding Loonheffingen Aanmelding Werkgever’, maar 1
van de volgende formulieren:
– ‘Melding Loonheffingen Premies werknemersverzekeringen betalen’
Dit formulier gebruikt u als u zich al hebt aangemeld als werkgever, maar nog geen premies
werknemersverzekeringen betaalt. U krijgt na de melding een brief van ons waarin staat bij welke sector
u bent aangesloten en een brief met het percentage voor de gedifferentieerde premie werkhervattingskas
(Whk). U kunt dit formulier downloaden van belastingdienst.nl.

– ‘Melding Loonheffingen Aangifte doen voor artiesten of beroepssporters’
Dit formulier gebruikt u als u aangifte moet doen voor een optreden door artiesten, beroepssporters
of groepen en nog geen loonheffingennummer hebt. Of als u al wel een loonheffingennummer hebt,
maar voor artiesten of beroepssporters een afzonderlijk loonheffingennummer wilt. U kunt dit formulier
downloaden van belastingdienst.nl. Zie paragraaf 16.4 en 16.6 voor meer informatie.
– ‘Melding Loonheffingen Werkgever van personeel aan huis’
Dit formulier gebruikt u als u als particulier aangifte loonheffingen moet doen voor personeel aan huis.
U krijgt van ons dan een loonheffingennummer. U krijgt ook een aangiftebrief waarin staat over welke
tijdvakken u aangifte moet doen. U kunt dit formulier downloaden van belastingdienst.nl. Zie paragraaf
16.13.3 voor meer informatie.

– ‘Melding Loonheffingen Overdracht van activiteiten’
Dit formulier gebruikt u om te melden dat u activiteiten overdraagt aan een andere werkgever, dat u
activiteiten overneemt van een andere werkgever of dat de rechtsvorm van uw onderneming verandert,
bijvoorbeeld van eenmanszaak in bv. U kunt dit formulier downloaden van belastingdienst.nl. Zie
paragraaf 2.5 voor meer informatie.

– ‘Melding Loonheffingen Werkgever van meewerkende kinderen’
Dit formulier gebruikt u als een kind van u gaat meewerken in uw onderneming en u gebruik wilt maken
van de vereenvoudigde regeling voor meewerkende kinderen. Als wij u toestemming geven om gebruik te
maken van deze regeling, krijgt u voor deze dienstbetrekking een apart loonheffingennummer. U kunt dit
formulier downloaden van belastingdienst.nl. Zie paragraaf 16.11 voor meer informatie.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 15

U neemt een onderneming met werknemers over
Als u uw bedrijf start door een onderneming met werknemers over te nemen, dan moet u:
– zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en dan ook direct aanmelden als werkgever
– samen met de overdragende werkgever het formulier ‘Melding Loonheffingen Overdracht van activiteiten’
opsturen
U kunt dit formulier downloaden van belastingdienst.nl.

Neemt u enige tijd na de start van uw bedrijf een onderneming met werknemers over, waardoor u voor het
eerst werkgever wordt, dan moet u:
– zich bij ons aanmelden als werkgever met het formulier ‘Melding Loonheffingen Aanmelding Werkgever’
U kunt dit formulier downloaden van belastingdienst.nl.
– samen met de overdragende werkgever het formulier ‘Melding Loonheffingen Overdracht van activiteiten’
opsturen
U kunt dit formulier downloaden van belastingdienst.nl.
Was de overdragende werkgever eigenrisicodrager voor de WGA en/of de ZW, dan kunt u dat niet
automatisch voortzetten. U moet het eigenrisicodragerschap zelf aanvragen (zie paragraaf 5.8).
Als u zich hebt aangemeld
Als u zich als werkgever hebt aangemeld, krijgt u van ons:
– een loonheffingennummer
Dit loonheffingennummer hebt u nodig om aangifte loonheffingen te kunnen doen. U vermeldt het ook
steeds op uw correspondentie met ons.
– een aangiftebrief
In deze brief staat over welke tijdvakken u aangifte moet doen.
– als u voor de werknemer premies werknemersverzekeringen moet gaan betalen: een brief waarin staat
bij welke sector u bent aangesloten en een brief met het percentage voor de gedifferentieerde premie
Whk

Let op!
Misschien hebt u zich als werkgever aangemeld, maar werkt er nog geen werknemer bij u. U bent dan
toch verplicht om op tijd aangifte te doen (zie ook hoofdstuk 11).

Afgifte nieuw loonheffingennummer
Wij geven een nieuw loonheffingennummer af binnen 5 werkdagen nadat wij uw aanvraag hebben gekregen.
Of binnen 5 werkdagen nadat een werknemer bij u in dienst is gekomen, als de datum van het begin van de
dienstbetrekking in de toekomst ligt. Wij moeten dan wel alle gegevens hebben. In bijzondere gevallen of als
de gegevens onvolledig zijn, vragen wij u om meer informatie. Hierdoor kan het langer duren voordat u uw
loonheffingennummer krijgt.
Als de rechtsvorm van uw onderneming verandert, krijgt u ook een nieuw loonheffingennummer. Zie
paragraaf 15.1.1 voor meer informatie over aangifte doen in deze situatie.

2.2 Identiteit van uw werknemer vaststellen
U moet de identiteit van uw werknemer vaststellen, vóórdat hij bij u gaat werken. Een goed leesbare kopie
van het identiteitsbewijs bewaart u in uw loonadministratie.
Op de kopie moeten alle persoonsgegevens staan die ook op het originele identiteitsbewijs staan. Bij
het paspoort model 2013 en de identiteitskaart (ID-kaart) model 2013 moet u ook de bladzijde met het
burgerservicenummer (BSN) kopiëren.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 16

Hoe u de identiteit vaststelt, leest u in het ‘Stappenplan verificatieplicht’. U kunt dit stappenplan
downloaden van eerlijkwerken.zelfinspectie.nl. Met dat plan kunt u in 5 stappen de identiteit van uw
werknemer vaststellen en bepalen of een buitenlandse werknemer voor u mag werken. Maakt u gebruik van
arbeidskrachten die niet op uw loonlijst staan, zoals uitzendkrachten? Lees dan aan het eind van hetzelfde
stappenplan welke afwijkende regels voor deze arbeidskrachten gelden.
U hoeft alleen de identiteit vast te stellen van werknemers met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en
niet van werknemers met loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals (pre)pensioenuitkeringen.
In de volgende paragrafen vindt u informatie over:
– samenhangende groep inhoudingsplichtigen (zie paragraaf 2.2.1)
– de identificatieplicht op de werkplek (zie paragraaf 2.2.2)
– verzuimboete (zie paragraaf 2.2.3)

2.2.1 Samenhangende groep inhoudingsplichtigen
Als een werknemer binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen van werkgever wisselt, hoeft de
nieuwe werkgever niet opnieuw de identiteit van die werknemer vast te stellen (zie ook paragraaf 3.6).

2.2.2 Identificatie op de werkplek
Iedereen die op de werkplek is, moet op elk moment een geldig en origineel identiteitsbewijs kunnen
laten zien. Werknemers uit Nederland en de EU/EER mogen hiervoor een rijbewijs gebruiken. U moet uw
werknemers hierop wijzen. Bij een controle moet u uw werknemers de gelegenheid geven om aan hun
identificatieplicht te voldoen.

2.2.3 Verzuimboete
Als u de identiteit van uw werknemer niet of niet op de juiste manier kunt vaststellen, past u het
anoniementarief toe (zie paragraaf 2.6). Anders kunt u direct, zonder strafprocedure, een verzuimboete van
maximaal € 5.278 krijgen.
De werknemer zelf is ook verplicht om zijn identiteit op de juiste manier door u te laten vaststellen. Doet hij
dat niet, dan kan hij ook een verzuimboete van maximaal € 5.278 krijgen.

2.3 Gegevens voor de loonheffingen krijgen
Nadat u een werknemer in dienst hebt genomen, moet u aangifte loonheffingen doen. Hiervoor hebt u
gegevens van de werknemer nodig. De nieuwe werknemer geeft u de gegevens digitaal of op papier door.
In de volgende paragrafen vindt u informatie over:
– de gegevens die u van uw werknemer moet krijgen (zie paragraaf 2.3.1)
– situaties waarin u geen gegevens van uw werknemer hoeft te krijgen (zie paragraaf 2.3.2)
– het controleren en administreren van de gegevens (zie paragraaf 2.3.3)
– het bewaren van de gegevens (zie paragraaf 2.3.4)
– verzuimboete (zie paragraaf 2.3.5)

2.3.1 Welke gegevens moet u krijgen?
Vóór de 1e werkdag of – als u de werknemer op de 1e werkdag aanneemt – op de 1e werkdag vóór aanvang
van de werkzaamheden, moet u de volgende gegevens van uw werknemer krijgen:
– naam en voorletters
– burgerservicenummer
Als uw werknemer nog geen burgerservicenummer heeft gekregen, gebruikt u zijn personeelsnummer,
totdat hij wel een burgerservicenummer heeft.
– adres
– postcode en woonplaats
– woonland en regio als de werknemer niet in Nederland woont
– geboortedatum

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 17

– een verzoek om de loonheffingskorting (zie paragraaf 23.1) toe te passen (als de werknemer wil dat u
deze heffingskorting toepast)
De werknemer levert deze gegevens op papier of digitaal aan, voorzien van datum en handtekening.
Daarvoor kan hij het ‘Model Opgaaf gegevens voor de loonheffingen’ gebruiken. Dit model is te downloaden
van belastingdienst.nl. Maar u of uw werknemer mag ook een eigen model gebruiken met daarop alle
hiervoor opgesomde gegevens. Een kopie van een geldig identiteitsbewijs met daarop alle hiervoor
opgesomde gegevens (inclusief het verzoek om toepassing van de loonheffingskorting en handtekening met
datum) is ook voldoende.
Als de naam, het adres, de woonplaats of het BSN ontbreekt, past u het anoniementarief toe (zie paragraaf
2.6). Dat doet u ook als:
– de werknemer wel een BSN heeft aangevraagd, maar nog niet heeft gekregen
– u van een werknemer die inwoner is van Nederland, alleen een postadres hebt
– u van een werknemer die geen inwoner is van Nederland, alleen het tijdelijke Nederlandse (post)adres
hebt en niet het adres in het buitenland
Let op!
Studenten en scholieren die gebruik willen maken van de studenten- en scholierenregeling, moeten
hiervoor een verzoek toevoegen aan hun gegevens voor de loonheffingen (zie paragraaf 16.16). U kunt
daarvoor ook het Model Opgaaf voor de loonheffingen (studenten- en scholierenregeling) downloaden
van belastingdienst.nl.

2.3.2 Gegevens voor de loonheffingen niet nodig
Van bepaalde werknemers hebt u alleen het BSN nodig. De andere gegevens voor de loonheffingen hoeft u
niet te krijgen. Het gaat dan om:
– werknemers die in Nederland wonen en ouder zijn dan de AOW-leeftijd met loon uit vroegere
dienstbetrekking (waarin wel of geen AOW-uitkering is begrepen)
– werknemers die u opnieuw in dienst neemt
Voorwaarde is wel dat de gegevens voor de loonheffingen intussen niet zijn veranderd. Uw werknemer
moet bij het begin van de werkzaamheden ervoor tekenen dat de gegevens nog juist zijn.
– werknemers die een uitkering krijgen op basis van de Participatiewet
– (ex-)werknemers die een Ziektewet- of WW-uitkering krijgen en van wie u naam, adres, woonplaats en
burgerservicenummer aan de uitkeringsinstantie hebt doorgegeven
– werknemers jonger dan de AOW-leeftijd (in 2019: 66 jaar en 4 maanden) met loon uit vroegere
dienstbetrekking van wie u weet dat zij naast hun loon een Waz-, Wet Wajong- of Anw-uitkering hebben
– werknemers die ouder zijn dan de AOW-leeftijd met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
– werknemers die in Nederland wonen en ouder zijn dan de AOW-leeftijd met een AOW-uitkering
– werknemers met een tegemoetkoming volgens de Wet Tegemoetkoming Arbeidsongeschikten
– werknemers die binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen van werkgever wisselen (zie
paragraaf 3.6)

Let op!
U moet wel de identiteit vaststellen van werknemers met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (zie
paragraaf 2.2).
Loonheffingskorting
Of u de loonheffingskorting wel of niet toepast, bepaalt de werknemer. U past de loonheffingskorting alleen
toe als de werknemer u daar schriftelijk, met datum en handtekening, om vraagt (zie paragraaf 23.1).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 18
Daarop zijn een aantal uitzonderingen. Voor de volgende werknemers ligt vast of u de loonheffingskorting
moet toepassen:
– meewerkende kinderen voor wie de bijzondere regeling voor meewerkende kinderen geldt (zie ook
paragraaf 16.11)
U past de loonheffingskorting toe.
– werknemers die ook een AOW-uitkering krijgen
U past de algemene heffingskorting niet toe. De arbeidskorting past u wel toe als de werknemer daar
schriftelijk om vraagt.
– tegemoetkomingen volgens de Wet Tegemoetkoming Arbeidsongeschikten
U past de loonheffingskorting niet toe.
2.3.3 Gegevens voor de loonheffingen controleren en administreren
Als u gegevens voor de loonheffingen van uw werknemer krijgt, moet u deze controleren en vervolgens
vastleggen in uw administratie (zie hoofdstuk 3).
Woonplaats werknemer controleren
Met ingang van 1 januari 2019 moet u weten in welk land uw werknemer woont om de juiste
loonbelastingtabel te kunnen gebruiken. Controleer dus ook of u de juiste woonplaats van uw werknemer
krijgt. Als uw werknemer een woonplaats in Nederland doorgeeft, wil dat nog niet zeggen dat hij ook inwoner
van Nederland is.
Een werknemer die hier zijn permanente woon- of verblijfplaats heeft, is inwoner van Nederland. Bij een
werknemer die zowel in Nederland als in het buitenland woont of verblijft, is het de vraag of hij inwoners is
van Nederland. Hij is alleen inwoner van Nederland als zijn sociale en economische leven zich hier afspeelt.
Woont het gezin van de werknemer bijvoorbeeld in het buitenland, gaan zijn kinderen daar naar school en
houdt hij daar bankrekeningen aan, dan is hij geen inwoner van Nederland.
Bij een werknemer zonder gezin is zijn intentie van belang: Is hij van plan zich hier te vestigen, dan woont
hij in Nederland. Is hij van plan om hier alleen korte tijd te blijven, dan is hij geen inwoner van Nederland.
Waar een werknemer woont, bepaalt u op basis van de feiten en omstandigheden die u bekend zijn:
bijvoorbeeld de woonplaats die de werknemer u aanlevert als 1 van de gegevens van de loonheffingen,
reiskostenvergoedingen die u hem betaalt en gegevens voor beoordeling van de verzekeringsplicht. In de
meeste gevallen kunt u zo vaststellen van welk land de werknemer inwoner is.
Hebt u reden om te twijfelen, dan kunt u uw werknemer vragen om een woonplaatsverklaring. U weet dan
zeker in welk land de werknemer woont. De werknemer kan de woonplaatsverklaring aanvragen bij een
belastingkantoor in het land waarvan hij inwoner is. Is uw werknemer inwoner van Nederland, dan kan hij
een woonplaatsverklaring aanvragen bij Belastingdienst/kantoor Arnhem.

2.3.4 Gegevens voor de loonheffingen bewaren
U bewaart de gegevens voor de loonheffingen ten minste 5 kalenderjaren na het kalenderjaar waarin de
dienstbetrekking eindigt. U bewaart de gegevens bij de loonadministratie. Wij kunnen om deze gegevens
vragen (zie ook paragraaf 3.5).

2.3.5 Verzuimboete
Als u geen gegevens voor de loonheffingen van uw werknemer krijgt, past u het anoniementarief toe (zie
paragraaf 2.6). Anders kunt u direct, zonder strafprocedure, een verzuimboete van maximaal € 5.278
krijgen.
De werknemer zelf is ook verplicht om u de gegevens voor de loonheffingen door te geven. Doet hij dat niet,
dan kan hij ook een verzuimboete van maximaal € 5.278 krijgen.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 19

2.4 Eerstedagsmelding doen
U hoeft geen eerstedagsmelding te doen, tenzij wij u verplichten om dat te doen. Dat doen wij in de volgende
situaties:
– U hebt een naheffingsaanslag gekregen, omdat u uw werknemers niet in de loonadministratie hebt
opgenomen.
– U hebt van ons een vergrijpboete gekregen, omdat u de loonheffingen niet of te laat hebt betaald.
– U wordt strafrechtelijk vervolgd, omdat u:
– werknemers in dienst hebt die illegaal in Nederland zijn
– uw bedrijf niet bij het handelsregister hebt ingeschreven
– uw verplichtingen voor de loonheffingen niet bent nagekomen
– U hebt een boete gekregen, omdat u illegale werknemers in dienst hebt.

2.5 Fusie of overname en dergelijke
Bij een fusie of overname van een onderneming en bij een splitsing of een verandering van de rechtsvorm
van uw onderneming kan er sprake zijn van een verplichte voortgezette dienstbetrekking. De oude en de
nieuwe werkgever geven de verandering aan ons door met het formulier ‘Melding Loonheffingen Overdracht
van activiteiten’. U kunt dit formulier downloaden van onze internetsite.
Bij een verplichte voortgezette dienstbetrekking eindigt de arbeidsovereenkomst van de werknemer met de
oude werkgever. De arbeidsovereenkomst wordt voortgezet bij de nieuwe werkgever. Er is dan wel sprake
van een nieuwe inkomstenverhouding (zie paragraaf 3.4.1).
De nieuwe werkgever hoeft van deze werknemer niet opnieuw de gegevens voor de loonheffingen te
krijgen als hij deze van de oude werkgever heeft gekregen. Als de oude werkgever ook een kopie van het
identiteitsbewijs van de werknemer overdraagt, hoeft de nieuwe werkgever ook niet opnieuw de identiteit
vast te stellen.

2.6 Anoniementarief
Het anoniementarief past u toe in de volgende situaties:
– U krijgt de gegevens voor de loonheffingen niet op tijd van uw werknemer (vóór de 1e werkdag of op de
1e werkdag als u op deze dag uw werknemer aanneemt) (zie ook paragraaf 2.3.1). Of u stelt de identiteit
van uw werknemer niet vast.
– U bewaart de gegevens niet op de juiste manier bij uw loonadministratie.
– U weet dat u onjuiste gegevens van uw werknemer hebt gekregen of u had dat kunnen weten.
– Uw werknemer heeft geen geldige verblijfs- of tewerkstellingsvergunning.
Betaalt u een uitkeringsgerechtigde loon uit vroegere dienstbetrekking (zie paragraaf 4.3), dan past u het
anoniementarief toe als u de gegevens voor de loonheffingen niet van de uitkeringsgerechtigde krijgt vóór de
1e betaaldag van de uitkering.

Als u het anoniementarief toepast, houdt u 52% loonbelasting/premie volksverzekeringen in. U houdt geen
rekening met:
– de loonheffingskorting (zie ook paragraaf 23.1)
– het maximumpremieloon voor de premies werknemersverzekeringen (zie paragraaf 5.7.1)
– het maximumbijdrageloon voor de werkgeversheffing Zvw (zie hoofdstuk 6)
– het maximumbijdrageloon voor de bijdrage Zvw (zie hoofdstuk 6)

Als u de (juiste) gegevens voor de loonheffingen later wél krijgt, mag u eerdere aangiftetijdvakken waarin u
het anoniementarief hebt toegepast, niet corrigeren. U mag het anoniementarief alleen corrigeren als u het
door een fout in de administratie ten onrechte hebt toegepast. Als de werknemer zijn burgerservicenummer
bijvoorbeeld wel op tijd had aangeleverd, maar het nog niet in de administratie was verwerkt.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 20
De anonieme werknemer kan de eventueel te veel ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen
terugkrijgen via zijn aangifte inkomstenbelasting. Zie voor de eventueel te veel betaalde premies
werknemersverzekeringen paragraaf 5.7.2. En voor de eventueel te veel betaalde werkgeversheffing Zvw of
te veel ingehouden bijdrage Zvw paragraaf 6.2.4.

Let op!
Voor anonieme werknemers geldt een aparte tabel voor de eindheffing (zie tabel 5, 6a en 6b achter in
dit handboek).

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 21

Stap 3 Loonadministratie aanleggen
Als u 1 of meer werknemers in dienst neemt, moet u een loonadministratie gaan bijhouden. Deze
administratie moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Dat is onder meer nodig om ons de juiste gegevens
te kunnen verstrekken.
Voor uw loonadministratie hebt u informatie van ons nodig (zie paragraaf 3.1). U hebt een aantal algemene
(zie paragraaf 3.2) en bijzondere (zie paragraaf 3.3) administratieve verplichtingen. Daarnaast hebt u te
maken met inkomstenverhoudingen (zie paragraaf 3.4). Verder stellen wij eisen aan de bewaarplaats en de
bewaartermijnen van uw loonadministratie en kunnen wij een controle bij u instellen (zie paragraaf 3.5).
Bestaat uw bedrijf uit meerdere zelfstandige bedrijfsonderdelen en wilt u uw administratieve lasten
verminderen? Vraag ons dan om u aan te wijzen als samenhangende groep inhoudingsplichtigen (zie
paragraaf 3.6).

3.1 Informatie die u nodig hebt voor de loonadministratie
U hebt verschillende soorten informatie nodig voor uw loonadministratie. Een deel van die informatie krijgt
u van ons. Wij zorgen ervoor dat u de informatie op tijd krijgt. Sommige informatie sturen wij per post
(zie paragraaf 3.1.1), andere informatie vindt u op belastingdienst.nl (zie paragraaf 3.1.2). Hebt u een
geautomatiseerde loonadministratie (zie paragraaf 3.1.3), dan is sommige informatie daar al in verwerkt. Bij
een handmatige loonadministratie (zie paragraaf 3.1.4) moet u meer zelf doen.

Let op!
Wijzigt de rechtsvorm van uw onderneming? Dit heeft onder andere invloed op de informatie die u nodig
hebt. Geef dit dus zo snel mogelijk door aan de Kamer van Koophandel. Ook moet u ons het formulier
‘Melding Loonheffingen Overdracht van activiteiten’ sturen. U kunt dit formulier downloaden van onze
internetsite.

3.1.1 Informatie per post
Een deel van de informatie krijgt u van ons toegestuurd via de post. Het gaat bijvoorbeeld om:
– de ‘Aangiftebrief loonheffingen’, waarin staat wanneer u aangifte moet doen
U krijgt deze elk jaar in november.
– de beschikking waarin staat bij welke sector u bent aangesloten, zodat u de juiste sectorpercentages
gebruikt
U krijgt deze na uw aanmelding als werkgever en als u een wijziging doorgeeft.
– informatie over de premies werknemersverzekeringen, zoals de beschikking of mededeling met het
gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas (Whk)
U krijgt de beschikking of mededeling elk jaar in december.
Let op!
Verhuist uw bedrijf? Geef dan uw nieuwe adres zo snel mogelijk door aan de Kamer van Koophandel. De
Kamer van Koophandel geeft de adreswijziging aan ons door. Door het snel door te geven, voorkomt u
dat wij uw post naar het oude adres sturen.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 22

3.1.2 Digitale informatie
Het loonheffingennieuws vindt u op belastingdienst.nl/loonheffingen bij ‘Nieuws’. Door de rss-feed te
gebruiken, blijft u op de hoogte van het laatste nieuws. Een overzicht van alle veranderingen in 2019 vindt u
op belastingdienst.nl/loonheffingen onder ‘Veranderingen 2019’.

3.1.3 Geautomatiseerde loonadministratie
Maakt u gebruik van een salarissoftwarepakket? Dan heeft uw softwareleverancier vaak al jaarafhankelijke
gegevens, zoals tabellen, percentages en rekenvoorschriften, in het pakket verwerkt. Dit betekent dat het
pakket de loonheffingen voor u berekent.
Zelf salarissoftware ontwikkelen
Ontwikkelt u zelf uw salarissoftware? Wij kunnen u daarbij helpen. Via odb.belastingdienst.nl meldt
u zich aan voor een ondersteuningsabonnement. U krijgt dan toegang tot deze internetsite voor
softwareontwikkelaars. U kunt dan bijvoorbeeld de rekenvoorschriften voor het salarissoftwarepakket al eind
november downloaden. Dit is een maand eerder dan op belastingdienst.nl.

3.1.4 Handmatige loonadministratie
Gebruikt u geen salarissoftwarepakket? Dan gebruikt u de loonbelastingtabellen voor de berekening van
de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 7.3). U kunt deze tabellen voor 2012 tot en
met 2016 downloaden van onze internetsite. Voor de tabellen van 2019, 2018 en 2017 gebruikt u de
Rekenhulp Loonbelastingtabellen. Na het beantwoorden van enkele vragen genereert de rekenhulp de juiste
loonbelastingtabel voor u. De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/tabellen.
Tabellen met percentages van de overige loonheffingen vindt u in dit handboek.

3.2 Algemene administratieve verplichtingen
U moet alle gegevens van de werknemer administreren. Een deel van die gegevens zet u op de loonstaat, die
u per dienstbetrekking moet aanleggen (zie paragraaf 3.2.1). Overige gegevens, zoals het arbeidscontract,
bewaart u bij de loonadministratie (zie paragraaf 3.2.2). Verder moet u aan uw werknemers een loonstrook
(zie hoofdstuk 10) en een jaaropgaaf (zie hoofdstuk 13) geven.

3.2.1 Loonstaat aanleggen
In een loonstaat houdt u gegevens van de werknemer en zijn loon bij, zoals persoonsgegevens,
toepassing van de loonheffingskorting en het nummer inkomstenverhouding (zie paragraaf 3.4.2). Als
uw werknemer meer dan 1 dienstbetrekking bij u heeft, moet u voor elke dienstbetrekking een loonstaat
aanleggen. Jaarlijks legt u vóór de 1e loonbetaling een loonstaat aan. Als u gebruikmaakt van een
salarissoftwarepakket, legt het pakket de loonstaten aan. U moet een loonstaat hebben voor elke werknemer
of uitkeringsgerechtigde (hierna: werknemer) die bij u in echte of fictieve dienstbetrekking (zie hoofdstuk 1)
is.
Voor een meewerkend kind (zie paragraaf 16.11) of iemand die van u een bijstandsuitkering krijgt, hoeft u
geen loonstaat aan te leggen.

Let op!
Krijgt uw werknemer van u loon uit meerdere vroegere of tegenwoordige dienstbetrekkingen of uit
meerdere inkomstenverhoudingen? Leg dan bij voorkeur een loonstaat per inkomstenverhouding aan
(zie paragraaf 3.4). Houd voor de berekening van de loonheffingen rekening met het totaal van deze
lonen (zie paragraaf 7.6).

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 23

In hoofdstuk 9 vindt u meer informatie over het bijhouden van de loonstaat.

Model loonstaat
Als u geen volledig geautomatiseerde loonadministratie gebruikt, of uw loonadministratie niet uitbesteedt,
moet u zelf zorgen voor loonstaten. U kunt het Model loonstaat 2019 downloaden van onze internetsite. U
mag afwijken van dit model, maar de loonstaten moeten op een duidelijke manier ten minste de gegevens
bevatten die op het model staan.
Wilt u of het bureau dat uw loonadministratie verzorgt, een loonstaat gebruiken waarop niet al deze
gegevens staan? Dan moet u daarvoor toestemming aan ons vragen. Wij kunnen voorwaarden stellen. U
vraagt toestemming door een verzoek in te dienen bij uw belastingkantoor.

3.2.2 Overige gegevens bij de loonadministratie
Naast de loonstaat moet u alle gegevens over uw werknemer administreren die van belang zijn voor onze
controles. Zoals:
– het arbeidscontract
– de opgaaf van gegevens voor de loonheffingen (zie paragraaf 2.3)
– de kopie van het identiteitsbewijs (zie paragraaf 2.2)
– verlof- en ziektestaten
Werken in uw bedrijf personen die in dienst zijn van een buitenlandse onderneming? Dan raden wij u aan
een kopie te maken van de originele detacheringsverklaring. Het buitenlandse socialezekerheidsorgaan geeft
deze detacheringsverklaring af. Bij een detachering binnen de EU is dit de zogenoemde E101-verklaring of het
formulier A1/certificate of coverage.

Verder raden wij u aan om bij de loonadministratie alle berekeningen te bewaren waaruit de aansluiting blijkt
tussen de aangiften en de boekhouding (zie paragraaf 3.5.3).

3.3 Bijzondere administratieve verplichtingen
Er gelden bijzondere administratieve verplichtingen voor:
– vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen (zie paragraaf 3.3.1)
– loonbestanddelen die onder de eindheffing vallen (zie paragraaf 3.3.2)
– beschikkingen, verklaringen en andere officiële documenten (zie paragraaf 3.3.3)
– levensloopregeling (zie paragraaf 3.3.4)
– afdrachtverminderingen (zie paragraaf 3.3.5)
– vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor vervoer (zie paragraaf 3.3.6)

3.3.1 Vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen
Bij de loonadministratie moet u de gegevens vastleggen van:
– vrijgestelde diensttijduitkeringen en -verstrekkingen (zie paragraaf 19.2.1)
– eenmalige uitkeringen en verstrekkingen bij het overlijden van de werknemer, zijn echtgenoot of partner,
zijn eigen kinderen of pleegkinderen (zie paragraaf 19.1.7 en 19.1.8)
U mag deze gegevens ook op een andere plaats dan bij de loonadministratie vastleggen. U moet dan voldoen
aan de volgende voorwaarden:
– U meldt de bewaarplaats vooraf schriftelijk aan uw belastingkantoor.
– Bij een controle zorgt u ervoor dat de gegevens beschikbaar zijn.
Regels bij een decentrale kas
Hebt u 1 loonadministratie voor meerdere vestigingen? Dan kan het zijn dat u vergoedingen en
verstrekkingen doet vanuit de kas van een nevenvestiging. Dat zijn dan vergoedingen of verstrekkingen uit
een decentrale kas. U kunt de administratie van deze vergoedingen en verstrekkingen bij de decentrale kas
bewaren, als u voldoet aan de volgende voorwaarden:
– U meldt vooraf aan ons dat u gebruikmaakt van een decentrale kas.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 24
– De centrale loonadministratie bepaalt op welke manier de decentrale kas beoordeelt of de uitkeringen en
verstrekkingen belast zijn.
– De centrale loonadministratie bepaalt op welke manier de decentrale kas doorgeeft welk deel van de
uitkeringen en verstrekkingen volledig of gedeeltelijk tot het loon horen.
– De centrale loonadministratie bepaalt op welke manier de decentrale kas de gegevens en (bewijs)stukken
archiveert.
– In de centrale loonadministratie legt u vast waar de decentrale kassen zich bevinden.
– U brengt de decentrale administratie volledig of gedeeltelijk over naar de centrale loonadministratie als
wij daar bij een controle om vragen.

3.3.2 Loonbestanddelen die onder de eindheffing vallen
Voor bepaalde vormen van het loon berekent u de loonbelasting/premie volksverzekeringen of alleen de
loonbelasting in de vorm van een eindheffing (zie hoofdstuk 8 en 24). De eindheffing houdt u niet in op het
loon van de werknemer, maar komt voor uw rekening.
Bij de loonadministratie moet u de gegevens vastleggen van de loonbestanddelen waarop u een eindheffing
toepast.
Eindheffing werkkostenregeling
Voor de eindheffing werkkostenregeling (zie hoofdstuk 8) moet u in ieder geval het volgende in uw
administratie bijhouden:
– op collectief niveau:
– alle loonbestanddelen die u aanwijst als eindheffingsloon
– de berekening van de eindheffing als u boven de vrije ruimte uitkomt
– per werknemer: gerichte vrijstellingen, die u hebt aangewezen als eindheffingsloon
U houdt alle loonbestanddelen die u aanwijst als eindheffingsloon dus op collectief niveau bij in
uw administratie, ook als het gaat om eindheffingsloon voor een gerichte vrijstelling. U boekt het
eindheffingsloon niet per werknemer in de loonstaat. Zie paragraaf 4.6 voor meer informatie over
vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen.
Als u gebruikmaakt van een gerichte vrijstelling, moet u dit eindheffingsloon bovendien per werknemer
opnemen in uw administratie, maar niet in de loonstaat. Vergoedt of verstrekt u meer dan het normbedrag
dat voor de gerichte vrijstelling geldt, dan is er sprake van een bovenmatig deel van de gerichte vrijstelling.
Wijst u ook dit bovenmatige deel geheel of gedeeltelijk aan als eindheffingsloon, dan neemt u ook dat deel
op collectief niveau in uw administratie op als eindheffingsloon. Behandelt u het bovenmatige deel geheel of
gedeeltelijk als loon van de werknemer? Dan boekt u dat deel in zijn loonstaat. Zie paragraaf 20.1 voor meer
informatie over gerichte vrijstellingen.
Overige loonbestanddelen die onder de eindheffing vallen
Voor de andere eindheffingen (zie hoofdstuk 24) moet u het volgende in uw administratie bijhouden:
– het loon of de verstrekkingen die u met de eindheffing belast
– hoe u de eindheffing hebt berekend
U houdt het eindheffingsloon op collectief niveau bij in uw administratie. U boekt het niet per werknemer in
de loonstaat.

3.3.3 Beschikkingen, verklaringen en andere officiële documenten
Krijgt u van uw werknemer een kopie van een beschikking of een verklaring, bijvoorbeeld een machtiging om
een lager percentage te gebruiken dan de tabel bijzondere beloningen aangeeft? Dan bewaart u die bij de
loonadministratie. Ook kopieën van andere officiële documenten, zoals een identiteitsbewijs, bewaart u bij de
loonadministratie.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 25

3.3.4 Levensloopregeling
Sinds 1 januari 2012 is de levensloopregeling niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers. Voor
bestaande deelnemers geldt overgangsrecht (zie hoofdstuk 22). Zie paragraaf 22.3 voor de regels voor de
administratie.

3.3.5 Afdrachtverminderingen
Er zijn 2 verschillende afdrachtverminderingen. Elke afdrachtvermindering heeft zijn eigen administratieve
voorschriften. Zie hoofdstuk 25 voor meer informatie hierover.

3.3.6 Vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor vervoer
Voor elk type vervoer, bijvoorbeeld een eigen auto, een auto van de zaak of een fiets, gelden aparte
administratieve voorschriften. Zie hoofdstuk 21 voor meer informatie hierover.

3.4 Inkomstenverhouding
In de aangifte loonheffingen vragen wij u niet naar de gegevens van de dienstbetrekking, maar naar
de gegevens van de inkomstenverhouding. Dat is omdat UWV de gegevens van uw werknemers per
inkomstenverhouding administreert in de polisadministratie. Uw werknemer ziet deze gegevens per
inkomstenverhouding terug in het ‘Digitaal verzekeringsbericht’ en in zijn vooraf ingevulde aangifte
inkomstenbelasting. Daarom is het handig dat u uw loonadministratie inricht per inkomstenverhouding.
De inkomstenverhouding is meestal gelijk aan de echte dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.1), de fictieve
dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.2) of de vroegere dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.3). Maar ook de
relatie met sommige artiesten en beroepssporters (zie paragraaf 1.1.6) is een inkomstenverhouding. U kunt
meer dan 1 inkomstenverhouding hebben met een werknemer (zie paragraaf 3.4.1).
In de aangifte loonheffingen en in de polisadministratie kenmerkt een inkomstenverhouding zich door de
combinatie van de volgende 3 gegevens:
– uw loonheffingennummer
– het burgerservicenummer van de werknemer of, als dat er niet is, het personeelsnummer
– het nummer inkomstenverhouding (zie paragraaf 3.4.2)

3.4.1 Begin en einde van een inkomstenverhouding
Als een dienstbetrekking ontstaat, ontstaat ook een inkomstenverhouding. Als een dienstbetrekking eindigt,
eindigt ook de inkomstenverhouding. Tijdens een dienstbetrekking kan een nieuwe inkomstenverhouding
ontstaan. Daarbij kan de oude inkomstenverhouding eindigen of blijven bestaan.
1 inkomstenverhouding: oude eindigt, nieuwe ontstaat
In de volgende gevallen eindigt de oude inkomstenverhouding en ontstaat een nieuwe inkomstenverhouding
terwijl de dienstbetrekking blijft bestaan:
– U geeft de werknemer aan onder een ander loonheffingensubnummer.
– Er is sprake van een fusie of bedrijfsovername en het loonheffingennummer verandert.
– De verzekeringssituatie van de werknemer voor de werknemersverzekeringen verandert, bijvoorbeeld
wanneer:
– een stagiair die tijdens zijn stage een fictieve dienstbetrekking had, meteen na zijn stage een
arbeidscontract (en dus een echte dienstbetrekking) krijgt
– een werknemer de AOW-leeftijd bereikt en blijft werken
In 2019 is de AOW-leeftijd 66 jaar en 4 maanden. Als een werknemer de AOW-leeftijd bereikt en
blijft werken, blijft hij verzekerd voor de ZW, maar niet voor de andere werknemersverzekeringen.
Daarom is er vanaf dat moment een nieuwe inkomstenverhouding. U geeft in de aangifte aan dat
hij verzekerd is voor de ZW. In bepaalde software kunt u in deze situatie geen nieuw nummer
inkomstenverhouding opnemen. U neemt dan een nieuwe inkomstenperiode op binnen de bestaande
inkomstenverhouding.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 26

Let op!
Als een werknemer die niet verzekerd is voor de werknemersverzekeringen de AOW-leeftijd bereikt
en blijft werken, is er geen sprake van een nieuwe inkomstenverhouding.
– een werknemer een familierelatie krijgt met de directeur-grootaandeelhouder
– een meewerkend kind dat bij de onderneming van de ouder in fictieve dienstbetrekking werkt, bij die
onderneming in echte dienstbetrekking gaat werken
– U gaat voor de werknemer werkgeversheffing Zvw betalen in plaats van bijdrage Zvw inhouden, of
andersom.
In de eerste 2 gevallen verandert het loonheffingennummer, in de laatste 2 gevallen niet. In alle gevallen
gebruikt u voor de nieuwe inkomstenverhouding een nieuw nummer inkomstenverhouding (zie paragraaf
3.4.2).

Let op!
Als u een ex-werknemer aanneemt, is er sprake van een nieuwe dienstbetrekking en dus ook van een
nieuwe inkomstenverhouding (zie ook paragraaf 3.4.2).

Voorbeeld 1
U hebt 2 filialen, filiaal A met loonheffingennummer 111111111L01 en filiaal B met
loonheffingennummer 111111111L02. Uw werknemer stopt per 1 juli met werken bij filiaal A
en gaat bij filiaal B werken. De dienstbetrekking met de werknemer verandert niet. U geeft de
werknemer per 1 juli aan onder het L02-nummer. De inkomstenverhouding bij filiaal A eindigt op 30
juni, de inkomstenverhouding bij filiaal B begint op 1 juli.

Voorbeeld 2
Bedrijf X fuseert op 1 oktober met bedrijf Y. Er ontstaat een nieuw bedrijf Z. Hoewel er een
andere werkgever is met een ander loonheffingennummer, is er sprake van een voortgezette
dienstbetrekking. De inkomstenverhoudingen bij bedrijf X en Y eindigen op 30 september, de
inkomstenverhoudingen bij bedrijf Z beginnen op 1 oktober.
Geen nieuwe inkomstenverhouding
Er is geen nieuwe inkomstenverhouding zolang uw werknemer hetzelfde werk blijft doen en de
verzekeringspositie niet verandert. Bijvoorbeeld:
– U zet een tijdelijk arbeidscontract om in een vast arbeidscontract.
– U zet een oproepcontract om in een tijdelijk of vast arbeidscontract.
– U zet een nul-urencontract om in een tijdelijk of vast arbeidscontract.
– De proeftijd verstrijkt.
– De fase flex en zekerheid verandert (uitzendbranche).
– U gaat tegelijk met het loon ook een WAO- of WIA-uitkering uitbetalen (als eigenrisicodrager of als
u de uitkeringen van UWV doorbetaalt). Het is wel verstandig om voor de uitkering die u namens
UWV doorbetaalt, een ander nummer inkomstenverhouding te gebruiken (zie hierna bij ‘2 of meer
inkomstenverhoudingen tegelijk: oude loopt door, nieuwe ontstaat’).
– De functie van de werknemer verandert of de arbeidsvoorwaarden veranderen.
– Uw werknemer is op 1 januari nog geen 61 jaar en hij neemt levensloopverlof op.
– De beëindiging van een dienstbetrekking wordt teruggedraaid. Bijvoorbeeld door inkeer, mediation of een
uitspraak van een rechter.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 27
– U doet een ex-werknemer een nabetaling met de loon-in-systematiek. U geeft de nabetaling aan in
de aangifte over het aangiftetijdvak waarin u de nabetaling doet. U gebruikt dan hetzelfde nummer
inkomstenverhouding en dezelfde begin- en einddatum die u in uw eerdere aangifte gebruikte.
U blijft in deze situaties hetzelfde nummer inkomstenverhouding gebruiken. Zie paragraaf 3.4.2 voor meer
informatie.
2 of meer inkomstenverhoudingen tegelijk: oude loopt door, nieuwe ontstaat
U kunt met dezelfde werknemer meerdere inkomstenverhoudingen hebben. U neemt de werknemer dan
onder verschillende nummers inkomstenverhouding op in de aangifte. De volgende situaties zijn mogelijk:
– U hebt binnen een loonheffingennummer meer dan 1 dienstbetrekking met een werknemer. Uw
werknemer werkt bijvoorbeeld overdag als boekhouder en ’s avonds in een andere dienstbetrekking en
met andere voorwaarden als kantoorschoonmaker.
– U hebt binnen een loonheffingennummer 1 dienstbetrekking met een werknemer, maar u splitst zijn loon
in 2 (of meer) afzonderlijke delen. Uw werknemer werkt bijvoorbeeld deels in Nederland en deels in het
buitenland en u splitst zijn loon in 2 delen (salary split).
– U hebt 1 dienstbetrekking met een werknemer. U hebt 2 filialen en voor beide filialen hebt u een
loonheffingennummer, bijvoorbeeld 111111111L01 en -L02. De werknemer werkt deels in filiaal A
en deels in filiaal B. U hebt het loon van de werknemer gesplitst in een A- en een B-deel en geeft die
afzonderlijk aan onder de verschillende loonheffingennummers.
– U moet voor een uitkeringsgerechtigde werkgeversheffing Zvw betalen én bijdrage Zvw inhouden. U geeft
het loon waarvoor u werkgeversheffing Zvw betaalt, en het loon waarop u bijdrage Zvw inhoudt, onder
verschillende nummers inkomstenverhouding aan.
– U betaalt in 1 kalenderjaar aan een werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (waarvoor u
de witte tabel gebruikt) en loon uit vroegere dienstbetrekking (waarvoor u de groene tabel gebruikt). U
neemt deze werknemer voor het loon uit tegenwoordige en het loon uit vroegere dienstbetrekking onder
verschillende nummers inkomstenverhouding in de aangifte op. Bijvoorbeeld:
– U betaalt uw werknemer een ontslaguitkering (loon uit vroegere dienstbetrekking) tegelijk met het
laatste reguliere loon (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking). Voor de ontslaguitkering gebruikt
u een nieuw nummer inkomstenverhouding. Dit geldt ook als u de ontslaguitkering (deels) na het
ontslag betaalt.
– Uw werknemer is op 1 januari 61 jaar of ouder en hij neemt levensloopverlof op. Voor de bestaande
inkomstenverhouding (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking) blijft u het oude nummer
inkomstenverhouding gebruiken. Voor de opnamen uit het levenslooptegoed (loon uit vroegere
dienstbetrekking) gebruikt u een nieuw nummer inkomstenverhouding. Dit geldt niet alleen als de
werknemer in deeltijd bij u blijft werken, maar ook als hij stopt met werken.
– U bent eigenrisicodrager voor de WGA én de ZW en u moet zowel een WGA-uitkering als een ZWuitkering aan de werknemer betalen. U geeft beide uitkeringen dan aan onder verschillende nummers
inkomstenverhouding.
– U betaalt meerdere lonen of uitkeringen uit vroegere dienstbetrekking, waarvan de codes soort
inkomstenverhouding verschillen. Voor elke soort loon of uitkering met een eigen code soort
inkomstenverhouding gebruikt u een apart nummer inkomstenverhouding. Het gaat om lonen of
uitkeringen die u vóór 2017 samen mocht opgeven in 1 inkomstenverhouding met de code soort
inkomstenverhouding 21. Code 21 is vanaf 2017 vervallen.
2 of meer inkomstenverhoudingen tegelijk na afloop van de dienstbetrekking
Ook in de volgende situaties neemt u de werknemer onder verschillende nummers inkomstenverhouding op
in de aangifte:
– U betaalt een ex-werknemer na afloop van de dienstbetrekking nog regulier loon (nabetaling) en óók
een ZW-uitkering, namens UWV (een zogenoemde werkgeversbetaling; zie paragraaf 7.6.2) of als
eigenrisicodrager. U geeft het reguliere loon en de ZW-uitkering dan aan onder verschillende nummers
inkomstenverhouding.
– U neemt een ex-werknemer opnieuw in dienst. Maar u betaalt deze ex-werknemer nog steeds
een ZW-uitkering, namens UWV (een zogenoemde werkgeversbetaling; zie paragraaf 7.6.2) of als
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 28
eigenrisicodrager. U geeft het loon uit de nieuwe dienstbetrekking en de ZW-uitkering dan aan onder
verschillende nummers inkomstenverhouding.
– U betaalt een ex-werknemer na afloop van de dienstbetrekking, namens UWV (een zogenoemde
werkgeversbetaling; zie paragraaf 7.6.2) of als eigenrisicodrager, nog een aanvulling op een ZW-uitkering
en óók een ZW-uitkering. U geeft de aanvulling en de ZW-uitkering dan aan onder verschillende nummers
inkomstenverhouding.

Voorbeeld
Een werknemer van 62 jaar krijgt van u een ouderdomspensioen en vanaf 1 april 2019 ook een
levensloopuitkering. U neemt deze werknemer dan 2 keer op in uw aangifte loonheffingen onder
2 verschillende nummers inkomstenverhouding: 1 inkomstenverhouding met inkomenscode 56
(voor het ouderdomspensioen) en 1 met inkomenscode 54 (voor de levensloopuitkering). Voor de
levensloopuitkering gebruikt u een nieuw nummer inkomstenverhouding.
Ook in de volgende gevallen is het verstandig om de werknemer onder 2 inkomstenverhoudingen op te
nemen in de aangifte:
– Uw werknemer is nog bij u in dienst en u betaalt hem, naast ander loon, namens UWV een WAO-, WIAof WW-uitkering (een zogenoemde werkgeversbetaling; zie paragraaf 7.6.2). Voor de berekening van
de loonbelasting/premie volksverzekeringen telt u de werkgeversbetaling op bij het andere loon dat
u uw werknemer betaalt, zoals regulier loon of een aanvulling op een uitkering (zie paragraaf 7.6).
Maar de werkgeversbetaling voor de WAO, WIA en WW telt niet mee voor het jaarloon voor het lageinkomensvoordeel (LIV) en het jeugd-lage-inkomensvoordeel (jeugd-LIV) (zie hoofdstuk 26). Als u het
loon en de werkgeversbetaling niet splitst, loopt u voor deze werknemer misschien het (jeugd-)LIV mis.
Werkgeversbetalingen voor de ZW tellen wel mee voor het jaarloon voor het (jeugd-)LIV. Als u de
werknemer namens UWV een ZW-uitkering betaalt naast ander loon, hoeft u de inkomstenverhouding dus
niet te splitsen.
– Uw werknemer is nog bij u in dienst en u betaalt hem, naast ander loon, als eigenrisicodrager een WGAuitkering. Voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen telt u de WGA-uitkering
op bij het andere loon dat u uw werknemer betaalt, zoals regulier loon of een aanvulling op een uitkering
(zie paragraaf 7.6). Maar de WGA-uitkering die u als eigenrisicodrager betaalt, telt niet mee voor het
jaarloon voor het lage-inkomensvoordeel (LIV) en het jeugd-lage-inkomensvoordeel (jeugd-LIV) (zie
hoofdstuk 26). Als u het loon en de WGA-uitkering niet splitst, loopt u voor deze werknemer misschien
het (jeugd-)LIV mis.
ZW-uitkeringen die u als eigenrisicodrager betaalt aan een werknemer die nog bij u in dienst is, tellen wel
mee voor het jaarloon voor het (jeugd-)LIV. Betaalt u in dat geval een ZW-uitkering en ander loon, dan
hoeft u de inkomstenverhouding dus niet te splitsen.

Let op!
Krijgt uw werknemer van u loon uit meerdere vroegere of tegenwoordige dienstbetrekkingen of uit
meerdere inkomstenverhoudingen? Houd voor de berekening van de loonheffingen rekening met het
totaal van deze lonen (zie paragraaf 7.6).
Begindatum en einddatum inkomstenverhouding invullen in aangifte
In elke aangifte moet u de begindatum van de inkomstenverhouding invullen. In de aangifte over het tijdvak
waarin de inkomstenverhouding is beëindigd, vult u ook de einddatum in. De begin- en einddatum mogen
niet na het einde van het aangiftetijdvak liggen.
Voor uitzendbureaus en payrollbedrijven gelden aparte regels voor het invullen van de begin- en einddatum
van de inkomstenverhouding.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 29

Begindatum inkomstenverhouding bij uitzendkrachten en payrollmedewerkers
De 1e betaalde werkdag van de uitzendkracht of payrollmedewerker geldt als begindatum. U neemt deze
datum op in de 1e aangifte loonheffingen over het aangiftetijdvak waarin dat loon wordt verwerkt. In de
vervolgaangiften van deze uitzendkracht of payrollmedewerker blijft u dezelfde begindatum gebruiken.
Merkt u later dat u een verkeerde begindatum hebt ingevuld in de aangifte? Dan neemt u vanaf de
eerstvolgende aangifte waarin u loon voor deze inkomstenverhouding aangeeft, de juiste begindatum in de
aangifte op. U hoeft deze datum in de eerdere aangiften niet te corrigeren. In de polisadministratie wordt
namelijk automatisch met de nieuwe begindatum gewerkt.
Einddatum inkomstenverhouding bij inactiviteit en ziekte van uitzendkracht en payrollmedewerker met
uitzendbeding
Heeft een uitzendkracht of payrollmedewerker 26 aaneengesloten weken niet gewerkt? Dan moet u de
inkomstenverhouding in de eerstvolgende aangifte beëindigen. U gebruikt als einddatum de datum van de
zondag van de laatst gewerkte week. Dit geldt ook als de uitzendkracht of payrollmedewerker ziek is.
Einddatum inkomstenverhouding bij inactiviteit en ziekte van uitzendkracht en payrollmedewerker zonder
uitzendbeding
Heeft een uitzendkracht of payrollmedewerker 26 aaneengesloten weken niet gewerkt? Dan moet u de
inkomstenverhouding in de eerstvolgende aangifte beëindigen. U gebruikt als einddatum de einddatum van
de overeenkomst. Gaat het om een uitzendovereenkomst zonder loondoorbetalingsverplichting? Dan gebruikt
u als einddatum de datum van de zondag van de laatst gewerkte week. Dit geldt ook als de uitzendkracht of
payrollmedewerker ziek is.

Let op!
Wijzigingen in de begindatum van de inkomstenverhouding van een uitzendkracht of payrollmedewerker
hoeft u niet te corrigeren. Als u de juiste begindatum in de eerstvolgende aangifte gebruikt, wordt deze
datum in de polisadministratie gezien als de begindatum van de inkomstenverhouding. Alle andere
wijzigingen in de inkomstenverhouding moet u wel corrigeren (zie hoofdstuk 12).

3.4.2 Nummer inkomstenverhouding
U geeft elke inkomstenverhouding een nummer en u vermeldt dit in de loonstaat. Veel
salarissoftwarepakketten doen dit automatisch voor u. In de aangifte loonheffingen moet u dit nummer
invullen. Voor het nummer inkomstenverhouding houdt u rekening met het volgende:
– Als u voor de 1e keer een nummer inkomstenverhouding toekent aan een werknemer, kunt u het beste
beginnen bij 0001. Als de inkomstenverhouding eindigt en er weer een nieuwe inkomstenverhouding
begint met dezelfde werknemer, nummert u door. Zo loopt u weinig risico dat u nummers hergebruikt als
u overstapt op een ander salaris- of aangiftepakket.
– Hebt u voor een inkomstenverhouding eenmaal een bepaald nummer gekozen? Gebruik dat nummer
dan in alle volgende aangiften voor die inkomstenverhouding. Dit geldt ook als u overstapt op een ander
salaris- of aangiftepakket. Vraag uw softwareleverancier hoe u de nummers kunt vinden in de oude
software en daaruit kunt kopiëren.
– Neemt u een ex-werknemer aan? U mag een gebruikt nummer inkomstenverhouding niet hergebruiken
bij hetzelfde loonheffingennummer. Dit mag pas na 7 jaar na het jaar waarin de dienstbetrekking is
beëindigd.
– U gebruikt voor iedere inkomstenverhouding in uw aangifte of correctie een unieke combinatie van
burgerservicenummer en nummer inkomstenverhouding. Deze combinatie mag maar 1 keer voorkomen
in uw aangifte of correctie. Komt dezelfde combinatie toch vaker voor? Dan krijgt de verzender een
foutmelding of een brief met het verzoek om de fout te verbeteren (zie paragraaf 11.3, fase 3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 30
Let op!
Wij zien bij aangiften of correcties soms 2 keer dezelfde combinatie van burgerservicenummer en
nummer inkomstenverhouding. Er worden (gecorrigeerde) gegevens voor de inkomstenverhouding
aangeleverd en tegelijkertijd wordt deze inkomstenverhouding ingetrokken. Wij negeren in deze
gevallen de intrekking. U krijgt geen foutmelding of een brief. Wilt u een eerdere inkomstenverhouding
toch intrekken? Geef dat dan aan met een aanvullende aangifte voor het einde van de aangiftetermijn,
of met een correctie bij de aangifte over het volgende of daaropvolgende tijdvak.
Meerdere nummers inkomstenverhouding gebruiken voor dezelfde werknemer
Hebt u meerdere inkomstenverhoudingen met dezelfde werknemer (zie paragraaf 3.4.1)? Dan geeft u elke
inkomstenverhouding een apart nummer.
Nieuw nummer inkomstenverhouding gebruiken
Als er een nieuwe inkomstenverhouding ontstaat (zie paragraaf 3.4.1), moet u een nieuw nummer
inkomstenverhouding gebruiken. Doet deze verandering zich tijdens het aangiftetijdvak voor? Neem
dan de werknemer voor dat aangiftetijdvak 2 keer in de aangifte op, onder 2 verschillende nummers
inkomstenverhouding.

3.5 Bewaarplaats, bewaartermijn en controle
Wij stellen eisen aan de bewaarplaats (zie paragraaf 3.5.1) en de bewaartermijnen (zie paragraaf 3.5.2) van
uw administratie. Ook kunnen wij een controle bij u instellen (zie paragraaf 3.5.3).
3.5.1 Bewaarplaats
U moet de loonadministratie bewaren op de plaats waar uw bedrijf kantoor houdt of gevestigd is. Op
uw verzoek kunnen wij toestemming geven om de loonadministratie op een andere plaats te bewaren,
bijvoorbeeld op het kantoor van uw adviseur. U kunt dit verzoek naar uw belastingkantoor sturen.

3.5.2 Bewaartermijn
Bepaalde onderdelen van uw administratie zijn basisgegevens. Daarbij moet u denken aan:
– de loonadministratie
– het grootboek
– de debiteuren- en crediteurenadministratie
– de voorraadadministratie
– de in- en verkoopadministratie
Iedere ondernemer moet de basisgegevens van zijn administratie 7 jaar bewaren (fiscale bewaarplicht). Dit
geldt dus ook voor de loonadministratie.
Let op!
Ook als u stopt met ondernemen of geen werknemers meer hebt, moet u de gegevens de volledige
bewaartermijn bewaren.
Afwijkende bewaartermijnen binnen de loonadministratie
Voor sommige gegevens binnen de loonadministratie geldt een andere bewaartermijn. De volgende gegevens
moet u ten minste 5 kalenderjaren na het einde van de dienstbetrekking bewaren:

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 31

– loonbelastingverklaringen of formulieren met de gegevens voor de loonheffingen, zoals het ‘Model opgaaf
gegevens voor de loonheffingen’ en het ‘Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en
scholierenregeling)’
U bewaart ook de oude verklaringen en formulieren als zij zijn vervangen door nieuwe.
– kopieën van het identiteitsbewijs
– kopieën van beschikkingen of verklaringen die u van uw werknemer hebt gekregen
Voor de overige gegevens kunt u met ons afspraken maken over kortere bewaartermijnen dan 7 jaar. De
kortere bewaartermijnen gelden uitsluitend voor de Belastingdienst. Bij andere overheidsinstellingen kunt u
nog te maken krijgen met de wettelijke bewaartermijn van 7 jaar.
Computerprogramma’s en bestanden
De bewaarplicht geldt ook voor computerprogramma’s en bestanden. U moet ervoor zorgen dat deze
programma’s en bestanden bij een controle kunnen worden gebruikt. U voldoet niet aan uw bewaarplicht
als u uitsluitend een bestand in afgedrukte vorm bewaart. In de brochure ‘Uw geautomatiseerde
administratie en de fiscale bewaarplicht’ vindt u meer informatie over de juiste manier van bewaren van
uw digitale administratie. U kunt deze brochure downloaden van onze internetsite of bestellen bij de
BelastingTelefoon: 0800 – 0543.

Laat u (een deel van) uw administratie verzorgen door een computer- of loonservicebureau? Dan geldt de
fiscale bewaarplicht ook voor de gegevensdragers van die servicebureaus waarop gegevens staan over uw
onderneming.
3.5.3 Controle
Bij een controle vergelijken wij de aangiften, eventuele jaarloonopgaven en de administratie. Wij raden u
aan om de berekeningen te bewaren die u hebt gemaakt bij het opstellen van de aangiften en de eventuele
jaarloonopgaven. Dit maakt de controle makkelijker. Bij een controle moet u ons alle informatie geven
die van belang kan zijn. Wij mogen kopieën maken van uw administratie. Zie paragraaf 14.4 voor meer
informatie.
3.6 Samenhangende groep inhoudingsplichtigen
Grote bedrijven bestaan meestal uit meerdere zelfstandige bedrijfsonderdelen die elk inhoudingsplichtig zijn
voor de loonheffingen. Als een werknemer binnen het bedrijf bij een ander onderdeel gaat werken, betekent
dit extra administratieve lasten. De dienstbetrekking eindigt namelijk en een nieuwe dienstbetrekking begint.
Dit geldt ook voor andere verbanden waarin inhoudingsplichtigen samenwerken.
Wilt u de extra administratieve lasten verminderen? Dan kunt u ons verzoeken uw samenwerkingsverband
aan te wijzen als een samenhangende groep inhoudingsplichtigen. U kunt een werknemer dan eenvoudiger
binnen uw groep laten wisselen, omdat:
– u zijn identiteit niet opnieuw hoeft vast te stellen
– de werknemer de gegevens voor de loonheffingen niet opnieuw aan u hoeft te geven
– u het jaarloon voor de bijzondere beloningen niet opnieuw hoeft vast te stellen
– een beschikking voor de 30%-regeling geldig blijft als de omstandigheden daarvoor bij de nieuwe
inhoudingsplichtige gelijk blijven (zie paragraaf 17.4.2)
Het verzoek voor de aanwijzing als samenhangende groep doet u samen met de andere inhoudingsplichtigen.
U stuurt het verzoek naar uw belastingkantoor. Wij beslissen op het verzoek met een beschikking waarin
nadere voorwaarden kunnen staan. Tegen deze beschikking kunt u bezwaar maken. Wij kunnen beslissen
om de aanwijzing als samenhangende groep en de eventuele voorwaarden te wijzigen of in te trekken. Dit
kan ook gebeuren op verzoek van (1 van) de inhoudingsplichtigen. U krijgt dan een nieuwe beschikking. Ook
tegen deze beschikking kunt u bezwaar maken.
Elke inhoudingsplichtige binnen de samenhangende groep moet wel apart aangifte doen. Elke
inhoudingsplichtige moet ook een jaaropgaaf aan de werknemer(s) geven (zie hoofdstuk 13).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 32
Stap 4 Bepalen wat tot het loon hoort
U moet de loonheffingen berekenen over het loon. Daarom is het belangrijk te weten wat precies tot het loon
hoort. In het kort: loon is alles wat een werknemer krijgt op grond van zijn dienstbetrekking. Daarbij geldt
het volgende:
– Het maakt niet uit of de werknemer recht heeft op het loon. Een vrijwillig gegeven gratificatie is net zo
goed loon als het winstaandeel waarop de werknemer recht heeft volgens zijn arbeidsvoorwaarden.
– Het maakt niet uit of de werknemer voor het loon heeft gewerkt. Loon over verzuimde uren is ook loon.
– Het maakt niet uit of de werknemer het loon in geld of in een andere vorm krijgt. Beloningen in natura en
aanspraken zijn ook loon.
– Het maakt niet uit van wie de werknemer het loon krijgt. Uitkeringen uit een fonds dat aan de
dienstbetrekking is verbonden, zijn ook loon. Denk bijvoorbeeld aan uitkeringen uit een scholingsfonds of
uit een fonds voor ondersteuning van werknemers in financiële moeilijkheden. Fooien en ander loon van
derden kunnen ook loon zijn.
Uitgangspunt is dat het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen ook het loon is voor de
werknemersverzekeringen en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Dit noemen we het uniforme loonbegrip (zie
paragraaf 4.1). Zie paragraaf 4.2 voor uitleg over het begrip ‘loon’.
Vormen van loon
We maken onderscheid tussen loon uit tegenwoordige en loon uit vroegere dienstbetrekking (zie paragraaf
4.3). Daarbinnen kunnen de volgende vormen voorkomen:
– loon in geld (zie paragraaf 4.4)
– loon in natura, waaronder cryptovaluta (zie paragraaf 4.5)
– vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen (zie paragraaf 4.6)
– uitkeringen en verstrekkingen bij bijzondere gebeurtenissen (zie paragraaf 4.7)
– aanspraken, en uitkeringen op grond van aanspraken (zie paragraaf 4.8)
– negatief loon (zie paragraaf 4.9)
– verzekeringsuitkeringen die belast zijn voor de loonheffingen (zie paragraaf 4.10)
– aandelenopties (zie paragraaf 4.11)
Bepaalde vergoedingen en verstrekkingen zijn geen loon of geen belast loon (zie paragraaf 4.12). Zie
paragraaf 4.13 voor een schema van het loon.

Doorbetaaldloonregeling
Krijgt een werknemer voor zijn dienstbetrekking bij u ook loon van een andere werkgever? Dan kan de
doorbetaaldloonregeling gelden. Deze regeling bepaalt wie de loonheffingen moet inhouden en betalen. Zie
paragraaf 4.14 voor meer informatie.

Cafetariaregeling
Zie paragraaf 4.15 voor meer informatie over de cafetariaregeling.

4.1 Uniform loonbegrip voor de loonheffingen
Het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, het loon voor de werknemersverzekeringen en het loon
voor de Zvw zijn gelijk op 2 verschillen na:
– Loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals (pre)pensioenuitkeringen, is loon voor de loonbelasting/
volksverzekeringen en Zvw, maar in het algemeen geen loon voor de werknemersverzekeringen (zie
paragraaf 4.3).
– Eindheffingsloon (zie hoofdstuk 24) is loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, maar geen
loon voor de werknemersverzekeringen en de Zvw. Loon waarbij wij door het opleggen van een
naheffingsaanslag eindheffing toepassen, is een uitzondering: dit is loon voor alle loonheffingen, tenzij u
deze loonbestanddelen had kunnen of moeten aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 33
Loon uit vroegere dienstbetrekking soms toch loon voor alle loonheffingen
De volgende loonbestanddelen zijn altijd loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, de
werknemersverzekeringen en de Zvw, ook als deze loonbestanddelen loon uit vroegere dienstbetrekking zijn:
– WW-, ZW- en WAO/WIA-uitkeringen
– aanvullingen op de WW-, ZW- en WAO/WIA-uitkeringen
Voor de werknemersverzekeringen zijn deze aanvullingen loon zolang de dienstbetrekking bestaat.
– de aanvulling Toeslagenwet
– loon op grond van de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte en de aanvulling daarop en vergelijkbare
regelingen voor ambtenaren
– uitkeringen voor zwangerschap, bevalling, adoptie en de zorg voor pleegkinderen op grond van de Wet
arbeid en zorg

Let op!
In tegenstelling tot WW-, ZW- en WAO/WIA-uitkeringen zijn uitkeringen die een bank of
verzekeringsmaatschappij betaalt in verband met ziekte, invaliditeit of ongeval, en (de afkoopsom van)
een lijfrente geen loon voor de werknemersverzekeringen (zie paragraaf 4.10). Het gaat om uitkeringen
die betaald worden vanwege een verzekering die de werknemer zelf heeft afgesloten. Dit geldt ook voor
WW-uitkeringen voor een 3e jaar, die uit een fonds betaald worden.

4.2 Loon
Loon is alles wat een werknemer krijgt op grond van zijn dienstbetrekking. Welke vormen dat loon
kan hebben, leest u in paragraaf 4.4 tot en met 4.11. Daarnaast zijn er een aantal vergoedingen en
verstrekkingen die geen loon of geen belast loon zijn (zie paragraaf 4.12).
Let op!
Bij het bepalen van de hoogte van het loon mag u geen rekening houden met de betaalde
werkgeversheffing Zvw of ingehouden bijdrage Zvw. Dat geldt ook voor bijdragen voor vergelijkbare
buitenlandse wettelijke zorgverzekeringen.
U kunt maximaal 1,2% van het totale fiscale loon van al uw werknemers besteden aan onbelaste
vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen (vrije ruimte). U wijst deze vergoedingen,
verstrekkingen en terbeschikkingstellingen dan als eindheffingsloon aan, bijvoorbeeld door ze in uw
administratie als eindheffingsloon op te nemen. Dit eindheffingsloon komt vervolgens ten laste van uw vrije
ruimte. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u loonbelasting in de vorm van een eindheffing van
80%. Zie hoofdstuk 8 voor meer informatie.
Daarnaast kunt u bepaalde zaken onbelast vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen door gerichte
vrijstellingen en nihilwaarderingen. Zie hoofdstuk 20 voor meer informatie.
Altijd eindheffingsloon of altijd loon van de werknemer
Bij een aantal vormen van loon kunt u niet kiezen voor eindheffingsloon of loon van de werknemer. Altijd
eindheffingsloon zijn:
– vergoedingen voor postactieve werknemers voor de aanschaf van producten uit uw eigen bedrijf of uit
het bedrijf van een verbonden vennootschap die u of de verbonden vennootschap ook aan uw actieve
werknemers geeft (zie paragraaf 20.1.8)
– verstrekkingen voor postactieve werknemers die u of een verbonden vennootschap ook aan uw actieve
werknemers geeft, zoals een kerstpakket
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 34
Altijd loon van de werknemer zijn:
– een auto van de zaak (behalve de kosten van buitengewone beveiligingsmaatregelen van die auto)
– een (dienst)woning (behalve het pied-à-terre en de kosten van buitengewone beveiligingsmaatregelen
voor de woning, zie paragraaf 20.3.4)
– de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die u niet als eindheffingsloon hebt
aangewezen (zie paragraaf 4.6)
– vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor criminele activiteiten
– het deel van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen dat boven de 30%-grens van
de gebruikelijkheidstoets uitkomt
– vergoedingen voor een boete die de werknemer heeft gekregen
– loon uit vroegere dienstbetrekking
– het rentevoordeel inclusief de kosten van een personeelslening voor een eigen woning waarvan de rente
(inclusief de kosten) aftrekbaar is in de inkomstenbelasting

Let op!
– Hebt u een boete gekregen voor een overtreding van de werknemer en verhaalt u deze niet
op de werknemer? Dan mag u het voordeel dat de werknemer heeft van het niet verhalen, als
eindheffingsloon aanwijzen als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.
– Betaalt u de werknemer naast loon uit vroegere dienstbetrekking ook loon uit waarop de
arbeidskorting van toepassing is? Dan mag u het loon uit vroegere dienstbetrekking aanwijzen als
eindheffingsloon als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.
Gebruikelijkheidstoets

Bij het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als eindheffingsloon
(bijvoorbeeld door ze in uw administratie op te nemen als eindheffingsloon) mogen die vergoedingen,
verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet meer dan 30% afwijken van wat in vergelijkbare
omstandigheden gebruikelijk is. Dit noemen we de gebruikelijkheidstoets. Het moet dus gebruikelijk zijn
dat uw werknemer vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen van een bepaalde omvang
belastingvrij krijgt en dat u de loonbelasting/premie volksverzekeringen via de eindheffing voor uw rekening
neemt.
Vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen van maximaal € 2.400 per persoon per jaar
beschouwen wij als gebruikelijk. De afwijking van 30% geldt niet voor dit bedrag.

Let op!
Het bedrag van € 2.400 geldt in alle redelijkheid, dus bijvoorbeeld niet voor zover het loon van
de werknemer lager is dan de bedragen waar hij recht op heeft volgens de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, of als stagiair.
Bij de gebruikelijkheidstoets kijkt u in ieder geval naar:
– de soort vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen en de waarde ervan
– de hoogte van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen
– wie de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen krijgen
– de vraag of tariefsvoordeel een doorslaggevende rol speelt bij de aanwijzing als eindheffingsloon
De gebruikelijkheidstoets is voor bijzondere situaties. Als u twijfelt, doet u het volgende:
– U beoordeelt de aanwijzing als eindheffingsloon van iedere vergoeding, verstrekking of
terbeschikkingstelling op gebruikelijkheid. Toets de aanwijzing in ieder geval aan de bovenstaande 4
criteria.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 35

– U beoordeelt in de loop van het kalenderjaar het totaal van alle vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen. Als dit totaal meer dan 30% ongebruikelijk is, is het bedrag boven de
30%-grens loon van de werknemer. Dat kan dus ook al bij de eerste vergoeding, verstrekking of
terbeschikkingstelling het geval zijn.
Als wij vinden dat de aanwijzing als eindheffingsloon van de vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen ongebruikelijk is, moeten wij dat aantonen. U kunt dan toelichten waarom de
aanwijzing als eindheffingsloon toch gebruikelijk is.
Voorbeeld 1
U geeft enkele werknemers elk jaar een belaste bonus van € 6.000. Deze werknemers krijgen
dan netto elk ongeveer € 3.000. Dit jaar geeft u dezelfde werknemers dezelfde bonus, maar dan
onbelast. Iedere werknemer krijgt dan netto € 6.000. U mag de bonus dan niet aanwijzen als
eindheffingsloon, omdat dit ongebruikelijk is.
Voorbeeld 2
U geeft een van uw werknemers een elektrische fiets van € 1.000. Deze werknemer komt op
deze fiets naar het werk. U mag de verstrekking van de fiets aanwijzen als eindheffingsloon.
Want het is niet ongebruikelijk om een fiets met zo’n waarde te verstrekken en aan te wijzen als
eindheffingsloon.
Voorbeeld 3
Een bedrijf heeft behalve een directeur-grootaandeelhouder (dga) geen andere werknemers. De
dga krijgt een vergoeding voor zijn werk van € 250.000. Het bedrijf bestempelt € 100.000 als loon
van de dga en wijst de overige € 150.000 aan als eindheffingsloon. Het is duidelijk dat zo’n ‘knip’
ongebruikelijk is.
Voorbeeld 4
U geeft uw werknemers met kerst een kerstpakket. De directeur heeft net zijn vliegbrevet
gehaald en hij vertelt altijd gepassioneerd over zijn hobby. U geeft de directeur met kerst een
zelfbouwpakket van een sportvliegtuig van € 25.000. Een kerstpakket van € 25.000 is niet
gebruikelijk: de waarde van het pakket wijkt meer dan 30% af van de waarde van pakketten die
andere werkgevers in vergelijkbare omstandigheden aan hun directeuren geven. Het is dus ook niet
gebruikelijk om dit kerstpakket volledig als eindheffingsloon aan te wijzen. U rekent het deel van de
verstrekking dat meer dan gebruikelijk is, tot het loon van de directeur.
Voorbeeld 5
U geeft werknemers met studerende kinderen per jaar een vergoeding van € 3.000 voor
collegegeld en bijkomende studiekosten. U mag deze vergoeding voor studiekosten aanwijzen als
eindheffingsloon. Want het is niet ongebruikelijk om studiekosten tot dat bedrag te vergoeden en
aan te wijzen als eindheffingsloon.
4.3 Loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is loon van de werknemer voor het werk dat hij doet. Bijvoorbeeld
het periodieke loon, de vakantiebijslag, de vakantietoeslag, de dertiendemaanduitkering, gratificaties,
tantièmes en nabetalingen hiervan. Het is niet van belang wanneer u het loon uitbetaalt. Vakantiebijslag die
u na het einde van de dienstbetrekking betaalt, is bijvoorbeeld ook loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
De volgende loonbestanddelen zijn ook loon uit tegenwoordige dienstbetrekking:
– loon op grond van inactiviteit, gedurende maximaal 24 maanden, dat u aan de werknemer betaalt, omdat
de werknemer het afgesproken werk niet kan uitvoeren
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 36
Inactiviteit van de werknemer kan bijvoorbeeld ontstaan door weersomstandigheden, onvoldoende
orders, gebrek aan productiegrondstoffen, bedrijfsstoringen, brand of ziekte of overlijden van de
werkgever. Betaalt u dit loon langer dan 24 maanden, dan is het loon vanaf de 25e maand loon uit
vroegere dienstbetrekking.
– loon op grond van inactiviteit, gedurende maximaal 24 maanden, dat u betaalt aan een werknemer die is
geschorst, op non-actief is gesteld of tot aan het eind van zijn dienstbetrekking met behoud van loon is
vrijgesteld van werk
Betaalt u dit loon langer dan 24 maanden, dan is het loon vanaf de 25e maand loon uit vroegere
dienstbetrekking.
– loon voor beschikbaarheidsdiensten
– loon voor oproepkrachten zonder werkgarantie bij een oproep voor minder dan 3 uur
Als u met uw werknemer een overeenkomst hebt zonder werkgarantie en u roept die werknemer op voor
minder dan 3 uur, dan moet u toch het loon over 3 uur betalen.
– loon dat u bij ziekte of zwangerschap maximaal 2 jaar doorbetaalt of zolang de dienstbetrekking nog
duurt
– Ziektewetuitkeringen die u bij ziekte of zwangerschap maximaal 2 jaar doorbetaalt of zolang de
dienstbetrekking nog duurt, met uitzondering van de Ziektewetuitkering op grond van de vrijwillige
verzekering
Op loon van de werknemer uit tegenwoordige dienstbetrekking past u de witte loonbelastingtabellen toe (zie
paragraaf 7.3.2).
Loon uit vroegere dienstbetrekking
Loon uit vroegere dienstbetrekking heeft meestal te maken met een beëindigde dienstbetrekking. Het is geen
vergoeding voor het werk zelf, maar iets wat de werknemer krijgt omdat hij vroeger heeft gewerkt.
Ontslagvergoedingen of beëindigingsvergoedingen, pensioen-, prepensioen- en vroegpensioen-uitkeringen
zijn dus loon uit vroegere dienstbetrekking. Ook een aantal andere uitkeringen zijn loon uit vroegere
dienstbetrekking. De voornaamste uitkeringen zijn:
– AOW-, Anw-, IOAW-, IOAZ-, Waz-, Wet Wajonguitkeringen en uitkeringen op grond van de Toeslagenwet
– WAO/WIA, ZW, WW en soortgelijke buitenlandse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
– bijstandsuitkeringen, uitkeringen op grond van de wet REA en gemeentelijke inkomensondersteunende
uitkeringen, voor zover deze zijn belast voor de inkomstenbelasting
– lijfrente-uitkeringen, uitgekeerd aan uitkeringsgerechtigden die in Nederland wonen
– uitkeringen aan verzetsdeelnemers en oorlogsslachtoffers
– uitkeringen die loon uit vroegere dienstbetrekking zijn en die worden uitbetaald aan een ander dan de
werknemer
Zie paragraaf 4.10 voor de categorieën verzekeringsuitkeringen waarover banken,
levensverzekeringsmaatschappijen, schadeverzekeraars en andere financiële instellingen loonbelasting/
premie volksverzekeringen en eventueel de bijdrage Zvw moeten inhouden.
Op loon van de werknemer uit vroegere dienstbetrekking past u de groene loonbelastingtabellen toe (zie
paragraaf 7.3.3).
4.4 Loon in geld
De belangrijkste vorm van loon is loon in geld: salaris, provisie, premie, gevarengeld, overwerkloon,
tantième, gratificatie en alles wat u, onder welke naam dan ook, aan een werknemer op grond van zijn
dienstbetrekking in geld uitbetaalt. Dit betekent dat ook de volgende betalingen loon in geld zijn:
– uitbetalingen op grond van een nettoloonafspraak (zie paragraaf 4.4.1)
– fooien en ander loon van derden (zie paragraaf 4.4.2)
– WW-, ZW- en WAO/WIA-uitkeringen die u aan een werknemer doorbetaalt (zie paragraaf 4.4.3)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 37
4.4.1 Nettoloonafspraak
Hebt u een nettoloonafspraak met uw werknemer, dan neemt u in feite de loonheffingen voor uw rekening. U
berekent het loon waarover u loonheffingen moet betalen, door het nettoloon te herleiden tot een brutoloon
(bruteren) (zie paragraaf 7.4).
4.4.2 Fooien en ander loon van derden
U houdt loonheffingen in over het bedrag aan fooien en ander loon van derden waarmee u bij de vaststelling
van het loon rekening hebt gehouden.
Voorbeeld
U spreekt met uw werknemer af dat het loon € 1.100 is en u betaalt de werknemer € 1.000. De rest
(€ 100) moet hij verdienen met fooien. Voor het berekenen van de loonheffingen gaat u uit van een
loon van € 1.100.
Fooien voor horecapersoneel
Er zijn speciale regels voor fooien voor horecapersoneel. Als u een horecamedewerker minder loon betaalt
dan waarop hij – bijvoorbeeld op grond van de cao – recht heeft, gaat u ervan uit dat het verschil wordt
aangevuld door fooien. U berekent de loonheffingen dus over het loon waar de werknemer recht op heeft.
Maar als u en uw werknemer de fooien op een hoger bedrag schatten, dan gaat u voor de loonheffingen uit
van dat hogere bedrag.
Voorbeeld
U hebt met uw werknemer een loon afgesproken van € 1.000 per maand. Maar volgens de cao heeft
deze werknemer recht op een loon van € 1.100. Voor het berekenen van de loonheffingen gaat u
uit van een loon van € 1.100. Maar als u samen met uw werknemer de fooien schat op € 300 per
maand, gaat u voor het berekenen van de loonheffingen uit van € 1.300.
Uw werknemer moet de fooien die hij werkelijk heeft gekregen, en ander loon van derden in zijn aangifte
inkomstenbelasting opgeven. Hiervan mag hij het bedrag aftrekken dat u al tot het loon hebt gerekend.
Loongegevens doorgeven
Krijgt uw werknemer loon van derden? Dan moet u de hoogte van dat loon doorkrijgen om daarover
loonheffingen in te kunnen houden. Als u loon betaalt aan een medewerker die niet bij u in dienst is, dan
geeft u de loongegevens en het burgerservicenummer schriftelijk door aan de instantie of werkgever bij wie
deze medewerker wel in (fictieve) dienstbetrekking is. U moet bijvoorbeeld aan UWV het voordeel doorgeven
van het privégebruik van een auto die u ter beschikking stelt aan iemand die van UWV een uitkering krijgt
en bij u op proef werkt. Hetzelfde geldt als uitzendkrachten die u inleent, een bedrijfsauto van u privé mogen
gebruiken. U moet het voordeel van het privégebruik dan aan het uitzendbureau doorgeven.
4.4.3 WW-, ZW- en WAO/WIA-uitkeringen die u aan een werknemer doorbetaalt
Als u een WW-, ZW- of WAO/WIA-uitkering aan een werknemer doorbetaalt, is er sprake van een
werkgeversbetaling of een instantiebetaling.

Werkgeversbetaling
De werkgeversbetaling is bedoeld voor de situatie waarin de werknemer nog loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking van u krijgt. Hebt u met UWV een werkgeversbetaling afgesproken, dan krijgt u van
UWV het brutobedrag van de uitkering, vermeerderd met de premies werknemersverzekeringen en de
werkgeversheffing Zvw. U betaalt de uitkering door aan de werknemer. U moet alle loonheffingen over het
totaal van de uitkering en het loon berekenen (zie paragraaf 7.6.2).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 38
Let op!
Bent u aangesloten bij een sector met meerdere risicopremiegroepen (zie paragraaf 5.1.1), dan past u
het percentage toe dat hoort bij uw risicopremiegroep.

Instantiebetaling
De instantiebetaling is bedoeld voor de situatie waarin de werknemer geen loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking meer van u krijgt, maar u hem nog wel een aanvulling op zijn uitkering betaalt. De
aanvulling is dan loon uit vroegere dienstbetrekking en geen loon voor de werknemersverzekeringen. Hebt u
met UWV een instantiebetaling afgesproken, dan betaalt UWV de premies werknemersverzekeringen over de
uitkering. U krijgt van UWV het brutobedrag van de uitkering, vermeerderd met de werkgeversheffing Zvw.
U betaalt de uitkering door aan de werknemer. U berekent over het totaal van de uitkering en de aanvulling
daarop de werkgeversheffing Zvw en de loonbelasting/premie volksverzekeringen, maar niet de premies
werknemersverzekeringen (zie paragraaf 7.6.2).

4.5 Loon in natura
Loon in natura is loon dat u niet in geld uitbetaalt. Het is een voordeel uit de dienstbetrekking en is daarom
belast voor de loonheffingen. U kunt loon in natura aan uw werknemer verstrekken of ter beschikking stellen.
In het 1e geval wordt uw werknemer eigenaar en in het 2e geval blijft u eigenaar.
De waarde van loon in natura is het bedrag inclusief btw van de inkoopfactuur. Als u aangifte loonheffingen
moet doen en u hebt nog geen inkoopfactuur, gaat u voor de aangifte uit van de offerte of van een redelijke
schatting. Nadat u de factuur hebt gekregen, corrigeert u zo nodig de eerdere aangifte.
In 2 gevallen moet u uitgaan van de waarde in het economische verkeer (de gebruikelijke verkoop- of
winkelwaarde inclusief btw):
– U hebt geen factuur.
– U hebt een factuur van een verbonden vennootschap (zie paragraaf 20.1.8).
Krijgt uw werknemer bitcoins of andere cryptovaluta van u? Dan gaat u uit van de waarde in euro’s op het
moment waarop u de cryptovaluta betaalt.
Voor bepaalde voorzieningen op de werkplek gelden normbedragen (zie paragraaf 20.3).
Producten uit eigen bedrijf
Producten uit eigen bedrijf zijn ook loon in natura. Deze producten zijn gericht vrijgesteld tot een bepaald
normbedrag (zie paragraaf 20.1.8).
Eigen bijdrage van de werknemer
Als u op het loon van de werknemer een bedrag inhoudt voor de verstrekking of terbeschikkingstelling van
loon in natura, trekt u deze eigen bijdrage af van de te belasten waarde of het normbedrag. Deze aftrek mag
niet hoger zijn dan de te belasten waarde of het normbedrag. Wijst u de waarde van het loon in natura aan
als eindheffingsloon? Dan trekt u het totaal van de eigen bijdragen van uw werknemers af van het totaal van
de te belasten waarde en/of het totaal van de normbedragen.
Zie de normbedragen in paragraaf 20.3 en tabel 15 achter in het handboek.
Loon in natura: nihilwaarderingen
Alles wat u uw werknemer verstrekt, vergoedt of ter beschikking stelt voor zijn dienstbetrekking, is loon. Om
te voorkomen dat de waarde van bepaalde voorzieningen op de werkplek in de vrije ruimte valt, is een aantal
voorzieningen op nihil gewaardeerd. Zie paragraaf 20.2 voor meer informatie.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 39
Let op!

Nihilwaarderingen gelden alleen voor loon in natura, meestal in de vorm van een terbeschikkingstelling,
en niet voor vergoedingen in geld.
4.6 Vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen
Alles wat u uw werknemer vergoedt, verstrekt of ter beschikking stelt voor zijn dienstbetrekking, is loon. Als
u voor een verstrekking of terbeschikkingstelling een bedrag inhoudt op het loon, trekt u dit bedrag af van de
te belasten waarde of het normbedrag. Maar dat mag niet leiden tot een negatief bedrag. Alleen bij een eigen
bijdrage voor een auto van de zaak kan de bijtelling in een loontijdvak soms negatief zijn (zie paragraaf
21.3.7).

Bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen zijn geen loon of geen belast loon (zie
paragraaf 4.12). Verder zijn er voor bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen
zogenoemde gerichte vrijstellingen (zie paragraaf 20.1) en nihilwaarderingen (zie paragraaf 20.2). Deze
gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen zijn geen belast loon voor uw werknemer en gaan niet ten koste
van uw vrije ruimte. Gerichte vrijstellingen moet u daarvoor wel aanwijzen als eindheffingsloon (bijvoorbeeld
door ze in uw administratie op te nemen als eindheffingsloon, zie paragraaf 8.1.3). Daarnaast kunt u een
vaste (onbelaste) kostenvergoeding geven (zie paragraaf 4.6.1).

4.6.1 Vaste kostenvergoedingen
Voor gerichte vrijstellingen (zie paragraaf 20.1) en intermediaire kosten (zie paragraaf 4.12.2) mag u een
vaste, onbelaste kostenvergoeding geven, die niet ten koste gaat van uw vrije ruimte. U moet dan wel
voldoen aan de volgende voorwaarden:
– U kunt het bedrag van de vrijstellingen en kosten aannemelijk maken.
– U omschrijft elke vrijstelling en kostenpost en geeft een schatting van het bedrag.
– U geeft aan uit welke bedragen de vaste kostenvergoeding is opgebouwd (bedragen voor vrijstellingen en
andere kostenposten).
– U onderbouwt de vaste kostenvergoeding met een onderzoek vooraf naar de werkelijk gemaakte kosten
en u herhaalt dit als wij daarom vragen of als de omstandigheden wijzigen. Deze voorwaarde geldt alleen
voor nieuwe vaste kostenvergoedingen. Voor vaste kostenvergoedingen die al bestonden voordat u de
werkkostenregeling ging toepassen, hoeft u niet opnieuw onderzoek te doen als de omstandigheden
waarop u de vergoeding hebt gebaseerd, gelijk zijn gebleven.
– Voor gerichte vrijstellingen: U wijst de kostenvergoeding voor de gerichte vrijstelling aan als
eindheffingsloon.
Als u niet aan deze voorwaarden voldoet, zijn de vaste kostenvergoedingen voor gerichte vrijstellingen en
intermediaire kosten loon van de werknemer. Als u de vaste kostenvergoeding in dat geval aanwijst als
eindheffingsloon, gaat dat wel ten koste van uw vrije ruimte (zie paragraaf 8.1.3).
Vergoedingen die niet gericht zijn vrijgesteld en die geen intermediaire kosten zijn, kunt u aanwijzen als
eindheffingsloon (zie paragraaf 4.2). Wijst u de vergoedingen niet aan als eindheffingsloon, dan horen ze tot
het loon van de werknemer.

4.6.2 Cao-beoordelingen
In collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) staan vaak afspraken over (vaste) vergoedingen en
verstrekkingen. Daarom beoordelen wij cao’s op de gevolgen voor de loonheffingen. Ga voor deze
beoordelingen naar belastingdienst.nl en zoek op ‘cao-beoordelingen’.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 40
4.7 Uitkeringen en verstrekkingen bij bijzondere gebeurtenissen
De volgende uitkeringen en verstrekkingen bij bijzondere gebeurtenissen zijn onder bepaalde voorwaarden
geen loon:
– diensttijduitkeringen of -verstrekkingen, bijvoorbeeld bij een jubileum van de werknemer (zie paragraaf
19.2.1)
– uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen die aan de dienstbetrekking zijn verbonden (zie paragraaf
19.2.2)
– eenmalige uitkeringen bij overlijden tot maximaal driemaal het loon over een maand (zie paragraaf
19.1.7 en 19.1.8)
De volgende uitkeringen en verstrekkingen bij bijzondere gebeurtenissen zijn wel loon:
– ontslagvergoedingen (zie paragraaf 4.7.1)
– geschenken (zie paragraaf 4.7.2)
– kinderbijslag, anders dan op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) (zie paragraaf 4.7.3)
4.7.1 Ontslagvergoedingen
Geeft u uw werknemer bij ontslag een ontslagvergoeding? Dan is dit loon uit vroegere dienstbetrekking (zie
paragraaf 4.3).

RVU-regeling
Is de ontslagvergoeding een regeling voor vervroegde uittreding (RVU-regeling), dan moet u pseudoeindheffing RVU betalen. Zie paragraaf 19.3 voor meer informatie. U kunt aan ons vragen of wij de
ontslagvergoeding zien als een RVU-regeling. Dat doet u voordat u de ontslagvergoeding uitbetaalt. U krijgt
dan van ons een beschikking, waartegen u bezwaar kunt maken (zie ook paragraaf 24.7).
Excessieve vertrekvergoeding
Als u een excessieve vertrekvergoeding betaalt aan uw werknemer, moet u pseudo-eindheffing excessieve
vertrekvergoedingen betalen. Zie paragraaf 24.8 voor meer informatie.
4.7.2 Geschenken
Geschenken horen tot het loon van de werknemer. Het maakt niet uit om wat voor soort geschenken het
gaat. U kunt er ook voor kiezen om de waarde ervan aan te wijzen als eindheffingsloon.
Let op!

Soms is een geschenk geen loon van de werknemer. Zie paragraaf 4.12.1 voor meer informatie.
4.7.3 Kinderbijslag anders dan op grond van de AKW
Kinderbijslag op grond van de AKW hoort niet tot het loon. Kinderbijslagvervangende uitkeringen en
kinderbijslagverhogende uitkeringen horen wel tot het loon. U mag deze uitkeringen ook als eindheffingsloon
aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
4.8 Aanspraken, en uitkeringen op grond van aanspraken
Een aanspraak is een recht om na verloop van tijd of onder een voorwaarde 1 of meer uitkeringen of
verstrekkingen te krijgen. Een aanspraak hoort in het algemeen tot het loon, maar kan ook volledig of
gedeeltelijk zijn vrijgesteld. Als de aanspraak is vrijgesteld, is de uitkering in het algemeen belast.
Zie paragraaf 19.1 voor meer informatie over aanspraken.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 41

4.9 Negatief loon
De 2 meest voorkomende situaties waarin er sprake kan zijn van negatief loon, zijn:
– U hebt een werknemer te veel loon uitbetaald en de werknemer betaalt dit terug (zie paragraaf 4.9.1).
– De werknemer moet u een vergoeding terugbetalen (zie paragraaf 4.9.2).
Let op!
Bijdragen van de werknemer aan loon in natura waarvoor een nihilwaardering of een gerichte vrijstelling
geldt, zijn geen negatief loon.
4.9.1 Werknemer betaalt te veel uitbetaald loon terug
Als een werknemer een bedrag terugbetaalt dat hij ten onrechte als loon heeft gekregen, kunnen zich 3
situaties voordoen:
– De werknemer meldt het te veel betaalde loon en betaalt het binnen een redelijke termijn terug.
– U vraagt een bedrag terug in het jaar van betaling.
– U vraagt een bedrag terug na afloop van het jaar van betaling.
De werknemer meldt het te veel betaalde loon en betaalt het binnen een redelijke
termijn terug
De werknemer meldt u kort na ontvangst dat hij te veel loon heeft gekregen en hij betaalt dit binnen een
redelijke termijn terug. Wij beschouwen de loonbetaling dan als niet gedaan. U moet dan de gegevens in de
loonstaat over het loon en de loonheffingen verbeteren.
Als u al aangifte hebt gedaan over het tijdvak waarin u te veel loon hebt betaald, moet u deze fout corrigeren
(zie hoofdstuk 12). Dit doet u als volgt:
– Is de aangiftetermijn niet voorbij, dan doet u nog een nieuwe volledige aangifte loonheffingen of stuurt u
ons voor een specifiek deel van de aangifte vervangende of aanvullende gegevens toe.
– Is de aangiftetermijn wel voorbij, dan verzendt u een correctie bij een aangifte waarvan de
aangiftetermijn nog niet voorbij is.
U vraagt een bedrag terug in het jaar van betaling
Na een foute betaling vraagt u in hetzelfde jaar het nettobedrag terug dat u te veel hebt betaald aan uw
werknemer. Dan hebt u 2 mogelijkheden:
– U past de loon-over-systematiek toe (zie paragraaf 7.2.1).
– U past de loon-in-systematiek toe (zie paragraaf 7.2). Het brutobedrag dat hoort bij het nettobedrag dat
u terugvraagt, is negatief loon in het tijdvak van terugbetaling. Dit loon en de bijhorende loonheffingen
neemt u als negatieve bedragen op in de loonstaat in het tijdvak van terugbetaling. Heeft de werknemer
in dit tijdvak geen loon of een lager loon dan het negatieve loon, dan vult u voor deze werknemer in de
aangifte loonheffingen over dat tijdvak bij het loon en alle loonheffingen negatieve bedragen in.
U vraagt een bedrag terug na afloop van het jaar van betaling
Na afloop van het kalenderjaar vraagt u na een foute betaling het brutobedrag terug dat u te veel hebt
betaald aan uw werknemer. Het bedrag dat de werknemer terugbetaalt, is in het jaar van terugbetaling
voor de werknemer negatief loon. U corrigeert de eerdere foute betaling niet in de loonstaat. U hoeft ook de
aangifte niet te corrigeren.
U kunt kiezen uit de volgende 2 werkwijzen:
– U verrekent over 1 of meer loontijdvakken het negatieve loon volledig met het positieve loon. Dit mag
niet leiden tot een negatief bedrag. U berekent de loonheffingen over het saldo.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 42
– U verrekent het negatieve loon niet of niet helemaal met positief loon. Het bedrag dat u niet verrekent,
kan de werknemer als negatief loon aftrekken in zijn aangifte inkomstenbelasting. In dit geval maakt u
een negatieve jaaropgaaf. Bij de loonheffingen vult u dan niets in.
4.9.2 Werknemer betaalt vergoeding terug
Als een werknemer een vergoeding moet terugbetalen, kan er sprake zijn van negatief loon. Of dat zo is,
hangt af van het oorspronkelijke karakter van de vergoeding:
– Als u de vergoeding in het verleden hebt belast bij de werknemer, is de terugbetaling negatief loon voor
de werknemer in het jaar waarin hij de vergoeding aan u terugbetaalt.
– Als u de vergoeding in het verleden hebt aangewezen als eindheffingsloon, dan is de terugbetaling
voor u negatief eindheffingsloon in het jaar waarin de werknemer de vergoeding aan u terugbetaalt.
Dat betekent dat het bedrag van uw vrije ruimte in dat jaar wordt verhoogd met het negatieve
eindheffingsloon.
4.10 Verzekeringsuitkeringen die belast zijn voor de loonheffingen
Banken, levensverzekeringsmaatschappijen, schadeverzekeraars en andere financiële instellingen
moeten loonbelasting/premie volksverzekeringen en de bijdrage Zvw inhouden op bepaalde categorieën
verzekeringsuitkeringen. Het gaat om de volgende categorieën verzekeringsuitkeringen:
1 periodieke uitkeringen die tot box 1 horen, bijvoorbeeld uitkeringen in verband met invaliditeit, ziekte of
een ongeval
2 lijfrente-uitkeringen aan minderjarigen (lijfrente-uitkeringen aan meerderjarigen vallen al langer onder
de loonbelasting/premie volksverzekeringen, net als uitkeringen uit een lijfrentespaarrekening of uit een
lijfrentebeleggingsrekening)
3 afkoopsommen van lijfrenten ‘oude stijl’ (contracten die vóór 1992 zijn gesloten en waarvoor de Wet
op de inkomstenbelasting 1964 van vóór 1992 nog geldt) en afkoopsommen van rechten op periodieke
uitkeringen die tot box 1 horen
4 negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij ‘fysieke afkoop’ – afkoopsommen in geld – van
lijfrenten en andere periodieke uitkeringen waarvoor de Wet op de inkomstenbelasting 2001 geldt
Dit zijn grofweg contracten die vanaf 1992 zijn gesloten. Een uitzondering geldt voor kleine
afkoopsommen met een waarde van maximaal € 4.404. Kleine afkoopsommen behandelt u als categorie
3.
Geen premies werknemersverzekeringen
Verzekerden die deze uitkeringen krijgen, zijn geen werknemers voor de werknemersverzekeringen. U betaalt
dus geen premies werknemersverzekeringen.
Bijdrage Zvw inhouden
U moet de bijdrage Zvw inhouden als er sprake is van een loontijdvak. Dat is bij verzekeringsuitkeringen uit
categorie 1 en 2 het geval. In die situaties moet u dus behalve loonbelasting/premie volksverzekeringen ook
de bijdrage Zvw inhouden.
De afkoopsommen van categorie 3 en 4 zijn eenmalige uitkeringen. Ze zijn niet te koppelen aan een bepaald
loontijdvak. Krijgt een verzekerde in een jaar alléén een afkoopsom uit categorie 3 of 4? Dan houdt u geen
bijdrage Zvw in. Maar krijgt die verzekerde in hetzelfde jaar ook een periodieke uitkering van u, waarvoor
er wel sprake is van een loontijdvak? Dan moet u op de afkoopsommen van categorie 3 en 4 niet alleen
loonbelasting/premie volksverzekeringen, maar ook de bijdrage Zvw inhouden.
Bij het inhouden van de bijdrage Zvw moet u rekening houden met een eventueel inhaaleffect van het
voortschrijdend cumulatief rekenen (zie paragraaf 5.7.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 43
Verzekeringsuitkeringen in de aangifte loonheffingen verwerken
In uw aangifte loonheffingen gebruikt u voor de verschillende categorieën verzekeringsuitkeringen de
volgende codes en tarieven:
Categorie
uitkering
Tarief loonbelasting/premie
volksverzekeringen
Inkomenscode Code loonbelastingtabel
1 Normale tarieven (groene tabel) 32 021, 022, 023, 024 of 025
(afhankelijk van het loontijdvak)
2 Normale tarieven (groene tabel) 59 of 60 021, 022, 023, 024 of 025
(afhankelijk van het loontijdvak)
3 Tarieven voor bijzondere beloningen 59 of 60 020 (tabel bijzondere beloningen)
4 Vast tarief van 52% – 32 voor uitkeringen in
verband met ziekte,
invaliditeit of ongeval
– 63 voor alle andere
uitkeringen
950 (‘52%-tarief in verband met
negatieve uitgaven bij afkoop van
inkomensvoorzieningen’)
Betaalt u aan 1 verzekerde meerdere uitkeringen? En zijn de code loonbelastingtabel of de inkomenscode die
u moet gebruiken niet hetzelfde? Gebruik dan voor iedere uitkering een eigen nummer inkomstenverhouding
(zie paragraaf 3.4). Ook als de codes wel hetzelfde zijn, maar de tarieven verschillend, kunt u het beste
verschillende nummers inkomstenverhouding gebruiken. Dit is handig voor uw en onze administratie.
Verder moet u, voor het berekenen van de bedragen die u moet inhouden, rekening houden met de
samenvoegingsregels (zie paragraaf 7.6.1).
4.11 Aandelenopties
Een aandelenoptierecht is een recht om 1 of meer aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten te kopen
in de vennootschap van de werkgever of in een vennootschap waarmee de werkgever is verbonden. Onder
verbonden vennootschap wordt verstaan:
– een vennootschap waarin de werkgever voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft
– een vennootschap die voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft in de werkgever
– een vennootschap waarin een derde partij voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft, terwijl deze derde
partij ook voor minimaal 1/3 gedeelte belang heeft in de werkgever
U berekent de loonheffingen over het werkelijk gerealiseerde voordeel op het moment van uitoefening of
vervreemding van de optierechten. Als u aan de werknemer een bedrag in rekening hebt gebracht voor het
optierecht, dan mag u dit bedrag in mindering brengen op het voordeel dat de werknemer heeft genoten. Bij
een negatief saldo mag u niets op het loon in mindering brengen.
Deze regels voor aandelenoptierechten gelden ook voor daarmee gelijk te stellen rechten, zoals warrants en
conversierechten, die deel uitmaken van een converteerbare personeelsobligatie.
Aandelenoptierechten voor werknemers van innovatieve starters (start ups) minder
belast
Bent u een start-up (zie paragraaf 16.1) en kent u uw werknemers aandelenoptierechten toe? En oefent een
werknemer deze rechten uit of vervreemdt hij ze? Dan belast u niet 100%, maar 75% van het voordeel voor
zover dit voordeel niet meer is dan € 50.000.
U moet dan wel aan deze 3 voorwaarden voldoen:
– Op het moment dat u de aandelenoptierechten toekent, hebt u een S&O-verklaring met recht op het
verhoogde starterspercentage.
– Op het moment dat de werknemer de aandelenoptierechten uitoefent of vervreemdt, is het ten minste 12
maanden geleden dat u ze hebt toegekend, maar niet langer geleden dan 5 kalenderjaren.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 44
– U kunt aantonen dat u niet uitkomt boven het ‘de-minimisplafond’ voor staatssteun van het Europese
Verdrag. Dat toont u aan met een ‘Verklaring De-minimissteun’. U vraagt deze verklaring aan bij de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Kijk voor meer informatie op RVO.nl.
Is het voordeel meer dan € 50.000, dan belast u 75% van € 50.000 en 100% van het meerdere.

4.12 Geen loon of geen belast loon
De volgende vergoedingen en verstrekkingen zijn geen loon of geen belast loon voor de werknemer:
– voordelen buiten de dienstbetrekking (zie paragraaf 4.12.1)
– vergoedingen voor intermediaire kosten (zie paragraaf 4.12.2)
– vrijgesteld loon (zie paragraaf 4.12.3)
– verstrekkingen en terbeschikkingstellingen waarvoor de werknemer een eigen bijdrage betaalt (zie
paragraaf 4.12.4)
– nihilwaarderingen (zie paragraaf 4.12.5)
– gerichte vrijstellingen (zie paragraaf 4.12.6)
Deze vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen zijn onbelast en gaan niet ten koste van uw
vrije ruimte.

4.12.1 Voordelen buiten de dienstbetrekking
Als u een werknemer een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling geeft die buiten de relatie
werkgever-werknemer valt, is dat geen loon. Er is dan namelijk geen verband met de dienstbetrekking.
Voorbeeld
Uw werknemer is ziek en u geeft hem een fruitmand. Of uw werknemer is overleden en u stuurt zijn
nabestaanden een rouwkrans. U doet dit uit wellevendheid, sympathie of piëteit op grond van een
persoonlijke relatie en niet zozeer op basis van de relatie werkgever-werknemer. Daarom is er geen
sprake van loon.
Als u aan de volgende 3 voorwaarden voldoet, kunt u er van uitgaan dat uw kleine geschenk (attentie) geen
loon is:
– U geeft een persoonlijke attentie in situaties waarin ook anderen zo’n attentie zouden geven.
– U geeft geen geld of een waardebon.
– De factuurwaarde (inclusief btw) van de attentie is maximaal € 25.
4.12.2 Vergoedingen voor intermediaire kosten
Vergoedingen voor intermediaire kosten zijn vergoedingen voor bedragen die uw werknemer meestal in uw
opdracht en voor uw rekening voorschiet. Deze vergoedingen zijn geen loon voor uw werknemer en u kunt
deze onbelast vergoeden. Uw werknemer kan bijvoorbeeld het volgende voorschieten:
– kosten voor zaken die tot het vermogen van uw bedrijf gaan horen
– kosten voor zaken die tot het vermogen van uw bedrijf horen en die u aan uw werknemer ter beschikking
hebt gesteld
– kosten die specifiek samenhangen met de bedrijfsvoering en niet met het functioneren van uw
werknemer
– kosten die hij maakt voor externe representatie van uw bedrijf
Als u zaken die uw werknemer heeft voorgeschoten, daarna aan hem verstrekt of ter beschikking stelt, kan
er wel weer sprake zijn van loon.
Intermediaire kosten kunnen ook deel uitmaken van een vaste kostenvergoeding (zie paragraaf 4.6).
Voorbeeld 1
Uw werknemer geeft een presentatie bij een klant. Hij koopt hiervoor markeerstiften en hij koopt
een fles wijn voor de klant. De markeerstiften neemt hij na zijn presentatie mee naar kantoor. De
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 45
vergoeding voor de markeerstiften is een vergoeding voor intermediaire kosten. Dat geldt ook voor
de vergoeding voor de fles wijn, want vergoedingen voor kosten die uw werknemers maken voor uw
externe representatie of voor relatiegeschenken voor externe relaties en klanten van uw bedrijf, zijn
vergoedingen voor intermediaire kosten en dus onbelast.
Voorbeeld 2
Uw werknemer maakt voor zijn werk een rit in een auto van uw bedrijf. Deze werknemer tankt
onderweg en rekent zelf de benzine af. De benzinekosten die u aan uw werknemer vergoedt, zijn
vergoedingen voor intermediaire kosten en dus onbelast.
Voorbeeld 3
U bestelt een notebook en uw werknemer schiet de rekening voor. U stelt de notebook ter
beschikking aan deze werknemer voor thuiswerk. De vergoeding van de rekening aan uw
werknemer is een vergoeding voor intermediaire kosten en dus onbelast.

4.12.3 Vrijgesteld loon
Onder vrijgesteld loon vallen:
– vrijgestelde aanspraken
– vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen
– vergoedingen en verstrekkingen wegens schade aan of verlies van persoonlijke zaken
Vrijgestelde aanspraken
Een aanspraak is in principe loon, maar is meestal volledig of gedeeltelijk vrijgesteld. Als de aanspraak
is vrijgesteld, is de uitkering op grond van die aanspraak meestal belast. De volgende aanspraken zijn
vrijgesteld:
– aanspraken op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval (zie paragraaf 19.1.7)
– aanspraken op een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden, tot maximaal driemaal het loon
over een maand (zie paragraaf 19.1.7 en 19.1.8)
– aanspraken op een eenmalige uitkering bij einde dienstbetrekking (zie paragraaf 19.1.5)
– pensioen-, prepensioen- en vroegpensioen-regelingen (zie paragraaf 19.4)
– aanspraken op verlof (zie paragraaf 19.1.3)
– aanspraken op grond van de ZW, de Wet Wajong, de WAZO, de WW, de WAO/WIA en overeenkomstige
aanspraken (zie paragraaf 19.1.4)
Vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen
Ook vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen horen niet tot het loon van uw werknemer. Het gaat dan om:
– eenmalige uitkeringen en verstrekkingen bij overlijden tot maximaal driemaal het loon over een maand
(zie paragraaf 19.1.7 en 19.1.8)
– diensttijduitkeringen (zie paragraaf 19.2.1)
– uitkeringen uit fondsen (zie paragraaf 19.2.2)
– vergoedingen aan uw partner voor arbeid in uw onderneming lager dan € 5.000
– eenmalige premies voor projecten om bijstandsgerechtigden aan het werk te helpen
Vergoedingen en verstrekkingen wegens schade aan of verlies van persoonlijke zaken
Beschadigt of verliest uw werknemer een persoonlijk eigendom (bijvoorbeeld kleding) en geeft u daar een
vergoeding of een verstrekking voor? Dan is die vergoeding of verstrekking vrijgesteld loon. Voorwaarde
is wel dat de schade of het verlies is veroorzaakt door een bijzondere gebeurtenis die samenhangt met de
dienstbetrekking.
In alle andere gevallen is de vergoeding of verstrekking loon van de werknemer. U kunt deze vergoeding of
verstrekking ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 46
Voorbeeld 1
U geeft uw werknemer in uw kantoor geen bedrijfskleding. Uw werknemer loopt per ongeluk
te dicht langs een scherpe rand van het bureau en daardoor scheurt de privékleding. Als u
uw werknemer een vergoeding of verstrekking voor de beschadigde kleding geeft, dan is die
vergoeding of verstrekking vrijgesteld loon.
Voorbeeld 2
U geeft uw werknemer in uw kantoor geen bedrijfskleding. Door het werken slijt de privékleding van
uw werknemer. Als u uw werknemer een vergoeding of verstrekking geeft voor de kleding, dan is
die vergoeding of verstrekking wel loon.
Voorbeeld 3
Uw werknemer is kleuterjuf. Tijdens de les gooit een kleuter een glas limonade over haar jurk,
waardoor de jurk onherstelbare schade heeft. Deze gebeurtenis hoort bij de functie van kleuterjuf.
Als u de schade aan de jurk vergoedt, is de vergoeding belast loon.
4.12.4 Verstrekkingen of terbeschikkingstellingen waarvoor de werknemer een eigen
bijdrage betaalt
Als u een werknemer iets verstrekt of ter beschikking stelt (loon in natura) en hij betaalt de (factuur)waarde
daarvan, dan is dat geen belast loon.
4.12.5 Nihilwaarderingen
De waarde van een aantal voorzieningen die uw werknemer op de werkplek gebruikt, is op nihil gesteld. Dit
voorkomt dat ze te belasten loon vormen. U wijst nihilwaarderingen niet aan als eindheffingsloon. Zie voor
meer informatie paragraaf 20.2.
Let op!
Als loon in natura onder de nihilwaarderingen en onder de gerichte vrijstellingen zou kunnen vallen,
behandelt u het loon als nihilwaardering.
4.12.6 Gerichte vrijstellingen
Voor een aantal vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen bestaan er zogenoemde gerichte
vrijstellingen.
Om een gerichte vrijstelling te kunnen toepassen moet u de vergoeding, verstrekking of
terbeschikkingstelling aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3). De vergoeding, verstrekking
of terbeschikkingstelling is dan volledig onbelast of onbelast tot een bepaald normbedrag. Een gerichte
vrijstelling gaat niet ten koste van uw vrije ruimte. Zie voor meer informatie paragraaf 20.1.
Let op!
Als loon in natura onder de nihilwaarderingen en onder de gerichte vrijstellingen zou kunnen vallen,
behandelt u het loon als nihilwaardering.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 47
4.13 Schema loon
In onderstaand schema ziet u de indeling van het loon.
Loon – loon in geld
– loon in natura
– vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen
– aanspraken, en uitkeringen op grond van aanspraken
– (verzekerings)uitkeringen
– negatief loon
Geen belast loon – vrijgestelde aanspraken, uitkeringen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen
(vrijgesteld loon)
– verstrekkingen en terbeschikkingstellingen waarvoor de werknemer een eigen
bijdrage van ten minste de (factuur)waarde betaalt
– nihilwaarderingen
– gerichte vrijstellingen (met uitzondering van het bovenmatige deel)
Altijd loon van de werknemer – loon dat u niet hebt aangewezen als eindheffingsloon (zoals vergoedingen,
verstrekkingen en terbeschikkingstellingen)
Dit kan ook het bovenmatige deel van een gerichte vrijstelling zijn of een deel
daarvan.
– auto van de zaak (behalve de kosten van buitengewone beveiligingsmaatregelen
van die auto)
– (dienst)woning (behalve het pied-à-terre en de kosten van buitengewone
beveiligingsmaatregelen voor de woning)
– vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor criminele activiteiten
– deel van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen dat uitkomt
boven de 30%-grens (gebruikelijkheidstoets)
– vergoedingen voor een boete (tenzij u de boete niet op de werknemer verhaalt; in
dat geval mag u het voordeel voor de werknemer aanwijzen als eindheffingsloon als
aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.)
– loon uit vroegere dienstbetrekking (tenzij u de werknemer daarnaast ook nog
loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is; in dat geval mag u
het loon uit vroegere dienstbetrekking aanwijzen als eindheffingsloon als aan de
gebruikelijkheidstoets is voldaan.)
– het rentevoordeel en de kosten van een personeelslening voor een eigen woning
waarvan de rente (inclusief de kosten) aftrekbaar is in de inkomstenbelasting
Loon dat niet ten koste gaat
van de vrije ruimte
Loon dat u hebt aangewezen als eindheffingsloon en dat gericht is vrijgesteld
Loon dat in de vrije ruimte valt – al het andere loon dat u hebt aangewezen als eindheffingsloon
Dit kan ook het bovenmatige deel van een gerichte vrijstelling zijn of een deel
daarvan.
– de volgende 2 verstrekkingen aan postactieve werknemers:
– vergoedingen voor de aanschaf van producten uit eigen bedrijf of uit het bedrijf
van een verbonden vennootschap die u ook aan uw actieve werknemers geeft
– verstrekkingen die u of een verbonden vennootschap ook aan uw actieve
werknemers geeft, zoals een kerstpakket
Geen loon – voordelen buiten de dienstbetrekking
– vergoedingen voor intermediaire kosten
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 48
4.14 Doorbetaaldloonregeling (afstaan van loon)
Een werknemer kan voor zijn dienstbetrekking bij een werkgever (hierna: de hoofdwerkgever) ook
in dienst zijn bij een andere werkgever. De werknemer is dan vaak verplicht om het loon dat hij van
die andere werkgever krijgt, af te staan aan zijn hoofdwerkgever. Onder voorwaarden geldt dan de
doorbetaaldloonregeling: de andere werkgever (hierna: de doorbetaler) hoeft geen loonheffingen in te
houden. Deze regeling is bijvoorbeeld van belang voor commissarissen die hebben gekozen voor opting-in
(zie ook paragraaf 16.14). Andere werknemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen er ook gebruik
van maken.
Als aan de volgende voorwaarden voor de doorbetaaldloonregeling is voldaan, hoeft de doorbetaler geen
loonheffingen in te houden:
– De werknemer is voor zijn dienstbetrekking bij de hoofdwerkgever ook in dienst bij de doorbetaler.
– De werknemer woont in Nederland. Als de werknemer niet in Nederland woont, geldt als extra
voorwaarde dat Nederland het recht heeft om loonheffingen in te houden op het doorbetaalde loon.
– De hoofdwerkgever is gevestigd of woont in Nederland.
– De doorbetaler betaalt het loon en de bijbehorende vergoedingen rechtstreeks aan de hoofdwerkgever.
– De doorbetaler geeft geen verstrekkingen aan de werknemer zonder dit vooraf aan de hoofdwerkgever te
laten weten.
De doorbetaler, de hoofdwerkgever en de werknemer moeten ons samen vragen om vast te stellen dat
zij voldoen aan de voorwaarden. Wij sturen dan een beschikking waartegen u bezwaar kunt maken. De
doorbetaler mag pas stoppen met het inhouden van loonheffingen na een positieve beslissing van ons.
Let op!
Als de werknemer een aanmerkelijk belang (zie paragraaf 16.1) heeft in de doorbetaler en in
de hoofdwerkgever, dan hoeft u ons niet te vragen of u aan de voorwaarden voldoet. Voor een
aanmerkelijkbelanghouder die aandelen houdt in een werkmaatschappij via een houdstermaatschappij
en die voor beide vennootschappen werkt, kunt u de doorbetaaldloonregeling dus toepassen zonder dat
eerst aan ons te vragen.
Doorbetaaldloonregeling als werknemer bij doorbetaler is verzekerd
U mag de doorbetaaldloonregeling ook toepassen als de werknemer bij de hoofdwerkgever niet
verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Is de werknemer bij de doorbetaler verzekerd voor
de werknemersverzekeringen en niet bij de hoofdwerkgever, dan moet de doorbetaler aangifte doen
van het premieloon en de premies werknemersverzekeringen van de werknemer betalen. In dat geval
geldt de doorbetaaldloonregeling dus alleen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. De hoofdwerkgever moet de werkgeversheffing Zvw betalen of op het
nettoloon bijdrage Zvw inhouden. Werkgeversheffing betaalt hij bijvoorbeeld voor een commissaris. Bijdrage
Zvw houdt de werkgever bijvoorbeeld in op het nettoloon van een directeur-grootaandeelhouder.
4.15 Cafetariaregeling
U kunt gebruikmaken van een cafetariaregeling. Een cafetariaregeling is een regeling waarbij de werknemer
voor een deel van het loon kan kiezen hoe en wanneer hij dit geniet (keuzeloon). De werknemer kan
bijvoorbeeld kiezen voor een beloning in natura of een onbelaste vergoeding in de plaats van loon in
geld. Het keuzeloon is geen gegarandeerd loon, omdat u pas aan het eind van het jaar weet waarvoor de
werknemer het heeft gebruikt. Keuzeloon hoort daarom niet bij het loon over een maand (zie paragraaf
19.2.1).
Een voorbeeld van een cafetariaregeling is een individueel keuzebudget (IKB). Bij een IKB krijgt een
werknemer een bepaald budget. De werknemer kan vervolgens kiezen hoe en wanneer hij dat budget wil
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 49
genieten. Hij kan het bijvoorbeeld als loon door u laten uitbetalen of kiezen voor extra verlof, voor een
(gericht vrijgestelde) opleiding, voor een dertiendemaanduitkering of voor loon dat u als eindheffingsloon
aanwijst (bijvoorbeeld vakbondscontributie).
Let op!
Binnen een cafetariaregeling zijn vergoedingen voor gereedschappen, computers, mobiele
communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur niet gericht vrijgesteld, omdat ze niet voldoen aan het
noodzakelijkheidscriterium. Zie ook paragraaf 20.1.7.
Voordelen cafetariaregeling voor de werknemer
Voor de werknemer heeft een cafetariaregeling 2 voordelen:
– Hij kan de arbeidsvoorwaarden beter afstemmen op zijn persoonlijke behoeften.
– Hij kan beter gebruikmaken van de fiscale mogelijkheden.
Maakt een werknemer gebruik van een cafetariaregeling, dan kan zijn brutoloon wijzigen. Deze wijziging
moet u vastleggen in de arbeidsovereenkomst of een aanvulling daarop. Een nadeel kan dan zijn dat
uitkeringen en verstrekkingen waarvan de hoogte wordt bepaald door het loon in geld, lager worden.
Bijvoorbeeld uitkeringen in het kader van de WW, vakantiebijslag en doorbetaald loon bij ziekte.
De werknemer kan ervoor kiezen om belast loon om te ruilen voor loon waarvoor een gerichte vrijstelling
geldt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een vergoeding voor studiekosten. Kiest de werknemer voor loon
waarvoor geen gerichte vrijstelling geldt, dan kunt u het belaste loon aanwijzen als eindheffingsloon (zie
paragraaf 8.1.3). Wordt de vrije ruimte overschreden, dan betaalt u over het meerdere 80% eindheffing (zie
hoofdstuk 8).
U mag een cafetariaregeling ter beoordeling aan ons opsturen. Wij keuren de regeling dan goed of af.
Wij doen alleen geen uitspraak over de regeling als deze bepalingen bevat die in strijd zijn met wettelijke
bepalingen waarvan u niet mag afwijken, bijvoorbeeld uit de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
of het Burgerlijk Wetboek.
Voorbeeld van een cafetariaregeling: variabele kilometervergoedingen
Een werknemer heeft recht op een dertiendemaanduitkering in december. Hij krijgt een vergoeding
van € 0,10 per kilometer voor zijn woon-werkverkeer. Hij reist per jaar 4.280 kilometer tussen zijn
woning en zijn werk. De fiscaal toegestane vergoeding voor deze werknemer is 4.280 × € 0,19 =
€ 813,20, maar hij krijgt van u een vrijgestelde vergoeding van € 428. Het verschil tussen de beide
vergoedingen is € 385,20.
In maart komt u met de werknemer overeen dat hij voor een bedrag van € 385,20 afziet van zijn
13e maand. In plaats daarvan krijgt de werknemer een aanvullende vergoeding voor het woonwerkverkeer van € 385,20. De aanvullende vergoeding is gericht vrijgesteld als u deze vergoeding
aanwijst als eindheffingsloon.
Zie paragraaf 21.1.4 voor meer informatie over variabele kilometervergoedingen.
4.15.1 Cafetariaregeling en de fiets
U kunt de cafetariaregeling ook gebruiken voor een fiets. U kunt uw werknemers dan onder gunstige
voorwaarden faciliteiten voor de fiets bieden: krijgt uw werknemer van u een renteloze lening voor de
aanschaf van een fiets, dan is het voordeel van deze renteloze lening geen loon voor de werknemer
(nihilwaardering, zie ook paragraaf 20.2.5).
Voorbeeld 1: aanschaf van een fiets
Een werknemer koopt een elektrische fiets van € 1.500. U zet € 1.500 van het brutoloon van de
werknemer om in een vergoeding voor de aanschaf van de fiets. Deze aanschafkosten wijst u aan
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 50
als eindheffingsloon. Als de vrije ruimte niet wordt overschreden, betaalt u daarover geen belasting.
Bij een belastingtarief van 38,10% heeft de werknemer een belastingvoordeel van € 572.
Voorbeeld 2: combinatie van aanschaf en gebruik
U verstrekt uw werknemer een renteloze lening van € 1.500 om een fiets te kopen. De werknemer
krijgt van u bovendien een vergoeding van € 0,15 per kilometer voor woon-werkverkeer. De woonwerkafstand van de werknemer is 4 kilometer. Per werkdag krijgt hij dus een vergoeding van
€ 1,20. De werknemer zet deze vergoeding in voor aflossing van de lening. Als de werknemer 20
dagen per maand werkt, krijgt hij maandelijks een vergoeding van € 24. De werknemer heeft de
lening van € 1.500 dan na ongeveer 5 jaar terugbetaald.
De aanschaf van de fiets gaat niet ten koste van uw vrije ruimte omdat er sprake is van een lening
aan de werknemer die hij moet terugbetalen. De terugbetaling van de lening gaat eveneens niet
ten koste van uw vrije ruimte omdat de werknemer de lening aflost met een gerichte vrijstelling (de
kilometervergoeding). Voor het rentevoordeel geldt een nihilwaardering.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 51
Stap 5 Premies werknemersverzekeringen berekenen
U moet premies werknemersverzekeringen betalen voor werknemers die verzekerd zijn voor de
werknemersverzekeringen. Zie hoofdstuk 1 als u wilt weten wie wel en niet verzekerd zijn voor deze
verzekeringen.
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
– werknemersverzekeringen en premies (zie paragraaf 5.1)
– premie WW-Awf (zie paragraaf 5.2)
– sectorpremie (zie paragraaf 5.3)
– Ufo-premie (zie paragraaf 5.4)
– basispremie WAO/IVA/WGA (zie paragraaf 5.5)
– gedifferentieerde premie Whk (zie paragraaf 5.6)
– premies werknemersverzekeringen berekenen (zie paragraaf 5.7)
– eigenrisicodragerschap werknemersverzekeringen (zie paragraaf 5.8)
5.1 Werknemersverzekeringen en premies
De werknemersverzekeringen verzekeren werknemers tegen het inkomensverlies als ze werkloos,
arbeidsongeschikt of ziek worden. Nederland kent de volgende werknemersverzekeringen:
– Werkloosheidswet (WW)
– Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
– Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Deze wet bestaat uit de volgende regelingen:
– Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)
– Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA)
– Ziektewet (ZW)
Als werkgever betaalt u de volgende premies voor de werknemersverzekeringen:
– premie WW-Awf (zie paragraaf 5.2)
– sectorpremie (zie paragraaf 5.3)
– Ufo-premie (zie paragraaf 5.4)
– basispremie WAO/IVA/WGA (zie paragraaf 5.5)
– gedifferentieerde premie Whk (zie paragraaf 5.6)
Zie voor de percentages voor de premies werknemersverzekeringen voor 2019 tabel 9, 10, 10a en 14 achter
in dit handboek.
5.1.1 Sectoraansluiting
Voor de werknemersverzekeringen is het bedrijfsleven verdeeld in sectoren. Elke sector bestaat uit 1 of
meer bedrijfs- of beroepstakken of gedeelten daarvan. U bent verplicht aangesloten bij 1 van de sectoren.
Bij welke sector dat is, hangt af van uw werkzaamheden. Uitgangspunt is dat werkgevers met dezelfde
werkzaamheden bij dezelfde sector zijn aangesloten.
U moet weten bij welke sector u bent aangesloten, omdat de sectoraansluiting de hoogte bepaalt van de
sectorpremie en van invloed kan zijn op de hoogte van de gedifferentieerde premie Whk die u moet betalen
(zie paragraaf 5.3 en 5.6).
Beoordeling sectoraansluiting
Als u zich bij ons aanmeldt als startende werkgever, geeft u aan welke werkzaamheden u uitvoert. Op basis
daarvan beoordelen wij onder welke sector u valt. Binnen 8 weken na aanmelding krijgt u van ons een
beschikking met de code en de naam van de sector waarbij u bent aangesloten. Tegen deze beschikking
kunt u bezwaar maken. Zolang u geen beschikking hebt, houdt u rekening met de percentages van de sector
waarbij u volgens uzelf hoort (zie tabel 10 achter in dit handboek).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 52
Wijziging sectoraansluiting
Zolang uw ondernemingsactiviteiten niet structureel veranderen, blijft u aangesloten bij de vastgestelde
sector. Als uw activiteiten structureel veranderen – bijvoorbeeld als u stopt met fabriceren en alleen nog
maar als groothandel werkt –, moet u ons binnen 14 dagen schriftelijk om een nieuwe beoordeling van
uw sectoraansluiting vragen. U krijgt dan een nieuwe beschikking. U past het nieuwe percentage voor
de sectorpremie toe vanaf de datum die staat in de beschikking met de nieuwe sectoraansluiting of in de
toelichting op die beschikking.
U kunt ons niet meer vragen om u met terugwerkende kracht bij een andere sector aan te sluiten. Te veel
betaalde sectorpremie krijgt u dus ook niet meer terug. Als u ons om een andere sectoraansluiting vraagt,
kan die alleen nog maar op een datum in de toekomst ingaan. Deze datum staat in de beschikking met de
nieuwe sectoraansluiting of in de toelichting op de beschikking.
Wij kunnen de aansluiting nog wel met terugwerkende kracht veranderen als u door een verkeerde indeling
te weinig sectorpremie hebt betaald. Dat kan tot maximaal 5 jaar terug na afloop van het kalenderjaar. Dus
in 2019 kunnen we u met terugwerkende kracht tot en met 2014 aansluiten bij een andere sector.
Let op!
Bent u een kleine of middelgrote werkgever? Dan hangt het premiepercentage van de gedifferentieerde
premie Whk geheel of gedeeltelijk af van de sector waarbij u bent aangesloten (zie paragraaf 5.6).
Maar als uw sectoraansluiting in de loop van 2019 verandert, verandert uw premiepercentage voor de
gedifferentieerde premie Whk niet. U krijgt eind 2019 een nieuw premiepercentage Whk voor 2020 dat
rekening houdt met de nieuwe sectoraansluiting.
Als uw werkzaamheden bij verschillende sectoren horen
Als uw werkzaamheden bij verschillende sectoren horen, sluiten wij u aan bij de sector waar het merendeel
van uw werkzaamheden bij hoort. Hierbij is het werk waarvoor u het hoogste premieloon betaalt (of naar
verwachting gaat betalen), doorslaggevend.
U kunt geen gesplitste aansluiting meer aanvragen. Hebt u al een gesplitste aansluiting, dan houdt u deze
zolang u aan de voorwaarden voldoet.

Groepsaansluiting
U kunt geen zogenoemde groepsaansluiting meer aanvragen. Elke werkgever binnen een economische of
organisatorische eenheid wordt aangesloten bij de sector waar zijn werkzaamheden onder vallen.
Hebt u al een groepsaansluiting, dan houdt u deze zolang u aan de voorwaarden voldoet.
5.2 Premie WW-Awf
De premie WW-Awf is voor 2019 3,60% (zie tabel 9 achter in dit handboek).
Let op!
Overheidswerkgevers betalen voor overheidswerknemers geen premie WW-Awf. In plaats daarvan
betalen zij de premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie) (zie paragraaf 5.4).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 53
5.3 Sectorpremie
De hoogte van de sectorpremie is afhankelijk van het werkloosheidsrisico in de bedrijfs- of beroepssector
waarin u werkt (zie paragraaf 5.1.1 en tabel 10 achter in dit handboek).
Let op!
Overheidswerkgevers betalen voor overheidswerknemers geen sectorpremie. In plaats daarvan betalen
zij de premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie) (zie paragraaf 5.4).
De volgende sectoren hebben een hoger werkloosheidsrisico dan andere sectoren:
– agrarisch bedrijf
– bouwbedrijf
– culturele instellingen
– horeca algemeen
– schildersbedrijf
Daarom gelden er voor deze sectoren 2 premiepercentages: een hoog en een laag percentage. Als u
werkgever bent in 1 van deze 5 sectoren, bekijkt u per werknemer of u het hoge percentage of het lage
percentage moet gebruiken. U gebruikt standaard het hoge percentage. Alleen in de volgende gevallen
gebruikt u het lage percentage:
– U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor ten minste een jaar of voor onbepaalde tijd met
uw werknemer. In de arbeidsovereenkomst moet u het aantal arbeidsuren eenduidig vastleggen. U
kunt de arbeidsuren per week of per maand vastleggen. U voldoet niet aan de voorwaarden bij een
oproepcontract waarin u het aantal uren niet vastlegt, bij een nul-urencontract of bij een min/maxcontract (een contract met een aantal vast en variabel te werken uren). U mag dan dus niet het lage
percentage toepassen.
– U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met uw werknemer waarin u het aantal
arbeidsuren voor een heel jaar vastlegt. De werknemer hoeft niet elke week of maand evenveel uren te
werken. U kunt samen afspreken hoe u de uren wilt spreiden over het jaar. De werknemer moet wel elk
loontijdvak recht hebben op een evenredig deel van het loon.
– U sluit een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor maximaal 8 aaneengesloten weken in een
kalenderjaar met een scholier of student. Deze student heeft aan het begin van het kwartaal waarin u de
overeenkomst sluit, een wettelijk recht op studiefinanciering of op vergoeding van studiekosten, of heeft
aan het begin van dat kwartaal recht op kinderbijslag.
– U neemt tijdelijk een buitenlandse student of scholier aan uit een ander land van de Europese Unie,
IJsland, Noorwegen, Zwitserland of Liechtenstein. De student is maximaal 8 aaneengesloten weken per
kalenderjaar bij u in dienst en is aan het begin van het kwartaal waarin u hem aanneemt, ingeschreven
bij een onderwijsinstelling waar hij een voltijdse opleiding volgt.
– U sluit een leer-werkovereenkomst met een mbo-leerling die de beroepspraktijkvorming van de
beroepsbegeleidende leerweg volgt.
Als uw werknemer binnen 1 jaar nadat u hem in dienst hebt genomen, recht krijgt op een WW-uitkering
omdat de dienstbetrekking bij u eindigt, moet u met terugwerkende kracht tot het begin van de
dienstbetrekking alsnog het hoge premiepercentage betalen. Blijft de dienstbetrekking voor een deel in
stand? Dan moet u ook met terugwerkende kracht het hoge premiepercentage betalen over het volledige
loon: vanaf de datum van het begin van de dienstbetrekking tot het moment waarop recht ontstaat op een
WW-uitkering. Zodra het recht op een WW-uitkering ontstaat, betaalt u weer het lage percentage.
Om het lage premiepercentage te mogen gebruiken moet u ook voldoen aan de volgende administratieve
voorwaarden:
– U legt het aantal arbeidsuren vast in de schriftelijke arbeidsovereenkomst. Een nul-urencontract is niet
mogelijk.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 54
– U bewaart de schriftelijke arbeidsovereenkomst bij uw loonadministratie.
– U bewaart voor een scholier of student het ‘Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en
scholierenregeling)’ bij uw loonadministratie (zie ook paragraaf 16.16).
– U bewaart voor een buitenlandse student of scholier een kopie van zijn International Student Identity
Card (ISIC) bij uw loonadministratie.
– U bewaart voor een werknemer op basis van een leer-werkovereenkomst een kopie van die overeenkomst
bij uw loonadministratie.
5.4 Ufo-premie
Overheidswerkgevers betalen voor overheidswerknemers geen premie WW-Awf en geen sectorpremie. In
plaats daarvan betalen zij de premie Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie). De Ufo-premie is in
2019 0,78% (zie tabel 14).
Hebt u werknemers in dienst voor wie u Ufo-premie moet betalen en werknemers voor wie u premie WWAwf en sectorpremie moet betalen? Dan mag u deze opnemen in dezelfde aangifte loonheffingen. In het
werknemersdeel van de aangifte vult u de Ufo-premie of de premie WW-Awf en de sectorpremie in. In het
collectieve deel neemt u het totaal op van de premie WW-Awf, het totaal van de sectorpremie en het totaal
van de Ufo-premie.
Let op!
Het kan zijn dat u voor een werknemer voor het ene deel van de dienstbetrekking Ufo-premie
moet betalen en voor het andere deel premie WW-Awf en sectorpremie. In dat geval neemt u deze
dienstbetrekking als 2 afzonderlijke inkomstenverhoudingen in de aangifte op (zie paragraaf 3.4). U vult
dus voor beide delen van de dienstbetrekking een werknemersdeel van de aangifte in.
Onder overheidswerknemer verstaan we:
– de werknemer die valt onder artikel 2 Wet privatisering ABP
– de beroepsmilitair die valt onder de Algemene militaire pensioenwet
– de werknemer die werkt in de Koninklijke Hofhouding
5.5 Basispremie WAO/IVA/WGA
De basispremie WAO/IVA/WGA is voor alle werkgevers gelijk. De basispremie voor 2019 is 6,46%. De
basispremie WAO/IVA/WGA heeft een opslag voor de kinderopvang, die voor alle werkgevers geldt. Deze
opslag is voor 2019 0,50%.
De totale basispremie WAO/IVA/WGA inclusief de kinderopvangtoeslag is 6,96% (zie tabel 9 achter in dit
handboek).
5.6 Gedifferentieerde premie Whk
Via de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (Whk) draagt u bij aan:
– WGA-uitkeringen aan werknemers met een vast dienstverband en aan zogenoemde flexwerkers
– ZW-uitkeringen aan zogenoemde flexwerkers
Flexwerkers
Met flexwerkers, of werknemers met een flexibel dienstverband, bedoelen we in dit verband:
– werknemers die ziek uit dienst zijn gegaan, zoals uitzendkrachten, werknemers met een tijdelijk
dienstverband of werknemers met een vaste dienstbetrekking aan wie ontslag is aangezegd
– werknemers die binnen 4 weken na het einde van hun dienstverband ziek zijn geworden (de zogenoemde
nawerking) en niet op andere gronden recht hebben op een ZW-uitkering
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 55
– werknemers met een fictieve dienstbetrekking die ziek zijn, zoals thuiswerkers en provisiewerkers
Opbouw gedifferentieerde premie Whk
De gedifferentieerde premie Whk bestaat uit de volgende delen:
– premiecomponent WGA
– premiecomponent ZW voor flexibele dienstbetrekkingen (ZW-flex)
Met de premiecomponent WGA worden de WGA-lasten van alle werknemers betaald. De premiecomponent
ZW is het gevolg van het doorbelasten van ZW-lasten voor flexwerkers. Ook overlijdensuitkeringen aan
nabestaanden en re-integratiekosten worden doorbelast in de gedifferentieerde premie Whk.
Indeling in werkgeverscategorieën
Voor het vaststellen van uw gedifferentieerde premie Whk is het van belang of u een kleine, grote of
middelgrote werkgever bent:
– U bent voor 2019 een kleine werkgever als uw premieloon in 2017 maximaal € 331.000 was (zie
paragraaf 5.6.1).
– U bent voor 2019 een grote werkgever als uw premieloon in 2017 meer dan € 3.310.000 was (zie
paragraaf 5.6.2).
– U bent voor 2019 een middelgrote werkgever als uw premieloon in 2017 meer was dan € 331.000 en
maximaal € 3.310.000 was (zie paragraaf 5.6.3).
In de volgende situaties gelden specifieke regels voor het gedifferentieerde Whk-premiepercentage dat u
moet gebruiken:
– U bent een startende werkgever (zie paragraaf 5.6.4).
– U hebt een werknemer in dienst op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) (zie paragraaf
5.6.5).
– U hebt de beschikking of de mededeling van het gedifferentieerde premiepercentage Whk niet of te laat
gekregen (zie paragraaf 5.6.6).
– Er is sprake van een overgang van uw onderneming (zie paragraaf 5.6.7).
– Er is sprake van regres (zie paragraaf 5.6.8).
U kunt een deel van de premie verhalen op uw werknemers (zie paragraaf 5.6.9).
Beschikking of mededeling
Wij stellen het gedifferentieerde premiepercentage Whk vast. U krijgt voor ieder premiejaar aan het eind van
het voorgaande jaar een beschikking (als u een middelgrote of grote werkgever bent) of een mededeling (als
u een kleine werkgever bent) met het totaalpercentage en de percentages van de 2 premiecomponenten die
voor u gelden. Het totaalpercentage past u toe in de aangifte. Als u een middelgrote werkgever bent, staat in
uw beschikking ook de berekening van het gewogen gemiddelde (zie paragraaf 5.6.3).
5.6.1 U bent een kleine werkgever
Voor kleine werkgevers stellen wij de percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten WGA en
ZW-flex per sector vast. Zie tabel 10a voor een overzicht van de sectorale premiepercentages voor de Whk.
5.6.2 U bent een grote werkgever
Voor grote werkgevers stellen wij de percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten
WGA en ZW-flex individueel vast. Het percentage is per premiecomponent afhankelijk van het
arbeidsongeschiktheidsrisico in uw onderneming.
Voor het bepalen van het individuele werkgeversrisicopercentage delen wij per premiecomponent de som
van de WGA- of ZW-uitkeringen aan uw (ex-)werknemers over 2017 door uw gemiddelde premieloon over
2013 tot en met 2017. Het totaal van de uitkeringen per premiecomponent en het gemiddelde premieloon
waarmee wij hebben gerekend, staan in de beschikking.
Het totaal van de uitkeringen berekenen wij op de volgende manier:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 56
– Voor de premiecomponent WGA tellen wij bij elkaar op de WGA-uitkeringen die in 2017 zijn uitbetaald
aan:
– (ex-)werknemers die op de 1e ziektedag bij u in dienst waren en een WGA-uitkering hadden die
inging op of na 1 januari 2007
– flexwerkers die een WGA-uitkering hadden die inging op of na 1 januari 2012
– Voor de premiecomponent ZW-flex tellen wij de ZW-uitkeringen die in 2017 aan flexwerkers zijn
uitbetaald, bij elkaar op.
Het risicopercentage dat we op deze manier hebben berekend, vergelijken wij met het landelijke gemiddelde
risicopercentage (het gemiddelde werkgeversrisicopercentage). Op grond van deze vergelijking stellen wij uw
individuele percentage per premiecomponent hoger of lager vast. Dit gebeurt met een opslag of korting op
het zogenoemde rekenpercentage. Het rekenpercentage is een gecorrigeerd gemiddeld percentage dat UWV
jaarlijks voor elk van de premiecomponenten vaststelt.
Bij het vaststellen van de individuele premiepercentages gelden per premiecomponent nog de volgende
grenzen:
– voor de premiecomponent WGA: een minimumpercentage van 0,18% en een maximumpercentage van
3,00%
– voor de premiecomponent ZW-flex: een minimumpercentage van 0,10% en een maximumpercentage van
1,72%
Voor sector 52 (Uitzendbedrijven) geldt een afwijkend maximumpercentage voor de premiecomponent ZWflex van 8,48%.
Let op!
Bent u als grote werkgever eigenrisicodrager voor de WGA (geweest), maar bent u op enig moment na
1 juli 2015 weer publiek verzekerd bij UWV? Dan wordt bij het vaststellen van uw premiecomponent
WGA voor 2019 rekening gehouden met uw totale WGA-uitkeringslasten voor uw (ex-)werknemers over
2017. Dit betreft dus niet alleen de uitkeringen door UWV, maar ook de uitkeringen uit de periode van
eigenrisicodragerschap.
5.6.3 U bent een middelgrote werkgever
Voor middelgrote werkgevers stellen wij de percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten
WGA en ZW-flex vast door per premiecomponent een gewogen gemiddelde te nemen van de individueel
vastgestelde premiepercentages en de sectorale premiepercentages. Zie tabel 10a voor een overzicht
van de sectorale premiepercentages. De hoogte van uw premieloon in 2017 bepaalt of het individuele
premiepercentage of het sectorale premiepercentage in uw geval zwaarder weegt.
De percentages voor de gedifferentieerde premiecomponenten worden berekend met de volgende formule:
(1-C) x sectoraal premiepercentage + C x individueel premiepercentage
Daarbij is C:
uw premieloon 2017 – premieloongrens klein/middelgroot
____________________________________________________________
premieloongrens middelgroot/groot – premieloongrens klein/middelgroot
Let op!
Bent u als middelgrote werkgever eigenrisicodrager voor de WGA (geweest), maar bent u op enig
moment na 1 juli 2015 weer publiek verzekerd bij UWV? Dan wordt bij het vaststellen van uw
premiecomponent WGA voor 2019 rekening gehouden met uw totale WGA-uitkeringslasten voor
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 57
uw (ex-)werknemers over 2017. Dit betreft dus niet alleen de uitkeringen door UWV, maar ook de
uitkeringen uit de periode van eigenrisicodragerschap.
5.6.4 U bent een startende werkgever
U bent een startende werkgever als u – zonder dat er sprake is van een overgang van onderneming (zie
paragraaf 5.6.7) – in 2017 of later werkgever bent geworden.
U bent gestart in 2018 of 2019
Als u in 2018 of later bent gestart, beschouwen wij u altijd als startende kleine werkgever. Het
gedifferentieerde premiepercentage Whk is het totaal van de sectorale premiepercentages voor de
premiecomponenten WGA en ZW-flex. Zie tabel 10a voor de sectorale premiepercentages.
U bent gestart in 2017
Als u in 2017 bent gestart, delen wij u op grond van uw premieloon in 2017 in als een startende kleine, grote
of middelgrote werkgever (zie paragraaf 5.6).
Als u een startende kleine werkgever bent, is uw gedifferentieerde premiepercentage Whk het totaal van uw
sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten WGA en ZW-flex. Zie tabel 10a voor de sectorale
premiepercentages.
Als u een startende grote werkgever bent, is uw premiepercentage Whk het totaal van de rekenpercentages
voor de premiecomponenten WGA en de ZW-flex. Voor 2019 is dit premiepercentage 1,24%.
Als u een startende middelgrote werkgever bent, is uw premiepercentage Whk het totaal van de gewogen
gemiddelden van de rekenpercentages en de sectorale premiepercentages voor de premiecomponenten
WGA en ZW-flex (zie tabel 10a). De hoogte van uw premieloon in 2017 bepaalt of de individuele
premiepercentages of de sectorale premiepercentages in uw geval zwaarder wegen.
5.6.5 U hebt werknemers op grond van de WSW in dienst
Voor werknemers met een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW), geldt in
plaats van de gedifferentieerde premie Whk een vervangende premie. Het vervangende premiepercentage
is het totaal van de rekenpercentages voor de premiecomponenten WGA en ZW-flex. Voor 2019 is dit
premiepercentage 1,24%.
5.6.6 Gedifferentieerd premiepercentage Whk niet of te laat gekregen
Het kan voorkomen dat u onze beschikking of mededeling met het gedifferentieerde premiepercentage Whk
niet of te laat hebt gekregen. Hier leest u wat u dan moet doen.
Geen beschikking of mededeling met gedifferentieerd premiepercentage Whk 2019
gekregen
Als wij de gedifferentieerde premie Whk 2019 niet hebben kunnen vaststellen, krijgt u een adviesbrief. In
deze brief vermelden wij een percentage gedifferentieerde premie Whk dat u voorlopig kunt toepassen. Het
percentage dat wij adviseren is afhankelijk van uw indeling als kleine, middelgrote of grote werkgever.
Als u in de loop van 2019 uw beschikking of mededeling krijgt en het nieuwe gedifferentieerde
premiepercentage niet afwijkt van het percentage dat u hebt gebruikt, hoeft u niets te doen. Is het
premiepercentage hoger of lager, dan gebruikt u het nieuwe percentage vanaf de eerstvolgende aangifte. U
moet ook de eerdere aangiften over 2019 corrigeren (zie hoofdstuk 12). Het bedrag dat u moet bijbetalen
of dat u te veel hebt betaald, verrekent u met het bedrag dat u moet betalen over het aangiftetijdvak van
die aangifte (zie hoofdstuk 12). Maar u kunt ons ook vragen om een teruggaaf of naheffing voor het verschil
tussen het betaalde en het nieuwe premiebedrag. Gebruik daarvoor het formulier ‘Verzoek om teruggaaf
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 58
of naheffing (nieuw of te laat vastgesteld gedifferentieerd premiepercentage Whk)’. U kunt dit formulier
downloaden van belastingdienst.nl.
Hebt u geen beschikking of mededeling gekregen en ook geen adviesbrief? Bel dan de BelastingTelefoon:
0800 – 0543.
U krijgt in 2019 een gedifferentieerd Whk-premiepercentage voor 2014, 2015, 2016,
2017 of 2018
Krijgt u in 2019 een gedifferentieerd Whk-premiepercentage voor 2014, 2015, 2016, 2017 of 2018? Of krijgt
u bijvoorbeeld naar aanleiding van een bezwaar een nieuw percentage? Dan kan dat (nieuwe) percentage
afwijken van het percentage dat u in uw aangiften loonheffingen hebt gebruikt. U hebt dan te veel of te
weinig premie betaald. Dit kunt u op 2 manieren corrigeren:
– U corrigeert de gedifferentieerde premie Whk in de aangiften loonheffingen die u hebt gedaan door het
verzenden van correcties.
– U vraagt ons om een naheffing of een teruggaaf voor het verschil tussen het betaalde en het nieuwe
premiebedrag. Gebruik daarvoor het formulier ‘Verzoek om teruggaaf of naheffing (nieuw of te
laat vastgesteld gedifferentieerd premiepercentage Whk)’. U kunt dit formulier downloaden van
belastingdienst.nl. Als u dit formulier opstuurt, mag u voor het betreffende jaar voor dit verschil geen
losse correcties versturen.
5.6.7 Overgang van een onderneming en gedifferentieerde premie Whk
Een overgang van een onderneming kan gevolgen hebben voor het gedifferentieerde premiepercentage Whk
dat u moet gebruiken. Hierbij gaat het om een overgang van een onderneming door een overeenkomst,
een fusie of een splitsing van een economische eenheid die haar identiteit houdt, of faillissement. Van
een overgang van een onderneming is bijvoorbeeld ook sprake bij het inbrengen van een eenmanszaak of
vennootschap onder firma in een bv.
De overdragende en de overnemende werkgever moeten de overgang van een onderneming bij ons melden.
U doet dat met het formulier ‘Melding loonheffingen overdracht van activiteiten’. U kunt dit formulier
downloaden van belastingdienst.nl. Bij een gedeeltelijke overname krijgen beide werkgevers dan een nieuwe
beschikking. Wanneer het nieuwe premiepercentage geldt, hangt af van de situatie:
– De overgang vindt plaats per 1 januari. Het nieuwe premiepercentage geldt in alle gevallen vanaf 1
januari.
– De overgang vindt plaats in de loop van het kalenderjaar:
– Als de overdragende en de overnemende partijen bestaande werkgevers zijn, geldt het nieuwe
premiepercentage voor beide werkgevers vanaf 1 januari van het jaar na het jaar van de overgang.
– Als de overnemende werkgever een nieuwe werkgever is, geldt zijn nieuwe premiepercentage vanaf
de datum van de overgang. Voor de overdragende werkgever geldt het nieuwe premiepercentage
vanaf 1 januari van het jaar na het jaar van de overgang.
Bij een volledige overname krijgt alleen de overnemende werkgever een nieuwe beschikking.
Overgang van een overheidswerkgever
Als een overheidswerkgever geheel of gedeeltelijk overgaat naar een andere werkgever, is er niet altijd
sprake van een overgang van een onderneming door een overeenkomst, een fusie of een splitsing. Maar
voor de gedifferentieerde premie Whk is er dan wel sprake van een overgang van een onderneming. Als een
overheidswerkgever geheel of gedeeltelijk overgaat naar een andere werkgever, kunnen beide partijen dus te
maken krijgen met een nieuw premiepercentage voor de gedifferentieerde premie Whk.
5.6.8 Regres en gedifferentieerde premie Whk
Een derde kan aansprakelijk zijn voor de ziekte die heeft geleid tot de WGA-uitkering van uw (ex)werknemer
in vaste dienstbetrekking. In dat geval kunt u deze derde aansprakelijk stellen (regresrecht) voor het
loon dat u hebt doorbetaald tijdens de ziekte. Als u op grond van zo’n regresactie recht hebt op een
schadevergoeding, kunt u ons vragen hiermee rekening te houden bij uw individueel vast te stellen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 59
gedifferentieerde premiepercentage Whk: uw premiecomponent WGA wordt hierdoor lager. Bij het bepalen
van uw premiecomponent WGA laten wij dan de WGA-uitkering van deze werknemer volledig of deels buiten
beschouwing vanaf het jaar waarin de schadevergoeding is vastgesteld.
U stuurt het verzoek naar uw belastingkantoor. Stuur daarbij bewijsstukken mee waaruit blijkt hoeveel
loon u hebt doorbetaald tijdens de 104 weken die voorafgingen aan de WGA-uitkering. Ook moet uit de
bewijsstukken blijken welk bedrag aan schadevergoeding is vastgesteld.
Als UWV een derde aansprakelijk stelt voor de ZW-lasten en op grond daarvan recht heeft op een
schadevergoeding, houden wij daarmee rekening bij uw individueel vast te stellen gedifferentieerde
premiepercentage Whk: uw premiecomponenten WGA en ZW-flex worden hierdoor lager.
5.6.9 Whk-premie verhalen op uw werknemers
U mag in 2019 maximaal 50% van de premiecomponent WGA verhalen op uw werknemers. Als u dit doet,
moet u de premie inhouden op het nettoloon van uw werknemers. Het verhalen is niet verplicht. Als u
besloten hebt niet te verhalen, hoeft u over de niet-verhaalde premie geen loonheffingen te betalen. De
premiecomponent ZW-flex kunt u niet verhalen op uw werknemers.
5.7 Premies werknemersverzekeringen berekenen
U berekent de premies werknemersverzekeringen over het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen.
Daarop zijn een aantal uitzonderingen (zie paragraaf 4.1).
Bij het berekenen van de premies houdt u rekening met het maximumpremieloon. U berekent de premies per
loontijdvak (zie paragraaf 5.7.2) en met voortschrijdend cumulatief rekenen (zie paragraaf 5.7.3).
Als u met een werknemer een nettoloon afspreekt, moet u eerst een berekening maken van nettoloon naar
brutoloon (zie paragraaf 7.4).
Uitzonderingen en speciale regels
Sommige werknemers zijn niet of alleen voor bepaalde werknemersverzekeringen verzekerd (zie hoofdstuk
1). In die gevallen hoeft u dus geen of niet alle premies te berekenen.
Als u een aanvulling op een ZW-, WW- of WAO/WIA-uitkering van UWV betaalt, gelden speciale regels voor
het berekenen van de premies (zie paragraaf 7.6).
5.7.1 Maximumpremieloon
De premies werknemersverzekeringen zijn een percentage van de aanwas van het cumulatieve premieloon
in een loontijdvak (zie paragraaf 5.7.3). Het premieloon is het loon voor de werknemersverzekeringen (loon
SV) waarbij u per werknemer per loontijdvak rekening houdt met het maximumpremieloon (zie tabel 11,
12 en 13 achter in dit handboek). Het maximumpremieloon is het maximumbedrag waarover u de premies
berekent.
In de aangifte hoeft u alleen de aanwas van het premieloon sectorfonds of van het cumulatieve premieloon
Ufo op te nemen. U moet wel alle premies werknemersverzekeringen apart in de aangifte opnemen.
5.7.2 Berekening per loontijdvak
U berekent de premies werknemersverzekeringen per loontijdvak, net als de andere loonheffingen. Het
loontijdvak is de periode waarover uw werknemer het loon geniet (zie paragraaf 7.3.4). Vaak is dat 1
kalendermaand of een periode van 4 weken, maar het kan ook 1 week of 1 dag zijn. Als u bijvoorbeeld de
maandtabel gebruikt voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, gaat u voor de berekening van de
premies werknemersverzekeringen ook uit van 1 maand. En ook voor het maximumpremieloon gebruikt
u de maandbedragen (zie tabel 11, 12 en 13 achter in dit handboek). Deze bedragen gelden voor alle
werknemers, dus ook voor uw parttimewerknemers.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 60

Genietingsmoment
Is een werknemer een deel van een loontijdvak verzekerd en een deel niet? Dan bepaalt het moment waarop
de werknemer het loon geniet, of er een loontijdvak voor de werknemersverzekeringen is:
– Is uw werknemer op het genietingsmoment verzekerd, dan is er een loontijdvak voor de
werknemersverzekeringen. Dit is hetzelfde loontijdvak dat u ook voor de berekening van de loonbelasting
gebruikt.
– Is uw werknemer op het genietingsmoment niet verzekerd, dan is er geen loontijdvak voor de
werknemersverzekeringen.

Let op!
Hetzelfde geldt voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (zie paragraaf 6.2.4) en de premie
volksverzekeringen.
Voorbeeld 1
Uw fulltimewerknemer heeft een maandloon. In april heeft hij onbetaald verlof. Hij beschikt wel nog
steeds over de auto van de zaak. Het privégebruik van de auto is loon voor de loonbelasting, de
Zvw en de werknemersverzekeringen. Dit betekent dat u ook in april de maandtabel toepast. Voor
de Zvw en de werknemersverzekeringen voegt u aan de 3 loontijdvakken (januari t/m maart) het
loontijdvak van april toe.
Voorbeeld 2
Een verzekerde werknemer die op 23 maart zijn loon krijgt, wordt op 3 maart directeurgrootaandeelhouder (dga). Hij is daardoor niet meer verzekerd voor de werknemersverzekeringen
op het moment dat hij het loon geniet en hij heeft dus in maart geen loontijdvak voor de
werknemersverzekeringen. Als deze werknemer op 27 maart dga was geworden, dan had hij in
maart nog wel een loontijdvak, maar vanaf april niet meer.
Nabetalingen
Doet u nabetalingen aan uw ex-werknemer? Dan moet u mogelijk nog wel premies werknemersverzekeringen
betalen over de nabetalingen.
U moet de premies werknemersverzekeringen betalen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– De nabetaling is loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Hierbij kunt u denken aan nabetaald
vakantiegeld of uitbetaalde vakantie-uren. Het gaat hier niet om ontslagvergoedingen. Die vallen onder
loon uit vroegere dienstbetrekking.
– Door voortschrijdend cumulatief rekenen (zie paragraaf 5.7.3) is er een toename in het cumulatieve
premieloon.
De nabetalingen neemt u op in de aangifte over het tijdvak waarin u de betaling doet. Doet u aangifte met
ons aangifteprogramma, dan vult u het scherm ‘Loonbestanddelen en uitkeringen werknemer’ als volgt in:
– Kies ‘Nee’ bij de vraag ‘Is de werknemer verzekerd voor 1 of meer werknemersverzekeringen?’.
– Kies ‘Ja’ bij de vraag ‘Moet u voor deze werknemer toch premies betalen voor 1 of meer
werknemersverzekeringen?’.
– Selecteer vervolgens de werknemersverzekeringen waarvoor u premies moet betalen.
Herleidingsregels
Bij de berekening van de premies werknemersverzekeringen leidt u alle relevante bedragen (per dag, per
week, per maand, per 4 weken en per jaar) af van een (maximum)jaarbedrag. Hierbij gaat u uit van de
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 61
rekenregels die al gelden voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Dat wil zeggen dat u uitgaat van
260 dagen per jaar.
Let op!
Hetzelfde geldt voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (zie paragraaf 6.2.4).
Deze systematiek is verwerkt in de toelichting ‘Loonberekening Voortschrijdend cumulatief rekenen
(VCR) en loontijdvakkensystematiek 2019’. De toelichting voor 2019 kunt u binnenkort downloaden van
belastingdienst.nl.
Anonieme werknemers
Voor anonieme werknemers (zie paragraaf 2.6) houdt u bij de berekening van de premies
werknemersverzekeringen geen rekening met het maximumpremieloon. U moet daardoor in sommige
gevallen een hogere premie betalen.
Als de werknemer in het vorige tijdvak anoniem was
Viel de werknemer eerst onder het anoniementarief, maar in een later tijdvak niet meer? Omdat u nu
rekening houdt met het maximumpremieloon, kunnen de premies werknemersverzekeringen lager of zelfs
negatief zijn, doordat u de VCR-systematiek toepast. U hoeft dan minder premies werknemersverzekeringen
te betalen.
5.7.3 Berekening met voortschrijdend cumulatief rekenen
De premies werknemersverzekeringen berekent u op basis van het voortschrijdend cumulatief rekenen
(VCR). U past hierbij de grondslagaanwasmethode toe. Bij deze methode berekent u per werknemer het
cumulatieve premieloon tot en met het tijdvak waarover u aangifte moet doen. Van dit bedrag trekt u af het
bedrag van het cumulatieve premieloon van de werknemer tot dit tijdvak. Het verschil is de aanwas van het
cumulatieve premieloon. Over deze aanwas berekent u de premies.
Let op!
VCR geldt ook voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, maar niet voor de
berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Daarvoor gebruikt u de tijdvaktabellen (zie
paragraaf 7.3).
Voorbeeld
Voor de premies werknemersverzekeringen geldt een maximumpremieloon per maand van
€ 1.2001
. Het loontijdvak is 1 maand. Volgens de grondslagaanwasmethode berekent u de aanwas
als volgt:
Loontijdvak Loon voor de
werknemersverzekeringen
Cumulatief loon voor
de werknemersverzekeringen
Cumulatief van
de loontijdvakbedragen
Cumulatief
premieloon
Aanwas per
loontijdvak
Januari € 1.500 € 1.500 € 1.200 € 1.200 € 1.200
Februari € 1.000 € 2.500 € 2.400 € 2.400 € 1.200
Maart € 1.000 € 3.500 € 3.6002 € 3.500 € 1.100
1 Om de systematiek duidelijk te maken, gebruiken we in dit voorbeeld fictieve bedragen voor het
maximumpremieloon.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 62
2 Het cumulatieve premieloon is het laagste van: het cumulatieve loon voor de
werknemersverzekeringen en het cumulatief van de loontijdvakbedragen.
Toelichting VCR
Met de toelichting ‘Loonberekening Voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) en loontijdvakkensystematiek
2019’ krijgt u inzicht in de methode van VCR. De toelichting voor 2019 kunt u binnenkort downloaden van
belastingdienst.nl.
5.8 Eigenrisicodragerschap werknemersverzekeringen
In 2019 kunt u voor de WGA en de ZW eigenrisicodrager worden. In deze paragraaf leest u wat het
eigenrisicodragerschap voor de WGA en de ZW betekent en hoe u dit kunt aanvragen en beëindigen.
5.8.1 Eigenrisicodragerschap voor de WGA
U kunt eigenrisicodrager worden voor de WGA. Dat betekent dat u vanaf de start van de WGA-uitkering
maximaal 10 jaar zelf het risico draagt voor gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid en tijdelijke volledige
arbeidsongeschiktheid van uw (ex-)werknemer, of dat u dit volledig of deels particulier verzekert. U draagt
ook het risico voor overlijdensuitkeringen aan nabestaanden van werknemers met een WGA-uitkering die
onder het eigen risico vallen.
Als eigenrisicodrager voor de WGA betaalt u niet de premiecomponent WGA van de premie Whk.
Geen inlooprisico’s
Als u kiest voor het eigenrisicodragerschap, worden de zogenoemde staartlastuitkeringen niet aan u
doorbelast. Staartlasten zijn:
– de lasten voor WGA-uitkeringen die zijn ontstaan vóór u eigenrisicodrager werd
– de lasten voor toekomstige WGA-uitkeringen aan werknemers van wie de 1e arbeidsongeschiktheidsdag
ligt vóór uw overstap naar het eigenrisicodragerschap
Let op!
Bent u al vóór 1 juli 2015 eigenrisicodrager geworden? Dan betaalt u als grote werkgever wél de
lasten voor WGA-uitkeringen die zijn ontstaan vóór u eigenrisicodrager werd. Bent u een middelgrote
werkgever, dan betaalt u een deel van deze uitkeringen en bijbehorende lasten. Kleine werkgevers
hebben geen inlooprisico’s.
Eigenrisicodragerschap WGA aanvragen
U moet een verzoek om eigenrisicodrager voor de WGA te worden bij ons doen. U kunt het
eigenrisicodragerschap voor de WGA op 1 januari of op 1 juli laten beginnen. Uw aanvraag moet uiterlijk 13
weken vóór de ingangsdatum (dus voor 2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. Wilt u eigenrisicodrager
voor de WGA worden, dan moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:
– U hebt een garantieverklaring van een erkende bank of een erkende verzekeraar. U moet hiervoor
onze modelgarantieverklaring gebruiken. Deze kunt u downloaden van belastingdienst.nl. De meeste
overheidsinstellingen hebben geen garantieverklaring nodig. Voor meer informatie hierover kunt u contact
opnemen met de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
– Uw eigenrisicodragerschap voor de WGA is in de 3 jaar voor de ingangsdatum niet beëindigd of geëindigd
(zie hierna onder ‘Einde eigenrisicodragerschap voor de WGA’). Als uw garantieverklaring bijvoorbeeld is
ingetrokken op 25 mei 2017, kunt u pas per 1 juli 2020 weer eigenrisicodrager worden.
U kunt het aanvraagformulier downloaden. Met de aanvraag stuurt u de garantieverklaring mee. Zodra uw
aanvraag bij ons binnen is, krijgt u een beschikking van ons.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 63
Als u een startende werkgever bent, kunt u ook eigenrisicodrager voor de WGA worden vanaf het moment
waarop u werkgever bent geworden. U stuurt dan bij uw aanmelding als werkgever het aanvraagformulier
voor het eigenrisicodragerschap WGA en de garantieverklaring mee. Het aanvraagformulier en de verklaring
moeten bij ons binnen zijn uiterlijk op het moment waarop u een werknemer in dienst neemt voor wie u
premies werknemersverzekeringen moet betalen. U hoeft nog geen loonheffingennummer te hebben om deze
aanvraag te kunnen doen.
Op uwv.nl vindt u meer informatie over het eigenrisicodragerschap.
Let op!
U kunt geen eigenrisicodrager voor de WGA worden voor:
– personeel dat op grond van de WSW bij u in dienst is
– personeel dat in dienst is bij een verbonden rechtspersoon waaraan u de uitvoering van de WSW
hebt overgedragen
Einde eigenrisicodragerschap voor de WGA
Uw eigenrisicodragerschap voor de WGA eindigt in de volgende situaties:
a U wilt niet langer eigenrisicodrager zijn. Dan kunt u het eigenrisicodragerschap beëindigen per
1 januari of 1 juli. Uw aanvraag moet uiterlijk 13 weken vóór de beëindigingsdatum (dus voor
2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. U kunt het aanvraagformulier voor het beëindigen van het
eigenrisicodragerschap voor de WGA downloaden van belastingdienst.nl.
b Wij beëindigen per direct uw eigenrisicodragerschap. Dit gebeurt als de rechtbank de noodregeling van
hoofdstuk 3.5 van de Wet op het financieel toezicht heeft uitgesproken over de verzekeraar of de bank
waar u zich hebt verzekerd.
c Het eigenrisicodragerschap eindigt van rechtswege vanaf de datum waarop:
– wij de schriftelijke mededeling van de bank of verzekeraar hebben gekregen waarin staat dat de bank
of verzekeraar de garantie intrekt
De garantie blijft dan nog wel gelden voor verplichtingen op grond van het eigen risico dat u,
uw rechtsopvolger onder algemene titel of de verkrijgende werkgever blijft dragen voor de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van (ex-)werknemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:
– Zij zijn ziek geworden vóór de datum waarop wij de schriftelijke opzegging hebben gekregen.
– Zij waren bij u in dienst op de datum waarop zij ziek werden.
– u failliet bent verklaard
– de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op u van toepassing is verklaard
– u geen werkgever meer bent
Let op!
– Als u niet langer eigenrisicodrager voor de WGA bent, betaalt u vanaf de beëindigingsdatum weer de
premiecomponent WGA. U moet nog wel de WGA-uitkeringen betalen van (ex-)werknemers die ziek
werden voordat u geen eigenrisicodrager meer was. Dit is het zogenoemde uitlooprisico.
– Het eigenrisicodragerschap is niet overdraagbaar. Als u bijvoorbeeld een nieuwe bv opricht en
de bestaande bv omzet in een beheer-bv, blijft de beheer-bv eigenrisicodrager. Wilt u dat ook de
(nieuwe) werk-bv eigenrisicodrager wordt, dan moet u dat voor deze bv aanvragen.
Premieberekening voor de gedifferentieerde premie Whk bij terugkeer naar de publieke
verzekering bij UWV
De premieberekening voor de Whk volgt de systematiek zoals beschreven in paragraaf 5.6.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 64
Bent u als (middel)grote werkgever eigenrisicodrager (geweest), maar bent u op enig moment na 1 juli 2015
weer publiek verzekerd bij UWV? Dan wordt bij het vaststellen van uw premiecomponent WGA voor 2019
rekening gehouden met uw totale WGA-uitkeringslasten voor uw (ex-)werknemers over 2017. Dit betreft dus
niet alleen de uitkeringen door UWV, maar ook de uitkeringen uit de periode van eigenrisicodragerschap.
WGA-kosten verhalen op uw werknemers
Als eigenrisicodrager voor de WGA kunt u een deel van uw WGA-kosten verhalen op al uw werknemers. Dit
doet u door een bedrag in te houden op het nettoloon van uw werknemers. Hoeveel u kunt inhouden, hangt
af van de vraag of u het WGA-risico zelf draagt of dit particulier hebt verzekerd.
Let op!
– In 2019 mag u een deel van de kosten (maximaal 50%) van het eigenrisicodragerschap voor de
WGA op het nettoloon van uw werknemers verhalen.
– Het verhalen is niet verplicht. Als u besloten hebt niet te verhalen, hoeft u over het niet-verhaalde
bedrag geen loonheffingen te betalen.
U draagt zelf het WGA-risico
Als u het WGA-risico zelf draagt en niet hebt herverzekerd, dan kunt u maximaal de helft van het
zogenoemde fictieve premiepercentage toepassen op het premieloon van uw werknemers. Dit bedrag kunt
u vervolgens inhouden op het nettoloon van uw werknemers. U kunt het fictieve premiepercentage op 2
manieren bepalen:
– U schat de WGA-uitkeringen aan uw werknemers in 2019 en deelt dit bedrag door uw verwachte
premieloon in 2019.
– U deelt de WGA-uitkeringen die u in 2018 aan uw (ex-)werknemers hebt betaald, door uw premieloon in
2018.
Bij het bepalen van het fictieve premiepercentage houdt u bovendien rekening met de volgende maxima:
– als u een kleine werkgever bent: 1,5 keer het sectorale premiepercentage voor de premiecomponent
WGA dat voor u zou gelden als u geen eigenrisicodrager zou zijn (zie paragraaf 5.6.1)
– als u een middelgrote of grote werkgever bent: 1,5 keer het percentage voor de premiecomponent WGA
dat voor u zou gelden als u geen eigenrisicodrager zou zijn (zie paragraaf 5.6.3 en 5.6.4)
Als u het fictieve premiepercentage hebt gebaseerd op uw geschatte WGA-lasten in 2019 en uw verwachte
premieloon in 2019, kan aan het eind van 2019 blijken dat de daadwerkelijke WGA-lasten en het premieloon
afwijken van uw schatting. Het bedrag dat u te veel of te weinig hebt verhaald, kunt u in 2020 netto met uw
werknemers verrekenen.
U hebt het WGA-risico particulier verzekerd
Als u het WGA-risico particulier hebt verzekerd, kunt u maximaal de helft van de premie voor het WGA-risico
inhouden op het nettoloon van uw werknemers. Als de verzekering ook andere risico’s dekt dan het WGArisico, moet u bij uw verzekeraar nagaan welk deel van de premie betrekking heeft op het WGA-risico.
5.8.2 Eigenrisicodragerschap voor de ZW
U kunt eigenrisicodrager worden voor de ZW. Dat betekent dat u zelf het risico draagt voor
arbeidsongeschiktheid van uw (ex-)werknemers die bij ziekte recht hebben op een ZW-uitkering, of dat u dit
volledig of deels particulier verzekert.
Als eigenrisicodrager voor de ZW betaalt u een lagere gedifferentieerde premie Whk, omdat u de
premiecomponent ZW-flex niet hoeft te betalen. Verder draagt u ook het risico voor overlijdensuitkeringen
aan nabestaanden van (ex-)werknemers met een ZW-uitkering die onder het eigen risico vallen (zie
paragraaf 5.6).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 65
Let op!
Als u bij ziekte van een (ex-)werknemer 2 jaar lang loon doorbetaalt, wil dat niet zeggen dat u
eigenrisicodrager voor de ZW bent. Deze doorbetalingsverplichting geldt namelijk voor iedere
werkgever.
Het ziekengeld van uw (ex-)werknemers waarvoor u het eigen risico draagt, moet u verantwoorden in
uw aangifte loonheffingen. In de aangifte moet u de premiepercentages gebruiken die voor u gelden. Dit
geldt ook als u uw loonadministratie en het uitbetalen van het ziekengeld van uw zieke (ex-)werknemers
uitbesteedt aan een ander. Als deze derde ook aangifte doet, moet hij dat voor uw zieke (ex-)werknemers
onder uw loonheffingennummer doen en uw percentages gebruiken.
Eigenrisicodragerschap ZW aanvragen
U moet een verzoek om eigenrisicodrager voor de ZW te worden bij ons doen. U kunt het
eigenrisicodragerschap voor de ZW op 1 januari of op 1 juli laten beginnen. Uw aanvraag moet uiterlijk 13
weken vóór de ingangsdatum (dus voor 2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. Wilt u eigenrisicodrager
voor de ZW worden, dan moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:
– U laat zich voor de verzuimbegeleiding van zieke (ex-)werknemers die onder het eigen risico
vallen, bijstaan door een arbodienst die is gecertificeerd en toegelaten op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet of een bedrijfsarts die is geregistreerd en toegelaten in het BIG-register, en u
hebt de afspraken rond deze verzuimbegeleiding schriftelijk vastgelegd.
– Uw eigenrisicodragerschap voor de ZW is in de 3 jaar voor de ingangsdatum niet beëindigd of geëindigd
(zie hierna onder ‘Einde eigenrisicodragerschap voor de ZW’).
U kunt het aanvraagformulier downloaden. Met de aanvraag stuurt u de afspraken over de
verzuimbegeleiding mee. In plaats van de afspraken over de verzuimbegeleiding kunt u ook het ‘Model
arboverklaring eigenrisicodragerschap Ziektewet (ZW)’ meesturen. U kunt dit model downloaden. Neem de
tekst over, vul de verklaring samen met uw arbodienst of bedrijfsarts in en onderteken. Als u uw aanvraag
hebt ingediend, krijgt u een beschikking van ons.
Als u een startende werkgever bent, kunt u ook eigenrisicodrager voor de ZW worden vanaf het moment
waarop u werkgever bent geworden. U stuurt dan bij uw aanmelding als werkgever het aanvraagformulier
voor het eigenrisicodragerschap ZW en de afspraken over de verzuimbegeleiding mee. Het aanvraagformulier
en de afspraken moeten bij ons binnen zijn uiterlijk op het moment waarop u een (ex-)werknemer in dienst
neemt voor wie u premies werknemersverzekeringen moet betalen. U hoeft nog geen loonheffingennummer
te hebben om deze aanvraag te kunnen doen.
Einde eigenrisicodragerschap voor de ZW
Uw eigenrisicodragerschap voor de ZW eindigt in de volgende situaties:
a U wilt niet langer eigenrisicodrager zijn. Dan kunt u het eigenrisicodragerschap beëindigen per
1 januari of 1 juli. Uw aanvraag moet uiterlijk 13 weken voor de beëindigingsdatum (dus voor
2 oktober of voor 1 april) bij ons binnen zijn. U kunt het aanvraagformulier voor het beëindigen van het
eigenrisicodragerschap voor de ZW downloaden van belastingdienst.nl.
b Wij beëindigen uw eigenrisicodragerschap. Dit gebeurt als u zich bij de verzuimbegeleiding van uw zieke
(ex-)werknemers niet langer laat bijstaan door een deskundige of dienst die gecertificeerd is op grond
van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Als u zich niet meer laat bijstaan, moet u dat aan ons en UWV
doorgeven. Stuur een brief naar Belastingdienst/Limburg/ERD, Postbus 4486, 6401 CZ Heerlen. En
een e-mail naar UWV: ERDZWControleteam@uwv.nl. Doe dat zodra u weet dat de verzuimbegeleiding
eindigt. En doe dat zelf: alleen de werkgever mag de brief en de mail sturen. Laat u bijvoorbeeld uw
administratiekantoor melden dat u geen arbodienst of bedrijfsarts meer hebt, dan doen wij en UWV
daar niets mee. U blijft dan ten onrechte eigenrisicodrager. Geeft u het einde van de verzuimbegeleiding
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 66
niet of niet zelf door, dan kunt u een boete krijgen van UWV. Bovendien moet u de te weinig betaalde
gedifferentieerde premie Whk alsnog betalen.
c Het eigenrisicodragerschap eindigt van rechtswege vanaf de datum waarop:
– u failliet bent verklaard
– de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op u van toepassing is verklaard
– u geen werkgever meer bent
Let op!
– Als u niet langer eigenrisicodrager voor de ZW bent, betaalt u vanaf de beëindigingsdatum weer de
premiecomponent ZW-flex. U moet dan nog wel de ZW-uitkeringen betalen van (ex-)werknemers die
ziek werden in de periode dat u eigenrisicodrager was. Dit is het zogenoemde uitlooprisico.
– Het eigenrisicodragerschap is niet overdraagbaar. Als u bijvoorbeeld een nieuwe bv opricht en
de bestaande bv omzet in een beheer-bv, blijft de beheer-bv eigenrisicodrager. Wilt u dat ook de
(nieuwe) werk-bv eigenrisicodrager wordt, dan moet u dat voor deze bv aanvragen.
Hogere premiecomponent ZW-flex bij einde eigenrisicodragerschap (terugkeerpremie)
Bent u een middelgrote of grote werkgever en eindigt uw eigenrisicodragerschap? Dan betaalt u daarna
misschien een hogere premiecomponent ZW-flex (de terugkeerpremie). De premiecomponent ZW-flex is dan
minimaal de helft van de sectorale premie ZW-flex die geldt voor uw sector. Dit kan in sommige gevallen
hoger zijn dan de premie die u anders zou betalen.
U betaalt de eventuele hogere premiecomponent ZW-flex in het jaar waarin u voor het eerst geen
eigenrisicodrager meer bent en in het jaar daarna. Als u het eigenrisicodragerschap zelf hebt beëindigd, is
dat dus 1,5 of 2 jaar, afhankelijk van het moment van beëindiging.
Meer informatie vindt u op de site van UWV door te zoeken op ‘gedifferentieerde premies WGA en ZW 2019’.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 67
Stap 6 Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw berekenen
Volgens de Zorgverzekeringswet (Zvw) is iedereen die in Nederland verzekerd is voor de Wet langdurige zorg
(Wlz), verzekeringsplichtig. Dat wil zeggen dat deze mensen een basisverzekering moeten afsluiten bij een
zorgverzekeraar. Uw werknemers zijn verzekerd voor de Wlz als zij in Nederland premie volksverzekeringen
moeten betalen. Dat geldt ook voor bepaalde uitkeringsgerechtigden en ex-werknemers (zie paragraaf
6.2.2).
De zorgverzekering wordt gefinancierd met de nominale premie Zvw (zie paragraaf 6.1) en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bestaat uit de werkgeversheffing
Zvw en de bijdrage Zvw (zie paragraaf 6.2).
Als uw werknemers in het buitenland wonen of werken, gelden andere regels. Zie hoofdstuk 18 voor meer
informatie hierover.
Let op!
Militairen in actieve dienst, militairen die buitengewoon verlof met behoud van wedde hebben, en
gemoedsbezwaarden voor de Wlz hoeven geen basisverzekering af te sluiten. Zie hoofdstuk 27 voor
meer informatie over gemoedsbezwaarde werknemers.
6.1 Nominale premie Zvw
Iedere verzekeringsplichtige moet zelf aan zijn zorgverzekeraar maandelijks een nominale premie ZVW
betalen. Dit is het totale bedrag dat de werknemer betaalt voor zijn basispakket. De nominale premie kan
per zorgverzekeraar in hoogte verschillen. Wie jonger is dan 18 jaar, moet wel een basisverzekering hebben,
maar hoeft geen nominale premie te betalen.
Afhankelijk van het inkomen en de gezinssituatie kan de verzekeringsplichtige in aanmerking komen voor
een compensatie van de nominale premie: de zorgtoeslag. Deze toeslag kan de verzekeringsplichtige bij ons
aanvragen. Meer informatie over de zorgtoeslag kunt u vinden op toeslagen.nl.
Let op!
Als u voor uw werknemers bij een zorgverzekeraar een collectiviteitskorting op de basisverzekering
bedingt, is deze korting geen loon voor de loonheffingen. Een collectiviteitskorting is een korting die ook
collectiviteiten en belangengroepen zouden kunnen bedingen. Tot een korting van 10% gaan wij ervan
uit dat er sprake is van een collectiviteitskorting.
6.2 Werkgeversheffing Zvw en bijdrage Zvw
De ‘werkgeversheffing Zvw’ is het bedrag voor de Zvw dat voor uw rekening komt en dat u aan ons betaalt
(zie paragraaf 6.2.1). De ‘bijdrage Zvw’ is het bedrag voor de Zvw dat u inhoudt op het nettoloon van uw
werknemer en dat u aan ons betaalt (zie paragraaf 6.2.2). De overkoepelende term voor de bijdrage Zvw en
de werkgeversheffing Zvw is ‘inkomensafhankelijke bijdrage Zvw’.
U hoeft niet altijd werkgeversheffing Zvw te betalen of bijdrage Zvw in te houden (zie paragraaf 6.2.3). Zie
paragraaf 6.2.4 voor meer informatie over het berekenen van de werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw.
Het maakt voor de werkgeversheffing Zvw of de bijdrage Zvw niet uit of uw werknemer jonger is dan 18 jaar.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 68
6.2.1 Wanneer werkgeversheffing Zvw betalen?
De hoofdregel is dat u een werkgeversheffing Zvw van 6,95% moet betalen over het loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking van uw werknemer tot een maximumbijdrageloon van € 55.927. U betaalt de
werkgeversheffing Zvw aan ons via de aangifte loonheffingen.
De werkgeversheffing Zvw van 6,95% is ook van toepassing op:
– het loon uit vroegere dienstbetrekking dat u betaalt tot en met het einde van de maand waarin de
werknemer de AOW-leeftijd bereikt
In 2019 is de AOW-leeftijd 66 jaar en 4 maanden.
– VUT-uitkeringen die vóór 1 januari 2006 zijn ingegaan en waarvoor de uitkeringsgerechtigde verzekerd
was voor de Ziekenfondswet (Zfw)
– FLO-uitkeringen, gedurende maximaal 24 maanden
Een FLO-uitkering is een uitkering voor werknemers die functioneel leeftijdsontslag (FLO) krijgen. Zij
stoppen dan eerder met werken en krijgen van u een FLO-uitkering tot het moment waarop ze anders
gestopt zouden zijn met werken. Betaalt u de FLO-uitkering langer dan 24 maanden, dan betaalt u
daarover vanaf de 25e maand geen werkgeversheffing meer, maar houdt u bijdrage Zvw in
– periodieke uitkeringen in verband met invaliditeit, ziekte of een ongeval waarop uw werknemer op grond
van de cao of de arbeidsovereenkomst recht heeft
De werkgeversheffing Zvw die u betaalt, is geen loon van uw werknemer.
6.2.2 Wanneer bijdrage Zvw inhouden?
U houdt de bijdrage Zvw in voor bepaalde uitkeringsgerechtigden en ex-werknemers. U houdt de bijdrage
Zvw van 5,70% in op:
– het loon uit vroegere dienstbetrekking van (ex-)werknemers en uitkeringsgerechtigden die de AOWleeftijd hebben bereikt
Dit geldt vanaf de eerstvolgende kalendermaand nadat de werknemer of uitkeringsgerechtigde de AOWleeftijd heeft bereikt.
– bepaalde wettelijke pensioenen
Het gaat bijvoorbeeld om pensioenen op grond van de Toeslagwet Indonesische Pensioenen 1956 en de
Garantiewet Surinaamse Pensioenen.
– lijfrenten, uitkeringen aan verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers en uitkeringen van
beroepspensioenfondsen
– periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon: stamrechtuitkeringen (zie ook
paragraaf 19.3)
– (pre)pensioenuitkeringen en uitkeringen op grond van een regeling voor vervroegd uittreden (RVUregeling)
– FLO-uitkeringen, vanaf de 25e maand dat u deze betaalt (zie paragraaf 6.2.1)
– periodieke uitkeringen in verband met invaliditeit, ziekte of een ongeval die niet zijn opgenomen in de cao
of de arbeidsovereenkomst
– lijfrente-uitkeringen aan minderjarigen en meerderjarigen en uitkeringen uit een lijfrentespaarrekening of
uit een lijfrentebeleggingsrekening
U houdt de bijdrage Zvw van 5,70% ook in op het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van:
– pseudowerknemers (opting-in)
– directeuren-grootaandeelhouders die niet verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen (zie
paragraaf 16.1.1)
U houdt de bijdrage Zvw in op het nettoloon tot een maximumbijdrageloon van € 55.927. U betaalt de
bijdrage aan ons via de aangifte loonheffingen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 69
Let op!
Voor werknemers met een Nederlandse (pensioen)uitkering die niet in Nederland wonen, gelden
bijzondere regels (zie paragraaf 18.3.3).
6.2.3 Wanneer geen werkgeversheffing Zvw betalen of bijdrage Zvw inhouden?
In de volgende situaties hoeft u geen werkgeversheffing Zvw te betalen of bijdrage Zvw in te houden:
– U betaalt loon aan zeevarenden – dat kunnen ook deelvissers zijn – die aan boord van een zeeschip
werken. Het percentage voor de werkgeversheffing Zvw is voor hen 0%.
– Het ministerie van Defensie betaalt geen werkgeversheffing Zvw omdat militairen in actieve dienst en
militairen die buitengewoon verlof met behoud van wedde hebben, niet verzekeringsplichtig zijn voor de
Zvw.
– U mag of moet het loon als eindheffingsbestanddeel aanmerken (zie hoofdstuk 24).
6.2.4 Werkgeversheffing Zvw en bijdrage Zvw berekenen
De werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw berekent u over het loon dat u in het loontijdvak betaalt.
Hierbij gebruikt u de methode van het voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR). Zie paragraaf 5.7.3 voor
meer informatie over deze berekeningsmethode.
Berekening per loontijdvak
U berekent de werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw per loontijdvak, net als de andere loonheffingen.
Het loontijdvak is de periode waarover uw werknemer het loon geniet (zie paragraaf 7.3.4). Het loontijdvak
voor de Zvw is gelijk aan het loontijdvak dat u gebruikt voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Als u bijvoorbeeld de maandtabel gebruikt voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, gaat u voor de
berekening van werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw ook uit van een maand.
U betaalt de werkgeversheffing Zvw alleen als er een loontijdvak voor de Zvw is. Dat geldt ook voor het
inhouden van de bijdrage Zvw. Er zijn 2 gevallen waarin er geen loontijdvak voor de Zvw is:
– U betaalt in een kalenderjaar alleen loon waarvoor u voor het berekenen van de loonbelasting/premie
volksverzekeringen de tabel voor bijzondere beloningen gebruikt en waaraan geen loontijdvak kan
worden gekoppeld. Bijvoorbeeld gratificaties of vakantiebijslag.
– Uw werknemer is niet verzekeringsplichtig voor de Zvw. Is uw werknemer een deel van een loontijdvak
niet verzekeringsplichtig en een deel wel? Dan is er geen loontijdvak voor de Zvw als de werknemer het
loon geniet op het moment waarop hij niet verzekeringsplichtig is.
In beide gevallen betaalt u geen werkgeversheffing Zvw en houdt u geen bijdrage Zvw in.
Let op!
Hetzelfde geldt voor de premies werknemersverzekeringen (zie paragraaf 5.7.2).
Voorbeeld 1
Uw fulltimewerknemer heeft een loontijdvak van een maand. Hij is niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen maar wel voor de volksverzekeringen. Hij heeft over januari tot en met
maart loon. Voor de Zvw zijn er dus 3 loontijdvakken van een maand. U moet over het loon in die
3 maanden werkgeversheffing Zvw betalen, maar niet meer dan driemaal het maximum over een
maand.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 70
Voorbeeld 2
Uw fulltimewerknemer heeft een loontijdvak van een maand. Hij is niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. Van april tot en met juli is hij niet verzekerd voor de volksverzekeringen.
Hij heeft in die maanden dus alleen loon voor de loonbelasting en er zijn geen loontijdvakken voor
de Zvw. U betaalt over het loon in april tot en met juli geen werkgeversheffing Zvw. Deze maanden
tellen ook niet mee voor de hoogte van het maximumbijdrageloon.
Voorbeeld 3
Uw fulltimewerknemer heeft een loontijdvak van een maand. Hij is niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. Maar van 15 augustus tot en met 31 augustus is hij wel verzekerd voor
de volksverzekeringen. U betaalt het loon op 20 augustus. In augustus is er een loontijdvak van een
maand voor de Zvw. U betaalt in augustus dus werkgeversheffing Zvw over het loon.
Voorbeeld 4
U geeft een kind van een werknemer een zelfstandig recht op een studietoelage. In augustus
betaalt u het kind eenmalig € 3.000. Het kind is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
Omdat een loontijdvak ontbreekt, betaalt u in augustus geen werkgeversheffing Zvw over het loon.
Deze systematiek is verwerkt in de toelichting ‘Loonberekening Voortschrijdend cumulatief rekenen
(VCR) en loontijdvakken systematiek’.
Voorbeeld berekening werkgeversheffing Zvw
Een werknemer heeft een brutoloon van € 2.400 per maand en u houdt op dat loon € 100
pensioenpremie in. Dat levert de volgende loonberekening op:
Brutoloon € 2.400,00
Ingehouden pensioenpremie € 100,00 –
__________
Loon voor de werknemersverzekeringen € 2.300,00
Loon voor de Zvw € 2.300,00
Loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen € 2.300,00
Ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen (stel) € 600,00 –
__________
Nettoloon € 1.700,00
Werkgeversheffing Zvw (6,95% van € 2.300,00) € 159,85
Voorbeeld berekening bijdrage Zvw
Een directeur-grootaandeelhouder heeft een brutoloon van € 2.400 per maand en u houdt op dat
loon € 100 pensioenpremie in. Dat levert de volgende loonberekening op:
Brutoloon € 2.400,00
Ingehouden pensioenpremie € 100,00 –
__________
Loon voor de Zvw € 2.300,00
Loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen € 2.300,00
Ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen (stel) € 600,00 –
Bijdrage Zvw (5,70% van € 2.300,00) € 131,10 –
_________
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 71
Nettoloon € 1.568,90
U betaalt tegelijkertijd loon waarover u de werkgeversheffing Zvw moet betalen en loon
waarop u de bijdrage Zvw moet inhouden
Betaalt u een werknemer in een loontijdvak tegelijkertijd loon waarover u de werkgeversheffing Zvw moet
betalen en loon waarop u de bijdrage Zvw moet inhouden? Dan geldt het volgende:
– Over het loon of de uitkeringen waarover u de werkgeversheffing Zvw moet betalen, betaalt u 6,95%
werkgeversheffing tot het maximumbijdrageloon in het loontijdvak.
– Over het loon of de uitkeringen waarop u de bijdrage Zvw moet inhouden, betaalt uw werknemer 5,70%
bijdrage Zvw tot het maximumbijdrageloon in het loontijdvak. U houdt deze bijdrage in op het nettoloon.
U moet het loon of de uitkeringen waarover u de werkgeversheffing Zvw betaalt en het loon of de uitkeringen
waarop u de bijdrage Zvw inhoudt, onder verschillende nummers inkomstenverhouding in uw aangifte
opnemen (zie paragraaf 3.4). Op die manier kunt u per inkomstenverhouding de juiste code Zvw kiezen
(bijvoorbeeld code K of code M).
Als er verschillende tarieven werkgeversheffing Zvw op het loon van dezelfde werknemer van toepassing
zijn (zoals bij sommige zeevarenden), mag u dit loon onder 1 nummer inkomstenverhouding opnemen in de
aangifte. In dat geval gebruikt u code N.
Let op!
Voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen voegt u het loon en de uitkeringen
wel samen. U bepaalt daarna zelf hoe u de loonbelasting/premie volksverzekeringen verdeelt over de
nummers inkomstenverhouding.
Zijn het loon of de uitkeringen waarover u de werkgeversheffing Zvw betaalt en het loon of de uitkeringen
waarop u de bijdrage Zvw inhoudt, samen hoger dan het maximumbijdrageloon? Dan krijgt uw werknemer
of uitkeringsgerechtigde mogelijk een teruggaaf van (een deel van) de bijdrage Zvw. Uw werknemer krijgt
hierover bericht van ons. Kijk voor meer informatie op belastingdienst.nl/zvw. Zie tabel 11, 12 en 13 achter
in dit handboek voor het maximumbijdrageloon per loontijdvak.
Let op!
U krijgt als werkgever nooit een teruggaaf van de werkgeversheffing Zvw.
Herleidingsregels
Bij de berekening van de werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw leidt u alle relevante bedragen (per dag,
per maand, per 4 weken, per kwartaal en per jaar) af van een (maximum)jaarbedrag. Hierbij gaat u uit van
de rekenregels die al gelden voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Dat wil zeggen dat u uitgaat
van 260 dagen per jaar.
Let op!
Hetzelfde geldt voor de premies werknemersverzekeringen (zie paragraaf 5.7.2).
Deze systematiek is verwerkt in de toelichting ‘Loonberekening Voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) en
loontijdvakken systematiek’. U kunt de toelichting voor 2019 binnenkort downloaden van belastingdienst.nl.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 72
Anonieme werknemers
Voor anonieme werknemers mag u bij de berekening van de werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw
geen rekening houden met het maximumbijdrageloon. U moet daardoor in sommige gevallen een hogere
werkgeversheffing Zvw betalen of een hogere bijdrage Zvw inhouden dan gebruikelijk.
Als de werknemer in het vorige tijdvak anoniem was
Viel de werknemer eerst onder het anoniementarief, maar in een later tijdvak niet meer? Omdat u nu
rekening houdt met het maximumbijdrageloon, kunnen de werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw lager
of zelfs negatief zijn, doordat u de VCR-systematiek toepast. U hoeft dan minder werkgeversheffing Zvw te
betalen of bijdrage Zvw in te houden dan gebruikelijk.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 73
Stap 7 Loonbelasting/premie volksverzekeringen
berekenen
De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u inhoudt en betaalt, berekent u over het loon (zie hoofdstuk
4). U kunt eerst lezen hoe u het loon bepaalt waarover u de loonbelasting/premie volksverzekeringen
inhoudt (zie paragraaf 7.1). Daarna behandelen wij stap voor stap wanneer u de loonbelasting/premie
volksverzekeringen moet inhouden (zie paragraaf 7.2) en hoe u de loonbelasting/premie volksverzekeringen
berekent met behulp van de tabellen of rekenvoorschriften (zie paragraaf 7.3).
Voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen hebt u een brutoloon nodig. Als u met
een werknemer een nettoloon afspreekt, moet u daarom een berekening maken van netto- naar brutoloon
(zie paragraaf 7.4). Bij bepaalde vormen van loon houdt u de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet
in op het loon van de werknemer, maar komt deze voor uw rekening. Dat is de zogenoemde eindheffing (zie
paragraaf 7.5). Ten slotte behandelen we de speciale regels voor het berekenen van de loonbelasting/premie
volksverzekeringen die gelden als u lonen bij elkaar moet optellen, bijvoorbeeld als uw werknemer ook een
uitkering van UWV krijgt (zie paragraaf 7.6).
Voor de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen op bijstandsuitkeringen geldt een aparte
regeling. Gemeenten en de SVB, die bijstandsuitkeringen uitkeren, vinden meer informatie over deze regeling
in de ‘Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2019’. U kunt deze handleiding
binnenkort downloaden van belastingdienst.nl.
7.1 Grondslag voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen bepalen
U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de zogenoemde grondslag (kolom 14 van de
loonstaat, zie paragraaf 9.2.9). U bepaalt de grondslag als volgt:
loon in geld (ook wel: ‘brutoloon’)
+ loon anders dan in geld
Hierbij gaat het om loon in natura (bijvoorbeeld een cadeau voor uw werknemer bij zijn jubileum) en aanspraken
die tot het loon horen.
+ fooien en uitkeringen uit fondsen
– aftrekposten voor alle loonheffingen, zoals het werknemersdeel van een pensioenpremie, de inleg van de
werknemer in een levensloopregeling of de premie PAWW
De levensloopregeling is afgeschaft en geldt alleen nog voor een beperkte groep werknemers (zie hoofdstuk 22).
= grondslag
U kunt loon – binnen bepaalde grenzen – ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3). In dat
geval neemt u het eindheffingsloon niet mee in de loonberekening.
Hierna ziet u een voorbeeld van een loonberekening. Dit voorbeeld bevat niet alle mogelijke
loonbestanddelen, maar is gebaseerd op veelvoorkomende bestanddelen. Bij enkele loonbestanddelen staat
€ 0,00, met daarachter een plus- of minteken. Dat loonbestanddeel zit niet in deze voorbeeldberekening,
maar het geeft wel de plek in de loonberekening aan en of het een bijtel- of aftrekpost is.
Voorbeeld
Een werkgever houdt voor een werknemer die is geboren in 1979, loonbelasting/premie
volksverzekeringen in volgens de witte maandtabel voor inwoners van Nederland. Hij past de
loonheffingskorting toe. De werkgever is aangesloten bij sector 33 en hij gebruikt voor deze
werknemer risicopremiegroep 02. Het premiepercentage voor de premie sectorfonds is 0,03%. Het
premiepercentage voor de gedifferentieerde premie Whk dat de werkgever van ons heeft gekregen,
is 1,30%. De werknemer heeft een auto van de zaak met een bijtelling van € 400 per maand. Zijn
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 74
eigen bijdrage is € 100. De werkgever betaalt € 200 per maand aan pensioenpremie, waarvan hij
€ 100 inhoudt op het loon van de werknemer.
Loon- en loonkostenberekening over april 2019
Te betalen
door
Berekening
nettoloon
Berekening
loonkosten
Berekening
grondslagen
Loon in geld:
– brutoloon werkgever € 2.000,00 € 2.000,00 € 2.000,00
– opname uit het
levenslooptegoed
1
neutraal € 0,00 + € 0,00 +
Loon anders dan in
geld:
– bijtelling werkgever pm € 400,00 +
privégebruik auto
van de zaak
2
werknemer € 100,00 – € 100,00 –
– aanspraak die tot
het loon hoort
werkgever € 0,00 + € 0,00 +
Fooien of uitkeringen
uit een fonds
derden € 0,00 + € 0,00 +
Aftrekposten:
– werknemersdeel
pensioenpremie
werknemer € 100,00 – € 100,00 –
– inleg werknemer in
levensloopregeling
werknemer € 0,00 – € 0,00 –
Grondslag (kolom
8, 12 of 14 van de
loonstaat)
€ 2.200,00
Werkgeversbijdragen
en
werkgeversheffingen
die niet tot het
loon horen3
:
– werkgeversdeel
pensioenpremie
werkgever € 100,00 +
– werkgeversbijdrage
levensloopregeling
werkgever € 0,00 +
– premie sectorfonds
(0,03%)4
werkgever € 0,66 +
– premie WW-Awf
(3,60%)4
werkgever € 79,20 +
– basispremie WAO/
IVA/WGA (6,96%)
4
werkgever € 153,12 +
– gedifferentieerde
premie Whk
(1,30%)4
werkgever € 28,60 +
– werkgeversheffing
Zvw (6,95%)5
werkgever € 152,90 +
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 75
Te betalen
door
Berekening
nettoloon
Berekening
loonkosten
Berekening
grondslagen
Inhoudingen op het
nettoloon:
– bijdrage Zvw
(5,70%)5
werknemer € 0,00 –
– loonbelasting/
premie
volksverzekeringen
6
werknemer € 347,83 –
– verhaal van
gedifferentieerde
premie Whk7
werknemer € 0,00 –
Nettoloon
werknemer
€ 1.452,17
Nettobetalingen:
– vergoeding
die u hebt
aangewezen als
eindheffingsloon8
werkgever € 0,00 + € 0,00 +
– vergoeding voor
intermediaire
kosten
werkgever € 0,00 + € 0,00 +
Uit te betalen aan
werknemer
€ 1.452,17
Werkgeversfaciliteiten:
– afdrachtvermindering € 0,00 –
Loonkosten voor de
werkgever9
€ 2.514,48
1 Dit is een belaste opname uit een spaartegoed van de werknemer.
2 U moet voor het privégebruik van de auto van de zaak door de werknemer een vast percentage
van de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto bij het loon tellen. Dit zijn niet de
werkelijke kosten van de auto (zie paragraaf 21.3).
3 Deze bedragen zijn geen onderdeel van het belaste loon of de loonberekening. Wij hebben ze
opgenomen om de loonkosten inzichtelijk te maken.
4 U berekent de percentages over de grondslag voor de werknemersverzekeringen (kolom 8 van
de loonstaat, zie paragraaf 9.2.7).
5 U berekent het percentage over de grondslag voor de Zorgverzekeringswet (kolom 12 van
de loonstaat, zie paragraaf 9.2.8). In dit voorbeeld is er sprake van de werkgeversheffing
Zvw. Zou er sprake zijn van de bijdrage Zvw, dan houdt u die bijdrage in op het nettoloon.
De werkgeversheffing Zvw en de bijdrage Zvw mogen niet allebei binnen 1 loonberekening
voorkomen.
6 Bedrag volgens de witte maandtabel voor inwoners van Nederland (zie paragraaf 7.3.2) over de
grondslag voor de loonbelasting/volksverzekeringen (kolom 14 van de loonstaat).
7 U mag maximaal 50% van de premiecomponent WGA van de gedifferentieerde premie Whk op
het nettoloon van de werknemer verhalen.
8 Dit bedrag betaalt u netto aan de werknemer uit. Het kan gaan om een gerichte vrijstelling (zie
paragraaf 20.1), een vergoeding die (deels) in de vrije ruimte valt, of een vergoeding waarover
u eindheffing werkkostenregeling betaalt. Zie hoofdstuk 8 voor meer informatie.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 76
9 De kosten van de auto zijn niet in dit bedrag verwerkt.
In bepaalde situaties (zie paragraaf 7.6) zijn er speciale regels die van invloed zijn op de premies
werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en op de loonbelasting/premie
volksverzekeringen. Dat is het geval als:
– u uw werknemer verschillende lonen of uitkeringen betaalt op basis van 1 of meer arbeidscontracten of
polissen
– u een uitkering voor UWV doorbetaalt aan uw werknemer (een werkgeversbetaling of een
instantiebetaling)
– u een aanvulling betaalt op een uitkering die UWV aan uw werknemer betaalt
7.2 Wanneer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden:
hoofdregel
U houdt de loonbelasting/premie volksverzekeringen in op het zogenoemde genietingsmoment van het loon.
Dit is het moment waarop:
– u het loon betaalt, verrekent of ter beschikking stelt
– het loon rentedragend wordt
– het loon vorderbaar en inbaar wordt
U houdt de loonbelasting/premie volksverzekeringen in zodra 1 van deze 3 situaties zich voordoet. Voor het
berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u de loonbelastingtabellen (zie paragraaf
7.3) die gelden op het moment waarop u de loonbelasting/premie volksverzekeringen inhoudt. U verwerkt
het loon en de loonheffingen in de aangifte over het tijdvak waarin het genietingsmoment valt.
Loon in natura
Verstrekt u loon in natura, bijvoorbeeld een geschenk of een personeelsfeest, dan geniet de werknemer
dat loon op het moment waarop hij het krijgt. U verwerkt het loon in de aangifte over het tijdvak waarin de
werknemer het loon geniet. Zie paragraaf 4.5 voor meer informatie over het bepalen van de waarde van loon
in natura. U mag loon in natura aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Nabetalingen: loon-in-systematiek
Als u nabetalingen doet, moet u dat loon volgens de hoofdregel aangeven in het tijdvak waarin uw
werknemer het loon geniet. Dit is de zogenoemde loon-in-systematiek.
Nabetalingen zijn betalingen die u doet in een later loontijdvak dan waarin het loon verdiend is. Bijvoorbeeld
in verband met een nieuwe cao, achteraf toegekende pensioenen of individuele loonsverhogingen. Zie
voor een voorbeeld paragraaf 7.3.5, onder ‘U doet nabetalingen van tijdvakloon (vertraagd uitbetaald
tijdvakloon)’.
Voorschotten
Bij een voorschot op het loon moet u de loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens de hoofdregel
inhouden op het tijdstip waarop u het voorschot aan de werknemer uitbetaalt.
7.2.1 Wanneer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden: uitzonderingen op
de hoofdregel
Op de hoofdregel voor het inhouden van loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn uitzonderingen voor:
– fictief loon
– loon dat u in januari betaalt voor tijdvakken van het vorige jaar
– variabele kilometervergoedingen
– loon van een directeur-grootaandeelhouder op een ongebruikelijk tijdstip
– nabetalingen: loon-over-systematiek
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 77
Fictief loon
Het genietingsmoment van fictief loon van een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang is het eind van
het kalenderjaar of het moment waarop de dienstbetrekking eindigt.
Let op!
Fictief loon is niet hetzelfde als gebruikelijk loon (zie paragraaf 16.1, onder ‘Fictief loon’).
Loon dat u in januari betaalt voor tijdvakken van het vorige jaar
Als het in uw bedrijf gebruikelijk is dat u in januari loon uitbetaalt over loontijdvakken van het vorige jaar,
dan mag u afwijken van de hoofdregel en dat loon nog in de laatste aangifte van het vorige jaar aangeven.
Daarbij gaat het bijvoorbeeld om ‘gewoon’ loon van december, om overwerkloon of om kostenvergoedingen
die door nacalculatie alsnog loon zijn.
Variabele kilometervergoedingen
Misschien geeft u een werknemer voor sommige kilometers een hogere vergoeding dan € 0,19 en voor
andere kilometers (zoals voor woon-werkverkeer) een lagere vergoeding. Om te bepalen welk totaalbedrag
als gerichte vrijstelling kan gelden, mag u alle kilometers optellen en alle vergoedingen optellen. Zo kunt
u een gemiddelde vergoeding per kilometer berekenen. Van die gemiddelde vergoeding is € 0,19 gericht
vrijgesteld als u dit aanwijst als eindheffingsloon. Is de gemiddelde vergoeding hoger, dan is het meerdere
loon van de werknemer. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3). Zie
paragraaf 21.1.4 voor meer informatie over variabele kilometervergoedingen.
Loon van een directeur-grootaandeelhouder op een ongebruikelijk tijdstip
Krijgt een directeur-grootaandeelhouder zijn loon geheel of gedeeltelijk op een ongebruikelijk tijdstip?
Dan is het genietingsmoment toch het tijdstip waarop hij het loon normaal gesproken zou genieten als hij
werknemer in reguliere dienstbetrekking zou zijn geweest.
Nabetalingen: loon-over-systematiek
Als u een nabetaling doet, bijvoorbeeld in verband met een nieuwe cao of een individuele loonsverhoging,
moet u dat loon volgens de hoofdregel aangeven in het tijdvak waarin u het loon uitbetaalt. Dit is de
zogenoemde loon-in-systematiek. Maar u mag die nabetaling ook aangeven in het tijdvak waarop de
nabetaling betrekking heeft. Dit is de zogenoemde loon-over-systematiek. Daarbij gelden de volgende
voorwaarden:
– De nabetaling heeft betrekking op een eerder tijdvak in hetzelfde kalenderjaar.
– Het was voor u ook in voorgaande jaren gebruikelijk om nabetalingen aan te geven in het tijdvak waarop
deze betrekking hebben.
– U verwerkt alle nabetalingen in het kalenderjaar voor al uw werknemers op dezelfde manier, namelijk in
het tijdvak waarop deze betrekking hebben. U maakt dus nieuwe loonberekeningen over deze tijdvakken.
– Als u een nabetaling verwerkt in een tijdvak waarvoor u al aangifte hebt gedaan, corrigeert u deze
aangifte. U verzendt de correctie tegelijk met de aangifte over het tijdvak waarin u de nabetaling doet
(zie ook paragraaf 12.2.3). Zie voor een voorbeeld paragraaf 7.3.5, onder ‘U doet nabetalingen van
tijdvakloon (vertraagd uitbetaald tijdvakloon)’.
Negatief loon
Als u een werknemer te veel loon hebt betaald en de werknemer dit loon aan u terugbetaalt, noemen we dat
negatief loon (zie ook paragraaf 4.9). Dit negatieve loon kunt u bij de loon-over-systematiek ook zien als een
negatieve nabetaling. U verwerkt dit negatieve loon dus op dezelfde wijze in uw loonadministratie als een
positieve nabetaling.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 78
Nabetalingen of negatief loon verwerken
Als (een deel van) de nabetaling of het negatieve loon betrekking heeft op een tijdvak van 2018 of eerder,
moet u (dat deel van) die nabetaling of het negatieve loon volgens de hoofdregel behandelen als loon van het
tijdvak waarin u de nabetaling uitbetaalt of het negatieve loon terugbetaald krijgt (de loon-in-systematiek).
Let op!
Met ingang van 2017 is de rubriek loondagen (SV-dagen) in de aangifte loonheffingen vervallen. Maar
als het bij een nabetaling of terugbetaling gaat om loon waarvoor u in een aangifte over 2016 of eerder
te weinig of te veel loondagen (SV-dagen) hebt opgenomen, moet u die aangifte corrigeren voor alleen
de loondagen (SV-dagen). Dat geldt als u de loon-in-systematiek gebruikt en ook als u de loon-oversystematiek gebruikt.
U wilt de loon-over-systematiek gaan gebruiken
Gaat u voor het eerst loonheffingen inhouden en betalen? Dan geldt voor u de hoofdregel: u past de loonin-systematiek toe, tenzij u een salarispakket gaat gebruiken dat is gebaseerd op de loon-over-systematiek.
Bent u al werkgever en gebruikt u de loon-in-systematiek, dan mag u alleen overstappen naar de loon-oversystematiek als u een ander salarispakket gaat gebruiken dat is gebaseerd op de loon-over-systematiek.
U wilt de loon-in-systematiek gaan gebruiken
Past u de loon-over-systematiek toe, maar wilt u overstappen naar de loon-in-systematiek? Dat mag altijd,
maar bij voorkeur doet u dat per 1 januari van het volgende jaar.
7.3 Loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen:
rekenvoorschriften en tabellen
De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u moet inhouden, is gebaseerd op het schijventarief voor de
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Over het loon in de 1e en 2e schijf berekent u loonbelasting
en premie volksverzekeringen. Hiervoor geldt 1 gecombineerd tarief. Voor iedereen die de AOW-leeftijd heeft
bereikt, geldt in de 1e en 2e schijf een lager percentage. Werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt,
betalen geen premie AOW, maar wel premie Anw en Wlz. Over het loon in de 3e en 4e schijf berekent u
alleen loonbelasting en geen premie volksverzekeringen (zie tabel 1 achter in dit handboek).
Let op!
Er bestaan verschillende tariefschijven voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt: voor
werknemers die zijn geboren in 1945 of eerder, en voor werknemers die zijn geboren in 1946 of later.
Rekenvoorschriften: als u een geautomatiseerde loonadministratie hebt
U kunt voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen rekenvoorschriften (formules)
gebruiken. Deze zijn bedoeld voor werkgevers met een geautomatiseerde loonadministratie. Als u een
softwarepakket gebruikt, heeft uw leverancier deze rekenvoorschriften daarin verwerkt. U kunt de
rekenvoorschriften binnenkort downloaden van belastingdienst.nl.
Tabellen: als u geen geautomatiseerde loonadministratie hebt
Als u geen geautomatiseerde loonadministratie hebt, gebruikt u de loonbelastingtabellen waarin u het bedrag
aan in te houden loonbelasting/premie volksverzekeringen kunt aflezen. U kunt de tabellen voor 2019, 2018
en 2017 via de rekenhulp Loonbelastingtabellen downloaden. De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/
tabellen. Voor de jaren 2016 en eerder kunt u de tabellen downloaden van belastingdienst.nl.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 79
Ook kunt u het bedrag dat u moet inhouden voor zowel 2019 als eerdere jaren, opvragen bij de
BelastingTelefoon: 0800 – 0543. Als u dat wilt, stuurt de BelastingTelefoon u een kopie van (een deel van) de
tabel.
In deze paragraaf krijgt u informatie over:
– hoe u de tabellen gebruikt (zie paragraaf 7.3.1)
– voor welk loon u de witte tabellen gebruikt (zie paragraaf 7.3.2) en voor welk loon u de groene tabellen
gebruikt (zie paragraaf 7.3.3)
– de verschillende tijdvaktabellen (zie paragraaf 7.3.4)
– het gebruik van de tabellen in bijzondere situaties (zie paragraaf 7.3.5)
– tabellen voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.6)
– tabellen voor bijzondere groepen werknemers (zie paragraaf 7.3.7)
– herleidingsregels (zie paragraaf 7.3.8)
Ook staan in deze paragraaf een paar aandachtspunten bij het gebruik van de tabellen (zie paragraaf 7.3.9).
7.3.1 Hoe gebruikt u de tabellen?
Voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen zijn er de volgende tabellen:
– witte tabellen voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon dat daarmee gelijkgesteld is (zie
paragraaf 7.3.2)
– groene tabellen voor loon uit vroegere dienstbetrekking en uitkeringen die daarmee gelijkgesteld zijn (zie
paragraaf 7.3.3)
Afhankelijk van het soort loon gebruikt u dus de witte of de groene tabellen.
Let op!
Ook als de dienstbetrekking nog niet is beëindigd, kan toch de groene tabel voor loon uit vroegere
dienstbetrekking van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij levensloopopnamen van een werknemer die
op 1 januari 61 jaar of ouder is. Of bij een ontslaguitkering die u uitbetaalt vóór het einde van de
dienstbetrekking.
Er zijn witte en groene tabellen voor verschillende loontijdvakken (zie paragraaf 7.3.4). Per loontijdvak
zijn er weer tabellen voor werknemers met of zonder vakantiebonnen (zie paragraaf 7.3.7). In de
loonbelastingtabellen is vanaf 2019 ook onderscheid gemaakt tussen 3 groepen werknemers:
1 werknemers die inwoner zijn van Nederland
2 werknemers die inwoner zijn van een andere lidstaat van de EU, een EER-land (IJsland, Noorwegen en
Liechtenstein), Zwitserland of een BES-eiland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) (land uit de landenkring)
3 werknemers die inwoner zijn van een derde land, dat wil zeggen van een land dat niet valt onder 1 of 2
(zie paragraaf 7.3.7, onder ‘tabellen voor werknemers en uitkeringsgerechtigden die in het buitenland
wonen’)
U gebruikt de witte of groene tabel van het loontijdvak van uw werknemer of de tabel voor bijzondere
beloningen (zie paragraaf 7.3.6).
Voor de vraag welke tabel u moet gebruiken, zijn dus de volgende vragen belangrijk:
– Is het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking of loon uit vroegere dienstbetrekking?
– Is het tijdvakloon? Zo ja, wat is het loontijdvak?
– Voor welk land wilt u een tabel?
– Is het loon van een werknemer met of zonder vakantiebonnen?
– Is het een bijzondere beloning?
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 80
Hoe kiest u de goede kolom?
De witte en de groene tabellen zijn ingedeeld in kolommen. Welke kolom u moet gebruiken, is afhankelijk
van de leeftijd van de werknemer en of u de loonheffingskorting moet toepassen.
Werknemer bereikt de AOW-leeftijd
De kolom voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, geldt al vanaf de 1e dag van de maand
waarin uw werknemer die leeftijd bereikt (zie ook paragraaf 16.21).
Ook bij een weekloon of een vierwekenloon kiest u voor de kolom ‘AOW-leeftijd’ als een werknemer dat loon
geniet op of na de 1e dag van de maand waarin hij de AOW-leeftijd bereikt.
Voorbeeld
De 5e vierwekenperiode van 2019 loopt van 22 april tot en met 19 mei. Uw werknemer bereikt op
14 mei de AOW-leeftijd.
Geniet uw werknemer het loon over de 5e periode op 28 april? Op die datum heeft hij de AOWleeftijd nog niet bereikt en hij bereikt die ook niet in april. Gebruik daarom voor zijn hele loon de
bedragen uit de kolom ‘Jonger dan de AOW-leeftijd’.
Geniet uw werknemer het loon over de 5e periode op 10 mei? Op die datum heeft hij de AOWleeftijd nog niet bereikt. Maar hij bereikt die wel in mei. U gebruikt daarom voor zijn hele loon de
bedragen uit de kolom ‘AOW-leeftijd of ouder’.
Let op!
Als de werknemer in december 2018 66 jaar of ouder was, dan heeft hij in 2018 de AOW-leeftijd
bereikt. Gebruik dan in 2019 ook de bedragen uit de kolom ‘AOW-leeftijd en ouder’.
Loonheffingskorting toepassen
De loonbelasting/premie volksverzekeringen kent 6 heffingskortingen (zie ook hoofdstuk 23) die samen de
zogenoemde loonheffingskorting vormen. U mag de loonheffingskorting alleen toepassen als de werknemer
of de uitkeringsgerechtigde u schriftelijk, met datum en handtekening, heeft verzocht deze korting toe
te passen (zie paragraaf 2.3.1). Voor de jonggehandicaptenkorting geldt een uitzondering (zie paragraaf
23.1.5).
Een aantal heffingskortingen is verwerkt in de loonbelastingtabellen en een aantal berekent u zelf en trekt u
af van het bedrag dat u volgens de tabel moet inhouden. De heffingskortingen zijn:
– algemene heffingskorting
Deze korting is verwerkt in de witte en groene tabellen voor inwoners van Nederland.
– ouderenkorting
Deze korting is verwerkt in de witte en groene tabellen voor inwoners van Nederland.
– arbeidskorting
Deze korting is verwerkt in de witte tabellen voor inwoners van Nederland en voor inwoners van een land
uit de landenkring (zie paragraaf 7.3.7, onder ‘tabellen voor werknemers en uitkeringsgerechtigden die in
het buitenland wonen’).
– alleenstaande-ouderenkorting
Deze korting is verwerkt in een tabel voor inwoners van Nederland speciaal voor de inhouding op AOWuitkeringen door de Sociale Verzekeringsbank.
– jonggehandicaptenkorting
Deze korting berekent u zelf en trekt u af van het tabelbedrag.
– levensloopverlofkorting
Deze korting berekent u zelf en trekt u af van het tabelbedrag.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 81
Voor verrekening van de 1e 3 heffingskortingen bepaalt u dus welke kleur tabel, welke tijdvaktabel,
welke landentabel en welke kolom ‘met loonheffingskorting’ u moet gebruiken. Dat doet u aan de hand
van de gegevens die u al hebt: de leeftijd van de werknemer en het soort loon (uit tegenwoordige of
uit vroegere dienstbetrekking). Dit geldt ook voor de Sociale Verzekeringsbank die de alleenstaandeouderenkorting toepast bij AOW-uitkeringen en AIO-uitkeringen (aanvullende inkomensvoorziening ouderen)
voor alleenstaanden en voor alleenstaande ouders.
De jonggehandicaptenkorting en de levensloopverlofkorting zijn niet in de tabellen verwerkt. U moet deze
kortingen zelf per loontijdvak berekenen en aftrekken van het bedrag dat u volgens de tabel moet inhouden.
Daarvoor geldt:
– De jonggehandicaptenkorting is in 2019 € 737 per jaar (zie paragraaf 23.1.5). Gebruikt u de maandtabel,
de vierwekentabel, de weektabel, de dagtabel of de kwartaaltabel, dan is de korting 1/12, 1/13,
1/52, 1/260, respectievelijk 1/4 deel. Heeft uw werknemer of uitkeringsgerechtigde een loontijdvak
waarvoor geen tabel bestaat? Dan gebruikt u voor het berekenen van de jonggehandicaptenkorting de
herleidingsregels die u ook gebruikt voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen
(zie paragraaf 7.3.5 onder ‘Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat’).
– De levensloopverlofkorting is in 2019 € 215 per gespaard kalenderjaar (zie paragraaf 23.1.6). Dit
bedrag mag u in 1 keer verrekenen met het bedrag dat u volgens de tijdvaktabel of de tabel bijzondere
beloningen moet inhouden.
Hoe vindt u het juiste tabelloon?
In de 1e kolom van de witte en groene tabellen staat het tabelloon. Welk tabelloon u moet gebruiken,
hangt af van het tijdvakloon van de werknemer of uitkeringsgerechtigde. Zit dat loon tussen 2 in de tabel
genoemde bedragen in, dan neemt u het lagere bedrag.
Voorbeeld
Het maandloon van de werknemer is € 2.500. Hij is jonger dan de AOW-leeftijd en u past voor
hem de loonheffingskorting toe. U vindt zijn maandloon niet als tabelloon in de maandtabel.
Het lagere tabelloon dat het dichtst bij het werkelijke loon ligt, is € 2.497,50. U neemt dan
de inhouding die bij dit bedrag hoort uit de juiste kolom. In dit geval is dat de kolom met
loonheffingskorting onder ‘Jonger dan de AOW-leeftijd’. Gebruikt u de witte tabel, dan neemt u
in uw loonadministratie ook het bijbehorende bedrag van de verrekende arbeidskorting op als uw
werknemer de loonheffingskorting bij u laat verrekenen.
Loon is hoger dan het hoogste tabelloon
Is het tijdvakloon van een werknemer hoger dan het tabelloon? Dan bepaalt u de inhouding als volgt:
1 U neemt de inhouding die hoort bij het hoogste tabelloon uit de juiste kolom.
2 U berekent het verschil tussen het tijdvakloon en het hoogste tabelloon.
3 U past het tarief van de 4e schijf (51,75%) toe op het verschil tussen het tijdvakloon en het hoogste
tabelloon en rondt dit naar beneden af op eurocenten.
4 U telt de inhouding van stap 1 en stap 3 op.
In de witte tabellen is deze korting bij het hoogste tabelloon volledig afgebouwd. Bij een loon dat hoger is
dan dat hoogste tabelloon, is de verrekende arbeidskorting daarom ook € 0.
Voorbeeld
Het maandloon van uw werknemer is € 12.000. Hij is jonger dan de AOW-leeftijd en u past voor
hem de loonheffingskorting toe.
U bepaalt de inhouding als volgt:
1 Bij het hoogste tabelloon (€ 7.582,50) is de inhouding voor een medewerker die de AOW-leeftijd
nog niet heeft bereikt en voor wie u de loonheffingskorting toepast: € 3.119,75.
2 Het verschil tussen het werkelijke loon (€ 12.000) en het hoogste tabelloon (€ 7.582,50) is: €
4.417,50.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 82
3 51,75% van € 4.417,50 is: € 2.286,05.
4 De inhouding op het maandloon van € 12.000 is: € 3.119,75 + € 2.286,05 = € 5.405,80. De
verrekende arbeidskorting is € 0.
7.3.2 Witte tabellen
De witte tabellen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u voor:
– loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
– loon op grond van arbeidsongeschiktheid, gedurende maximaal 24 maanden, dat u aan de werknemer
betaalt
Als dit loon alleen bestaat uit WAO/WIA-, Wet Wajong- of Waz-uitkeringen of soortgelijke buitenlandse
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, moet u de groene tabel gebruiken. En als u dit loon langer dan 24
maanden betaalt, dan gebruikt u vanaf de 25e maand de groene tabel.
– ZW- en WAZO-uitkeringen die UWV rechtstreeks aan de werknemer betaalt
– loon op grond van inactiviteit, gedurende maximaal 24 maanden, dat u aan de werknemer betaalt, omdat
de werknemer het afgesproken werk niet kan uitvoeren
Inactiviteit van de werknemer kan bijvoorbeeld ontstaan door weersomstandigheden, onvoldoende
orders, gebrek aan productiegrondstoffen, bedrijfsstoringen, brand of ziekte of overlijden van de
werkgever. Betaalt u dit loon langer dan 24 maanden, dan gebruikt u vanaf de 25e maand de groene
tabel.
– loon op grond van inactiviteit, gedurende maximaal 24 maanden, dat u betaalt aan een werknemer die is
geschorst, op non-actief is gesteld of tot aan het eind van zijn dienstbetrekking met behoud van loon is
vrijgesteld van werk
Betaalt u dit loon langer dan 24 maanden, dan gebruikt u vanaf de 25e maand de groene tabel.
– loon voor oproepkrachten zonder werkgarantie als zij opgeroepen worden voor minder dan 3 uur per
oproep en u geen afspraken met de werknemer hebt gemaakt over het aantal uren dat hij minimaal
werkt
– socialeverzekeringsuitkeringen (ZW, WAO/WIA en WAZ) die u namens UWV doorbetaalt aan de
werknemer samen met het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en/of een eventuele aanvulling van u
(zie paragraaf 7.6.2)
Hierop zijn 2 uitzonderingen:
– De werknemer krijgt eerst een WW-uitkering en daarna een ZW-uitkering. Voor beide uitkeringen
gebruikt u de groene tabel.
– De werknemer krijgt een ZW-uitkering op grond van een vrijwillige verzekering. Voor de ZW-uitkering
gebruikt u de groene tabel.
– loon dat UWV doorbetaalt, als gevolg van uw betalingsonmacht (artikel 61 WW)
– levensloopverlofopnamen, als de werknemer op 31 december 2018 nog geen 61 jaar is (en dus is
geboren in 1958 of later)
Als de werknemer op 31 december 2018 61 jaar of ouder is (en dus geboren is in 1957 of daarvoor),
moet u de groene tabel gebruiken.
– uitkeringen bij overlijden, ter compensatie van aanspraken op grond van een levensloopregeling
– uitkeringen voor de financiering van loopbaanonderbreking (Wet arbeid en zorg) en uw eventuele
aanvullingen hierop
Arbeidskorting
In de witte tabellen staat in de kolom ‘verrekende arbeidskorting’ met welk bedrag aan arbeidskorting
rekening is gehouden bij het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen. Dit bedrag moet
u apart in uw loonadministratie vastleggen, omdat u dit in de aangifte loonheffingen en op de jaaropgaaf
van uw werknemer moet vermelden. Voor uw werknemer is dit bedrag van belang voor zijn aangifte
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
7.3.3 Groene tabellen
De groene tabellen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u voor:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 83
– loon uit vroegere dienstbetrekking en daarmee gelijkgestelde uitkeringen, bijvoorbeeld uitkeringen op
grond van de AOW, Anw, IOAW, IOAZ, WAO/WIA, Waz, Wet Wajong, WW en soortgelijke buitenlandse
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
– ZW-uitkeringen en WW-uitkeringen als de werknemer eerst een WW-uitkering krijgt en daarna een ZWuitkering
– ZW-uitkeringen op grond van een vrijwillige verzekering
– pensioenen, daarmee gelijk te stellen uitkeringen uit pensioenfondsen en afkoopsommen en
schadeloosstellingen die daarvoor in de plaats komen
– loon op grond van arbeidsongeschiktheid, vanaf de 25e maand dat u dit loon betaalt
De 1e 24 maanden gebruikt u voor dit loon de witte tabel.
– loon op grond van inactiviteit (zie paragraaf 7.3.2), vanaf de 25e maand dat u dit loon betaalt
De 1e 24 maanden gebruikt u voor dit loon de witte tabel.
– studie-uitkeringen aan een kind van een werknemer die is overleden tijdens zijn dienstbetrekking bij u
– studie-uitkeringen aan een kind van een werknemer indien dat kind zelfstandig recht heeft op die
uitkeringen
– lijfrente-uitkeringen waarvoor u loonbelasting/premie volksverzekeringen moet betalen
– levensloopverlofopnamen, als de werknemer op 31 december 2018 61 jaar of ouder is (en dus is geboren
in 1957 of daarvoor)
Als de werknemer op 31 december 2018 nog geen 61 jaar is (en dus is geboren in 1958 of later), moet u
de witte tabel gebruiken.
– een afkoopsom bij ontslag, ter compensatie van de aanspraken op grond van een levensloopregeling
– het levenslooptegoed als de levensloopregeling niet meer aan de voorwaarden voldoet
– uitkeringen op grond van de Toeslagenwet die niet samenlopen met uitkeringen op grond van de ZW
– uitkeringen van de Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland 1940-1945 en de Stichting Sneek
1940-1945
– uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen
burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
– onverplichte uitkeringen, bijvoorbeeld uitkeringen die een studerend kind van een van uw werknemers
van u krijgt
7.3.4 Loontijdvak en tijdvaktabellen
Het tijdvak waarover een werknemer loon geniet, heet loontijdvak, bijvoorbeeld een dag, een week, een
maand, 4 weken of een kwartaal. Voor deze verschillende loontijdvakken bestaan tabellen. Er zijn witte en
groene tabellen voor dagloon, weekloon, vierwekenloon, maandloon en kwartaalloon. En er bestaan voor
elke witte tijdvaktabel varianten met en zonder vakantiebonnen en varianten voor inwoners van verschillende
landen (zie paragraaf 7.3.7, onder ‘tabellen voor werknemers en uitkeringsgerechtigden die in het buitenland
wonen’).
Hoofdregel: tijdvaktabel gebruiken die overeenkomt met loontijdvak
De hoofdregel is: u gebruikt de tijdvaktabel die overeenkomt met het loontijdvak. Als u bijvoorbeeld met uw
werknemer een loon per maand hebt afgesproken, gebruikt u de witte maandtabel. Als hij vakantiebonnen
van u krijgt, gebruikt u de bijbehorende witte maandtabel voor werknemers met vakantiebonnen. Keert
u pensioenen per kwartaal uit, dan gebruikt u de groene kwartaaltabel. Op deze hoofdregel gelden
uitzonderingen in de volgende 2 situaties:
– Het loontijdvak wordt onderbroken, of uw werknemer treedt in het loontijdvak in of uit dienst.
– U hebt parttimewerknemers.
Uitzondering 1: onderbroken loontijdvak of in- of uitdiensttreding in het loontijdvak
Als u in een loontijdvak van bijvoorbeeld een maand 1 of meer dagen geen loon betaalt aan een
fulltimewerknemer, mag u de maandtabel niet gebruiken. Want dan zou u rekenen met een te hoog bedrag
aan algemene heffingskorting en arbeidskorting. U gebruikt de week- en/of dagtabel voor de dagen waarover
u wél loon betaalt, ook al is het loontijdvak van de werknemer geen week of dag. Voor elke volle werkweek
gebruikt u de weektabel en voor de resterende werkdagen de dagtabel.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 84
In de volgende gevallen gebruikt u de week- en/of dagtabel:
– Een werknemer treedt in de loop van een loontijdvak in of uit dienst waardoor hij in het loontijdvak een
aantal dagen geen loon krijgt.
– Een werknemer krijgt in het loontijdvak een aantal dagen geen loon van u, maar rechtstreeks van UWV
een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
– Een werknemer krijgt een aantal dagen geen loon, omdat hij onbetaald verlof opneemt.
– Een werknemer die recht heeft op vakantiebonnen, neemt vakantie op. De werknemer krijgt die
vakantiedag(en) dus geen loon.
Voorbeeld 1
Uw werknemer treedt op donderdag 10 oktober 2019 in dienst. De periode van 10 tot en met 31
oktober 2019 heeft 16 werkdagen, als volgt verdeeld over de weken: 2 dagen, 5 dagen, 5 dagen en
4 dagen.
Voor die 1e niet-volle maand betaalt u de werknemer € 1.600. Bij volle maanden gebruikt u de witte
maandtabel, maar in oktober, de maand van indiensttreding, moet u ‘knippen’. Dat wil zeggen dat
u vanaf 10 oktober 2019 2 keer de witte weektabel moet gebruiken (voor de 1e volle werkweek van
14 tot en met 18 oktober en voor de 2e van 21 tot en met 25 oktober). Daarnaast past u 6 keer de
witte dagtabel toe: voor 10, 11, 28, 29, 30 en 31 oktober.
U berekent 2 keer de witte weektabel over € 500 (= (€ 1.600 : 16) x 5) en 6 keer de witte dagtabel
over € 100 (= € 1.600 : 16).
Voorbeeld 2
Een werknemer heeft een maandloon van € 2.200 en vakantiebonnen voor 25 vakantiedagen. Hij
heeft een werkweek van maandag tot en met vrijdag. Augustus 2019 heeft 22 werkdagen. De
werknemer neemt in de week van 19 tot en met 23 augustus 2019 (weeknummer 34) 3 dagen
verlof. Door de vakantiebonnensystematiek is dat onbetaald verlof, ongeacht of de werknemer
vakantiebonnen laat uitbetalen. Over augustus krijgt hij 19/22 van zijn loon, dus € 1.900. U
gebruikt dan voor de weken 32, 33 en 35 (volle weken) de witte weektabel met vakantiebonnen
voor 20 of meer vakantiedagen per jaar. Voor de niet-volle werkweken (2 dagen van week 31 en 2
dagen van week 34) gebruikt u voor de gewerkte dagen de witte dagtabel met vakantiebonnen voor
20 of meer vakantiedagen per jaar.
U hebt dus 19 loondagen. U berekent 3 keer de witte weektabel met vakantiebonnen voor 20 of
meer vakantiedagen per jaar over € 500 (= (€ 1.900 : 19) x 5) en 4 keer de witte dagtabel met
vakantiebonnen voor 20 of meer vakantiedagen per jaar over € 100 (€ 1.900 : 19).
Voorbeeld 3
Een werknemer zonder vakantiebonnen heeft een maandloon van € 2.100 en een werkweek
van maandag tot en met vrijdag. September 2019 heeft 21 werkdagen. De werknemer neemt
van vrijdag 20 september tot en met woensdag 25 september onbetaald verlof: 4 dagen. Over
september krijgt hij 17/21 van zijn loon, dus € 1.700. Voor de volledige werkweken binnen deze
maand (week 36 en 37) gebruikt u de witte weektabel. Voor de andere werkdagen (16, 17, 18, 19,
26, 27 en 30 september) gebruikt u de witte dagtabel.
U hebt dus 17 loondagen. U berekent 2 keer de witte weektabel over € 500 (= (€ 1.700 : 17) x 5)
en 7 keer de witte dagtabel over € 100 (= € 1.700 : 17).
Uitzondering 2: parttimerregeling
De hoofdregel en uitzondering 1 voor het gebruik van de tijdvaktabellen gelden niet voor
parttimewerknemers (werknemers die gewoonlijk op minder dan 5 dagen per week werken). Voor deze
werknemers gebruikt u de tijdvaktabel die overeenkomt met het uitbetalingstijdvak. U kijkt dus naar de
frequentie waarmee u het loon uitbetaalt en niet naar het werkelijke loontijdvak.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 85
Het doet er niet toe of de parttimewerknemer binnen het loontijdvak regelmatig of onregelmatig werkt,
bijvoorbeeld de ene week 3 en de andere week 4 dagen. Of dat de parttimewerknemer – met of zonder
vakantiebonnen – onbetaald verlof opneemt.
Let op!
Deze parttimerregeling geldt ook voor fulltimewerknemers die op 4 dagen werken. Bijvoorbeeld
werknemers met een fulltimecontract van 36 uur die 4 keer 9 uur werken.
Bij de parttimerregeling mag u niet de kwartaaltabel gebruiken.
Voorbeeld 4
Een werknemer heeft een loontijdvak van 3 dagen. Dat wil zeggen dat zijn loon per periode van
3 dagen wordt vastgesteld. Dit kan bijvoorbeeld een parttimemedewerker zijn die 3 dagen per
week werkt. Maar u betaalt het loon per maand uit. U gebruikt nu niet de tabel die hoort bij het
loontijdvak (de witte dagtabel), maar de witte maandtabel.
Voorbeeld 5
U maakt gebruik van een oproepkracht zonder verschijningsplicht (zie ook paragraaf 7.3.5 onder ‘U
hebt oproepkrachten in dienst’). U roept hem (bijna) elke week voor 1 dag op. U betaalt hem per
week uit. U gebruikt nu niet de witte dagtabel, maar de witte weektabel.
Voorbeeld 6
Een parttimewerknemer treedt op maandag 11 maart 2019 bij u in dienst. Hij werkt 2 dagen per
week, op maandag en dinsdag. U betaalt zijn loon per maand uit. In maart werkt hij 6 dagen.
Dan moet u over maart de witte maandtabel gebruiken. Dit is een andere systematiek dan bij de
fulltimewerknemer van voorbeeld 1. U mag dus niet 6 keer de witte dagtabel gebruiken.
Voorbeeld 7
Een parttimewerknemer met vakantiebonnen voor 18 vakantiedagen werkt meestal 24 uur per
week: 3 dagen van 8 uur. U betaalt zijn loon per maand uit. Deze werknemer neemt in een
maand 2 dagen verlof. Door de vakantiebonnensystematiek is dat onbetaald verlof, ongeacht
of de werknemer vakantiebonnen laat uitbetalen. U gebruikt dan toch de witte maandtabel met
vakantiebonnen voor 19 of minder vakantiedagen per jaar, net zoals in de maanden waarin de
werknemer geen verlof neemt. Dit is een andere systematiek dan bij de fulltimewerknemer van
voorbeeld 2.
Voorbeeld 8
Een parttimewerknemer zonder vakantiebonnen neemt een week onbetaald verlof. U betaalt zijn
loon per maand uit. U gebruikt de witte maandtabel, net als in de maanden waarin de werknemer
geen onbetaald verlof neemt. Dit is een andere systematiek dan bij de fulltimewerknemer van
voorbeeld 3.
7.3.5 Tijdvaktabellen: bijzondere situaties
Voor de volgende bijzondere situaties gelden speciale regels voor het gebruik van de tijdvaktabellen:
– Uw werknemer heeft een loontijdvak van 6 of 7 dagen.
– Uw werknemer heeft een loontijdvak van korter dan een dag.
– Uw werknemer heeft een loontijdvak van een jaar.
– Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat.
– Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken.
– U doet nabetalingen van tijdvakloon (vertraagd uitbetaald tijdvakloon).
– Het kalenderjaar heeft 53 weken en uw werknemer heeft een loontijdvak van een week of 4 weken.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 86
– U hebt studenten of scholieren in dienst.
– U hebt oproepkrachten in dienst.
Uw werknemer heeft een loontijdvak van 6 of 7 dagen
Als het loontijdvak 6 of 7 dagen is, gebruikt u de weektabel alsof uw werknemer 5 dagen heeft gewerkt.
Uw werknemer heeft een loontijdvak van korter dan een dag
Als het loontijdvak korter is dan een dag, gebruikt u de dagtabel alsof uw werknemer een volle dag heeft
gewerkt.
Uw werknemer heeft een loontijdvak van een jaar
Als het loontijdvak een jaar is, gebruikt u het schijventarief (zie tabel 1 achter in dit handboek) en verrekent
u de heffingskortingen die van toepassing zijn (zie tabel 2a, 2b, 2c, 2d, 2e, 2f en 2g).
Om de loonbelasting/premie volksverzekeringen te berekenen, mag u de volgende praktische werkwijze
gebruiken:
– U deelt het jaarloon door 4.
– Op dit kwart van het jaarloon past u de kwartaaltabel toe die geldt op het genietingsmoment van het
jaarloon.
– U vermenigvuldigt de uitkomst met 4.
U mag ook de vierwekentabel gebruiken (u neemt 1/13 van het jaarloon, past de vierwekentabel toe en
vermenigvuldigt de uitkomst met 13) of de maandtabel (u neemt 1/12 van het jaarloon, past de maandtabel
toe en vermenigvuldigt de uitkomst met 12).
Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat
Als uw werknemer een loontijdvak heeft waarvoor geen tabel bestaat, moet u herleiden. Daarbij knipt u het
loon op in delen waarvoor wél een tijdvaktabel bestaat. Bijvoorbeeld bij een loontijdvak van 4 maanden deelt
u het loon door 4. U gebruikt voor dat 1/4e deel de maandtabel en de gevonden bedragen vermenigvuldigt u
met 4.
Voorbeeld 1
Het loontijdvak is 6 maanden. Het loon per 6 maanden is € 6.000. U bepaalt de loonbelasting/
premie volksverzekeringen als volgt:
1 Herleid het loon tot loon voor een tijdvak waarvoor wel een tabel bestaat. In dit geval is
herleiding tot een maandloon handig.
2 Bepaal met de maandtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting
voor 1/6 deel van het loon (€ 1.000).
3 Vermenigvuldig de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting met 6.
U hebt nu de juiste loonbelasting/premie volksverzekeringen en arbeidskorting voor het loontijdvak
van 6 maanden.
Voorbeeld 2
Het loontijdvak is 3,5 dag. Het loon voor dat loontijdvak is € 350. U bepaalt de loonbelasting/premie
volksverzekeringen als volgt:
1 Herleid het loon tot loon voor een tijdvak waarvoor wel een tabel bestaat. In dit geval is
herleiding tot een dagloon handig.
2 Bepaal met de dagtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting voor
1/4 deel van het loon (€ 87,50). Een halve dag is bij het gebruik van de dagtabel ook een dag.
3 Vermenigvuldig de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de arbeidskorting met 4.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 87
U hebt nu de juiste loonbelasting/premie volksverzekeringen en arbeidskorting voor het loontijdvak
van 3,5 dag.
Uw werknemer heeft verschillende loontijdvakken
Het kan voorkomen dat u uw werknemer naast zijn periodieke loon nog een beloning (geen nabetaling)
betaalt over een ander loontijdvak. U betaalt bijvoorbeeld loon over een maand plus provisie over 3 maanden
die al voorbij zijn. U mag kiezen uit 2 manieren om de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het
andere loontijdvak te berekenen:
– U gebruikt de tabel voor bijzondere beloningen (zie paragraaf 7.3.6).
– U voert een herberekening uit (zie hierna onder ‘Herberekeningsmethode’).
De uitkomsten van de 2 berekeningen kunnen verschillen. U mag zelf kiezen welke manier u gebruikt.
Let op!
Bij 2 of meer lonen uit vroegere dienstbetrekking, zoals pensioenen of lijfrenten, met verschillende
loontijdvakken moet u altijd de herberekeningsmethode gebruiken.
Herberekeningsmethode
Als de werknemer beloningen over verschillende tijdvakken krijgt, kunt u de loonbelasting/premie
volksverzekeringen over het langste tijdvak bepalen door een herberekening. Bij een herberekening neemt u
de volgende stappen:
1 Tel het loon van het langste tijdvak op bij alle andere lonen die in dat tijdvak belast zijn of nog belast
moeten worden.
2 Bepaal met de tabel die geldt voor het langste tijdvak, de loonbelasting/premie volksverzekeringen over
dit totale loon, en de bijbehorende arbeidskorting. U gebruikt de tabel die geldt op het moment dat u het
loon over het langste tijdvak uitbetaalt. En u gaat uit van het loon van kolom 14 van de loonstaat (het
tabelloon).
3 Bepaal met diezelfde tabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totaal van het andere
loon, en de bijbehorende arbeidskorting, dus zonder rekening te houden met het loon over het langste
tijdvak. Dit bedrag kan afwijken van wat u daadwerkelijk op het eerdere loon hebt ingehouden en van
wat u eerder aan arbeidskorting hebt bepaald.
4 Trek de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 3 af van de loonbelasting/
premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 2.
Doe hetzelfde met de arbeidskorting. Het verschil is het bedrag dat u moet inhouden op het loon over het
langste tijdvak, en het bijbehorende bedrag aan arbeidskorting.
Voorbeeld 3
Een werknemer van 25 jaar voor wie u de loonheffingskorting toepast, heeft elke maand een
regulier loon van € 1.000. In april betaalt u ook de provisie over januari, februari en maart uit. Deze
provisie is € 800.
Het langste loontijdvak is hier de periode januari tot en met maart, de periode waar de provisie
betrekking op heeft. Het totale loon (tabelloon) van dat tijdvak (een kwartaal) is 3 x € 1.000
+ € 800 = € 3.800. Voor dit tijdvak is een tabel beschikbaar. U gebruikt de tabel die geldt
op het moment dat u de provisie uitbetaalt, dus de witte kwartaaltabel die geldig is in april.
Volgens de witte kwartaaltabel 2019 voor inwoners van Nederland is de loonbelasting/premie
volksverzekeringen over dit loon € 335,00. De arbeidskorting die hierbij hoort, is € 436,00.
U bepaalt wat u op het totaal van het reguliere loon van januari, februari en maart (€ 3.000) zou
moeten inhouden. Daarbij gebruikt u ook de witte kwartaaltabel voor inwoners van Nederland
die geldig is in april. De loonbelasting/premie volksverzekeringen over € 3.000 is € 271,75. De
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 88
arbeidskorting die hierbij hoort, is € 207,25. Op de provisie van € 800 houdt u in: € 335,00 –
€ 271,75 = € 63,25. De bijbehorende arbeidskorting is: € 436,00 – € 207,25 = € 228,75.
Voorbeeld 4
Een werknemer van 41 jaar voor wie u de loonheffingskorting toepast, heeft in januari en februari
een loon van € 1.000. Op 1 maart treedt hij in dienst bij een nieuwe werkgever. In april krijgt hij
van u nog de provisie over het 1e kwartaal (januari, februari, maart). Deze provisie is € 800.
Het langste loontijdvak bij u is de periode van januari tot en met maart, de periode waar de provisie
betrekking op heeft. Maar omdat de werknemer in maart niet meer voor u gewerkt heeft, is het
feitelijke loontijdvak een periode van 2 maanden. Het totale loon (tabelloon) van dat tijdvak is (2
x € 1.000) + € 800 = € 2.800. Voor deze periode is geen tabel. Daarom moet u het loon herleiden
(zie hierboven bij ‘Uw werknemer heeft een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat’). U deelt
daarbij het totale loonbedrag door 2 en gebruikt de maandtabel die geldig is in april. De uitkomst
vermenigvuldigt u met 2.
U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de provisie voor een inwoner uit
Nederland nu als volgt:
1 Bereken de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totale loon van € 2.800. Dit is: 2
x loonbelasting/premie volksverzekeringen over een maandloon van € 1.400 = (2 x € 122,42)
€ 244,84. De bijbehorende arbeidskorting is (2 x € 184,08) € 368,16.
2 Bereken wat de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totaal van de eerdere
maandlonen geweest zou zijn. Dit is: 2 x loonbelasting/premie volksverzekeringen over € 1.000
= (2 x € 90,58) € 181,16. De bijbehorende arbeidskorting is (2 x € 69,08) € 138,16.
3 Trek de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 2 af van de
loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt berekend bij stap 1. Doe hetzelfde met
de arbeidskorting. Op de provisie van € 800 houdt u in: € 244,84 – € 181,16 = € 63,68. De
bijbehorende arbeidskorting is: € 368,16 – € 138,16 = € 230,00.
U doet nabetalingen van tijdvakloon (vertraagd uitbetaald tijdvakloon)
Voor nabetalingen van tijdvakloon (ook wel: vertraagd uitbetaald tijdvakloon), zoals regulier loon, maar
ook overwerkloon, provisies of cao-loonsverhogingen met terugwerkende kracht, mag u de tabellen voor
bijzondere beloningen gebruiken (zie paragraaf 7.3.6). Maar u mag ook de tijdvaktabellen gebruiken. In dat
geval moet u de herberekeningsmethode gebruiken (zie hierboven bij ‘Uw werknemer heeft verschillende
loontijdvakken’).
Er is 1 uitzondering hierop: u moet de tijdvaktabel toepassen als de nabetaling betrekking heeft op een
achteraf vastgesteld tijdvakloon of een achteraf vastgestelde uitkering die u in 1 keer uitbetaalt, terwijl u de
werknemer of de uitkeringsgerechtigde over de nabetalingsperiode niet eerder een tijdvakloon hebt betaald.
Het gaat bijvoorbeeld om de volgende situaties:
– U betaalt de werknemer geen regulier loon meer uit. Na verloop van tijd betaalt u het niet-betaalde loon
toch nog uit.
– U kent een uitkeringsgerechtigde met terugwerkende kracht een pensioen toe (aanlooptermijnen).
U berekent dan de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:
1 Herleid het bedrag tot een (gemiddeld) tijdvakloon.
2 Gebruik de loonbelastingtabel die op dat moment geldt. U mag voor deze nabetalingen niet de tabel voor
bijzondere beloningen gebruiken.
3 Vermenigvuldig het bedrag in de tabel met het aantal loontijdvakken waarop de betaling betrekking
heeft.
Op deze manier kunt u gedurende het jaar bijvoorbeeld meer dan 12x de maandtabel toepassen.
De werknemer heeft dan een nettovoordeel omdat u dan ook meer dan 12x een maandbedrag aan
loonheffingskorting toepast. Wij verrekenen dit voordeel van de extra heffingskorting via de aanslag
inkomstenbelasting van uw werknemer. Uw werknemer is dit voordeel dan weer kwijt. Om te voorkomen
dat u te veel loonheffingskorting berekent, kunt u meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 89
dan de tabel aangeeft. Maar u mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie paragraaf 7.3.9
onder ‘Vrijwillig hogere inhouding’.
Voorbeeld 5
Een werknemer van 36 jaar oud verdient € 2.000 per maand. U ontslaat hem en betaalt hem
per oktober 2018 geen regulier loon meer uit. In een ontslagprocedure bepaalt de rechter dat
het ontslag onterecht was. U hervat per april 2019 de reguliere loonbetalingen en u betaalt
de werknemer in april 2019 in 1 keer 6 maandlonen uit (totaal € 12.000). Er zijn geen andere
inkomsten. De werknemer is verzekerd voor de werknemersverzekeringen en voor de Zvw.
Bij loon-in-systematiek
U gebruikt voor elk nabetaald maandloon van € 2.000 de witte maandtabel die in april 2019 geldt.
De loonbelasting/premie volksverzekeringen (voor inwoners van Nederland) hierover is € 262,17.
Dit bedrag vermenigvuldigt u daarna met 6. Het hele loon (€ 12.000) en de totale loonbelasting/
premie volksverzekeringen geeft u, samen met het reguliere loon over april, aan in de aangifte over
april.
Bij loon-over-systematiek
U rekent aan januari, februari en maart 2019 alsnog € 2.000 loon toe en verwerkt dat in die
maanden in de salarisadministratie. U gebruikt voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen
de witte maandtabel die respectievelijk in januari, februari en maart 2019 geldt. Voor de overige
3 loontijdvaknabetalingen van € 2.000, die betrekking hebben op 2018, gebruikt u de witte
maandtabel die in april 2019 geldt. U vermenigvuldigt het bedrag uit de tabel dat hoort bij € 2.000
met 3. De lonen die u aan januari, februari en maart 2019 hebt toegerekend, neemt u op in de
aangifte over die tijdvakken of u verzendt daarvoor een correctie. Het loon over de 3 tijdvakken van
2018 en de bijbehorende loonbelasting/premie volksverzekeringen geeft u, samen met het reguliere
loon over april, aan in de aangifte over april 2019.
Werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw
De premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw moet u op een
andere manier berekenen, namelijk door middel van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) (zie
paragraaf 5.7.3). U bepaalt eerst de hoogte van het loon dat betrekking heeft op tijdvakken van
2019. In dit voorbeeld is dat € 8.000 (januari tot en met maart voor de nabetaling en april voor het
reguliere loon, iedere maand € 2.000). De overige € 6.000, die betrekking heeft op tijdvakken van
vóór 2019, hoort ook tot het loon voor de werknemersverzekeringen en het bijdrageloon van april
2019.
Bij de loon-in-systematiek mag u in april rekening houden met 4 loontijdvakken voor het
berekenen van het maximumpremieloon en het maximumbijdrageloon. Het totale loon voor
de werknemersverzekeringen, de berekende totale premielonen, het totale bijdrageloon en
bijbehorende premies en bijdrage neemt u op in de aangifte over april. Bij de loon-over-systematiek
rekent u het loon van januari, februari en maart 2019 toe aan die loontijdvakken, de rest van de
nabetaling plus het reguliere loon over april (totaal € 8.000) is loon van april. Voor elk loontijdvak
berekent u op gebruikelijke wijze het maximumpremie- en bijdrageloon.
Let op!
In april is het premie- en bijdrageloon meer dan het maximum dat voor dat tijdvak geldt. Door
voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) kan er in de loontijdvakken ná april een zogenoemd
inhaaleffect optreden. Hierdoor moet u in die maanden meer dan gebruikelijk aan premies
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 90
werknemersverzekeringen of werkgeversheffing Zvw betalen of bijdrage Zvw inhouden. Zie paragraaf
5.7.3 voor meer informatie over VCR.
Kalenderjaar heeft 53 weken en uw werknemer heeft een loontijdvak van een week of
van 4 weken
Soms heeft een kalenderjaar 53 weken. Als uw werknemer een loontijdvak van een week heeft, moet u ook
voor het loon over de 53e week de weektabel gebruiken.
Heeft uw werknemer een loontijdvak van 4 weken, dan zijn er voor het loon over de 53e week 2 situaties
mogelijk:
– U betaalt het loon over de 13e periode van 4 weken en het loon over de 53e week afzonderlijk. In dat
geval gebruikt u voor het loon over de 13e periode van 4 weken de vierwekentabel en voor het loon over
de 53e week de weektabel.
– U betaalt het loon over de 13e periode en het loon over de 53e week in 1 keer. Er is dan sprake van een
loontijdvak van 5 weken. Voor dit loontijdvak bestaat geen tabel. U moet het loon dan herleiden naar
een loon over een tijdvak waarvoor wel een tabel bestaat. Bijvoorbeeld door het loon te delen door 5.
Dan gebruikt u de weektabel en vermenigvuldigt u de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de
arbeidskorting met 5.
Als u voor een werknemer de loonheffingskorting toepast, mag u dit ook voor de 53e week doen.
Let op!
U berekent op deze manier misschien meer loonheffingskorting dan waar de werknemer recht op
heeft. Wij verrekenen dit voordeel van de extra heffingskorting via de aanslag inkomstenbelasting
van uw werknemer. Uw werknemer is dit voordeel dan weer kwijt. Om te voorkomen dat u te veel
loonheffingskorting berekent, kunt u meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de
tabel aangeeft. Maar u mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie paragraaf 7.3.9
onder ‘Vrijwillig hogere inhouding’.
U hebt studenten of scholieren in dienst
Voor studenten en scholieren kunt u een afwijkende regeling gebruiken: de studenten- en scholierenregeling
(zie paragraaf 16.16). U gaat dan uit van een loontijdvak van een kalenderkwartaal, ook al is het
werkelijke loontijdvak anders. U gebruikt dan de kwartaaltabel. Het effect hiervan is meestal dat u minder
loonbelasting/premie volksverzekeringen hoeft in te houden dan wanneer u de gewone tijdvaktabel zou
gebruiken.
U hebt oproepkrachten in dienst
Voor het bepalen van het loontijdvak – en dus de loonbelastingtabel – van oproepkrachten en werknemers
met een nul-urencontact, zijn de overeenkomst en de feitelijke situatie van belang. Zie paragraaf 16.12 voor
meer informatie over oproepkrachten.
Oproepkrachten met verschijningsplicht (ook nul-urencontracten)
Bij oproepkrachten met verschijningsplicht loopt de dienstbetrekking door. U toetst of het om een parttimer
gaat, dat wil zeggen of uw werknemer gewoonlijk op minder dan 5 dagen per week werkt. Er zijn 2
mogelijkheden:
– Het gaat om een parttimer. Dan is het loontijdvak gelijk aan het uitbetalingstijdvak (zie paragraaf 7.3.4,
onder ‘Uitzondering 2: parttimerregeling’).
– Het gaat niet om een parttimer. Dan bepaalt u per oproep wat het loontijdvak is. De hoofdregel voor
het gebruik van tijdvaktabellen geldt (zie paragraaf 7.3.4, onder ‘Hoofdregel: tijdvaktabel gebruiken die
overeenkomt met tijdvakloon’).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 91
Oproepkrachten zonder verschijningsplicht
Bij oproepkrachten zonder verschijningsplicht zijn er 3 situaties mogelijk:
– De oproepkracht wordt voor een langere periode opgeroepen en werkt in die periode 5 of meer dagen per
week. Deze situatie is gelijk te stellen met een fulltimecontract voor een bepaalde periode. In dit geval
bepaalt u per oproep wat het loontijdvak is en u gebruikt de bijbehorende tijdvaktabel.
– De oproepkracht wordt voor een langere periode opgeroepen en werkt in die periode minder dan 5 dagen
per week. In deze situatie geldt de regeling voor parttimers (zie paragraaf 7.3.4, onder ‘Uitzondering 2:
parttimerregeling’). Het loontijdvak is gelijk aan het uitbetalingstijdvak.
– De oproepkracht wordt voor een korte periode opgeroepen. U bepaalt dan per oproep wat het loontijdvak
is en u gebruikt de bijbehorende tijdvaktabel.
7.3.6 Tabellen voor bijzondere beloningen
Een bijzondere beloning is een eenmalige beloning of een beloning die u in de regel eenmaal per jaar
toekent. Een bijzondere beloning staat los van een loontijdvak. Betaalt u uw werknemer zijn loon over een
jaar eenmaal per jaar uit, dan is dat dus geen bijzondere beloning maar gewoon tijdvakloon.
Voor bijzondere beloningen zijn er speciale tabellen om de loonbelasting/premie volksverzekeringen te
bepalen: de tabellen voor bijzondere beloningen. Er zijn witte en groene tabellen voor bijzondere beloningen
(zie paragraaf 7.3.2 en 7.3.3). In de rekenhulp Loonbelastingtabellen voor 2019, 2018 en 2017 kunt u kiezen
voor de tabellen voor bijzondere beloningen. De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/tabellen. Voor 2016
en eerder staan de tabellen voor bijzondere beloningen op de laatste pagina van de tijdvaktabellen. Die kunt
u downloaden van belastingdienst.nl.
De tabellen voor bijzondere beloningen gebruikt u voor de volgende bijzondere beloningen:
– gratificaties, tantièmes, transitievergoedingen of andere schadeloosstellingen
– vakantiebijslag
– eindejaarsuitkering
– uitbetaling van niet-opgenomen vakantiedagen
Let op!
Vakantiebijslag die u bijvoorbeeld maandelijks uitbetaalt, hoort tot het maandloon. U gebruikt daarvoor
dus de maandtabel.
Voor de volgende tijdvakbeloningen mag u de tabel voor bijzondere beloningen gebruiken:
– beloningen over een ander tijdvak, bijvoorbeeld achteraf betaalde provisies, loonsverhogingen met
terugwerkende kracht of overwerkloon
– nabetalingen die betrekking hebben op tijdvakken van een vorig kalenderjaar
– afkoopsommen van lijfrenten, voor zover de afkoopsom niet meer is dan € 4.404 (zie paragraaf 7.6.1)
Maar bij deze beloningen mag u ook kiezen voor de tijdvaktabel. In dat geval moet u de
herberekeningsmethode gebruiken (zie paragraaf 7.3.5, onder ‘Uw werknemer heeft verschillende
loontijdvakken’).
Let op!
De voordeelregel waarmee u een bijzondere beloning op mocht tellen bij het reguliere tijdvakloon, is
vervallen met ingang van 1 januari 2016.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 92
Verrekeningspercentage loonheffingskorting
De loonheffingskorting is afhankelijk van de hoogte van het inkomen. De tabellen voor bijzondere
beloningen hielden daar geen rekening mee. Daarom staat in de tabellen de kolom ‘Verrekeningspercentage
loonheffingskorting’ voor werknemers voor wie u de loonheffingskorting toepast. De verrekende
loonheffingskorting sluit daarmee beter aan bij de inkomstenbelasting die uw werknemer over zijn loon moet
betalen.
Met het verrekeningspercentage past u de opbouw en afbouw van de arbeidskorting en de afbouw van de
algemene heffingskorting toe op bijzondere beloningen. Met het positieve percentage corrigeert u het teveel
aan loonheffingskorting. Met het negatieve percentage corrigeert u het tekort. Voor het berekenen van de
loonbelasting/premie volksverzekeringen mag u het verrekeningspercentage optellen bij het percentage uit
de kolom ‘standaardtarief’. U mag de 2 percentages ook afzonderlijk toepassen.
Let op!
Het gebruik van het verrekeningspercentage kan soms toch nog tot een te hoge of te lage inhouding
leiden ten opzichte van wat uw werknemer via zijn aangifte inkomstenbelasting moet betalen. In deze
situatie kunt u het volgende doen:
– meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel aangeeft
U mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie paragraaf 7.3.9 onder ‘Vrijwillig
hogere inhouding’.
– minder loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden
Voor meer informatie hierover zie hieronder bij ‘Machtiging lager percentage’.
Jaarloon uitgangspunt voor de tabellen voor bijzondere beloningen
Voor de tabellen voor bijzondere beloningen hebt u een jaarloon nodig. U baseert dit jaarloon op het loon uit
kolom 14 van de loonstaat (zie paragraaf 9.2.9).
Er zijn 3 situaties mogelijk:
– U hebt de werknemer het hele voorafgaande kalenderjaar loon betaald. U gaat dan uit van het loon dat
de werknemer in dat jaar van u heeft gekregen.
– U hebt de werknemer maar een gedeelte van het voorafgaande kalenderjaar loon betaald. U gaat dan
uit van het tot een jaarloon herleide bedrag. Is de werknemer bijvoorbeeld op 15 november in dienst
getreden en is zijn cumulatieve loon (kolom 14 van de loonstaat) op 31 december € 3.000, dan is het tot
jaarloon herleide bedrag ((€ 3.000 : 1,5) x 12 =) € 24.000.
Is de werknemer het vorige jaar meerdere keren in- en uit dienst getreden, zoals bij oproep- en
uitzendkrachten? Dan berekent u het jaarloon door het loon voor alle arbeidsverhoudingen met deze
werknemer in dat jaar tot 1 jaarloon te herleiden.
– De werknemer is in het huidige jaar in dienst gekomen. U hebt de werknemer daarom in het
voorafgaande kalenderjaar geen loon betaald. U herleidt dan een jaarloon op basis van het lopende jaar.
U moet het jaarloon herleiden alsof uw werknemer over het hele lopende jaar loon zou krijgen. Daarbij
houdt u rekening met alle loonbetalingen, dus ook met bijvoorbeeld incidentele betalingen of eventueel
vastgelegde loonsverhogingen.
Als de werknemer wisselende inkomsten heeft, moet u gedurende het jaar van indiensttreding het te
verwachten jaarloon bijstellen. Maar u mag ook volstaan met een eenmalige inschatting van het jaarloon
vóór de 1e loonbetaling als u zich daarbij baseert op wat voor u gangbaar is.
Als de werknemer in het jaar van indiensttreding meerdere keren in- en uit dienst treedt (zoals bij
oproep- en uitzendkrachten), maakt u volgens de hoofdregel voor elke arbeidsverhouding een (nieuwe)
inschatting. Maar u mag die inschatting ook maken voor het totaal van alle arbeidsverhoudingen met die
werknemer.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 93
Let op!
Als een werknemer van werkgever is veranderd en u en de andere werkgever horen tot dezelfde
samenhangende groep inhoudingsplichtigen, neemt u als jaarloon het totale loon dat u en de andere
werkgever hebben uitbetaald. Zie paragraaf 3.6 voor meer informatie over het begrip ‘samenhangende
groep inhoudingsplichtigen’.
Heeft u of uw werknemer het vermoeden dat er met het jaarloon alsnog te veel of te weinig loonbelasting/
premie volksverzekeringen (loonheffing) wordt ingehouden, ten opzichte van wat de werknemer via zijn
aangifte inkomstenbelasting moet betalen? Dan kunt u het volgende doen:
– meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel aangeeft
U mag dit alleen doen met toestemming van uw werknemer. Zie paragraaf 7.3.9 onder ‘Vrijwillig hogere
inhouding’.
– minder loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden
Voor meer informatie hierover zie hieronder bij ‘Machtiging lager percentage’.
Loon bij elkaar optellen voor berekening van het jaarloon
Er zijn 3 situaties waarbij u lonen bij elkaar op moet tellen voor de berekening van het jaarloon:
– U betaalt een werknemer loon voor 2 of meer inkomstenverhoudingen. Het totale loon van alle
inkomstenverhoudingen is dan uitgangspunt voor de berekening van het jaarloon voor de tabel bijzondere
beloningen. Het maakt daarbij niet uit of het om loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking
gaat. Zie paragraaf 3.4 voor meer informatie over het begrip ‘inkomstenverhouding’.
– U betaalt een werknemer loon of lonen uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking. Daarnaast
betaalt u ook loon uit vroegere dienstbetrekking van een andere werkgever of uitkeringsinstantie door.
Het totaal van die lonen is dan uitgangspunt voor de berekening van het jaarloon voor de tabel voor
bijzondere beloningen.
– U geeft een aanvulling op een socialeverzekeringsuitkering en UWV betaalt die uitkering rechtstreeks aan
uw werknemer of u krijgt die uitkering van UWV om door te betalen aan uw werknemer. Het totaal (de
uitkering plus de aanvulling) is dan uitgangspunt voor de berekening van het jaarloon voor de tabel voor
bijzondere beloningen.
Als u de verschillende lonen onder verschillende loonheffingennummers aangeeft, bijvoorbeeld het ene loon
in de aangifte met subnummer L01 en het andere in de aangifte met subnummer L02, dan telt u deze lonen
voor het bepalen van het jaarloon voor de tabel bijzondere beloningen bij elkaar op.
Machtiging lager percentage
Wij kunnen op verzoek van uw werknemer een machtiging afgeven om de loonbestanddelen die onder de
tabel voor bijzondere beloningen vallen, lager te belasten dan de tabel aangeeft. Uw werknemer kan zo’n
verzoek doen als normaal gebruik van de tabel voor bijzondere beloningen betekent dat de loonbelasting/
premie volksverzekeringen over de bijzondere beloning ten minste 10% (met een minimum van € 227) meer
is dan de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die de werknemer vermoedelijk moet betalen. Wij
sturen uw werknemer dan een brief waarin wij u machtigen om een lager percentage te gebruiken dan de
tabel voor bijzondere beloningen aangeeft. Dit percentage geldt alleen voor het jaar dat in de machtiging
staat.
Nadat u de machtiging hebt gekregen, verwerkt u het lagere percentage in de loonadministratie. U bewaart
een kopie van de machtiging bij uw loonadministratie.
Hoe vindt u het juiste jaarloon?
In de 1e kolom van de witte en de groene tabellen voor bijzondere beloningen staat het jaarloon. Zit het
jaarloon van een werknemer of uitkeringsgerechtigde tussen 2 in de tabel genoemde bedragen in, dan neemt
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 94
u het lagere bedrag. U neemt dan het percentage en eventueel het verrekeningspercentage die bij dit bedrag
horen uit de juiste kolom. Met die percentages berekent u de inhouding.
Voorbeeld
U hebt een werknemer van 45 jaar die in Nederland woont en voor wie u de loonheffingskorting
toepast. Het jaarloon van deze werknemer is € 50.000. U vindt dit bedrag niet als jaarloon in de
witte tabel voor bijzondere beloningen voor inwoners van Nederland. Het lagere jaarloon dat er het
dichtste bij ligt, is € 47.423. Het percentage dat u gebruikt om de inhouding te berekenen is dan
(38,10% (regulier percentage) + 11,15% (verrekeningspercentage)) = 49,25%.
7.3.7 Tabellen voor bijzondere groepen werknemers
Er zijn speciale tabellen voor:
– artiesten en beroepssporters (zie tabel 3 achter in dit handboek)
– aannemers van werk, thuiswerkers, sekswerkers en gelijkgestelden (zie tabel 4 achter in dit handboek)
– werknemers met vakantiebonnen
– werknemers en uitkeringsgerechtigden die in het buitenland wonen
Voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over bijstandsuitkeringen gelden
speciale regels. Meer informatie hierover en over terugvordering en verrekening van bijstand vindt u in
de ‘Rekenregels en handleiding loonheffingen over bijstandsuitkeringen 2019’. U kunt deze handleiding
binnenkort downloaden van belastingdienst.nl.
Artiesten en beroepssporters
Voor artiesten en beroepssporters met wie u een overeenkomst van korte duur aangaat of die kortstondig
optreden of kortstondig een sport beoefenen, berekent u de loonbelasting op een afwijkende manier.
Meer hierover vindt u in de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de
handleiding voor 2019 in de loop van 2019 downloaden van belastingdienst.nl.
Tabellen voor werknemers met vakantiebonnen
Voor werknemers die loon krijgen dat onder meer bestaat uit vakantie(toeslag)bonnen, zijn er de tabellen
voor werknemers met vakantiebonnen. Deze tabellen gelden alleen als de toekenning van vakantiebonnen is
overeengekomen in een cao of publiekrechtelijke regeling die al op 31 december 1996 bestond. Als die cao
of publiekrechtelijke regeling na die datum aansluitend is vervangen, mag u deze tabellen alleen gebruiken
als de cao of de regeling op het punt van vakantiebonnen onveranderd is voortgezet. Voorwaarde is dat u de
vakantiebonnen regelmatig bij de betaling van het loon geeft.
Er zijn afzonderlijke tabellen voor werknemers die per jaar voor 19 of minder dagen vakantiebonnen krijgen
en voor werknemers die per jaar voor 20 of meer dagen vakantiebonnen krijgen. Om te beoordelen onder
welke tabel uw werknemer valt, gaat u uit van het aantal vakantiedagen waarop een volwassen werknemer
recht heeft volgens zijn cao of een publiekrechtelijke regeling. Feestdagen en extra vakantiedagen in verband
met leeftijd of dienstjaren van een jeugdige of oudere werknemer tellen niet mee.
Tabellen voor werknemers en uitkeringsgerechtigden die in het buitenland wonen
In de loonbelastingtabellen is vanaf 2019 onderscheid gemaakt tussen 3 groepen werknemers:
1 werknemers die inwoner zijn van Nederland
2 werknemers die inwoner zijn van een land uit de landenkring (zie hierna)
3 werknemers die inwoner zijn van een derde land, dat wil zeggen van een land dat niet valt onder 1 of 2
Vanaf 2019 zijn er daarom aparte loonbelastingtabellen voor elk van de 3 groepen werknemers. Er zijn dus
bijvoorbeeld 3 witte maandtabellen: 1 voor werknemers van groep 1, 1 voor werknemers van groep 2 en 1
voor werknemers van groep 3.
De reden hiervoor is dat vanaf 1 januari 2019 alleen inwoners van Nederland recht hebben op het
belastingdeel van de loonheffingskorting. Niet-inwoners van Nederland hebben daar geen recht meer
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 95
op. Zij hebben, als ze in Nederland verzekerd zijn voor de volksverzekeringen, alleen nog recht op het
premiedeel. Voor het belastingdeel van 1 van de heffingskortingen, de arbeidskorting, geldt een uitzondering:
werknemers die inwoner zijn van een land uit de landenkring hebben wel recht op het belastingdeel van de
arbeidskorting.
Landen van de landenkring
Bij de landenkring horen:
– de lidstaten van de EU (behalve Nederland), inclusief de overzeese gebieden:
– België
– Bulgarije
– Cyprus
– Denemarken
– Duitsland
– Estland
– Finland, inclusief de Älandseilanden
– Frankrijk, inclusief Guadeloupe, Frans Guyana, Martinique, Mayotte, Réunion en Saint Martin
– Griekenland
– Hongarije
– Ierland
– Italië
– Kroatië
– Letland
– Litouwen
– Luxemburg
– Malta
– Oostenrijk
– Polen
– Portugal, inclusief de Azoren en Madeira
– Roemenië
– Slovenië
– Slowakije
– Spanje, inclusief de Canarische eilanden
– Tsjechië
– tot de Brexit: Verenigd Koninkrijk (Engeland, Schotland, Wales, Noord-Ierland), inclusief Gibraltar
– Zweden
– de EER-landen:
– Noorwegen
– Liechtenstein
– IJsland
– overige landen:
– Zwitserland
– BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba)
7.3.8 Herleidingsregels (in internationale situaties) voor de loonbelasting/premie
volksverzekeringen
De inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen bestaat uit 1 percentage dat opgebouwd is uit 4
componenten:
– loonbelasting
– premie AOW
– premie Anw
– premie Wlz
Er zijn werknemers die door internationale situaties 1 of meer van deze componenten niet hoeven te betalen.
Zo zijn er:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 96
– werknemers die alleen loonbelasting moeten betalen
– werknemers die alleen premie volksverzekeringen (AOW, Anw en Wlz) moeten betalen
– werknemers die geen premie hoeven te betalen voor 1 of meer volksverzekeringen
Voor elk van deze groepen werknemers geldt een ander gecombineerd percentage voor de loonbelasting/
premie volksverzekeringen dan de percentages in de standaardloonbelastingtabellen. Uw salarissoftware
berekent deze aangepaste inhouding meestal automatisch.
Wilt u de inhouding zelf bepalen? Hiervoor kon u tot en met 2016 de zogenoemde herleidingsregels
gebruiken, waarmee u uit de standaardtabellen het in te houden bedrag kon herleiden.
Vanaf 2017 hebben wij voor al deze specifieke internationale situaties ook tabellen gemaakt. Deze situaties
noemen we voorlopig nog ‘herleidingssituaties’. De bijbehorende tabellen noemen we daarom voorlopig nog
‘herleidingstabellen’. Deze tabellen kunt u via de rekenhulp Loonbelastingtabellen downloaden. De rekenhulp
vindt u op belastingdienst.nl/tabellen.
Herleidingssituaties en bijbehorende tabellen
Tot en met 2016 waren er 18 herleidingssituaties, verdeeld over 3 leeftijdsgroepen:
– jonger dan de AOW-leeftijd
– AOW-leeftijd en geboren in 1945 of eerder
– AOW-leeftijd en geboren in 1946 of later
In de herleidingstabellen vindt u, net als in de standaardtabellen, deze 3 leeftijdscategorieën in 1 tabel, zodat
er 6 herleidingssituaties over zijn.
Er zijn vanaf 2017 tabellen voor de volgende herleidingssituaties:
– A- Uitsluitend premieplichtig voor de AOW, Anw en Wlz
– B- Uitsluitend belastingplichtig
– C- Belastingplichtig en premieplichtig voor de AOW en de Anw
– D- Belastingplichtig en premieplichtig voor de Wlz
– E- Uitsluitend premieplichtig voor de AOW en de Anw
– F- Uitsluitend premieplichtig voor de Wlz
7.3.9 Aandachtspunten bij het gebruik van de tabellen
Bij het gebruik van de loonbelastingtabellen gelden de volgende aandachtspunten:
– U mag de tabellen alleen gebruiken voor het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen in
het kalenderjaar dat op de tabellen staat.
– In sommige gevallen moet u het anoniementarief gebruiken in plaats van de tabellen (zie ook paragraaf
2.6).
Vrijwillig hogere inhouding
U mag op verzoek van een werknemer meer loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden dan de tabel
aangeeft. Een werknemer kan dat vragen om de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u inhoudt,
beter overeen te laten komen met zijn aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Dat is vooral
handig als de werknemer gelijktijdig 2 dienstbetrekkingen of 2 pensioenen heeft en bij vertraagd uitbetaald
loon (aanlooptermijnen). Of als de tabel voor bijzondere beloningen een laag percentage aangeeft.
Als u te veel of te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen hebt ingehouden
Het kan zijn dat u bij een werknemer te veel of te weinig loonbelasting/premie volksverzekeringen hebt
ingehouden. Bijvoorbeeld doordat u de verkeerde tabel hebt gebruikt of de verkeerde kolom. U hebt dan
een nettoschuld aan de werknemer of een nettovordering op de werknemer. Hoofdregel is dat u de onjuiste
aangifte herstelt met een correctie. Het maakt daarbij niet uit of u gebruikmaakt van de loon-in-systematiek
of de loon-over-systematiek. Die nettoschuld of nettovordering verrekent u met het nettoloon van het
volgende loontijdvak.
U kunt de fout onder de volgende voorwaarden ook zonder correctie herstellen:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 97
– U herstelt de fout binnen het kalenderjaar.
– U verrekent het eerder te weinig of te veel ingehouden bedrag bij een volgende loonberekening door dan
meer of minder in te houden.
– In uw loonadministratie maakt u een aantekening hiervan.
– Uw werknemer stemt ermee in dat u de foute inhouding op deze manier verrekent.
Een foute inhouding van de bijdrage Zvw moet u altijd met een correctie herstellen, ook als het over het
voorgaande jaar gaat. Want de werknemer kan dit niet via zijn aangifte inkomstenbelasting herstellen. Zie
voor meer informatie over correcties over voorgaande jaren paragraaf 12.4.
7.4 Van nettoloon naar brutoloon: bruteren
Het systeem van de loonheffingen is gebaseerd op het brutoloon en op berekeningen van bruto- naar
nettoloon. Zie paragraaf 7.1 voor een voorbeeld van een berekening van brutoloon naar nettoloon.
Spreekt u als werkgever met een werknemer een nettoloon af, dan moet u dit nettoloon herleiden tot een
brutoloon. U moet dan een omgekeerde berekening maken. Dat kan meestal met salarissoftware. Lukt dat
met uw software niet, dan moet u de berekening zelf maken.
Hoe werkt bruteren?
Als u een nettoloon herleidt tot een brutoloon, moet u bij het nettoloon enkele bedragen optellen
om te komen tot een brutoloon. Zoals de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u volgens de
loonbelastingtabel hebt ingehouden, en de eventueel ingehouden bijdrage Zvw.
U kunt de volgende methode gebruiken. Schat het brutoloon waarvan u denkt dat dat hoort bij het nettoloon
dat u met uw werknemer hebt afgesproken. Met dit brutoloon maakt u een bruto-nettoberekening. U trekt
dit berekende nettoloon af van het werkelijke nettoloon. Als het verschil positief is, trekt u het af van het
geschatte brutoloon. Als het verschil negatief is, telt u het op bij het geschatte brutoloon. Met dit nieuwe
brutoloon maakt u dezelfde berekening opnieuw. U herhaalt deze berekening net zolang tot u uiteindelijk
uitkomt op het nettoloon dat u met uw werknemer hebt afgesproken.
Voorbeeld
U wilt het brutoloon bepalen dat hoort bij een nettoloon van € 250 per week voor een inwoner van
Nederland. U gebruikt de witte weektabel van januari 2019 voor inwoners van Nederland. Omdat de
loonheffingskorting van toepassing is en de werknemer 35 jaar is, neemt u de bedragen uit kolom 3
van de tabel. U begint uw berekening met een brutoloon van bijvoorbeeld 120% van het nettoloon.
U ziet dat u zo een nettoloon van € 250 in 4 stappen herleidt tot een brutoloon van € 277,83.
Brutoloon Grondslag (kolom 14
van de loonstaat)
Loonbelasting/premie
volksverzekeringen
Nettoloon Verschil
€ 300,00 € 300,00 € 26,35 € 273,65 € 23,65
€ 276,35 € 276,35 € 24,54 € 251,81 € 1,81
€ 274,54 € 274,54 € 24,37 € 250,17 € 0,17
€ 274,37 € 274,37 € 24,37 € 250,00 € 0,00
Uitgangspunten in dit voorbeeld:
– Dit voorbeeld houdt geen rekening met bijvoorbeeld de levensloopregeling, kostenvergoedingen,
inhouding van pensioenpremies, loon in natura (zoals een auto van de zaak) en dergelijke.
– De werkgever maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een gedeelte van de
gedifferentieerde premie Whk te verhalen op de werknemer.
– De werkgever moet werkgeversheffing Zvw betalen. Hij houdt geen bijdrage Zvw in op het loon
van de werknemer.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 98
7.5 Eindheffing
De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u normaal gesproken op het loon van uw werknemer
inhoudt, betaalt u aan ons. Feitelijk betaalt de werknemer dus dit bedrag. Maar over bepaalde vormen van
loon betaalt u als werkgever zelf de loonbelasting/premie volksverzekeringen: de zogenoemde eindheffing.
Loon waarover u eindheffing betaalt, hoort niet tot het loon van de werknemer en staat niet op zijn
salarisstrook of jaaropgaaf. Het eindheffingsloon hoort dus ook niet tot zijn verzamelinkomen voor de
inkomstenbelasting. De werknemer kan de eindheffing die u over dit loon betaalt, niet verrekenen met de
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen in zijn aangifte inkomstenbelasting.
Voor de eindheffing zijn er verschillende tarieven. Welk tarief u gebruikt, hangt af van het soort loon
waarover u eindheffing betaalt (zie hoofdstuk 24).
7.6 Regels voor het bij elkaar optellen van lonen
Betaalt u een werknemer of uitkeringsgerechtigde (hierna: werknemer) meerdere lonen of uitkeringen op
basis van 1 of meer arbeidscontracten of verzekeringspolissen? Dan moet u de verschillende betalingen soms
bij elkaar optellen tot 1 bedrag waarover u de loonheffingen inhoudt en betaalt. Bij elkaar optellen betekent
niet dat u de verschillende betalingen in 1 inkomstenverhouding moet aangeven. Dat mag ook in meerdere
inkomstenverhoudingen, zolang u voor de berekening van de loonheffingen van het totale bedrag uitgaat.
Soms moet u de verschillende betalingen in verschillende inkomstenverhoudingen opgeven, zoals bij de
samenloop van betalingen waarbij voor het ene loon de witte tabel geldt en voor het andere de groene tabel
(zie paragraaf 3.4.1).
Of u de betalingen bij elkaar moet optellen, is afhankelijk van wat u gaat berekenen: de premies
werknemersverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet of de loonbelasting/
premie volksverzekeringen.
Premies werknemersverzekeringen
Voor de berekening van de premies werknemersverzekeringen telt u alle lonen en uitkeringen van de
werknemer bij elkaar op, voor zover het loon voor de werknemersverzekeringen is. Het maakt daarbij niet uit
hoeveel inkomstenverhoudingen de werknemer bij u heeft. Bij voorkeur verdeelt u de premies evenredig over
de inkomstenverhoudingen. U voorkomt hiermee vragen van de werknemer.
De volgende lonen mag u niet bij elkaar optellen:
– loon waarover u Ufo-premie betaalt en loon waarover u sectorpremie betaalt
– lonen waarvoor verschillende sectorcodes of codes risicopremiegroep gelden
Inkomensafhankelijk bijdrage Zorgverzekeringswet
Voor de berekening van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw mag u alleen bij elkaar optellen:
– lonen en uitkeringen van de werknemer waarover u werkgeversheffing Zvw moet betalen
– lonen en uitkeringen van de werknemer waarop u bijdrage Zvw moet inhouden
Het maakt daarbij niet uit hoeveel inkomstenverhoudingen de werknemer bij u heeft. Bij voorkeur verdeelt
u de werkgeversheffing en de bijdrage evenredig over de bijbehorende inkomstenverhoudingen. U voorkomt
hiermee vragen van de werknemer.
Loonbelasting/premie volksverzekering
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
– Betaalt u de werknemer verschillende bedragen voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en geeft
u die bedragen aan onder meerdere nummers inkomstenverhouding? Dan moet u voor de berekening
van de loonbelasting/premie volksverzekering kijken of de verschillende inkomstenverhoudingen van
de werknemer tot 1 of meer dienstbetrekkingen horen. Horen de verschillende inkomstenverhoudingen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 99
tot 1 dienstbetrekking, dan moet u de bedragen altijd bij elkaar optellen en de loonbelasting/premie
volksverzekeringen berekenen over het totaalbedrag van de lonen.
– Zijn er verschillende inkomstenverhoudingen omdat de werknemer meerdere dienstbetrekkingen bij
u heeft, tel de lonen dan bij voorkeur bij elkaar op. Zo voorkomt u dat de werknemer via zijn aangifte
inkomstenbelasting moet bijbetalen.
Dit geldt niet alleen voor iemand die u onder verschillende nummers inkomstenverhouding in dezelfde
aangifte loonheffingen opneemt, maar ook voor iemand voor wie u onder verschillende subnummers
(bijvoorbeeld L01, L02) aangifte doet. U bepaalt zelf hoe u de ingehouden loonbelasting/premie
volksverzekeringen verdeelt over de verschillende inkomstenverhoudingen. Het heeft de voorkeur om
de loonbelasting/premie volksverzekeringen evenredig over de verschillende inkomstenverhoudingen te
verdelen. Want zo voorkomt u vragen van de werknemer.
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere dienstbetrekking
Als u een werknemer loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit vroegere dienstbetrekking
betaalt, tel de lonen dan bij voorkeur bij elkaar op. Zo voorkomt u dat uw werknemer via zijn aangifte
inkomstenbelasting moet bijbetalen. Dat geldt niet alleen voor iemand die u onder verschillende nummers
inkomstenverhouding in dezelfde aangifte loonheffingen opneemt, maar ook voor iemand voor wie u onder
verschillende subnummers aangifte doet. Een praktische werkwijze voor het optellen en berekenen vindt u in
het voorbeeld hieronder.
Voorbeeld: optellen van loon uit tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking
U betaalt een werknemer van 56 jaar € 2.000 per maand loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
en € 500 per maand (vroeg)pensioen. De werknemer laat de loonheffingskorting bij u toepassen.
De werknemer woont in Nederland. U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen als
volgt:
1 U bepaalt met de witte maandtabel voor inwoners van Nederland de arbeidskorting die hoort
bij het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking: € 283,25. In de aangifte vult u dit bedrag voor
deze inkomstenverhouding in bij ‘Verrekende arbeidskorting’.
2 U bepaalt het gezamenlijke loon: € 2.500.
3 U bepaalt met de groene maandtabel de loonbelasting/premie volksverzekeringen die hoort bij
het totaal: € 761,50.
4 U trekt de arbeidskorting van stap 1 hiervan af. Het verschil is het bedrag dat u
inhoudt: (€ 761,50 – € 283,25 =) € 478,25.
5 U bepaalt zelf hoe u de loonbelasting/premie volksverzekeringen van € 478,25 verdeelt
over de 2 inkomstenverhoudingen. Het heeft de voorkeur om de loonbelasting/premie
volksverzekeringen evenredig over de 2 inkomstenverhoudingen te verdelen. Want zo voorkomt
u vragen van de werknemer. De arbeidskorting (€ 283,25) verdeelt u niet, maar vult u in bij de
inkomstenverhouding met het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
In de volgende paragrafen leest u hoe u te werk gaat als:
– u een werknemer of uitkeringsgerechtigde verschillende lonen uit vroegere dienstbetrekking betaalt (zie
paragraaf 7.6.1)
– UWV een uitkering door u laat betalen: een zogenoemde werkgeversbetaling of instantiebetaling (zie
paragraaf 7.6.2)
– UWV een uitkering rechtstreeks aan een (ex-)werknemer van u betaalt en u een aanvulling betaalt (zie
paragraaf 7.6.3)
– het loon uit vroegere dienstbetrekking een aanvulling is op een uitkering werknemersverzekeringen en de
werknemer nog bij u in dienst is (zie paragraaf 7.6.2 en 7.6.3)
7.6.1 U betaalt een werknemer of uitkeringsgerechtigde verschillende lonen uit
vroegere dienstbetrekking
Als u een werknemer verschillende lonen uit vroegere dienstbetrekking betaalt, moet u over het totaal
van die lonen de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw berekenen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 100
(zie paragraaf 7.6). Voor het berekenen van de grondslag voor de loonbelasting/volksverzekeringen (zie
paragraaf 7.1) moet u de lonen bij elkaar optellen. U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen
dus over het totaal. Dit geldt ook als u loon uit vroegere dienstbetrekking van een andere werkgever
of uitkeringsinstantie doorbetaalt aan uw werknemer of uitkeringsgerechtigde en als u bepaalde
verzekeringsuitkeringen verstrekt die belast zijn voor de loonheffingen (zie paragraaf 4.10).
Als u loon uit vroegere dienstbetrekking betaalt en de werknemer uit de vroegere dienstbetrekking ook
een aanspraak heeft op uitkeringen op grond van een ziektekostenregeling, moet u de waarde van die
aanspraak bij het loon uit vroegere dienstbetrekking tellen. U moet over het totaal loonbelasting/premie
volksverzekeringen berekenen.
U mag niet bij elkaar optellen in de volgende situaties:
– U betaalt uitkeringen in verband met de Participatiewet. U mag deze uitkering niet optellen bij loon uit
vroegere dienstbetrekking dat u voor een andere werkgever of uitkeringsinstantie doorbetaalt.
– U keert een eenmalige afkoopsom uit voor een ingegane lijfrente of ingegane periodieke uitkering (zie
paragraaf 4.10). Hiervoor zijn 2 tarieven:
– De afkoopsom is maximaal € 4.404. Het tarief van de tabel voor bijzondere beloningen is van
toepassing.
– De afkoopsom is meer dan € 4.404. Het bijzondere tarief van 52% is van toepassing (speciaal voor
dit soort afkopen geldt tabelcode 950).
Let op!
De afkoopsom telt mee voor het bepalen van het (gezamenlijke) jaarloon voor de tabel voor bijzondere
beloningen.
– U betaalt lonen of uitkeringen waarover u werkgeversheffing Zvw betaalt, en lonen of uitkeringen waarop
u bijdrage Zvw inhoudt. U moet afzonderlijke berekeningen maken (zie paragraaf 7.6).
7.6.2 UWV laat een uitkering door u betalen
De hoofdregel is dat UWV uitkeringen rechtstreeks aan uitkeringsgerechtigden betaalt. Maar u kunt
met uw (ex-)werknemer afspreken dat UWV een uitkering via u aan hem betaalt. Uw (ex-)werknemer
moet UWV daar voor machtigen. UWV kan u die uitkering dan betalen in de vorm van een zogenoemde
werkgeversbetaling of een instantiebetaling (zie ook paragraaf 4.4.3). Voor de berekening van de
loonheffingen telt u de uitkering van UWV, eventueel loon of een eventuele aanvulling op de uitkering bij
elkaar op. U betaalt het totaal aan de (ex-)werknemer.
Werkgeversbetaling
De werkgeversbetaling is bedoeld voor de situatie waarin de werknemer nog loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking van u krijgt. Of als de werknemer op uw verzoek niet meer daadwerkelijk bij u werkt, maar
nog wel loon van u krijgt. U gebruikt voor het totaal van de uitkering van UWV, het loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking en een eventuele aanvulling de normale regels voor de loonheffingen. De aanvulling is
dan ook loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. UWV betaalt aan u, behalve de uitkering, ook de premies
werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw over de uitkering.
Voorbeeld 1: werkgeversbetaling
In dit voorbeeld betaalt u de werknemer nog regulier loon van € 500. U betaalt de WGA-uitkering
van € 1.000 van UWV door en u betaalt de werknemer ook € 200 aanvulling op zijn uitkering. In dit
voorbeeld gaan we voor het gemak uit van de volgende percentages:
– premies werknemersverzekeringen (totaal): 10%
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 101
– werkgeversheffing Zvw: 7%
Wat / Wie Bedrag Voor rekening
van
Uitkering WGA € 1.000 UWV
Compensatie voor premies
werknemersverzekeringen over uitkering
€ 100 UWV
Compensatie voor werkgeversheffing
Zvw over uitkering
€ 70 UWV
UWV betaalt aan de werkgever € 1.000 + € 100 + € 70 = € 1.170 (€ 1.000 voor
doorbetalen uitkering en € 170 ter compensatie
van de werkgeverslasten)
Werkgever betaalt uitkering door € 1.000
Werkgever betaalt regulier loon € 500 werkgever
Werkgever betaalt aanvulling € 200 werkgever
Werkgever berekent grondslag (kolom 8,
12 of 14 van de loonstaat)
€ 1.000 + € 500 + € 200 = € 1.700
Premies werknemersverzekeringen over
de grondslag
€ 170 werkgever (UWV
compenseert)
Werkgeversheffing Zvw over de
grondslag
€ 119 werkgever (UWV
compenseert)
Loonbelasting/premie volksverzekeringen
over de grondslag
tabelbedrag witte tabel werknemer
(werkgever houdt
in)
In uw aangifte loonheffingen geeft u het totale loon aan (uitkering, aanvulling en regulier loon)
en de bijbehorende premies werknemersverzekeringen, werkgeversheffing Zvw en loonbelasting/
premie volksverzekeringen.
U mag er ook voor kiezen het loon, de doorbetaalde uitkering en de aanvulling in 2 of 3
verschillende inkomstenverhoudingen onder te brengen. Dat is aan te raden, omdat de uitkeringen
niet meetellen voor het jaarloon voor het lage-inkomensvoordeel (LIV) (zie paragraaf 26.2) en
jeugd-LIV (zie paragraaf 26.3). Als u het totale loon aangeeft in 1 inkomstenverhouding, neemt
UWV de uitkeringen ten onrechte mee bij het vaststellen van het jaarloon en loopt u misschien LIV
of jeugd-LIV mis.
Voor de berekening van de loonheffingen moet u wel uitgaan van de bovenstaande systematiek. U
bepaalt zelf hoe u de loonheffingen verdeelt over de inkomstenverhoudingen. Het heeft de voorkeur
om de loonheffingen evenredig over de inkomstenverhoudingen verdelen. Want zo voorkomt u
vragen van de werknemer.
Overheidswerkgevers en werkgeversbetaling
Bent u overheidswerkgever en is er sprake van een werkgeversbetaling, dan zijn er 2 situaties mogelijk:
– U betaalt premie WW-Awf en sectorpremie voor de werknemer. In dit geval geldt hetzelfde als voor nietoverheidswerkgevers (zie hierboven).
– U betaalt Ufo-premie voor de werknemer. In dit geval geldt het volgende:
– De werkgeversbetaling is loon voor de werknemersverzekeringen.
– U merkt de werkgeversbetaling niet aan als premieloon Ufo. U berekent over de werkgeversbetaling
dus geen aanwas in het cumulatieve premieloon Ufo. Ook is er geen sprake van premieloon WW-Awf
of sectorfonds.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 102
– De werkgeversbetaling is premieloon voor de WAO/IVA/Whk. U moet dus basis- en gedifferentieerde
premie WAO/IVA/Whk over de aanwas betalen. De (aanwas van) het premieloon WAO/IVA/Whk geeft
u niet op in de aangifte. U houdt de (aanwas van) dit premieloon wel bij in uw loonadministratie.
– U betaalt dus geen Ufo-premie, premie WW-Awf en premie sectorfonds over de werkgeversbetaling,
maar wel basis- en gedifferentieerde premie WAO/IVA/Whk.
Compensatie voor premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw
De premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw die UWV aan u betaalt, gelden als
compensatie voor de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw die u moet betalen
over de uitkering.
Instantiebetaling
De instantiebetaling is bedoeld voor de situatie waarin de werknemer geen loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking meer van u krijgt, maar u hem nog wel een aanvulling op zijn uitkering betaalt. De
aanvulling is dan loon uit vroegere dienstbetrekking en geen loon voor de werknemersverzekeringen. UWV
zorgt zelf voor het berekenen en betalen van de premies werknemersverzekeringen over de uitkering. U
berekent dus geen premies werknemersverzekeringen. U berekent wel de werkgeversheffing Zvw en de
loonbelasting/premie volksverzekeringen over het totaal. UWV betaalt aan u, behalve de uitkering, ook de
werkgeversheffing Zvw over de uitkering.
Voorbeeld 2: instantiebetaling
In dit voorbeeld krijgt de werknemer geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer van
u. Maar u betaalt wel de WGA-uitkering van € 1.000 van UWV door en u betaalt hem ook € 200
aanvulling op zijn uitkering. In dit voorbeeld gaan we voor het gemak uit van de volgende
percentages:
– premies werknemersverzekeringen (totaal): 10%
– werkgeversheffing Zvw: 7%
Wat / Wie Bedrag Voor rekening van
Uitkering WGA € 1.000 UWV
Premies werknemersverzekeringen over
uitkering
€ 100 UWV (UWV doet
daarvoor zelf
aangifte)
Compensatie voor werkgeversheffing
Zvw over uitkering
€ 70 UWV
UWV betaalt aan de werkgever € 1.000 + € 70 = € 1.070 (€ 1.000 voor
doorbetalen uitkering en € 70 ter compensatie
van de werkgeverslasten)
Werkgever betaalt uitkering door € 1.000
Werkgever betaalt aanvulling € 200 werkgever
Werkgever berekent grondslag (kolom
8, 12 of 14 van de loonstaat)
€ 1.000 + € 200 = € 1.200
Werkgeversheffing Zvw over de
grondslag
€ 84 werkgever
Loonbelasting/premie
volksverzekeringen over de grondslag
tabelbedrag groene tabel werknemer
(werkgever houdt in)
U doet als volgt aangifte loonheffingen:
– U vult geen loon voor de werknemersverzekeringen en ook geen premies
werknemersverzekeringen in.
– Voor de Zvw vermeldt u het totale loon (uitkering en aanvulling) en de werkgeversheffing Zvw.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 103
– Voor de loonbelasting/volksverzekeringen vermeldt u het totale loon (uitkering en aanvulling) en
de inhouding van de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
U mag er ook voor kiezen de doorbetaalde uitkering en de aanvulling in 2 verschillende
inkomstenverhoudingen onder te brengen. Dat is aan te raden, omdat de uitkeringen niet meetellen
voor het jaarloon voor het lage-inkomensvoordeel (LIV) (zie paragraaf 26.2) en jeugd-LIV
(zie paragraaf 26.3). Als u het totale loon aangeeft in 1 inkomstenverhouding, neemt UWV de
uitkeringen ten onrechte mee bij het vaststellen van het jaarloon en loopt u misschien LIV of jeugdLIV mis.
Voor de berekening van de loonheffingen moet u wel uitgaan van de bovenstaande systematiek.
U bepaalt zelf hoe u de loonheffingen verdeelt over de 2 inkomstenverhoudingen. Om vragen
van uw werknemer te voorkomen, verdeelt u bij voorkeur de loonheffingen evenredig over de 2
inkomstenverhoudingen.
Compensatie voor werkgeversheffing Zvw
De werkgeversheffing Zvw die UWV aan u betaalt, geldt als compensatie voor de vergoeding Zvw die u moet
betalen over de uitkering.
7.6.3 UWV betaalt een uitkering rechtstreeks aan een (ex-)werknemer van u en u
betaalt een aanvulling
UWV betaalt de uitkering rechtstreeks aan de uitkeringsgerechtigde. U betaalt als (ex-)werkgever een
aanvulling op de uitkering. Er zijn 2 situaties mogelijk:
– De werknemer krijgt van u geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer, bijvoorbeeld bij
ontslag. U hoeft over de aanvulling geen premies werknemersverzekeringen te betalen. U berekent
de werkgeversheffing Zvw en de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de aanvulling zonder
rekening te houden met de uitkering die UWV rechtstreeks aan uw ex-werknemer betaalt.
– De werknemer krijgt van u nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dit geval berekent u eerst alle
loonheffingen over de uitkering van UWV, de aanvulling en het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
Daarna trekt u daar de bedragen waarvoor UWV zelf aangifte doet, van af. U moet UWV vragen om u de
gegevens over de uitkering en de berekende loonheffingen te geven. U hebt daarvoor een machtiging van
uw werknemer nodig.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 104
Stap 8 Eindheffing werkkostenregeling berekenen
In dit hoofdstuk leest u hoe u de werkkostenregeling moet toepassen. De volgende onderwerpen komen aan
bod:
– Hoe werkt de werkkostenregeling? (zie paragraaf 8.1)
– Hoe werkt de vrije ruimte? (zie paragraaf 8.2)
8.1 Hoe werkt de werkkostenregeling?
U mag maximaal 1,2% van uw totale fiscale loon, de vrije ruimte, besteden aan onbelaste vergoedingen,
verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor uw werknemers. Daarnaast kunt u bepaalde zaken onbelast
vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen door gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen. Zie
paragraaf 8.2 voor meer informatie over de vrije ruimte.
Over het bedrag dat binnen de vrije ruimte valt, betaalt u geen loonbelasting. Over het bedrag boven de
vrije ruimte betaalt u loonbelasting in de vorm van een eindheffing van 80%. U hoeft hierover geen premie
volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw of bijdrage Zvw te betalen
of in te houden.
U maakt gebruik van de werkkostenregeling als individuele werkgever. Als u een loonheffingennummer hebt
met meerdere subnummers (bijvoorbeeld L01, L02), dan geldt de werkkostenregeling voor alle subnummers
samen. Voor het berekenen van uw vrije ruimte telt u het fiscale loon van alle subnummers bij elkaar op.
Werkkostenregeling in het kort
In deze paragraaf leest u welke stappen u moet nemen als u vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen in uw vrije ruimte wilt onderbrengen:
– stap 1: Bepaal of de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling loon is. De werkkostenregeling
geldt alleen voor loon (zie paragraaf 8.1.1).
– stap 2: Is de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling loon, ga dan na of deze onder de gerichte
vrijstellingen of nihilwaarderingen valt (zie paragraaf 8.1.2).
– stap 3: Valt de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling niet onder de gerichte vrijstellingen
of nihilwaarderingen, kies dan of u deze als eindheffingsloon aanwijst of als loon van de werknemer
behandelt (zie paragraaf 8.1.3).
– stap 4: Bereken over het bedrag boven de vrije ruimte 80% eindheffing (zie paragraaf 8.1.4).
Let op!
Valt een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling onder de gerichte vrijstellingen en wilt u
daarvan gebruikmaken, dan moet u de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling aanwijzen als
eindheffingsloon.
Concernregeling
Onder bepaalde voorwaarden mag u de eindheffing werkkostenregeling ook op concernniveau berekenen (zie
paragraaf 8.1.5).
8.1.1 Stap 1: Bepaal of de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling loon is
De werkkostenregeling geldt voor alle vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die tot het
loon uit tegenwoordige dienstbetrekking horen. Vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen
die geen loon zijn of geen belast loon (zie paragraaf 4.12.1, 4.12.2 en 4.12.3), vallen niet onder de regeling
en gaan dus niet ten koste van de vrije ruimte. Ook loon uit vroegere dienstbetrekking, zoals pensioenen
en stamrechtuitkeringen, valt niet onder de werkkostenregeling. U kunt loon uit vroegere dienstbetrekking
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 105
toch aanwijzen als eindheffingsloon in de uitzonderingssituatie dat u de werknemer daarnaast ook nog loon
uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.
8.1.2 Stap 2: Ga na of de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling onder de
gerichte vrijstellingen of nihilwaarderingen valt
Bepaalde vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen zijn wel loon, maar u kunt ze toch
onbelast vergoeden, verstrekken en ter beschikking stellen zonder dat dat ten koste gaat van uw vrije
ruimte. Dat is het geval bij:
– gerichte vrijstellingen (zie paragraaf 20.1)
– nihilwaarderingen (zie paragraaf 20.2)
Declaraties uit een vorig jaar
Declareert uw werknemer in 2019 kosten van 2018? Dan beoordeelt u aan de hand van de wetgeving die
in 2019 geldt of uw vergoeding daarvoor loon van de werknemer is (zie paragraaf 8.1.1) of een gerichte
vrijstelling. Had uw werknemer in 2018 al recht op een onbelaste vergoeding van deze kosten zonder dat
daar voorwaarden aan verbonden waren, dan is de uitbetaling in 2019 geen loon. Als uw werknemer zelf
heeft bepaald welke voorziening u zou vergoeden (bijvoorbeeld bij een cafetariaregeling), dan is uitbetaling
in 2019 geen loon mits de werknemer de keuze hiervoor heeft gemaakt in 2018.
8.1.3 Stap 3: Kies: eindheffingsloon (vrije ruimte) of loon werknemer
Afgezien van een paar uitzonderingen, bepaalt u zelf welke vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen u aanwijst als eindheffingsloon en welke u behandelt als loon van de werknemer en
normaal belast. U kunt per werknemer een andere keuze maken.
Voor het (geheel of gedeeltelijk) aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als
eindheffingsloon geldt het volgende:
– Uw werknemer hoeft niet eerst zelf kosten te maken. U hoeft dus geen bonnen of betalingsbewijzen van
uw werknemers te vragen.
– Verstrekkingen die u als eindheffingsloon aanwijst, hoeft u niet op werknemersniveau te administreren.
Als u verschillende werknemers hetzelfde verstrekt en de werknemers een eigen bijdrage betalen, mag u
het totaal van de eigen bijdragen aftrekken van de totale waarde van de verstrekkingen. Het bedrag mag
niet negatief worden.
– Ook loon in natura kunt u als eindheffingsloon aanwijzen. Zie paragraaf 4.5 voor meer informatie over
hoe u loon in natura waardeert.
– Voor het aanwijzen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van een bepaalde
omvang als eindheffingsloon, geldt dat deze vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen
niet meer dan 30% mogen afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is. Dit is de
gebruikelijkheidstoets (zie paragraaf 4.2). Het deel dat boven die 30%-grens uitkomt, is loon van de
werknemer.
Altijd eindheffingsloon of altijd loon van de werknemer
Bij een aantal vormen van loon kunt u niet kiezen voor eindheffingsloon of loon van de werknemer. Altijd
eindheffingsloon zijn:
– vergoedingen voor de aanschaf van producten uit uw eigen bedrijf voor postactieve werknemers
– verstrekkingen voor postactieve werknemers die u ook aan uw werknemers geeft, zoals een kerstpakket
Altijd loon van de werknemer zijn:
– een auto van de zaak (behalve de kosten van buitengewone beveiligingsmaatregelen van die auto)
– een (dienst)woning (behalve het pied-à-terre en de kosten van buitengewone beveiligingsmaatregelen
voor de woning, zie paragraaf 20.3.4)
– de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die u niet als eindheffingsloon hebt
aangewezen (zie paragraaf 4.6)
– vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor criminele activiteiten
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 106
– het deel van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen dat boven de 30%-grens van
de gebruikelijkheidstoets (zie paragraaf 4.2) uitkomt
– vergoedingen voor een boete die de werknemer heeft gekregen
– loon uit vroegere dienstbetrekking
– het rentevoordeel inclusief de kosten van een personeelslening voor een eigen woning waarvan de rente
(inclusief de kosten) aftrekbaar is in de inkomstenbelasting
Let op!
– Hebt u een boete gekregen voor een overtreding van de werknemer en verhaalt u deze niet op de
werknemer? Dan mag u het voordeel voor de werknemer als eindheffingsloon aanwijzen als aan de
gebruikelijkheidstoets is voldaan.
– Betaalt u de werknemer naast loon uit vroegere dienstbetrekking ook loon uit waarop de
arbeidskorting van toepassing is? Dan mag u het loon uit vroegere dienstbetrekking aanwijzen als
eindheffingsloon als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.
Wanneer kiezen tussen eindheffingsloon en loon?
U maakt de keuze tussen eindheffingsloon en loon van de werknemer uiterlijk op het moment van
vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen. U hoeft dus niet vooraf – bijvoorbeeld aan het begin
van het jaar – te kiezen. De keuze blijkt uit uw administratie, waarin u de vergoeding, verstrekking of ter
beschikkingstelling opneemt als eindheffingsloon of als loon van de werknemer. Deze keuze hoeft u niet bij
ons te melden.
Hebt u eenmaal een keuze gemaakt, dan is die keuze definitief. U kunt vergoedingen, verstrekkingen
of terbeschikkingstellingen dus niet met terugwerkende kracht aanwijzen als eindheffingsloon. Hierop
is 1 uitzondering: hebt u de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling per ongeluk verkeerd
in uw administratie opgenomen, dan mag u deze fout herstellen. Bijvoorbeeld als u een vergoeding
als eindheffingsloon hebt behandeld terwijl u met uw werknemer had afgesproken dat dit loon van de
werknemer zou zijn. U herstelt de fout door de aangifte te corrigeren en uw administratie aan te passen.
Als bij een controle van uw administratie door ons blijkt dat u een vergoeding, verstrekking of
terbeschikkingstelling niet hebt opgenomen als eindheffingsloon en ook niet als loon van de werknemer, dan
gaan wij ervan uit dat de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling:
– loon van de werknemer is als deze is gegeven in een vorig kalenderjaar
– eindheffingsloon is als deze is gegeven in het lopende kalenderjaar en als is voldaan aan de
gebruikelijkheidstoets
8.1.4 Stap 4: Bereken 80% eindheffing
Bereken over het bedrag boven de vrije ruimte 80% eindheffing. U kunt per aangiftetijdvak of eens per jaar
de eindheffing aangeven en betalen. Zie paragraaf 8.2 voor meer informatie.
8.1.5 Concernregeling
De eindheffing van de werkkostenregeling wordt per werkgever berekend. U mag u deze eindheffing ook
op concernniveau berekenen. Binnen het concern berekent u de vrije ruimte door het totale fiscale loon
van elke inhoudingsplichtige die deel uitmaakt van het concern, bij elkaar op te tellen. Zie paragraaf 8.2
voor meer informatie over het fiscale loon. Dat kan voordelig zijn omdat u zo de vrije ruimte van alle
concernonderdelen kunt benutten. In deze collectieve vrije ruimte kunt u alle door de concernonderdelen
aangewezen vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen opnemen. Alle vergoedingen,
verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die de concernonderdelen aanwijzen als eindheffingsloon, zet u
uiteindelijk af tegen de totale vrije ruimte van het concern. Het concernonderdeel met het hoogste fiscale
loon moet eindheffing betalen over het bedrag dat boven de collectieve vrije ruimte uitkomt.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 107
U moet uiterlijk bij de aangifte over het 1e tijdvak van 2020 beslissen of u over 2019 de concernregeling wilt
toepassen.
Wanneer is er sprake van een concern?
U kunt de concernregeling alleen toepassen als alle deelnemende concernonderdelen het hele kalenderjaar
een concern vormen. Concernonderdelen die tijdens het kalenderjaar deel worden van het concern of uit het
concern verdwijnen, vallen dus buiten de concernregeling. Er is sprake van een concern als:
– u een belang van ten minste 95% in een andere werkgever hebt
– een andere werkgever een belang van ten minste 95% in u heeft
– een derde een belang heeft van ten minste 95% in u en daarnaast een belang van ten minste 95% in een
andere werkgever
Stichtingen die financieel, organisatorisch en economisch zodanig met elkaar zijn verweven dat zij een
eenheid vormen, komen ook in aanmerking voor de concernregeling. Er is sprake van zo’n stichting als aan
de volgende 2 voorwaarden is voldaan:
– Een stichting heeft het recht om nieuwe bestuursleden van een andere stichting te benoemen.
– Een stichting heeft recht op het vermogen van een andere stichting als die ophoudt te bestaan.
Let op!
Een samenhangende groep inhoudingsplichtigen is niet altijd een concern.
Werkgever met het hoogste fiscale loon betaalt de eindheffing
De werkgever met het hoogste totale fiscale loon neemt de eindheffing op in de aangifte loonheffingen en
betaalt deze. Om te bepalen welke werkgever het hoogste totale fiscale loon heeft, vergelijkt u het fiscale
jaarloon van alle werknemers van de deelnemende werkgevers. U telt per werkgever ook het loon mee
over het voorgaande kalenderjaar dat in het lopende kalenderjaar wordt betaald. Loon over het lopende
kalenderjaar dat pas in het volgende kalenderjaar wordt betaald, telt u niet mee.
Administratieve verplichtingen
Bij toepassing van de concernregeling legt u per deelnemer de volgende gegevens vast:
– de naam en het loonheffingennummer
– het totaal van het fiscale loon
– een overzicht van alle vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen waarvoor de deelnemer
gebruikmaakt van de vrije ruimte
– een berekening van de te betalen loonbelasting op concernniveau en de naam van de deelnemer die de
belasting aangeeft en betaalt
8.2 Hoe werkt de vrije ruimte?
De vrije ruimte is 1,2% van het totale fiscale loon van uw werknemers (kolom 14 van de loonstaat). Als
u boven de vrije ruimte uitkomt, moet u over het meerdere 80% eindheffing betalen. U berekent uw vrije
ruimte over 2019 op basis van het totale fiscale loon van 2019 (zie paragraaf 8.2.1). Als u in de loop van het
jaar werkgever wordt, mag u het totale fiscale loon niet herrekenen naar een volledig jaar.
Keert u loon uit vroegere dienstbetrekking uit? Dan geldt voor de berekening van de vrije ruimte het
volgende:
– Als het loon uit vroegere dienstbetrekking 10% of minder is van het totale fiscale loon, berekent u de
vrije ruimte op basis van het totale fiscale loon.
– Als het loon uit vroegere dienstbetrekking meer is dan 10% van het totale fiscale loon, berekent u de
vrije ruimte op basis van het totale loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 108
Als u vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in uw vrije ruimte wilt onderbrengen, moet u
ze als eindheffingsloon aanwijzen, bijvoorbeeld door ze in uw administratie als eindheffingsloon op te nemen.
8.2.1 Bepalen en toetsen vrije ruimte
U toetst uiterlijk aan het eind van het jaar of u boven de vrije ruimte uitkomt. U berekent het totale fiscale
loon van uw werknemers over het lopende jaar en op basis daarvan berekent u de vrije ruimte en toetst u of
u de vrije ruimte hebt overschreden. Als u eindheffing moet betalen, doet u dat uiterlijk bij uw aangifte over
het 1e tijdvak van het volgende kalenderjaar.
U mag de eindheffing ook eerder aangeven en betalen, bijvoorbeeld per aangiftetijdvak. Als aan het eind van
het jaar blijkt dat u te veel of te weinig eindheffing hebt betaald, moet u dat verrekenen. U doet dat uiterlijk
in de aangifte loonheffingen over het 1e aangiftetijdvak van het volgende jaar.
Eindigt uw inhoudingsplicht in de loop van het kalenderjaar? Dan geeft u de eindheffing uiterlijk aan in de
aangifte over het tijdvak waarin uw inhoudingsplicht eindigt.
Let op!
Als u niet boven de vrije ruimte uitkomt, hoeft u geen eindheffing WKR te betalen. U hoeft dan ook geen
eindheffing WKR aan te geven.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 109
Stap 9 Bedragen in de loonstaat boeken
Voor iedere werknemer moet u een loonstaat bijhouden. Op de loonstaat vult u de gegevens in die voor de
loonheffingen van belang zijn. Van belastingdienst.nl kunt u een model van de loonstaat 2019 downloaden.
De modelloonstaat bestaat uit 2 delen:
– een deel met rubrieken voor algemene gegevens
In deze rubrieken vult u de persoonlijke gegevens van de werknemer in, uw eigen gegevens en de
gegevens voor de tabeltoepassing (zie paragraaf 9.1).
– een deel met kolommen voor specifieke gegevens
In deze kolommen vult u iedere keer als u loon boekt, alle gegevens in (zie paragraaf 9.2).
Voor sommige rubrieken en kolommen van de loonstaat zijn er uitzonderingen voor bepaalde artiesten
en beroepssporters. Zie voor meer informatie de aparte ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en
beroepssportersregeling’. U kunt de handleiding voor 2019 in de loop van het jaar downloaden van
belastingdienst.nl.
9.1 Rubrieken loonstaat
De loonstaat heeft de volgende rubrieken:
– werknemer
– inhoudingsplichtige/werkgever
– gegevens voor de tabeltoepassing
Rubriek: werknemer
In deze rubriek vult u de persoonlijke gegevens van de werknemer in. Een nieuwe werknemer moet deze
gegevens vóór zijn 1e werkdag bij u inleveren. Zie paragraaf 2.3 voor meer informatie over het inleveren van
deze gegevens. Als de persoonlijke gegevens veranderen, past u ze in de loonstaat aan.
Rubriek: inhoudingsplichtige/werkgever
In deze rubriek vult u uw naam, adres en loonheffingennummer in.
Rubriek: gegevens voor de tabeltoepassing
In deze rubriek vult u in of u voor de werknemer 1 of meer van de volgende kortingen toepast:
– de loonheffingskorting
– de jonggehandicaptenkorting
U vult bij elk van deze kortingen ‘ja’ in als u de korting toepast en ‘nee’ als u de korting niet (meer) toepast.
Daarnaast geeft u aan vanaf welke datum u deze korting wel of niet (meer) toepast. Hebt u meer regels
nodig om veranderingen aan te geven, maak deze dan zelf.
In de loonstaat bedoelen wij met loonheffingskorting: de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de
ouderenkorting en de alleenstaande-ouderenkorting (alleen de SVB mag de laatste korting toepassen).
Deze kortingen zijn in de loonbelastingtabellen verwerkt. Zie paragraaf 23.1 voor meer informatie over de
loonheffingskorting.
9.2 Kolommen loonstaat
De loonstaat heeft de volgende kolommen:
– kolom 1: loontijdvak
– kolom 2: nummer inkomstenverhouding
– kolom 3: loon in geld
– kolom 4: loon anders dan in geld
– kolom 5: fooien en uitkeringen uit fondsen
– kolom 7: aftrekposten voor alle heffingen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 110
– kolom 8: loon voor de werknemersverzekeringen
– kolom 12: loon voor de Zorgverzekeringswet (Zvw)
– kolom 14: loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen
– kolom 15: ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen
– kolom 16: ingehouden bijdrage Zvw
– kolom 17: uitbetaald bedrag
– kolom 18: verrekende arbeidskorting
– kolom 19: levensloopverlofkorting
9.2.1 Kolom 1: loontijdvak
Vul in deze kolom het loontijdvak in. Het loontijdvak is de periode waarover de werknemer loon krijgt.
Dat kan bijvoorbeeld een dag, een week of een maand zijn. Het loontijdvak bepaalt welke tijdvaktabel,
bijvoorbeeld de dagtabel, de weektabel of de maandtabel, u moet gebruiken voor de berekening van de
loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie ook paragraaf 7.3). Als u loon betaalt dat geen tijdvakloon
is en als u daarop de tabel voor bijzondere beloningen toepast, zoals bij vakantiebijslag, overwerkloon en
gratificaties, geeft u in deze kolom aan dat het om een bijzondere beloning gaat.
9.2.2 Kolom 2: nummer inkomstenverhouding
Vul in deze kolom – iedere keer als u loon boekt – het nummer inkomstenverhouding in.
Hebt u voor dezelfde persoon, met wie u 1 dienstbetrekking hebt, 2 of meer nummers inkomstenverhouding
in uw administratie opgenomen (zie ook paragraaf 3.4.2)? Dan mag u de verschillende nummers in 1
loonstaat boeken als hiervoor dezelfde percentages premies werknemersverzekeringen gelden. Bij voorkeur
legt u voor elk nummer inkomstenverhouding een aparte loonstaat aan.
Als u met 1 persoon 2 of meer dienstbetrekkingen hebt en dus ook meer dan 1 nummer
inkomstenverhouding, bent u verplicht voor elke dienstbetrekking een aparte loonstaat bij te houden (zie ook
paragraaf 3.2.1).
9.2.3 Kolom 3: loon in geld
Vul in deze kolom al het loon in geld in. Andere loonbestanddelen mag u niet in kolom 3 boeken. Het gaat
hier om:
– loon in geld uit tegenwoordige dienstbetrekking, zoals salaris, provisie, premies (toeslagen en
dergelijke), uitbetaalde vakantiebijslag, gevarengeld, overwerkloon, tantièmes en gratificaties, maar ook
(aanvullingen op) loon op grond van de doorbetalingsverplichting bij ziekte
Als u met een werknemer een nettoloon afspreekt, vult u in kolom 3 toch het bijbehorende brutoloon in
(zie ook paragraaf 4.4.1 en 7.4).
– loon in geld uit vroegere dienstbetrekking, waaronder AOW-, Anw- en AAW-uitkeringen, pensioen,
wachtgeld, lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en uitkeringen uit fondsen aan ex-werknemers
Als uw werknemer loon uit vroegere dienstbetrekking krijgt en u tegelijkertijd ook namens een andere
inhoudingsplichtige loon uit vroegere dienstbetrekking uitbetaalt, vult u het totale bedrag van de 2 lonen
in.
Gelden er voor de verschillende vormen van loon uit vroegere dienstbetrekking verschillende codes
soort inkomstenverhouding uit de range 54 t/m 63? Dan administreert u die met verschillende codes en
dus met verschillende inkomstenverhoudingen. Zie ook paragraaf 3.4.1 en de Codes voor de aangifte
loonheffingen 2019.
– vergoedingen voor ziektekosten
Het gaat dan bijvoorbeeld om volledige of gedeeltelijke vergoedingen van de nominale premie die een
werknemer rechtstreeks aan zijn zorgverzekeraar moet betalen (zie ook paragraaf 19.1.1).
– ZW-, WW- en WAO/WIA-uitkeringen en uitkeringen die vergelijkbaar zijn met ZW-uitkeringen, zoals
ziekengeld, en die via u zijn betaald
– uitkeringen van UWV die u namens UWV aan de werknemer uitbetaalt: werkgeversbetalingen of
instantiebetalingen (zie paragraaf 7.6.2)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 111
U boekt de werkgeversbetalingen in kolom 3, 8, 12 en 14. Instantiebetalingen boekt u in kolom 3, 12 en
14 en niet in kolom 8.
– uitkeringen die u betaalt aan de werknemer op grond van uw eigenrisicodragerschap
– aanvullingen op een uitkering van UWV aan een werknemer die niet meer bij u in dienst is
– periodieke uitkeringen die vergelijkbaar zijn met AAW-, WAO/WIA- of WW-uitkeringen aan werknemers
die niet meer bij u in dienst zijn
– aanvullingen op ZW-, WW- en WAO/WIA-uitkeringen en de aanvulling Toeslagenwet
Deze boekt u ook in kolom 3 als de werknemer niet meer bij u in dienst is.
– betalingen van derden die via u zijn betaald
Dit zijn bijvoorbeeld uitkeringen uit fondsen of fooien. U neemt alleen die fooien op in kolom 3 waarmee u
bij het bepalen van de hoogte van het loon rekening hebt gehouden.
– bedragen die de werknemer moet betalen, maar die u voor hem betaalt
Dit is bijvoorbeeld het geval als u de loonbelasting/premie volksverzekeringen en bijdrage Zvw voor de
werknemer betaalt.
– uitkeringen die de kinderbijslag vervangen of verhogen
Het gaat hier om extra kinderbijslag op grond van een erkende kinderbijslagregeling, bijvoorbeeld de
kinderbijslagregeling voor buitenlandse arbeiders.
– negatief loon (zie ook paragraaf 4.9)
U zet een minteken voor het bedrag.
– loon uit tegenwoordige dienstbetrekking dat u hebt uitbetaald na beëindiging van de dienstbetrekking
Het gaat hier om een beloning voor werk tijdens de dienstbetrekking die u hebt uitbetaald na het ontslag,
zoals salaris, vakantiebijslag of tantièmes.
– postuum loon
Dit is loon dat u aan erfgenamen van een overleden werknemer uitbetaalt of nog op naam van de
overleden werknemer uitbetaalt (zie ook paragraaf 15.2.7). Als u rechtstreeks aan de erfgenamen een
deel van het loon betaalt, dan moet u die erfgenamen in uw salarisadministratie opnemen en voor iedere
erfgenaam apart een loonstaat maken.
– vorstverletuitkeringen, voor zover ze niet betaald worden uit een wachtgeld- of werkloosheidsverzekering
– zwangerschaps-, bevallings-, adoptie- en pleegzorguitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg
– uitkeringen uit de levensloopregeling
– brutogage voor een artiest of beroepssporter
Zie voor meer informatie de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de
handleiding voor 2019 in de loop van het jaar downloaden van belastingdienst.nl.
Let op!
Als de werknemer (tijdelijk) gedeeltelijk afziet van loon, bijvoorbeeld als hij gebruikmaakt van een
cafetariaregeling, mag u dat loon niet als negatief loon in kolom 3 boeken. U boekt in dit geval het
lagere loon in kolom 3.
9.2.4 Kolom 4: loon anders dan in geld
Vul in deze kolom het loon anders dan in geld in. Hierbij gaat het om loon in natura (verstrekkingen)
en aanspraken (zie ook paragraaf 4.5 en 4.8). In deze kolom boekt u bijvoorbeeld de bijtelling voor het
privégebruik van een auto van de zaak.
Voor de waarde van bepaalde verstrekkingen – bijvoorbeeld maaltijden – zijn er normbedragen. Deze
normbedragen kunnen periodiek worden bijgesteld (zie ook tabel 15).
Eigen bijdrage van de werknemer
Als de werknemer een eigen bijdrage betaalt voor loon in natura, kunt u dat op 2 manieren in kolom 4
boeken:
– U vermeldt het saldo van de eigen bijdrage en de waarde van de verstrekkingen en aanspraken.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 112
– U vermeldt de waarde van de verstrekkingen en aanspraken (positief bedrag) en de eigen bijdrage
(negatief bedrag) apart.
Voorbeeld
U geeft uw werknemer, die u maandelijks loon betaalt, een abonnement op een dagblad met
een waarde van € 30 per maand. Uw werknemer draagt per maand € 10 bij. In kolom 4 van de
loonstaat vult u dan € 20 in of u vult € 30 en € -10 in.
Let op!
In een loontijdvak kan de eigen bijdrage van uw werknemer voor een verstrekking of aanspraak –
bijvoorbeeld het privégebruik van een auto van de zaak – hoger zijn dan de waarde ervan. Of er is in
een loontijdvak wel een eigen bijdrage, maar geen verstrekking of aanspraak. U mag het negatieve
saldo of negatieve bedrag dan in kolom 4 vermelden. Maar de eigen bijdrage mag op kalenderjaarbasis
niet negatief zijn (zie paragraaf 21.3.7 voor een voorbeeld).
Bij aanspraken gaat het ook om:
– de belaste waarde van een aanspraak: de totale waarde min de eventuele werknemersbijdrage (zie ook
paragraaf 4.8)
– de belaste waarde van vakantiebonnen (zie ook paragraaf 19.1.2).
9.2.5 Kolom 5: fooien en uitkeringen uit fondsen
Vul in deze kolom het loon in dat anderen aan de werknemer hebben uitbetaald. Het gaat hier om fooien en
uitkeringen uit fondsen.
Fooien
U boekt alleen fooien waarmee u bij de vaststelling van het loon rekening hebt gehouden of waarvoor een
bijtelling geldt (zie ook paragraaf 4.4.2). Als de werknemer dergelijke fooien rechtstreeks van derden krijgt,
dan boekt u ze in kolom 5. Maar betaalt u de fooien uit namens derden, dan boekt u de fooien in kolom 3.
Let op!
Er gelden speciale regels voor fooien van horecapersoneel. Voor meer informatie kunt u contact
opnemen met de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
Uitkeringen uit fondsen
Uitkeringen uit fondsen boekt u in kolom 5. Het gaat hier om niet-vrijgestelde uitkeringen die de werknemer
rechtstreeks van fondsen krijgt, bijvoorbeeld uitkeringen uit een personeelsfonds. Het fonds dat een
belastbare uitkering uitbetaalt, is verplicht u daarover in te lichten (zie ook paragraaf 19.2.2).
Betaalt u de uitkering uit namens een fonds, dan boekt u het bedrag als loon in geld in kolom 3, ook als het
gaat om een uitkering aan een ex-werknemer.
9.2.6 Kolom 7: aftrekposten voor alle heffingen
Vul in deze kolom de bedragen in die u van het loon mag aftrekken voordat u de loonheffingen berekent,
zoals:
– de pensioenpremie die u op het loon van de werknemer inhoudt
– de werknemersbijdrage in een regeling voor uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval, of
regelingen die daaraan zijn gelijkgesteld
– het bedrag van de kleinevergoedingsregeling of de kostenvergoedingsbeschikking voor artiesten en
beroepssporters
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 113
Zie voor meer informatie de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de
handleiding voor 2019 in de loop van het jaar downloaden van belastingdienst.nl.
– werknemersinleg in een levenslooptegoed
– de premie PAWW
Pensioenpremie voor individuele modules
Een pensioenregeling kan ook individuele modules hebben waaruit de werknemer zelf een keuze kan maken.
De premie die uw werknemer betaalt voor individuele vrijwillige modules, moet u ook in kolom 7 boeken.
Let op!
– Hebt u voor een werknemer in een bepaalde periode geen loon in kolom 3, 4 en 5 geboekt? En heeft
deze werknemer in die periode wel zijn werknemersbijdrage in de pensioenregeling aan u betaald?
Boek deze werknemersbijdrage dan in kolom 7. In kolom 8, 12 en 14 komt u dan tot een negatief
bedrag.
– Als de werknemer (tijdelijk) gedeeltelijk afziet van loon, bijvoorbeeld als hij gebruikmaakt van een
cafetariaregeling, mag u dat loon niet als aftrekpost in kolom 7 boeken. U boekt in dit geval het
lagere loon in kolom 3.
9.2.7 Kolom 8: loon voor de werknemersverzekeringen
Alleen in de volgende 2 gevallen boekt u in deze kolom het loon voor de werknemersverzekeringen:
– De werknemer is verplicht verzekerd voor 1 of meer werknemersverzekeringen.
– U moet nog premies werknemersverzekeringen betalen over nabetalingen aan een ex-werknemer.
Het loon voor de werknemersverzekeringen is het totaal van kolom 3 + 4 + 5 – 7.
Let op!
– Hebt u voor een werknemer in een bepaalde periode geen loon in kolom 3, 4 en 5 geboekt? En heeft
deze werknemer in die periode wel zijn werknemersbijdrage in de pensioenregeling aan u betaald?
Boek deze werknemersbijdrage dan in kolom 7. In kolom 8 boekt u de werknemersbijdrage als
negatief bedrag.
– Uitkeringen van UWV die u namens UWV aan de werknemer uitbetaalt en waarover UWV de premies
werknemersverzekeringen betaalt, zogenoemde werkgeversbetalingen (zie paragraaf 7.6.2), boekt u
ook in kolom 8. Instantiebetalingen (zie paragraaf 7.6.2) boekt u niet in kolom 8.
– Als u loon betaalt aan een werknemer op wie de socialeverzekeringswetgeving van een ander land
dan Nederland van toepassing is, vermeldt u in kolom 8 niets.
9.2.8 Kolom 12: loon voor de Zorgverzekeringswet (Zvw)
Als de werknemer verzekerd is voor de Zvw, boekt u in deze kolom het loon voor de Zvw. Dat loon is het
totaal van kolom 3 + 4 + 5 – 7.
Als u loon betaalt aan een werknemer op wie de socialeverzekeringswetgeving van een ander land dan
Nederland van toepassing is, vermeldt u in kolom 12 niets.
Is er sprake van een doorbetaaldloonregeling (zie paragraaf 4.14) waarbij de werknemer bij de
doorbetaler is verzekerd voor de werknemersverzekeringen? En bent u de doorbetaler? Boek dan niets
in kolom 12 (maar wel in kolom 8). Dit geldt bijvoorbeeld voor een directeur-grootaandeelhouder
die via een eigen houdstermaatschappij werkt in een werkmaatschappij en daar is verzekerd voor de
werknemersverzekeringen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 114
9.2.9 Kolom 14: loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen
Boek in deze kolom altijd het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, ook als de werknemer geen
loonbelasting/premie volksverzekeringen hoeft te betalen. Dat loon is het totaal van kolom 3 + 4 + 5 – 7.
Voorbeeld
U hebt een werknemer die niet is verzekerd voor de werknemersverzekeringen, bijvoorbeeld
een directeur-grootaandeelhouder. U vult dan kolom 12 (loon voor de Zorgverzekeringswet) en
kolom 14 (loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen) in en u laat kolom 8 (loon voor de
werknemersverzekeringen) leeg.
Let op!
Hebt u te maken met grensoverschrijdende arbeid? Dan geldt het volgende:
– Ook als u loon betaalt waarover u geen loonbelasting hoeft in te houden, vult u dit loon in
kolom 14 in. Dat is bijvoorbeeld het geval als een ander land dan Nederland op grond van een
belastingverdrag mag heffen. Of als Nederland door het toepassen van de eenzijdige regeling
afstand doet van heffing.
– Als u loon betaalt aan een werknemer op wie de socialeverzekeringswetgeving van een ander land
dan Nederland van toepassing is, vermeldt u in kolom 8 en 12 niets.
Is er sprake van een doorbetaaldloonregeling (zie paragraaf 4.14) waarbij de werknemer bij de
doorbetaler is verzekerd voor de werknemersverzekeringen? En bent u de doorbetaler? Boek dan niets
in kolom 14 (maar wel in kolom 8). Dit geldt bijvoorbeeld voor een directeur-grootaandeelhouder
die via een eigen houdstermaatschappij werkt in een werkmaatschappij en daar is verzekerd voor de
werknemersverzekeringen.
9.2.10 Kolom 15: ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen
Boek in deze kolom het bedrag dat u aan loonbelasting/premie volksverzekeringen hebt ingehouden (zie ook
paragraaf 7.2).
9.2.11 Kolom 16: ingehouden bijdrage Zvw
Boek in deze kolom de bijdrage Zvw die u op het loon van uw werknemer hebt ingehouden.
Let op!
U boekt hier niet de werkgeversheffing Zvw.
9.2.12 Kolom 17: uitbetaald bedrag
Boek in deze kolom het uitbetaalde bedrag. Dit is het bedrag van kolom 3 min het bedrag van kolom 7, 15 en
16.
9.2.13 Kolom 18: verrekende arbeidskorting
Boek in deze kolom de arbeidskorting die u hebt verrekend via de tijdvaktabel.
9.2.14 Kolom 19: levensloopverlofkorting
Boek in deze kolom de levensloopverlofkorting die u hebt verrekend.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 115
Stap 10 Loonstrook aan werknemers geven
Met de loonstrook (of salarisstrook of loonspecificatie) informeert u uw werknemer of uitkeringsgerechtigde
(hierna: werknemer) over de opbouw van zijn bruto- en nettoloon. Op de loonstrook staan ook het wettelijk
minimumloon dat voor de werknemer geldt, en gegevens die van belang zijn bij het vaststellen van een
uitkering.
Wanneer en hoe geven?
U moet uw werknemers een loonstrook geven bij:
– de 1e loonbetaling
– iedere loonbetaling die afwijkt van de vorige loonbetaling
U moet een loonstrook geven, ook als de werknemer er zelf niet om vraagt. U mag de loonstrook ook digitaal
geven. Dit mag alleen als uw werknemer daarmee heeft ingestemd en hij de loonstrook zo kan opslaan dat
hij die later kan inzien, bijvoorbeeld als hij niet meer bij u in dienst is.
Voor de loonstrook is er geen verplicht model: u gebruikt eigen formulieren. Als u gebruikmaakt van een
salarissoftwarepakket, dan is een loonstrook in de meeste gevallen onderdeel van het softwarepakket. Vraag
dit na bij uw softwareleverancier.
Loonstrook als jaaropgaaf
U kunt de laatste loonstrook van het jaar ook als jaaropgaaf gebruiken. U moet op deze loonstrook dan alle
gegevens opnemen die op de jaaropgaaf moeten staan (zie paragraaf 13.3).
Gegevens op de loonstrook
U moet op de loonstrook verplicht de volgende gegevens vermelden:
– het brutoloon in geld
– de gespecificeerde samenstelling van het bruto- of het nettoloon, bijvoorbeeld basisloon, garantieloon,
prestatiebeloning, provisie, overwerkgeld, toeslagen, premies, gratificaties en opnamen uit het
levenslooptegoed
– de gespecificeerde bedragen die u op het loon hebt ingehouden of ermee hebt verrekend, zoals
de inhouding van de pensioenpremie, de premie PAWW of bijdragen voor bedrijfschappen, de
werknemersbijdrage voor het privégebruik auto, de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en loonbeslag
– de wettelijke minimumvakantiebijslag waar de werknemer recht op heeft
– het aantal uren dat de werknemer werkt op basis van de arbeidsovereenkomst
– de periode waarover u het loon hebt betaald (het loontijdvak)
– het wettelijk minimumloon of minimumjeugdloon dat voor de werknemer geldt
– uw naam en de naam van de werknemer of uitkeringsgerechtigde
– als u de loonstrook ook als jaaropgaaf gebruikt (zie hoofdstuk 13): de verplichte gegevens van de
jaaropgaaf
Naast deze gegevens is het aan te raden ook de volgende gegevens op de loonstrook te vermelden:
– het burgerservicenummer van de werknemer
– het nummer inkomstenverhouding dat u voor deze inkomstenverhouding gebruikt
– het loon voor de werknemersverzekeringen (SV-loon)
– het aantal verloonde uren
– de werknemersverzekeringen waarvoor de werknemer is verzekerd
– het belastbare loon
– de tabel die van toepassing is voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen
– of u de loonheffingskorting zoals bedoeld in de loonstaat (zie paragraaf 9.1) hebt toegepast
– of u de jonggehandicaptenkorting hebt toegepast (zie paragraaf 23.1.5)
– of, en zo ja, hoeveel levensloopverlofkorting u hebt toegepast
– het loon voor de Zvw
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 116
– de verrekende arbeidskorting
Belang van de loonstrook voor het digitaal verzekeringsbericht
De werknemer kan op uwv.nl, op werk.nl en op mijn.overheid.nl zijn digitaal verzekeringsbericht inzien. In
dit bericht staan gegevens die van belang zijn voor de hoogte en duur van een uitkering, bijvoorbeeld het
loon voor de werknemersverzekeringen (SV-loon) en het aantal verloonde uren. Als u deze gegevens op de
loonstrook vermeldt, kan de werknemer het digitaal verzekeringsbericht controleren aan de hand van zijn
loonstrook.
De gegevens van uw aangifte loonheffingen gaan naar de polisadministratie van UWV. De gegevens van het
digitaal verzekeringsbericht komen uit de polisadministratie. Zorg er dus voor dat u aangifte doet of hebt
gedaan op het moment dat u de loonstrook geeft. Anders is het digitaal verzekeringsbericht niet actueel op
het moment dat de werknemer het bericht aan de hand van de laatste loonstrook controleert.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 117
Stap 11 Loonheffingen aangeven en betalen
Als u aangifte loonheffingen moet doen, moet u dat op tijd doen en de loonheffingen ook op tijd betalen.
De aangifte loonheffingen bestaat uit een collectief deel en een werknemersdeel. Als u aangifte doet, levert u
ons de volgende gegevens:
– werknemersgegevens
Dit zijn de gedetailleerde gegevens per inkomstenverhouding. Zie paragraaf 3.4 voor meer informatie
over het begrip ‘inkomstenverhouding’.
– collectieve gegevens
Dit zijn:
– uw algemene gegevens, zoals uw naam en adres
– de totalen van de loon- en loonheffingengegevens van alle werknemers
– de bedragen van de eindheffingen en afdrachtverminderingen
De werknemersgegevens van uw aangifte gaan naar de polisadministratie van UWV. Verschillende
organisaties, zoals UWV, de Belastingdienst, het CBS en gemeenten, gebruiken de gegevens uit de
polisadministratie. UWV gebruikt de gegevens om uitkeringen vast te stellen, zoals een WW-uitkering. Ook
komen enkele gegevens in het digitaal verzekeringsbericht, dat elke werknemer of uitkeringsgerechtigde
(hierna: werknemer) kan inzien op uwv.nl, werk.nl en mijnoverheid.nl (zie hoofdstuk 10). Wij
gebruiken de gegevens onder andere voor het toekennen van toeslagen en de vooraf ingevulde aangifte
inkomstenbelasting. Het is dus erg belangrijk dat de gegevens actueel, juist en volledig zijn. Daarom moet
u fouten of onvolledigheden in een aangifte loonheffingen altijd verbeteren of aanvullen (zie hoofdstuk 12).
Aangiften en correcties die na 31 januari binnenkomen over tijdvakken van het vorige jaar, kunnen wij niet
meer verwerken in de vooraf ingevulde aangiften inkomstenbelasting over dat vorige jaar.
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
– aangiftetijdvak (zie paragraaf 11.1)
– aangifte doen (zie paragraaf 11.2)
– controle van de aangifte na verzenden (zie paragraaf 11.3)
– betalen (zie paragraaf 11.4)
– boetes (zie paragraaf 11.5)
– aansprakelijkheid (zie paragraaf 11.6)
– aangifte pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen (zie paragraaf 11.7)
11.1 Aangiftetijdvak
Het aangiftetijdvak is het tijdvak waarover u de aangifte loonheffingen moet doen. Dit is meestal een periode
van een kalendermaand of van 4 weken. Bij een aangiftetijdvak van 4 weken begint het 1e aangiftetijdvak
altijd op 1 januari en eindigt het laatste aangiftetijdvak altijd op 31 december. De 1e en 13e aangifteperiode
lopen dus niet gelijk met de 1e en 13e loonperiode.
Let op!
Een ander aangiftetijdvak dan de gebruikelijke maand of 4 weken geldt voor:
– personeel van zelfstandige binnenschippers die aan boord van het schip wonen (aangiftetijdvak is
een halfjaar)
– personeel aan huis, waaronder personeel in het kader van een persoonsgebonden budget voor zorg
(aangiftetijdvak is een jaar) (zie paragraaf 16.13)
– meewerkende kinderen (aangiftetijdvak is een jaar) (zie paragraaf 16.11)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 118
Aangiftebrief
Als u aangifte moet doen, krijgt u van ons in november de ‘Aangiftebrief loonheffingen’ voor het
komende jaar. Als u zich in de loop van het jaar aanmeldt als werkgever, krijgt u de aangiftebrief na
aanmelding. In de aangiftebrief staan de aangiftetijdvakken waarover u het komende jaar aangifte moet
doen en de bijbehorende uiterste aangifte- en betaaldatums. U kunt deze datums ook downloaden van
belastingdienst.nl. Op de achterkant van de ‘Aangiftebrief loonheffingen’ staan de betalingskenmerken van de
aangiftetijdvakken.
E-mail over de aangifte
Wij kunnen u aan het eind van elk aangiftetijdvak een e-mail sturen als herinnering dat u aangifte moet
doen. Als u dat wilt, ga dan naar ‘Inloggen voor ondernemers’ op belastingdienst.nl. Als u bent ingelogd, kunt
u bij de gebruikersinstellingen aangeven dat u herinneringsmails wilt.
Ander aangiftetijdvak dan het loontijdvak
Het loontijdvak (het tijdvak waarover een werknemer loon geniet) kan afwijken van het aangiftetijdvak. Het
is handig als het aangiftetijdvak aansluit bij het loontijdvak van uw werknemers. Als het loontijdvak niet
gelijk is aan het aangiftetijdvak, houd dan rekening met het volgende:
– U moet per aangiftetijdvak aangifte doen voor het bedrag dat u in het aangiftetijdvak hebt uitbetaald
als loon. Hanteert u het loon-oversysteem, dan rekent u nabetalingen toe aan de tijdvakken waarop de
nabetaling betrekking heeft. Dit mag alleen als de nabetaling betrekking heeft op een eerder tijdvak van
hetzelfde kalenderjaar (zie paragraaf 7.2.1).
– U mag bij de datum aanvang inkomstenperiode geen datum invullen die buiten het aangiftetijdvak ligt.
Ligt die datum buiten het aangiftetijdvak, dan moet u de 1e datum van het aangiftetijdvak invullen.
Alleen bij uitkeringen van UWV, de SVB en bijstandsuitkeringen mag de datum aanvang inkomstenperiode
eenmalig wel buiten het aangiftetijdvak liggen als deze uitkeringen met terugwerkende kracht worden
uitbetaald (zogenoemde aanlooptermijnen). Ook bij code aard arbeidsverhouding (code dienstbetrekking)
11 mag de datum aanvang inkomstenperiode vóór het aangiftetijdvak liggen. Voorwaarde daarbij is wel
dat geen andere gegevens, bijvoorbeeld verloonde uren, uit de voorgaande aangifte wijzigen. Als er wel
gegevens wijzigen, moet u de voorgaande aangifte corrigeren (zie hoofdstuk 12).
Let op!
Sinds 2017 geeft u in de aangiften geen loondagen (SV-dagen) meer op. Moet u nog aangiften over
2016 en eerder corrigeren? Dan neemt u in die correcties nog wel de loondagen op. U vult dan per
correctietijdvak het aantal loondagen in waarover uw werknemer loon van u heeft gekregen. Het maakt
niet uit of u het loon in dat correctietijdvak of in een ander aangifte- of correctietijdvak hebt uitbetaald.
Voorbeeld
U hebt een loontijdvak van 4 weken en een aangiftetijdvak van een kalendermaand. Stel dat de
1e vierwekenperiode eindigt op 27 januari. Over januari geeft u het loon en de loonheffingen
van de 1e vierwekenperiode aan. Over februari geeft u het loon en de loonheffingen van de 2e
vierwekenperiode aan. Bij de aangifte over februari moet u als datum aanvang inkomstenperiode
een datum in februari invullen. U vult dus niet 28 januari in, maar 1 februari. In de aangifte over
december geeft u meestal het loon en de loonheffingen aan van de 12e en 13e vierwekenperiode.
Als datum aanvang inkomstenperiode vult u in deze aangifte 1 december in.
Aangiftetijdvak veranderen
U kunt het aangiftetijdvak pas veranderen met ingang van 1 januari 2020. Als u dat wilt, gebruik dan
het formulier ‘Wijziging aangiftetijdvak loonheffingen’, dat u kunt downloaden van belastingdienst.nl. Op
dat formulier kunt u aangeven welk aangiftetijdvak (maand of 4 weken) u voor 2020 wilt gebruiken. Het
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 119
wijzigingsformulier moet uiterlijk op 14 december 2019 bij ons binnen zijn. Komt het later binnen, dan kan
de wijziging pas op 1 januari 2021 ingaan.
11.2 Aangifte doen
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
– hoe aangifte doen? (zie paragraaf 11.2.1)
– wanneer aangifte doen? (zie paragraaf 11.2.2)
– nihilaangifte en nulaangifte (zie paragraaf 11.2.3)
– samenhangende groep inhoudingsplichtigen (zie paragraaf 11.2.4)
– inkomstenverhouding (zie paragraaf 11.2.5)
– bedragen afronden in uw aangifte (zie paragraaf 11.2.6)
– status van uw aangiften (zie paragraaf 11.2.7)
– storing in computersysteem (zie paragraaf 11.2.8)
– bezwaar maken (zie paragraaf 11.2.9)
– u bent niet meer inhoudingsplichtig (zie paragraaf 11.2.10)
11.2.1 Hoe aangifte doen?
U bent verplicht de aangifte loonheffingen digitaal te doen. Alleen voor de pseudo-eindheffing over
excessieve vertrekvergoedingen (zie paragraaf 11.7) doet u aangifte op papier.
U kunt op 3 manieren digitaal aangifte loonheffingen doen:
– U doet aangifte met ons aangifteprogramma.
– U doet aangifte met andere aangifte- of administratiesoftware.
– U laat uw aangiften verzorgen door een intermediair, zoals een accountant of een belastingadviseur.
Wij stellen specificaties vast waaraan uw aangifte moet voldoen. Deze specificaties zijn inhoudelijk en
technisch van aard. De aangifte die u met ons aangifteprogramma doet, voldoet aan de specificaties.
Softwareleveranciers moeten ervoor zorgen dat hun software aan onze specificaties voldoet.
Hierna vindt u een korte toelichting op de 3 manieren om digitaal aangifte te doen. Meer informatie over
digitaal aangeven vindt u op belastingdienst.nl bij Digitaal aangeven.
U doet aangifte met ons aangifteprogramma
Wilt u aangifte doen met ons aangifteprogramma, dan downloadt u dit programma van belastingdienst.nl.
Ga daarvoor naar ‘Inloggen voor ondernemers’ en log in met de gegevens (gebruikersnaam en wachtwoord)
die u van ons hebt gekregen. Weet u uw gebruikersnaam en/of wachtwoord niet meer, dan kunt u nieuwe
aanvragen op het inlogscherm of bij de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
Let op!
Met ons aangifteprogramma kunt u per loonheffingennummer aangifte doen voor maximaal
10 werknemers. Wilt u voor meer werknemers aangifte doen, dan moet u andere aangifte- of
administratiesoftware gebruiken.
U doet aangifte met andere aangifte- of administratiesoftware
U doet aangifte via Digipoort (WUS-kanaal of FTP-kanaal). Daarvoor hebt u nodig: een PKIoverheid services
servercertificaat en software die geschikt is voor Digipoort. Voor het FTP-kanaal hebt u een FTP-account bij
Logius nodig. Digipoort is een dienst van Logius. Kijk op logius.nl voor meer informatie.
Gebruikt u al een PKIoverheid services servercertificaat, bijvoorbeeld voor de btw-aangifte? Dan hoeft u voor
Digipoort geen nieuw PKIoverheid services servercertificaat aan te vragen. Let wel op de geldigheidsduur van
uw certificaat.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 120
Hebt u nog geen PKIoverheid services servercertificaat? Houd er dan rekening mee dat de
aanvraagprocedure enige tijd kost.
Hoe u een PKIoverheid services servercertificaat aanvraagt, leest u op logius.nl. Vraag uw
softwareleverancier of uw pakket de aanvraag van het certificaat ondersteunt.
Digipoort heeft voor het doen van aangifte loonheffingen een kanaal voor standaardberichten (WUS) en een
kanaal voor grote berichten (FTP). Welk kanaal u moet gebruiken, hangt af van de omvang van uw berichten:
– tot en met 15 MB: het standaardberichtenkanaal
– groter dan 15 MB tot en met 80 MB: naar keuze het standaardberichtenkanaal of het
groteberichtenkanaal
– Voor het standaardberichtenkanaal moet u deze berichten comprimeren tot maximaal 15 MB. Voor het
groteberichtenkanaal hoeft dat niet.
– Als uw berichten regelmatig tegen de grens van 80 MB (gecomprimeerd: 15 MB) aan zitten, overweeg
dan een overstap naar het groteberichtenkanaal. Want als uw bericht onverwacht een keer groter
is, komt uw bericht via het standaardberichtenkanaal niet bij ons aan. U doet dan mogelijk te laat
aangifte.
– groter dan 80 MB: het groteberichtenkanaal (gecomprimeerd of niet gecomprimeerd)
Voor het groteberichtenkanaal van Digipoort hebt u een FTP-account bij Logius nodig. Soms heeft uw
softwareleverancier daar al in voorzien. Als u zelf het FTP-account moet aanvragen, doet u dat op logius.nl.
Let op!
Vraag uw softwareleverancier of uw softwarepakket geschikt is voor het juiste kanaal. Voor het WUSkanaal hebt u namelijk andere software nodig dan voor het FTP-kanaal. Let er ook op dat uw software
zo nodig berichten kan comprimeren.
Wisseling van softwarepakket
Als u wisselt van softwarepakket, mag dat geen gevolgen hebben voor de inkomstenverhoudingen en de te
betalen loonheffingen. Daarom moet het nieuwe softwarepakket het volgende kunnen:
– doorgaan met voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) (zie paragraaf 5.7.3)
Als u per 1 januari van pakket wisselt, levert dit geen probleem op, omdat u dan opnieuw begint met
VCR.
– hetzelfde nummer inkomstenverhouding gebruiken (zie paragraaf 3.4.2)
– dezelfde begindatum van de inkomstenverhouding gebruiken (zie paragraaf 3.4.1)
Bij een aantal softwarepakketten levert dat problemen op. Laat u goed informeren.
U moet ook aangiften kunnen corrigeren (ook over vorige jaren) die met het vorige pakket zijn gedaan.
Vaak kan dat niet met het nieuwe pakket. Maak zo nodig afspraken met de leverancier van uw oude
softwarepakket.
Let op!
Ook als u van intermediair verandert, kan er sprake zijn van een wisseling van softwarepakket.
U laat uw aangiften verzorgen door een intermediair
Als u uw aangiften loonheffingen laat verzorgen door een intermediair, stelt hij de digitale aangifte samen
met een softwarepakket. Daarna kan hij de aangifte voor u ondertekenen en verzenden als u hem daarvoor
hebt gemachtigd. Soms kunt u de aangifte zelf digitaal in- of aanvullen, ondertekenen en verzenden. Het is
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 121
verstandig om hierover goede afspraken te maken. Want u blijft zelf verantwoordelijk voor de juistheid van
de aangifte, ook als een intermediair deze namens u ondertekent en verzendt.
11.2.2 Wanneer aangifte doen?
Uw aangifte moet uiterlijk bij ons binnen zijn op de datum die staat in de ‘Aangiftebrief loonheffingen’. Een
overzicht met de uiterste aangiftedatums kunt u ook downloaden van belastingdienst.nl. U doet aangifte na
afloop van het aangiftetijdvak. Maar als u weet dat uw aangiftegegevens niet meer gaan veranderen, mag u
ook al binnen het aangiftetijdvak aangifte doen. Dit heeft als voordeel dat UWV bij het vaststellen van een
uitkering minder bij u of uw ex-werknemer hoeft uit te vragen. U hoeft uw aangifte dan nog niet te betalen.
U kunt geen aangifte doen of betalen vóór het begin van het aangiftetijdvak, omdat wij uw aangifte dan niet
kunnen verwerken. Een uitzondering geldt voor bv’s van directeuren-grootaandeelhouders en pensioen- en
stamrecht-bv’s: zij kunnen wel aangifte doen voor het begin van het aangiftetijdvak. Maar betalen voordat
het aangiftetijdvak is begonnen, kan ook in dit geval niet.
Aangifte doen voor directeuren-grootaandeelhouders en pensioen- en stamrecht-bv’s
Besloten vennootschappen (bv’s) met 1 of meer directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) mogen aangifte
loonheffingen doen over aangiftetijdvakken die nog niet zijn begonnen. Hierbij gelden 2 voorwaarden:
– In het bedrijf werken alleen dga’s, eventueel met meewerkende echtgenoten en kinderen. Er is geen
ander personeel.
– De dga’s en meewerkende echtgenoten en kinderen zijn niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen (zie paragraaf 16.1.1).
De regeling geldt ook voor pensioen- en stamrecht-bv’s die – naast de uitbetaling van het loon van de dga –
alleen uitkeringen doen waarover zij geen premies werknemersverzekeringen hoeven te betalen.
Minder rubrieken invullen
Directeuren-grootaandeelhouders en pensioen- en stamrecht-bv’s hoeven een aantal rubrieken van de
aangifte niet in te vullen. Sommige softwarepakketten en ons aangifteprogramma ondersteunen dit, maar bij
andere softwarepakketten moet u deze rubrieken toch invullen. Het gaat om de volgende rubrieken:
– verstrekte aanvulling op uitkering werknemersverzekering
– opgebouwd recht op vakantiebijslag
– vakantiebijslag
– opgebouwd recht op extraperiodesalaris
– extraperiodesalaris
– code incidentele inkomstenvermindering
Loonheffingen betalen
Doet u vooraf aangifte over tijdvakken die nog niet zijn begonnen? Dan kunt u nog niet meteen betalen.
U kunt de bijbehorende betalingen wel van tevoren bij uw bank op datum klaarzetten. In de ‘Aangiftebrief
loonheffingen’ vindt u de betalingskenmerken voor ieder aangiftetijdvak.
U kunt uw aangifte over het 1e tijdvak betalen vanaf 1 februari. U kunt de aangiften over andere tijdvakken
betalen vanaf de 1e dag van het aangiftetijdvak. Betalingen die u eerder doet, kunnen wij niet verwerken.
Wij verrekenen deze betalingen met openstaande belastingschulden of storten ze terug.
11.2.3 Nihilaangifte en nulaangifte
Als u over een aangiftetijdvak geen loon en loonheffingen hoeft aan te geven, moet u toch op tijd aangifte
doen. U doet dan een zogenoemde nihilaangifte of nulaangifte:
– U doet een nihilaangifte als u in het aangiftetijdvak geen werknemers in dienst had. U vult dan geen
werknemersgegevens in. Het collectieve deel van de aangifte blijft leeg of u vult daar ‘0’ in.
– U doet een nulaangifte als u in het aangiftetijdvak wel werknemers in dienst had, maar geen loon hebt
uitbetaald. U vult wel alle werknemersgegevens in, maar bij het loon, de loonheffingen en de verloonde
uren vult u ‘0’ in. Een nulaangifte geldt bijvoorbeeld bij een directeur-grootaandeelhouder met een
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 122
jaarloon, voor de aangiftetijdvakken waarin u hem geen loon hebt uitbetaald. Of u neemt een werknemer
in de loop van een maand aan en betaalt zijn 1e loon pas in de volgende maand uit.
Let op!
Moet u over een aangiftetijdvak wel loon en loonheffingen aangeven, maar had u in dat aangiftetijdvak
ook werknemers in dienst aan wie u geen loon hebt uitbetaald? Dan moet u die werknemers wel
opnemen in de aangifte. U vult voor hen alle werknemersgegevens in, waarbij u bij loon, loonheffingen
en verloonde uren ‘0’ invult. U vult ook de juiste verzekeringsindicaties in.
11.2.4 Samenhangende groep inhoudingsplichtigen
Hebben wij u aangemerkt als een samenhangende groep inhoudingsplichtigen (zie paragraaf 3.6)? Dan
moet u voor elk loonheffingennummer binnen deze groep wel apart aangifte doen. Dit is onder andere nodig
voor de premies werknemersverzekeringen, omdat deze per werkgever (loonheffingennummer) kunnen
verschillen.
11.2.5 Inkomstenverhouding
In de aangifte loonheffingen vragen wij u om gegevens van al uw inkomstenverhoudingen op te geven. Zie
paragraaf 3.4 voor meer informatie over het begrip ‘inkomstenverhouding’ en een aantal rubrieken van de
aangifte die hiermee samenhangen.
11.2.6 Bedragen afronden in uw aangifte
In de werknemersgegevens van uw aangifte vult u alle bedragen in met 2 cijfers achter de komma. U mag
daarbij afronden in het voordeel van u of uw werknemer.
In het collectieve deel van uw aangifte mag u alleen bedragen in hele euro’s invullen. Enkele rubrieken van
het collectieve deel, bijvoorbeeld de lonen en loonheffingen, zijn optellingen van de bedragen die u bij de
werknemersgegevens hebt ingevuld. U telt bij deze rubrieken de bedragen van de werknemersgegevens
op, inclusief centen. Het totaalbedrag rondt u af op hele euro’s. Daarnaast vult u in het collectieve deel
van de aangifte ook bedragen in die losstaan van de werknemersgegevens, zoals eindheffingen en
afdrachtverminderingen. Ook deze bedragen rondt u af op hele euro’s. U mag in elke collectieve rubriek
afronden in uw voordeel.
Hebt u correcties bijgevoegd? Dan moet u ook de correctiesaldo’s invullen. Dat doet u ook in hele euro’s. Het
bedrag dat u moet betalen, moet gelijk zijn aan de optelling van alle loonheffingen plus of min het saldo van
alle correcties.
11.2.7 Status van uw aangiften
U kunt zelf de status van uw aangiften bekijken. Ga daarvoor naar ‘Inloggen voor ondernemers’ en log in met
uw gebruikersnaam en wachtwoord. U komt dan bij een overzicht met uw aangiften. In dit overzicht ziet u
welke aangiften u nog moet doen en welke wij binnen hebben gekregen en kunnen verwerken. Hebt u bij de
gebruikersinstellingen een e-mailadres ingevuld en hebt u de e-mailnotificatie aangevinkt? Dan krijgt u van
ons een e-mail als de status van een aangifte is veranderd.
U hebt alleen zelf toegang tot dit beveiligde gedeelte voor ondernemers op onze internetsite. Een derde,
bijvoorbeeld uw intermediair, kan hier dus niet de status zien van de aangiften die hij voor u heeft gedaan.
Wel krijgt degene die de aangifte heeft gedaan, een digitaal bericht van ons dat het overzicht van aangiften
en opgaven van zijn klant op dit beveiligde gedeelte van belastingdienst.nl is bijgewerkt. Hieruit kan hij
afleiden dat wij een aangifte hebben gekregen die wij kunnen verwerken.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 123
11.2.8 Storing in computersysteem
Wij zijn verantwoordelijk voor onze eigen systemen en zorgen voor een optimale beschikbaarheid daarvan.
Mocht er een storing in onze systemen zijn, dan beoordelen wij per situatie of het daardoor voor u
onmogelijk was uw aangifte op tijd te doen. Als dat het geval is, zorgen wij voor een passende oplossing.
Lees ook altijd de serviceberichten als u inlogt via ‘Inloggen voor ondernemers’.
U bent zelf verantwoordelijk voor de beschikbaarheid en prestaties van uw eigen computersysteem.
Computer- en internetproblemen ontslaan u niet van de verplichting om op tijd aangifte te doen. Wacht met
het doen van aangiften dus niet tot het laatste moment.
11.2.9 Bezwaar maken
Hebt u te veel aangegeven? Dan kunt u de aangifte corrigeren (zie hoofdstuk 12). Maar het kan ook zijn dat
u de loonheffingen volgens de geldende regelgeving hebt berekend, aangegeven en betaald, terwijl u het niet
eens bent met die regelgeving. Dan kunt u binnen 6 weken na betaling bezwaar maken tegen het betaalde
bedrag. U krijgt dan een uitspraak van ons. Tegen deze uitspraak kunt u in beroep gaan bij de rechter.
11.2.10 U bent niet meer inhoudingsplichtig
Bent u niet meer inhoudingsplichtig? Dan mag u pas stoppen met aangifte doen als u van ons hierover
bericht hebt gekregen (zie paragraaf 15.1).
11.3 Controle van de aangifte na verzenden
Uw digitale aangifte moet behalve aan fiscale eisen ook aan technische eisen voldoen. In de
‘Gegevensspecificaties aangifte loonheffingen 2019’, geschreven voor softwareontwikkelaars, staat welke
eisen dat zijn. U kunt de gegevensspecificaties downloaden.
Hieronder vindt u in het kort onze controlemomenten en de berichten die u daarover van ons kunt krijgen.
Fase 1: binnen 24 uur na binnenkomst (maar meestal meteen)
Doet u aangifte met aangifte- of administratiesoftware, dan wordt bij binnenkomst gecontroleerd of uw
bericht aan de technische eisen voldoet:
– Als uw bericht technisch niet juist is, dan krijgt degene die dit bericht heeft verzonden, een foutmelding.
In welke vorm de foutmelding op uw scherm verschijnt, hangt af van het softwarepakket dat u gebruikt.
U hebt dan geen aangifte gedaan. U moet de fout herstellen en opnieuw aangifte doen.
– Als uw bericht technisch juist is, krijgt degene die het heeft verzonden, daar een melding van. In welke
vorm dit bericht op uw scherm verschijnt, hangt af van het softwarepakket dat u gebruikt. Hierna volgt
fase 2.
Doet u aangifte met ons aangifteprogramma? Dan kunt u tijdens het invullen al foutmeldingen krijgen. U
kunt de aangifte pas verzenden als u de fout hebt verbeterd. Na het verzenden krijgt u een melding op uw
beeldscherm dat uw aangifte bij ons binnen is.
Fase 2: binnen 72 uur na binnenkomst (maar meestal vrijwel direct)
Doet u aangifte met aangifte- of administratiesoftware, dan controleren wij uiterlijk binnen 72 uur (maar
meestal vrijwel direct) na binnenkomst uw bericht op een aantal logische fouten, zoals:
– Bestaat het aangiftetijdvak? Bijvoorbeeld het aangiftetijdvak 2 januari tot en met 31 januari bestaat niet.
– Staan er letters in velden waarin wij alleen cijfers verwachten?
– Zijn er uitsluitend toegestane coderingen gebruikt?
– Zijn de inkomstenverhoudingen uniek (zie paragraaf 3.4)?
– Bestaan de ingevulde datums? Bijvoorbeeld 30 februari bestaat niet.
– Zitten er telfouten in de aangifte?
– Liggen de aanmaakdatum en -tijd van het bericht binnen 24 uur na het tijdstip waarop wij het bericht
ontvangen hebben?
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 124
Hebt u bericht gekregen dat uw aangifte binnen is en stellen wij bij bovenstaande controle geen fouten vast?
Dan krijgt degene die de aangifte heeft verzonden, daar een melding van. Als u inlogt via ‘Inloggen voor
ondernemers’, kunt u zien dat wij uw aangifte hebben ontvangen. Stellen we wel fouten vast, dan krijgt
degene die de aangifte heeft verzonden, een foutmelding. Wij kunnen uw bericht dan niet in redelijkheid als
aangifte accepteren. U hebt dus nog geen aangifte gedaan. Herstel de fout en doe opnieuw aangifte. In welke
vorm de meldingen op uw scherm verschijnen, hangt af van het softwarepakket dat u gebruikt.
Let op!
Als u ruim op tijd aangifte doet en u van ons een foutmelding krijgt, kunt u de fout nog herstellen
voordat de aangiftetermijn voorbij is (zie paragraaf 12.2.1).
Doet u aangifte met ons aangifteprogramma? Dan krijgt u tijdens het invullen al een foutmelding als u een
fout maakt. U kunt de aangifte pas verzenden als u de fout hebt verbeterd. Na het verzenden krijgt u een
melding op uw beeldscherm als wij uw aangifte binnen hebben gekregen.
Sommige fouten kunnen wij niet digitaal aan u melden. Dit kan zich voordoen als u ons aangifteprogramma
gebruikt en ook als u andere software gebruikt. In dat geval nemen wij telefonisch contact op met de
contactpersoon die in de aangifte staat. Daarnaast krijgt u ook een brief. Hebben wij binnen 72 uur geen
contact met u opgenomen, dan mag u ervan uitgaan dat wij uw aangifte kunnen verwerken. U kunt dat
controleren in het overzicht met uw aangiften. Ga daarvoor naar ‘Inloggen voor ondernemers’ en log in met
uw gebruikersnaam en wachtwoord (zie paragraaf 11.2.7).
Fase 3: binnen 2 weken na afloop van de aangiftetermijn
Als de aangiftetermijn voorbij is, vinden er nog meer controles plaats.
Controle door UWV
Blijkt uit de polisadministratie van UWV dat er nog fouten zitten in de werknemersgegevens, dan krijgt
u van ons een brief met een zogenoemd foutenrapport. Daarin staat een overzicht van de gevonden
fouten in uw aangifte. U moet die aangifte dan corrigeren (zie hoofdstuk 12). Een toelichting op de
fouten in het foutenrapport vindt u in de ‘Toelichting foutmeldingen werknemersgegevens bij de aangifte
loonheffingen’. Deze toelichting verschijnt meerdere keren per jaar. U kunt deze toelichtingen downloaden
van belastingdienst.nl.
Bij het berekenen van een uitkering door UWV kan blijken dat gegevens in de polisadministratie onjuist zijn.
Bijvoorbeeld de vakantiebijslag, de code incidentele inkomstenvermindering of de verloonde uren. U krijgt
dan een brief van ons met de vraag de foute aangifte(n) te corrigeren. Meer informatie over een aantal van
deze fouten vindt u in de ‘Toelichting foutmeldingen gegevens voor de werknemersverzekeringen’. U kunt
deze toelichting downloaden van belastingdienst.nl.
Controle door ons
Ook wij kunnen op een later moment nog fouten in uw aangiften constateren. Bijvoorbeeld bij een
boekenonderzoek. In dat geval krijgt u van ons een brief met een zogenoemde correctieverplichting (zie
paragraaf 12.1.2).
11.4 Betalen
In deze paragraaf leest u hoe u loonheffingen betaalt (zie paragraaf 11.4.1) en wanneer (zie paragraaf
11.4.2), en hoe u ons vraagt om een teruggaaf van de btw te verrekenen met loonheffingen die u moet
betalen (zie paragraaf 11.4.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 125
11.4.1 Hoe betalen?
U kunt loonheffingen op verschillende manieren betalen: digitaal, per bank met uw eigen
overschrijvingsformulieren of bij sommige banken nog contant. Vermeld altijd het betalingskenmerk dat staat
in de ‘Aangiftebrief loonheffingen’.
Het moment waarop uw betaling op onze rekening staat, bepaalt of uw betaling op tijd is.
Betalingen aan ons doet u op IBAN (rekeningnummer) NL86 INGB 0002 4455 88, ten name van de
Belastingdienst in Apeldoorn. Als u digitaal bankiert of betaalopdrachten automatisch vanuit uw administratie
aanmaakt, zorg er dan voor dat u het juiste rekeningnummer en het juiste betalingskenmerk gebruikt.
U betaalt het bedrag dat in uw aangifte als te betalen loonheffingen staat. Doordat uw boekhouding
misschien niet of anders afrondt, kan het bedrag in uw financiële administratie afwijken van het bedrag in uw
aangifte. Zie paragraaf 11.2.6 voor meer informatie over het afronden van de bedragen in uw aangifte.
Betaal altijd het eindbedrag van uw aangifte. Zo voorkomt u dat u te weinig betaalt en een
betaalverzuimboete krijgt.
Betalingskenmerk
Als u geen of een fout betalingskenmerk vermeldt, is het mogelijk dat wij uw betaling niet of niet op tijd
kunnen verwerken. U kunt dan een naheffingsaanslag krijgen. Het betalingskenmerk is voor iedere aangifte
verschillend. Let er daarom goed op dat u altijd het betalingskenmerk vermeldt dat hoort bij de aangifte die u
betaalt. U vindt het betalingskenmerk voor aangiften in de ‘Aangiftebrief loonheffingen’.
Betalingskenmerk kwijt?
Wilt u de loonheffingen betalen, maar bent u de ‘Aangiftebrief loonheffingen’ met daarop de
betalingskenmerken kwijt? Dan kunt u het betalingskenmerk herleiden met de Zoekhulp betalingskenmerk op
belastingdienst.nl.
Als u het betalingskenmerk wilt opzoeken, moet u het aangiftenummer van de aangifte bij de hand hebben.
Dit nummer stelt u als volgt samen:
1 Neem uw loonheffingennummer.
2 Voeg achter het loonheffingennummer de tijdvakcode toe. U kunt een overzicht met de tijdvakcodes
downloaden.
Voorbeeld
Uw loonheffingennummer is 123456789L02. U bent maandaangever en doet aangifte over
december 2018. De tijdvakcode voor december 2018 is 8120. Het aangiftenummer is dus
123456789L028120. De zogenoemde slotcijfers, die u in de Zoekhulp betalingskenmerk moet
invullen, zijn 028120.
11.4.2 Wanneer betalen?
De betaling moet op onze rekening staan op de datum die staat in de ‘Aangiftebrief loonheffingen’. Als
die datum valt op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, moet de betaling vóór die datum
op onze rekening staan. Een overzicht van de uiterste aangifte- en betaaldatums kunt u downloaden van
belastingdienst.nl.
Betaal nooit voor het begin van het aangiftetijdvak, want dan kunnen wij uw betaling niet verwerken.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 126
Let op!
Bij betaling via de bank ligt het tijdstip van betalen vaak 1 of meer dagen later dan het tijdstip waarop
het bedrag van uw rekening is afgeschreven.
11.4.3 Loonheffingen verrekenen met teruggaaf btw
U kunt ons vragen om een teruggaaf btw te verrekenen met een aangifte loonheffingen. U gebruikt
hiervoor het formulier ‘Verzoek Loonheffingen Verrekening met teruggaaf btw’. Dit kan onder de volgende
voorwaarden:
– U hebt de aangifte loonheffingen waarmee u de teruggaaf btw wilt verrekenen, op tijd gedaan.
– Het aangiftetijdvak van uw aangifte loonheffingen en het aangiftetijdvak van de btw-aangifte waarvoor u
de teruggaaf krijgt, eindigen in dezelfde maand.
– Als het aangiftetijdvak van die btw-aangifte eindigt op 31 december, mag u ook nog verrekenen met de
12e vierwekenaangifte loonheffingen. Ook als dat aangiftetijdvak eindigt in november.
– U hebt geen andere openstaande belastingschulden.
– U doet het verzoek om verrekening uiterlijk op de uiterste aangiftedatum van de aangifte loonheffingen.
Voorbeeld
– De btw-aangifte over het 2e kwartaal mag u verrekenen met de aangifte loonheffingen over juni
of de 6e vierwekenperiode (want de 6e vierwekenperiode eindigt in juni).
– De btw-teruggaaf over december mag u verrekenen met de aangifte loonheffingen over
december, de 13e of de 12e vierwekenperiode.
U kunt het formulier Verzoek Loonheffingen Verrekening met teruggaaf btw downloaden van
belastingdienst.nl.
11.5 Boetes
Bent u te laat met aangifte doen of betalen, dan is er sprake van een verzuim en kunt u een
verzuimmededeling of een boete krijgen. Eventueel krijgt u een naheffingsaanslag. De volgende situaties zijn
mogelijk:
– U betaalt te laat, niet of te weinig (betaalverzuim) (zie paragraaf 11.5.1).
– U doet geen of te laat aangifte (aangifteverzuim) (zie paragraaf 11.5.2).
– Er is een samenloop van betaal- en aangifteverzuim (zie paragraaf 11.5.3).
– U doet onjuist of onvolledig aangifte (aangifteverzuim) (zie paragraaf 11.5.4).
– Er zijn uitzonderlijke of bijzondere situaties (zie paragraaf 11.5.5).
11.5.1 U betaalt te laat, niet of te weinig (betaalverzuim)
Als u de aangifte te laat betaalt, of als u niet of te weinig betaalt, geldt het volgende.
U betaalt te laat
U betaalt te laat als uw betaling bij ons binnenkomt na de uiterste betaaldatum. Als u alsnog betaalt binnen
de coulancetermijn, krijgt u mogelijk geen boete.
De coulancetermijn begint na de uiterste betaaldatum en eindigt 7 kalenderdagen na de uiterste
betaaldatum. Er zijn 3 mogelijkheden:
– U betaalt te laat, maar binnen de coulancetermijn. In dit geval zijn er 2 mogelijkheden:
– U betaalde de vorige aangifte op tijd en volledig. Dan krijgt u geen betaalverzuimboete. U krijgt wel
een verzuimmededeling.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 127
– U betaalde de vorige aangifte te laat of niet volledig. Dan krijgt u een betaalverzuimboete van 3% van
het te laat betaalde bedrag, met een minimum van € 50 en een maximum van € 5.278.
– U betaalt te laat en na de coulancetermijn. In dit geval krijgt u een betaalverzuimboete van 3% van het
te laat betaalde bedrag, met een minimum van € 50 en een maximum van € 5.278.
– U betaalt te laat en deels binnen en deels na de coulancetermijn. In dit geval krijgt u voor het totaal van
het bedrag dat u binnen en na de coulancetermijn hebt betaald, een betaalverzuimboete van 3%, met
een minimum van € 50 en een maximum van € 5.278.
U betaalt niet of te weinig
Hebt u op het moment waarop wij controleren (een deel van) uw aangifte niet betaald? Dan krijgt u een
naheffingsaanslag met een betaalverzuimboete van 3% van het niet-betaalde bedrag met een minimum van
€ 50 en een maximum van € 5.278. Hebt u ook een gedeelte te laat betaald? Dan berekenen wij de boete
over het totaal van het niet-betaalde en het te laat betaalde bedrag.
Let op!
Als u door een correctie een bedrag moet bijbetalen, is er meestal ook sprake van een betaalverzuim.
Zie paragraaf 12.5.2 voor meer informatie hierover.
11.5.2 U doet geen of te laat aangifte (aangifteverzuim)
Voor het op tijd doen van aangifte geldt een coulancetermijn van 7 kalenderdagen na de uiterste
aangiftedatum. Als uw aangifte binnen deze termijn bij ons binnen is, krijgt u geen boete. Als de aangifte
later of helemaal niet bij ons binnenkomt, krijgt u een boete van € 65.
11.5.3 Samenloop van betaal- en aangifteverzuim
Wij stellen betaal- en aangifteverzuimen los van elkaar vast. Daarom kunnen deze verzuimen voor hetzelfde
tijdvak samenlopen. Als u te laat aangifte doet én te weinig betaalt, kunt u dus 2 boetes krijgen: 1 voor het
te laat aangeven en 1 voor het te weinig betalen.
11.5.4 U doet onjuist of onvolledig aangifte (aangifteverzuim)
Als u onjuist of onvolledig aangifte hebt gedaan, kunt u een aangifteverzuim met een boete van € 65 krijgen.
Voorlopig gaan wij terughoudend om met het opleggen van deze aangifteverzuimboetes.
11.5.5 Uitzonderlijke of bijzondere situaties
Soms wijken wij af van de boetes voor een betaalverzuim (zie paragraaf 11.5.1), voor een aangifteverzuim
voor geen of te late aangifte (zie paragraaf 11.5.2) en voor een aangifteverzuim voor onjuiste of onvolledige
aangifte (zie paragraaf 11.5.4).
Hogere verzuimboetes
In uitzonderlijke gevallen kunnen wij hogere verzuimboetes vaststellen: per aangifteverzuim maximaal
€ 1.319, en voor een betaalverzuim maximaal 10% van de te laat of niet-betaalde loonheffingen met een
maximum van € 5.278. Een uitzonderlijk geval is bijvoorbeeld wanneer u keer op keer geen of te laat
aangifte doet, onjuist of onvolledig aangifte doet, of niet of te laat betaalt.
Vergrijpboete
In plaats van een betaalverzuimboete kunt u ook een vergrijpboete krijgen. Dan moet er wel sprake zijn van
grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. Voordat u een vergrijpboete krijgt, sturen wij u een brief waarin wij
aangeven waarom wij vinden dat er sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. U kunt daar nog
op reageren voordat wij de boete definitief vaststellen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 128
Als u van ons in een voorgaand jaar een betaalverzuimboete hebt gehad, en wij stellen later vast dat er
toch sprake was van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet, dan kunnen wij alsnog een vergrijpboete
vaststellen. Dat kan alleen onder de volgende 2 voorwaarden:
– Wij krijgen na het opleggen van de betaalverzuimboete nieuwe informatie. Als nieuwe informatie geldt
een verklaring van uzelf of van anderen en informatie uit uw administratie (ook digitaal).
– De nieuwe informatie zou tot een vergrijpboete hebben geleid als die informatie bij ons bekend was
voordat we u een betaalverzuimboete gaven.
Het bedrag van de betaalverzuimboete trekken wij af van de vergrijpboete.
Te laat aangemeld als inhoudingsplichtige
Als u zich niet of te laat hebt aangemeld als inhoudingsplichtige, betaalt u de loonheffingen te laat. Daarvoor
kunt u een boete krijgen van maximaal 10% van het te laat betaalde bedrag. Als u ook nog loonheffingen
moet betalen over tijdvakken van kalenderjaren die voorbij zijn, moet u heffings- of belastingrente betalen.
Opzettelijk niet nakomen van aangifte- of betaalplicht is strafbaar
Betaalt u de loonheffingen opzettelijk niet, niet op tijd of niet volledig? Of doet u opzettelijk te laat, onjuist of
geen aangifte? Dan kan dit worden gezien als een misdrijf en tot strafvervolging leiden.
11.6 Aansprakelijkheid
Hebt u geen of te weinig loonheffingen betaald, dan krijgt u voor de bedragen die u moet betalen, een
naheffingsaanslag. Soms kunnen wij deze bedragen ook van anderen invorderen. Wij stellen anderen dan
aansprakelijk voor de bedragen die u moet betalen. Degenen die wij aansprakelijk kunnen stellen, zijn:
– inleners van personeel (zie paragraaf 11.6.1)
– bestuurders van vennootschappen, verenigingen, stichtingen en buitenlandse rechtspersonen (zie
paragraaf 11.6.2)
– aannemers in een keten (zie paragraaf 11.6.3)
Degene die wij aansprakelijk stellen, kan daartegen bezwaar maken. Ook kan hij bezwaar maken tegen de
hoogte van het bedrag waarvoor wij hem aansprakelijk stellen (zie paragraaf 11.6.4).
11.6.1 Inleners van personeel
Als u personeel inleent, bijvoorbeeld een uitzendkracht, blijft de dienstbetrekking tussen de werknemer
en zijn uitlener (het uitzendbureau) bestaan, ook al werkt de werknemer onder uw leiding of toezicht.
De uitlener moet loonheffingen berekenen en betalen over het loon dat de werknemer krijgt voor de
werkzaamheden. Doet de uitlener dat niet, dan bent u hoofdelijk aansprakelijk voor deze loonheffingen. Dit
betekent dat u voor het totale bedrag aansprakelijk bent. Als wij u aansprakelijk stellen, krijgt u van ons een
beschikking.
Als inlener kunt u zich tegen het risico van aansprakelijkstelling beschermen door een g-rekening te
gebruiken (zie paragraaf 11.6.5).
11.6.2 Bestuurders van vennootschappen, verenigingen, stichtingen en buitenlandse
rechtspersonen
Een bestuurder is aansprakelijk voor de betaling van een aantal belastingen en premies als hij bestuurder is
van 1 van de volgende rechtspersonen:
– een vennootschap (bv of nv)
– een vereniging die aangifte vennootschapsbelasting moet doen
– een stichting die aangifte vennootschapsbelasting moet doen
– een buitenlandse rechtspersoon die in Nederland aangifte vennootschapsbelasting moet doen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 129
Wij kunnen een bestuurder bijvoorbeeld aansprakelijk stellen voor de loonheffingen en de btw. Een
bedrijfspensioenfonds kan de bestuurder aansprakelijk stellen voor de niet-betaalde premies voor een
verplicht bedrijfspensioenfonds.
Meldingsplicht bij betalingsproblemen
Als een rechtspersoon de belasting- of premieschulden niet kan betalen, moet de bestuurder dit bij
ons melden. Als de rechtspersoon schulden heeft bij een bedrijfspensioenfonds, moet de bestuurder de
betalingsproblemen ook bij die instantie melden. Als er meer bestuurders zijn, is het voldoende dat 1 van hen
de betalingsproblemen meldt.
Meld betalingsproblemen ook meteen als u nog maar net personeel in dienst hebt en nog geen aangiftebrief
(zie paragraaf 2.1) hebt gekregen.
U meldt betalingsproblemen met het formulier ‘Melding van betalingsonmacht bij belastingen en premies’.
Download dit formulier van belastingdienst.nl.
Let op!
Het melden van betalingsproblemen staat los van een verzoek om een betalingsregeling. U moet
een betalingsregeling apart aanvragen. Gebruik daarvoor het formulier ‘Verzoek Betalingsregeling
en uitstel van betaling van belasting en/of premie voor ondernemingen’. Download dit formulier van
belastingdienst.nl.
Meer informatie over de bestuurdersaansprakelijkheid en de meldingsplicht bij betalingsproblemen
vindt u in de brochure ‘Aansprakelijkheid van bestuurders’. U kunt deze brochure ophalen bij de
kantoren van de bedrijfspensioenfondsen, downloaden van belastingdienst.nl, of opvragen via de
BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
11.6.3 Aannemers in een keten
Bent u aannemer in een keten (hoofdaannemer, onderaannemer, onderonderaannemer) en besteedt u werk
uit aan een onderaannemer, dan kunnen wij u aansprakelijk stellen voor de betaling van de loonheffingen van
uw onderaannemer of diens onderaannemer. Dit is de zogenoemde ketenaansprakelijkheid. Als aannemer
kunt u zich tegen die aansprakelijkheid beschermen door een g-rekening te gebruiken (zie paragraaf 11.6.5).
Als wij u aansprakelijk stellen, krijgt u van ons een beschikking. Meer informatie over de aansprakelijkheid
van aannemers vindt u in de brochure ‘Aansprakelijkheid voor loonheffingen bij onderaanneming’. Download
deze brochure van belastingdienst.nl of bel de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
11.6.4 Bezwaar tegen aansprakelijkstelling en bedrag
Als wij u aansprakelijk stellen, kunt u in 1 brief bezwaar maken tegen de aansprakelijkstelling én tegen
de hoogte van het bedrag waarvoor wij u aansprakelijk stellen. Uw bezwaar moet binnen 6 weken na de
aansprakelijkstelling bij ons binnen zijn. U krijgt bericht over onze beslissing.
11.6.5 G-rekening
Het bedrijf waarvan u personeel inleent (de uitlener), of uw onderaannemer kan een overeenkomst sluiten
met ons en een bank om een geblokkeerde rekening, een g-rekening, bij een bank te openen. Om uw
aansprakelijkheid voor de loonheffingen te beperken, kunt u een deel van de factuur van uw uitlener of
onderaannemer op deze g-rekening storten. Wij gaan er dan van uit dat deze storting bedoeld is voor de
loonheffingen die uw uitlener of onderaannemer moet betalen. Schat dat bedrag dus goed in. Voor dat
bedrag stellen wij u niet aansprakelijk.
De uitlener of onderaannemer gebruikt zijn g-rekening om zijn eigen aangifte loonheffingen te betalen of om
door te storten naar een g-rekening van een uitlener of onderaannemer van hemzelf.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 130
Aan het gebruik van een g-rekening zijn enkele voorwaarden verbonden. Meer informatie over de
aansprakelijkheid en het aanvragen en gebruik van een g-rekening vindt u in de brochure ‘Aansprakelijkheid
voor loonheffingen bij onderaanneming’. U kunt deze brochure downloaden van belastingdienst.nl. U kunt
daar ook het formulier Aanvraag g-rekening downloaden. Of bel de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
11.7 Aangifte pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen
Betaalt u werknemers die bij u uit dienst gaan een vertrekvergoeding? Dan moet u op papier aangifte
pseudo-eindheffing doen over het excessieve deel van de vertrekvergoeding. Over dat excessieve deel
moet u 75% pseudo-eindheffing betalen. Het excessieve deel is het deel dat boven het toetsloon uitkomt.
Het toetsloon is in 2019 € 551.000. Hoe u het toetsloon en het excessieve deel van de vertrekvergoeding
berekent, leest u in de ‘Toelichting excessieve vertrekvergoeding 2019’, die u binnenkort kunt downloaden
van belastingdienst.nl. Zie paragraaf 24.8 voor meer informatie over de pseudo-eindheffing excessieve
vertrekvergoedingen.
Moet u over het excessieve deel van de vertrekvergoeding van 1 van uw werknemers aangifte doen?
Dan doet u dit in het aangiftetijdvak waarin de dienstbetrekking eindigt. Als u na het einde van de
dienstbetrekking nog een deel van de vertrekvergoeding toekent, maakt u op dat moment opnieuw de
berekening en doet u opnieuw aangifte.
U doet apart aangifte met het formulier ‘Aangifte loonheffingen pseudo-eindheffing excessieve
vertrekvergoeding’. Dit formulier vraagt u schriftelijk aan bij:
Belastingdienst/Amsterdam
Afdeling pseudo-eindheffing
Antwoordnummer 45977
1050 WH Amsterdam
Vermeld in uw brief in ieder geval:
– uw naam
– uw loonheffingennummer
– de naam van de contactpersoon voor deze aangifte
– het telefoonnummer van de contactpersoon
– het adres waar wij het aangifteformulier naartoe moeten sturen
– het aangiftetijdvak waarin u de vertrekvergoeding hebt toegekend
– het aantal werknemers voor wie u aangifte doet
Stuur de ingevulde aangifte terug naar Belastingdienst/Amsterdam. Wacht met betalen tot u van ons een
naheffingsaanslag met acceptgiro krijgt.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 131
Stap 12 Aangiften corrigeren
Met de aangifte loonheffingen levert u ons gedetailleerde inkomensgegevens per inkomstenverhouding aan,
de werknemersgegevens (zie paragraaf 3.4 voor het begrip ‘inkomstenverhouding’). UWV bewaart deze
inkomensgegevens in de polisadministratie. De gegevens dienen als basis voor het vaststellen van onder
andere uitkeringen en toeslagen van uw werknemers. Daarom is het belangrijk dat de werknemersgegevens
actueel, juist en volledig zijn. U moet fouten of onvolledigheden in een verzonden aangifte loonheffingen dan
ook altijd verbeteren of aanvullen.
In dit hoofdstuk leest u welke gegevens u moet corrigeren en wanneer u dat doet (zie paragraaf 12.1), en
op welke manieren u kunt corrigeren (zie paragraaf 12.2). Verder vindt u in dit hoofdstuk informatie over het
corrigeren van aangiften over 2019 (zie paragraaf 12.3) en het corrigeren van aangiften over 2014, 2015,
2016, 2017 en 2018 (zie paragraaf 12.4). U kunt een boete krijgen als u de correctie te laat, onvolledig of
fout doet (zie paragraaf 12.5).
12.1 Welke gegevens moet u corrigeren en wanneer?
In deze paragraaf leest u welke gegevens u moet corrigeren en wanneer u dat moet doen.
12.1.1 Welke gegevens corrigeren?
Hebt u een aangifte fout of onvolledig ingevuld? Dan moet u altijd een volledig ingevuld collectief deel
verzenden met de verbeterde gegevens, de gegevens die ontbraken en de gegevens die al juist waren. Als u
een fout hebt gemaakt in de werknemersgegevens, dan zijn er 3 mogelijkheden:
– U bent vergeten een inkomstenverhouding aan te geven. U voegt deze alsnog toe.
– U hebt onjuiste gegevens ingevuld. U vult voor de betreffende inkomstenverhouding alle gegevens in: de
verbeterde gegevens en ook de gegevens die al juist waren. Of u de andere inkomstenverhoudingen ook
moet opnemen, hangt af van hoe u corrigeert en welke software u gebruikt (zie paragraaf 12.2).
– U hebt ten onrechte aangifte gedaan voor een inkomstenverhouding. U trekt deze inkomstenverhouding
dan in. Uw softwarepakket moet deze functionaliteit ondersteunen. Als u niet weet hoe dat met uw
pakket moet, raadpleeg dan uw softwareleverancier.
U moet ook corrigeren als dit geen invloed heeft op de loonheffingen die u moet betalen. Dus bijvoorbeeld bij
fouten in de namen, geboortedatums, burgerservicenummers en coderingen.
Let op!
Foute adresgegevens of een kleine fout in de naam (bijvoorbeeld Jansen in plaats van Janssen) hoeft u
niet te corrigeren. U neemt de juiste gegevens in de eerstvolgende aangifte op.
Aangifte met een fout loonheffingennummer corrigeren
Als u aangifte hebt gedaan met een fout loonheffingennummer, dan kunt u dit niet in alle gevallen met een
correctie herstellen. U moet in ieder geval eerst opnieuw aangifte doen met het juiste loonheffingennummer.
Want voor het juiste loonheffingennummer hebt u nog geen aangifte gedaan. Afhankelijk van de fout die u in
het loonheffingennummer hebt gemaakt, geldt daarna het volgende:
– U hebt een fout gemaakt in het subnummer. Het subnummer bestaat uit de letter ‘L’ en de 2 cijfers
achter het RSIN/fiscaal nummer/BSN van uw onderneming. Is bijvoorbeeld uw loonheffingennummer
123456789L03, dan is het subnummer L03.
– Hebt u alleen een fout subnummer gebruikt en hoeft u voor het loonheffingennummer met dat
subnummer géén aangifte te doen? Dan hoeft u verder niets te doen.
– Hebt u alleen een fout subnummer gebruikt en moet u voor het loonheffingennummer met dat
subnummer wel aangifte doen? Dan moet u de aangifte corrigeren (zie paragraaf 12.2).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 132
– U hebt een andere fout in het loonheffingennummer gemaakt en u hebt hierover geen foutmelding
gekregen. Bel dan met de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
12.1.2 Wanneer corrigeren?
Als u zelf onvolledigheden of fouten in een aangifte ontdekt, moet u deze op eigen initiatief corrigeren.
Als wij onvolledigheden of fouten ontdekken, kunnen wij u vragen om de aangifte vrijwillig te corrigeren
(correctieverzoek) of u verplichten deze te corrigeren (correctieverplichting). In beide gevallen krijgt u van
ons een brief. Een correctieverplichting krijgt u bijvoorbeeld naar aanleiding van een boekenonderzoek.
Voldoet u niet aan een correctieverplichting, dan kunt u een boete krijgen.
Let op!
U moet de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet
berekenen met de methode van het voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) (zie hoofdstuk 5 en 6).
In de aangiften loonheffingen geeft u de loonheffingen aan die u op deze manier hebt berekend. Als u
loongegevens corrigeert, kan dat gevolgen hebben voor bedragen van latere aangiften die u cumulatief
hebt berekend. Dan moet u ook die aangiften corrigeren.
Naheffingsaanslag vragen in plaats van corrigeren
In sommige gevallen wegen de (uitkerings)belangen van uw werknemers niet op tegen de administratieve
lasten van het corrigeren van de werknemersgegevens. U kunt ons dan vragen om een naheffingsaanslag
zonder dat u de individuele werknemersgegevens hoeft te corrigeren. Met deze naheffingsaanslag betaalt u
de loonbelasting/premie volksverzekeringen als eindheffing. De premies werknemersverzekeringen betaalt u
ook met die aanslag, net als de werkgeversheffing Zvw of eventueel de bijdrage Zvw. Voor de premies en de
bijdrage betaalt u evenveel als wanneer u wel op werknemersniveau had gecorrigeerd.
Om een naheffingsaanslag te krijgen, moet u aan de volgende 3 voorwaarden voldoen:
– U stuurt een schriftelijk verzoek naar uw belastingkantoor, met een specificatie van de bedragen
waarvoor u een naheffingsaanslag vraagt.
– Het gaat om fouten in loonbestanddelen of om tariefverschillen die niet of bezwaarlijk te individualiseren
zijn.
– U maakt aannemelijk dat het niet corrigeren van de werknemersgegevens geen onevenredig nadelige
gevolgen heeft voor een eventuele uitkering van UWV aan uw werknemers.
12.2 Manieren van corrigeren
Er zijn 4 manieren waarop u kunt corrigeren:
– opnieuw de volledige aangifte verzenden (zie paragraaf 12.2.1)
– een aanvullende aangifte verzenden (zie paragraaf 12.2.2)
– een correctie verzenden bij een aangifte (zie paragraaf 12.2.3)
– een losse correctie verzenden (zie paragraaf 12.2.4)
U bent niet vrij om te kiezen hoe u corrigeert. Op welke manier u moet corrigeren, is afhankelijk van:
– het jaar waarover u wilt corrigeren
– het aangiftetijdvak dat u wilt corrigeren
– de manier waarop u aangifte doet: met ons aangifteprogramma of met andere aangifte- of
administratiesoftware
12.2.1 Opnieuw de volledige aangifte verzenden
Is de aangiftetermijn van het tijdvak dat u wilt corrigeren, nog niet voorbij? Dan kunt u – op zijn laatst op de
uiterste aangiftedatum – de volledige aangifte (alle werknemersgegevens en het collectieve deel) opnieuw
verzenden. Deze nieuwe aangifte overschrijft volledig de aangifte die u eerder over dat tijdvak deed. Deze
manier van corrigeren kunt u gebruiken bij alle manieren van aangifte doen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 133
Doet u aangifte met een softwarepakket en hebt u vragen over hoe u opnieuw de volledige aangifte moet
verzenden, neem dan contact op met uw softwareleverancier.
Hebt u bij de eerdere aangifte een correctie meegestuurd en wijzigt deze niet, dan moet u het correctiesaldo
wél in de nieuwe aangifte vermelden.
Voorbeeld
U hebt aangifte gedaan over november. Over dat tijdvak moet u € 10.000 betalen. Bij de aangifte
over november hebt u een correctie over juli meegestuurd, met een correctiesaldo van € 1.000. U
moet dan in totaal € 11.000 betalen.
Binnen de aangiftetermijn doet u opnieuw aangifte over november, waardoor het te betalen bedrag
over november € 12.500 wordt. U stuurt niet opnieuw een correctie over juli mee. De nieuwe
aangifte over november overschrijft de eerdere aangifte over november, maar de eerdere correctie
over juli blijft in tact. Hoewel u bij de nieuwe aangifte over november geen correctie bijvoegt, moet
u wel het correctiesaldo van € 1.000 over juli overnemen in deze aangifte. Dus u moet betalen: €
12.500 + € 1.000 = € 13.500.
Let op!
U moet de nieuwe, verbeterde aangifte volledig invullen. Vul dus ook de gegevens in die niet
veranderd zijn. Als u de verbeterde aangifte niet volledig invult, gaan de gegevens verloren die u bij de
eerdere aangifte hebt aangeleverd, maar die u nu niet hebt ingevuld. Als u in de verbeterde aangifte
bijvoorbeeld alleen de collectieve gegevens opneemt, dus zonder de werknemersgegevens, worden de
werknemersgegevens uit uw eerdere aangifte verwijderd uit de polisadministratie.
12.2.2 Aanvullende aangifte verzenden
Is de aangiftetermijn van het tijdvak dat u wilt corrigeren, nog niet voorbij? Dan kunt u een aanvullende
aangifte verzenden, op zijn laatst op de uiterste aangiftedatum. Dat kan alleen als uw softwarepakket
de aanvullende aangifte ondersteunt. Als u een aanvullende aangifte verzendt, geeft uw software met de
aangifte de aanduiding mee dat het om een aanvullende aangifte gaat.
Hebt u vragen over hoe u een aanvullende aangifte moet verzenden, neem dan contact op met uw
softwareleverancier.
Let op!
Kunt u geen aanvullende aangifte doen? Dan moet u de volledige aangifte opnieuw doen (zie paragraaf
12.2.1). U kunt geen aanvullende aangifte doen:
– met ons aangifteprogramma
– met een softwarepakket dat deze mogelijkheid niet ondersteunt
De aanvullende aangifte overschrijft alle gegevens van het collectieve deel van uw vorige aangifte. Ook
overschrijft de aanvullende aangifte alle gegevens van de inkomstenverhoudingen voor wie u 1 of meer
wijzigingen opneemt. De gegevens van de inkomstenverhoudingen die u niet vermeldt, worden niet
overschreven: ze blijven onveranderd in de polisadministratie staan.
Een aanvullende aangifte bestaat uit de volgende gegevens:
– de aanduiding dat het gaat om een aanvullende aangifte
Uw software zorgt daarvoor.
– een volledig ingevuld collectief deel, ook als er in dit deel niets is veranderd
– alle gegevens van de inkomstenverhoudingen waarvoor u iets wilt veranderen
U vermeldt dus ook de ongewijzigde gegevens van die inkomstenverhoudingen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 134
– alle gegevens van de inkomstenverhoudingen die u toevoegt
– de aanduiding dat het gaat om een intrekking als u een inkomstenverhouding wilt verwijderen waarvoor u
ten onrechte aangifte hebt gedaan
Uw software zorgt daarvoor.
Let op!
Als u in uw software niet aangeeft dat u een aanvullende aangifte wilt doen, geeft de software de
aanduiding ‘aanvullend’ niet mee en zien wij de aangifte als een volledige nieuwe aangifte (zie paragraaf
12.2.1). Uw eerdere aangifte wordt dan helemaal overschreven.
Voorbeeld
Op 12 april hebt u over maart aangifte gedaan voor 100 inkomstenverhoudingen. Op
20 april ontdekt u dat u bij 10 inkomstenverhoudingen te weinig loon hebt aangegeven. U verzendt
voor het eind van de aangiftetermijn een aanvullende aangifte over maart met alle gegevens van
deze 10 inkomstenverhoudingen én het nieuwe collectieve deel. De collectieve gegevens en de
gegevens van de 10 inkomstenverhoudingen worden veranderd, de gegevens van de andere 90
inkomstenverhoudingen blijven onveranderd. Als u niet aangeeft dat het om een aanvullende
aangifte gaat, wordt de aangifte gezien als een volledige nieuwe aangifte en gaan de gegevens van
de andere 90 inkomstenverhoudingen verloren.
12.2.3 Correctie bij een aangifte verzenden
Is de aangiftetermijn van het tijdvak dat u wilt corrigeren voorbij? Dan verzendt u een correctie bij een
aangifte over een tijdvak van hetzelfde kalenderjaar waarvan de aangiftetermijn nog niet voorbij is. Deze
manier van corrigeren kunt u gebruiken bij alle manieren van aangifte doen. Zie paragraaf 12.3.2 voor meer
informatie over het verzenden van een correctie bij een aangifte.
Let op!
In een aantal gevallen verzendt u de correctie niet bij een aangifte, maar verzendt u een losse correctie
(zie paragraaf 12.2.4).
Als u de fout of onvolledigheid zelf hebt ontdekt of als wij u een correctieverzoek sturen, verzendt u uw
correctie bij de eerstvolgende of daaropvolgende aangifte. Als u een correctieverplichting van ons hebt
gekregen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een boekenonderzoek, staat in de correctieverplichting wanneer u
uw correctie uiterlijk moet verzenden.
Als u 1 of meer correcties bij een aangifte verzendt, verrekent u het saldo van die correctie(s) met die
aangifte (zie paragraaf 12.3.2).
12.2.4 Losse correctie verzenden
Een losse correctie is een correctie die u los van een aangifte loonheffingen verzendt. Alleen in de volgende
gevallen verzendt u een losse correctie:
– U hoeft geen aangifte loonheffingen meer te doen. U hebt dan een ‘Mededeling Intrekking aangiftebrief’
van ons gekregen.
– U maakt gebruik van de artiesten- en beroepssportersregeling en doet niet periodiek aangifte.
– U doet aangifte per halfjaar of per jaar.
– U moet een correctie indienen over een tijdvak van een vorig kalenderjaar en de aangiftetermijn van het
laatste tijdvak van dat jaar is voorbij.
Deze manier van corrigeren kunt u gebruiken bij alle manieren van aangifte doen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 135
In een losse correctie moeten in het collectieve deel altijd de collectieve gegevens van alle
inkomstenverhoudingen staan. Bij de werknemersgegevens hoeven alleen de gewijzigde
inkomstenverhoudingen te staan. Maar als u aangifte doet met ons aangifteprogramma, moet u alle
inkomstenverhoudingen opgeven, ook als ze niet gewijzigd zijn.
Voorbeeld losse correctie
Het is 13 maart 2019. U hebt over mei 2018 aangifte gedaan voor 5 inkomstenverhoudingen, voor
een bedrag van € 10.000. U hebt vergeten een inkomstenverhouding op te geven en u wilt uw
aangifte corrigeren. De aangiftetermijn van het laatste aangiftetijdvak van 2018 is al voorbij. U
moet dus een losse correctie verzenden. Voor de inkomstenverhouding die u niet hebt opgegeven,
moet u € 1.000 betalen.
In het collectieve deel van de losse correctie moeten de collectieve gegevens van alle
inkomstenverhoudingen staan, met een totaalbedrag van € 11.000. Bij de werknemersgegevens
moeten, als u aangifte- of administratiesoftware gebruikt, alleen de gegevens van de
ontbrekende inkomstenverhouding staan. Gebruikt u ons aangifteprogramma, dan vult u de
werknemersgegevens van alle inkomstenverhoudingen in.
Voor het verschil van € 1.000 krijgt u van ons een naheffingsaanslag.
Denk eraan dat het corrigeren van loongegevens ook gevolgen kan hebben voor bedragen van latere
aangiften die u hebt berekend met de methode van het voortschrijdend cumulatief rekenen (zie paragraaf
5.7.3). Dan moet u ook die aangiften corrigeren.
Als u de fout of onvolledigheid zelf ontdekt, verzendt u de losse correctie binnen 8 weken nadat u dit hebt
ontdekt. Als u van ons een correctieverzoek of een correctieverplichting hebt gekregen, staat hierin wanneer
u uw correctie uiterlijk moet verzenden.
Als u uw losse correctie hebt verzonden, berekenen wij het verschil tussen uw eerdere aangifte of eerdere
correctie en deze correctie. Bij een positief verschil krijgt u een naheffingsaanslag. Bij een negatief verschil
krijgt u van ons een teruggaaf: wij betalen het te veel betaalde bedrag terug of wij verrekenen dat met
openstaande schulden.
12.3 Correcties over 2019
Als u een aangifte loonheffingen over 2019 wilt corrigeren, zijn er 2 situaties mogelijk:
– De aangiftetermijn van de aangifte die u wilt corrigeren, is nog niet voorbij (zie paragraaf 12.3.1).
– De aangiftetermijn van de aangifte die u wilt corrigeren, is al voorbij (zie paragraaf 12.3.2).
12.3.1 Aangiftetermijn is nog niet voorbij
Hoe u de aangifte corrigeert als de aangiftetermijn nog niet voorbij is, hangt af van de manier waarop u
aangifte doet.
U doet aangifte met ons aangifteprogramma
Als u ons aangifteprogramma gebruikt, verbetert u de aangiftegegevens en verzendt u de volledige aangifte
opnieuw (zie paragraaf 12.2.1). Met ons aangifteprogramma kunt u geen aanvullende aangifte doen.
U doet aangifte met andere aangifte- of administratiesoftware
Als u andere aangifte- of administratiesoftware gebruikt, verbetert u de aangiftegegevens en verzendt u de
volledige aangifte opnieuw (zie paragraaf 12.2.1). Maar u kunt ook kiezen voor een aanvullende aangifte, als
dit met uw softwarepakket mogelijk is (zie paragraaf 12.2.2).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 136
12.3.2 Aangiftetermijn is al voorbij
Als de aangiftetermijn van de aangifte die u wilt corrigeren, al voorbij is, moet u een correctie verzenden bij
een aangifte waarvan de aangiftetermijn nog niet voorbij is. In sommige gevallen moet u een losse correctie
verzenden (zie paragraaf 12.2.4).
Welke gegevens moet u invullen?
Welke gegevens u bij zo’n correctie moet invullen, hangt af van de manier waarop u aangifte doet.
U doet aangifte met ons aangifteprogramma
Met ons aangifteprogramma kunt u correcties bij een aangifte verzenden of losse correcties verzenden. In
beide gevallen moet u alle gegevens invullen van de aangifte die u corrigeert, dus ook alle gegevens van alle
inkomstenverhoudingen die niet veranderd zijn.
U doet aangifte met andere aangifte- of administratiesoftware
Met andere aangifte- of administratiesoftware kunt u correcties bij een aangifte verzenden of losse correcties
verzenden. In beide gevallen geldt:
– Als de correctie alleen betrekking heeft op het collectieve deel van een aangifte, dan hoeft u alleen het
collectieve deel in te vullen en te verzenden. Het gaat dan bijvoorbeeld om correcties in de eindheffingen
of afdrachtverminderingen. U hoeft de werknemersgegevens dan niet mee te zenden.
– Als de correctie betrekking heeft op werknemersgegevens, dan geldt het volgende:
– U moet van de inkomstenverhoudingen waarbij u 1 of meer fouten of onvolledigheden wilt corrigeren,
alle gegevens invullen, dus niet alleen de verbeterde gegevens. U hoeft de gegevens van de
inkomstenverhoudingen waarvoor niets verandert, niet mee te zenden.
– U moet altijd het collectieve deel van de aangifte volledig invullen, ook als daarin niets is veranderd.
Let op!
Bij het corrigeren van fouten in de werknemersgegevens gaat het om het verbeteren van bedragen,
van indicaties (bijvoorbeeld wel of niet verzekerd) en van gegevens die geen invloed hebben op de
loonheffingen (bijvoorbeeld namen, geboortedatums, coderingen).
Correcties verrekenen
Positieve of negatieve correcties – ofwel: eerder te weinig of te veel aangegeven bedragen – moet u
verrekenen met de aangifte waarbij u de correctie(s) verzendt. Als u correcties bij een aangifte verzendt,
betaalt u over dat aangiftetijdvak dus de loonheffingen over het aangiftetijdvak, vermeerderd of verminderd
met het totaal van alle bijgevoegde correcties. Daarom moet u ook per correctietijdvak het verschil aangeven
tussen de loonheffingen van de gecorrigeerde aangifte en de loonheffingen die u eerder hebt aangegeven
over het tijdvak dat u corrigeert.
Voorbeeld
Over januari en februari hebt u € 10.000 aangegeven en betaald. In april ontdekt u dat u in
januari een afdrachtvermindering van € 2.000 bent vergeten te claimen en dat u over februari
€ 1.000 te weinig hebt aangegeven. U had over januari maar € 8.000 moeten betalen en over
februari € 11.000. U moet dit corrigeren. De aangifte over maart hebt u nog niet gedaan. Over dit
aangiftetijdvak moet u € 11.000 aan loonheffingen betalen. Bij de aangifte over maart verzendt
u de correctie over januari en februari. De € 2.000 die u over januari te veel betaald hebt, en de
€ 1.000 die u over februari te weinig betaald hebt, verrekent u met het bedrag over maart. U
betaalt over maart dus € 11.000 – € 2.000 + € 1.000 = € 10.000.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 137
Negatieve correctie is geen bezwaar
Een negatieve correctie (dat wil zeggen dat u eerder te veel hebt aangegeven) is geen bezwaar. Als u de
negatieve correctie bij een aangifte verzendt, verrekent u zelf het correctiesaldo met het totaalbedrag van
de loonheffingen over dat aangiftetijdvak. Als het bedrag van de aangifte samen met 1 of meer correcties tot
een negatief bedrag leidt, krijgt u van ons een teruggaaf: wij betalen het te veel betaalde bedrag terug of
verrekenen dat met openstaande schulden. Bij negatieve losse correcties (zie paragraaf 12.2.4) krijgt u voor
het verschil over dat aangiftetijdvak een teruggaaf. Als later blijkt, bijvoorbeeld bij een boekenonderzoek, dat
deze teruggaaf onterecht was, kunnen we erop terugkomen.
Onterechte of onjuiste correctie
Hebt u bij een aangifte ten onrechte een correctie van een eerdere aangifte verzonden? Of hebt u fouten in
de correctie gemaakt? Dan staan daardoor in onze administratie en in de polisadministratie bij UWV foute
gegevens. U kunt een eerdere correctie niet intrekken. U moet de fout herstellen met een nieuwe correctie.
Dat doet u als volgt:
Als de aangiftetermijn nog niet voorbij is
– Neem de aangifte waarbij u de onterechte of onjuiste correctie hebt verzonden.
– Voeg bij deze aangifte opnieuw een correctie over het onterecht of onjuist gecorrigeerde aangiftetijdvak.
Vermeld in deze correctie de juiste gegevens.
– Verzend de aangifte opnieuw (als volledige of aanvullende aangifte).
– Zorg ervoor dat u het juiste bedrag aan ons betaalt. Betaal zo nodig een bedrag bij. Hebt u door uw
onterechte of onjuiste correctie te veel betaald? Dan betalen wij het te veel betaalde bedrag terug of
verrekenen dat met openstaande schulden.
Voorbeeld
U hebt aangifte gedaan over november. Over dat tijdvak moet u € 10.000 betalen. Bij de aangifte
over november hebt u een correctie over juli meegestuurd, met een correctiesaldo van € 1.000. U
moet dan in totaal € 11.000 betalen.
Uw eerdere correctie over juli blijkt onjuist. U verzendt de ongewijzigde aangifte over november
opnieuw met een correctie over juli, nu met een correctiesaldo van € 800. De nieuwe correctie over
juli overschrijft de eerdere correctie over juli. U moet dan in totaal € 10.800 betalen.
Als de aangiftetermijn voorbij is
Voeg bij de eerstvolgende aangifte een correctie over het onterecht of onjuist gecorrigeerde aangiftetijdvak.
Vermeld in deze correctie de juiste gegevens.
12.4 Correcties over 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018
Moet u in 2019 een aangifte corrigeren over een aangiftetijdvak van 2014, 2015, 2016, 2017 of 2018? Dan
gebruikt u daarvoor de aangifte- of administratiesoftware van het betreffende jaar. Want bij een correctie
over 2014, 2015, 2016, 2017 of 2018 horen de specificaties van die jaren. U moet dan ook bijvoorbeeld de
tabellen, percentages en heffingskortingen van die jaren gebruiken.
Let op!
Aangiften over 2013 kunt u niet meer corrigeren. Alleen in de volgende 2 gevallen kunt u nog tot en met
31 maart 2019 een aangifte over 2013 corrigeren:
– U hebt van ons een correctieverplichting over 2013 gekregen voor een correctie die u in 2019 moet
doen.
– U hebt over 2013 te veel of te weinig aangegeven en wij hebben daarover van u vóór 1 januari 2019
een brief gekregen. In dit geval kunnen wij u alsnog vragen om een correctie te verzenden.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 138
Aangiften over 2012 en eerder kunt u niet meer corrigeren.
12.4.1 Correcties over 2014, 2015, 2016 of 2017
Wilt u in 2019 een correctie verzenden over 2014, 2015, 2016 of 2017? Dan kunt u dat alleen doen met een
losse correctie (zie paragraaf 12.2.4).
12.4.2 Correcties over 2018
Wilt u in 2019 een correctie over 2018 verzenden, dan zijn er 2 situaties mogelijk:
– De aangiftetermijn van het laatste aangiftetijdvak in 2018 is nog niet voorbij.
– De aangiftetermijn van het laatste aangiftetijdvak in 2018 is al voorbij.
Aangiftetermijn van het laatste aangiftetijdvak in 2018 is nog niet voorbij
Hoe u correcties verzendt als de aangiftetermijn van het laatste tijdvak in 2018 nog niet voorbij is, hangt af
van de manier waarop u aangifte doet.
U doet aangifte met ons aangifteprogramma
U verzendt de correctie met de aangifte over het laatste tijdvak van 2018. Hebt u de aangifte over het
laatste tijdvak van 2018 al gedaan, dan verzendt u die aangifte nog een keer in zijn geheel (zie paragraaf
12.2.1) met daarbij de correcties voor elke aangifte over 2018 die u moet corrigeren (zie paragraaf
12.3.2). Die correcties bevatten altijd alle collectieve gegevens en alle werknemersgegevens, ook van de
inkomstenverhoudingen waarbij niets is veranderd.
U doet aangifte met andere aangifte- of administratiesoftware
U verzendt de correctie met de aangifte over het laatste tijdvak van 2018. Hebt u die aangifte al gedaan, dan
kunt u op 2 manieren correcties verzenden:
– U verzendt de volledige aangifte over het laatste aangiftetijdvak van 2018 nog een keer, ook als daarin
niets is veranderd (zie paragraaf 12.2.1), en u verzendt daarbij correcties voor elke aangifte over 2018
die u moet corrigeren (zie paragraaf 12.3.2).
– Als dit met uw software kan, kunt u een aanvullende aangifte verzenden over het laatste aangiftetijdvak
van 2018 (zie paragraaf 12.2.2), waarbij u correcties verzendt voor elke aangifte over 2018 die u moet
corrigeren (zie paragraaf 12.3.2). Wilt u alleen iets in de collectieve gegevens van eerdere aangiften
veranderen, dan bestaat de aanvullende aangifte over het laatste aangiftetijdvak van 2018 alleen uit een
volledig ingevuld collectief deel. De correcties die u bijvoegt, bestaan ook alleen uit een volledig ingevuld
collectief deel. U hoeft geen werknemersgegevens in te vullen.
Voorbeeld
Het is 20 januari 2019. U hebt de aangifte over december 2018 al gedaan en u wilt de aangifte over
juli 2018 corrigeren. U moet dan de aangifte over december 2018 opnieuw verzenden, ook als er
niets in de gegevens over december verandert. Dat doet u als een volledige aangifte (zie paragraaf
12.2.1) of als een aanvullende aangifte (zie paragraaf 12.2.2). Samen met deze aangifte verzendt u
een correctie over juli 2018. In deze correctie vermeldt u de gegevens die u moet corrigeren zoals
eerder beschreven (zie paragraaf 12.3.2).
Denk eraan dat het corrigeren van loongegevens ook gevolgen kan hebben voor bedragen van latere
aangiften die u hebt berekend met de methode van het voortschrijdend cumulatief rekenen (zie paragraaf
5.7.3). Dan moet u ook die aangiften corrigeren.
Aangiftetermijn van het laatste aangiftetijdvak in 2018 is al voorbij
Wilt u in 2019 een correctie over 2018 verzenden terwijl de aangiftetermijn van het laatste aangiftetijdvak
van 2018 al voorbij is? Dan kan dat alleen door een losse correctie te verzenden (zie paragraaf 12.2.4).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 139
12.5 Belastingrente en boetes bij corrigeren
Als u aangiften corrigeert, kunt u 1 of meer boetes krijgen. Corrigeert u aangiften over een vorig jaar? Dan
moet u mogelijk ook belastingrente betalen. U kunt ook belastingrente vergoed krijgen.
12.5.1 Belastingrente
De periode waarover wij belastingrente berekenen, hangt af van de vraag of u nog een bedrag moet betalen
of een bedrag terugkrijgt.
U moet nog een bedrag betalen
Als uw correctie betekent dat u nog een bedrag moet betalen over een vorig jaar, betaalt u belastingrente
over dat bedrag. De belastingrente is gelijk aan het wettelijk rentepercentage voor niet-handelstransacties.
Belastingrente betalen
Wij berekenen de belastingrente over de periode vanaf 1 januari van het jaar na het jaar waarop de correctie
betrekking heeft, tot en met de datum waarop u de naheffingsaanslag uiterlijk betaald moet hebben: de
datum van de naheffingsaanslag plus 14 kalenderdagen.
Let op!
Wij berekenen geen belastingrente als u op eigen initiatief of na een correctieverzoek een correctie over
een vorig jaar verzendt vóór 1 april van het daaropvolgende jaar.
U krijgt een bedrag terug
Als uw correctie betekent dat u over een vorig jaar te veel hebt aangegeven en betaald, krijgt u
belastingrente over de teruggaaf.
Belastingrente krijgen
Bij teruggaafbeschikkingen vergoeden wij belastingrente in de volgende situaties:
– U hebt een negatieve losse correctie gedaan en wij doen er langer dan 8 weken over om een teruggaaf te
verlenen. In dit geval start de renteperiode 8 weken na ontvangst van de correctie.
– U hebt een negatieve losse correctie gedaan en u hebt van ons een beschikking gekregen waarin staat
dat u daarvoor geen teruggaaf krijgt. We komen daar later op terug en u krijgt de teruggaaf alsnog. In
dit geval start de renteperiode 8 weken na ontvangst van de correctie.
– U hebt bezwaar gemaakt tegen de hoogte van uw aangifte. U hebt de loonheffingen wel betaald. Wij
hebben uw bezwaar afgewezen, maar we komen daar later op terug en u krijgt alsnog een teruggaaf. In
dit geval start de renteperiode de dag na de betaling van de loonheffingen.
Is de startdatum van de renteperiode eerder dan 1 april van het jaar dat volgt op het jaar waarover de
teruggaaf gaat, dan start de renteperiode op 1 april. De renteperiode eindigt altijd 14 dagen na de datum op
de teruggaafbeschikking.
Let op!
Moet u nog betalen of terugkrijgen over 2011 of eerder? Dan wordt geen belastingrente, maar
heffingsrente berekend. Meer informatie hierover vindt u in paragraaf 12.5.1 van het handboek
loonheffingen van 2016. U kunt het handboek 2016 downloaden.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 140
12.5.2 Boetes
Als u een correctie verzendt, kunt u een boete krijgen voor de volgende verzuimen:
– betaalverzuim vanwege een foute of onvolledige aangifte
– aangifteverzuim vanwege een foute of onvolledige aangifte
– correctieverzuim
Betaalverzuim vanwege een foute of onvolledige aangifte
Als uw correctie betekent dat u een bedrag moet bijbetalen, betaalt u de loonheffingen te laat.
Als u de correcties verzendt en er is geen sprake van een vergrijpboete (zie hierna), krijgt u geen boete als
het totale bedrag van de correcties op jaarbasis € 20.000 of minder is. U krijgt ook geen boete als het totale
bedrag dat u nog moet betalen, meer dan € 20.000 is, maar minder dan 10% van het bedrag dat u eerder
hebt betaald over de aangiften die u nu corrigeert. In alle andere gevallen krijgt u een boete van 5% van het
totale bedrag. De boete is maximaal € 5.278.
Vergrijpboete
In plaats van een betaalverzuimboete kunt u een vergrijpboete krijgen. Dan moet er wel sprake zijn van
grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. Voordat u een vergrijpboete krijgt, sturen wij u een brief waarin wij
aangeven waarom wij vinden dat er sprake is van grove schuld of (voorwaardelijke) opzet. U kunt daar nog
op reageren voordat wij de boete definitief vaststellen.
U kunt ook na een betaalverzuimboete een vergrijpboete voor hetzelfde aangiftetijdvak krijgen. Dat kan
alleen als aan de volgende 2 voorwaarden is voldaan:
– Wij krijgen na het opleggen van de betaalverzuimboete nieuwe informatie. Als nieuwe informatie geldt
een verklaring van uzelf of van anderen en informatie uit uw administratie (ook digitaal).
– De nieuwe informatie zou tot een vergrijpboete hebben geleid als die informatie bij ons bekend was
geweest voordat we u een betaalverzuimboete gaven.
Het bedrag van de betaalverzuimboete trekken wij af van de vergrijpboete.
Aangifteverzuim vanwege een foute of onvolledige aangifte
Als u aangifte hebt gedaan en deze aangifte corrigeert, was de eerdere aangifte fout of onvolledig. U
kunt daarvoor dan een aangifteverzuimboete krijgen. Voorlopig gaan wij met het vaststellen van deze
aangifteverzuimboetes terughoudend om. Voor deze aangifteverzuimboetes geldt het volgende:
– Corrigeert u een aangifte op eigen initiatief, dan krijgt u geen aangifteverzuimboete.
– Corrigeert u een aangifte omdat wij u daartoe verplicht hebben, dan kunt u een aangifteverzuimboete
van € 65 krijgen. Maar als u bijvoorbeeld keer op keer fout of onvolledig aangifte doet, kunt u een hogere
verzuimboete krijgen, met een maximum van € 1.319. Als u tegelijkertijd meer dan 1 correctie verzendt
bij een aangifte of als losse correctie, beschouwen wij dat ten hoogste als 1 aangifteverzuim.
Correctieverzuim
Als u een correctie niet, niet op tijd, fout of onvolledig verzendt, is er sprake van een correctieverzuim. Wij
gaan terughoudend om met het vaststellen daarvan. Maar als u bijvoorbeeld keer op keer de correcties niet,
te laat, fout of onvolledig verzendt, kunt u een boete van maximaal € 1.319 krijgen.
Corrigeren bij nabetalingen als u ‘loon over’ gebruikt
Bij administraties die zijn gebaseerd op ‘loon over’, mag u nabetalingen verwerken in het aangiftetijdvak
waarop de nabetaling betrekking heeft. Dat aangiftetijdvak moet wel liggen in hetzelfde kalenderjaar als
waarin u de nabetaling doet (zie paragraaf 7.2.1). Bij zo’n nabetaling verzendt u een correctie terwijl uw
eerdere aangifte niet fout was. Aan uw correctie kunnen wij niet zien dat het een loon-over-correctie is.
Daarom stellen wij soms ten onrechte een betaalverzuim vast. Maak daartegen dan bezwaar.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 141
12.6 Schema correcties over 2019, 2018, 2017, 2016, 2015 en 2014
In de volgende 3 schema’s ziet u hoe u in 2019 aangiften moet corrigeren.
Aangiften over 2019 corrigeren
Met Aangiftetermijn niet voorbij (zie paragraaf
12.3.1)
Aangiftetermijn wel voorbij (zie paragraaf 12.3.2)
Aangifteprogramma
van de Belastingdienst
U verzendt de aangifte volledig opnieuw. U verzendt een correctie bij de eerstvolgende of
daaropvolgende aangifte.
Andere software – U verzendt de aangifte volledig opnieuw.
– U verzendt een aanvullende aangifte (als
dat met uw software kan).
U verzendt een correctie bij de eerstvolgende of
daaropvolgende aangifte.
Aangiften over 2018 corrigeren
Met Aangiftetermijn laatste tijdvak niet voorbij (zie
paragraaf 12.4.2)
Aangiftetermijn laatste tijdvak wel voorbij (zie
paragraaf 12.4.2)
Aangifteprogramma
van de Belastingdienst
U verzendt de aangifte over het laatste tijdvak
volledig opnieuw, met een correctie over 1 of
meer tijdvakken.
U verzendt voor elk tijdvak een losse correctie.
Andere software U verzendt de aangifte over het laatste tijdvak
opnieuw als:
– volledige aangifte
– aanvullende aangifte (als dat met uw
software kan)
Bij deze aangifte verzendt u een correctie over
1 of meer tijdvakken.
U verzendt voor elk tijdvak een losse correctie.
Aangiften over 2017, 2016, 2015 en 2014 corrigeren
Met Alle gevallen (zie paragraaf 12.4.1)
Aangifteprogramma van de
Belastingdienst
U verzendt voor elk tijdvak een losse correctie.
Andere software U verzendt voor elk tijdvak een losse correctie.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 142
Stap 13 Jaaropgaaf aan werknemers geven
U moet aan elke werknemer of uitkeringsgerechtigde (hierna: werknemer) na afloop van het jaar een
jaaropgaaf geven, ook als de werknemer er zelf niet om vraagt. Als de werknemer in de loop van het jaar uit
dienst gaat of als de uitkering stopt, mag u de jaaropgaaf ook dan al geven. Hoeveel jaaropgaven u geeft,
hangt af van de situatie (zie paragraaf 13.1).
De jaaropgaaf is vormvrij (zie paragraaf 13.2). Op de jaaropgaaf vermeldt u in ieder geval de verplichte
gegevens (zie paragraaf 13.3). U mag daarnaast ook andere gegevens vermelden.
13.1 Aantal jaaropgaven
Hoeveel jaaropgaven u een werknemer geeft, hangt af van de situatie.
Jaaropgaaf bij meerdere inkomstenverhoudingen
U moet voor iedere dienstbetrekking een jaaropgaaf geven. Hebt u een werknemer meerdere keren
in de aangifte loonheffingen opgenomen, dus onder verschillende nummers inkomstenverhouding (zie
paragraaf 3.4)? En horen die inkomstenverhoudingen bij 1 dienstbetrekking? Dan mag u voor alle
inkomstenverhoudingen samen 1 jaaropgaaf geven. Maar om vragen van uw werknemer te voorkomen,
kunt u beter voor iedere inkomstenverhouding apart een jaaropgaaf geven. Want dan kan uw werknemer
bijvoorbeeld makkelijker de gegevens controleren van de vooraf ingevulde aangifte inkomstenbelasting of
van zijn digitaal verzekeringsbericht (zie hoofdstuk 11).
Jaaropgaaf bij samenhangende groep inhoudingsplichtigen
Werkt een werknemer bij 2 of meer inhoudingsplichtigen binnen een samenhangende groep
inhoudingsplichtigen (zie paragraaf 3.6), dan moet elke inhoudingsplichtige aan deze werknemer
een jaaropgaaf geven. De verschillende jaaropgaven mogen ook in 1 document staan, als u deze per
inhoudingsplichtige maar apart vermeldt.
13.2 Jaaropgaaf vormvrij
U kunt een model jaaropgaaf voor 2019 downloaden van belastingdienst.nl. U bent niet verplicht dit model te
gebruiken, want de jaaropgaaf is vormvrij.
U kunt kiezen uit de volgende mogelijkheden:
– U gebruikt uw eigen formulieren.
– U gebruikt de jaaropgaaf zoals die door uw aangifte- of administratiesoftware wordt samengesteld.
– U gebruikt een digitale jaaropgaaf.
– U gebruikt de laatste loonstrook die u aan de werknemer geeft als jaaropgaaf.
– U gebruikt onze modeljaaropgaaf.
Maakt u geen gebruik van ons model? Zorg er dan wel voor dat de gegevens die op ons model staan,
terugkomen op de jaaropgaaf die u aan uw werknemers geeft.
Geeft u de jaaropgaaf digitaal aan uw werknemers? Dan is het handig als uw werknemer de digitale opgaaf
ook nog kan bekijken als hij niet meer bij u in dienst is. De werknemer kan de jaaropgaaf dan nog nodig
hebben.
Gebruikt u de laatste (digitale) loonstrook van het jaar als jaaropgaaf? Zet op deze loonstrook dan alle
cumulatieve verplichte gegevens (zie paragraaf 13.3). U moet uw werknemers er wel op wijzen welke
gegevens op de laatste loonstrook van het jaar hun jaaropgaaf vormen.
13.3 Verplichte gegevens op de jaaropgaaf 2019
Op de jaaropgaaf moet in ieder geval het volgende staan:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 143
– naam- en adresgegevens van de werknemer
– naam- en adresgegevens van de werkgever
– het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen dat de werknemer in 2019 heeft gekregen (kolom 14
van de loonstaat)
Als er sprake is van gage in de zin van de artiesten- en beroepssportersregeling, telt u hier het bedrag
van de kleinevergoedingsregeling en de kostenvergoedingsbeschikking (kolom 7 van de loonstaat) bij op.
Zie voor meer informatie de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de
handleiding voor 2019 in de loop van het jaar downloaden van belastingdienst.nl.
– de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u hebt ingehouden (kolom 15 van de loonstaat)
– het totaalbedrag van de arbeidskorting die u hebt verrekend (kolom 18 van de loonstaat)
– het burgerservicenummer van de werknemer
– het loon voor de Zvw (kolom 12 van de loonstaat)
– het totaalbedrag van de levensloopverlofkorting die u hebt verrekend (kolom 19 van de loonstaat)
– of u bij de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen rekening hebt gehouden met de
loonheffingskorting en per wanneer
– de bijdrage Zvw die u hebt ingehouden op het nettoloon van de werknemer (kolom 16 van de loonstaat)
– de werkgeversheffing Zvw
Dit is het bedrag voor de Zvw dat voor uw rekening is en dat u aan ons betaalt.
– het totaal van de premies werknemersverzekeringen
Dit is het totale bedrag dat u voor de werknemer betaalt aan premies werknemersverzekeringen. U vult
hier geen premie in voor een eventuele particuliere verzekering. En u houdt geen rekening met de WGApremie die u eventueel op de werknemer hebt verhaald. Valt de werknemer niet onder het Nederlandse
socialezekerheidsstelsel, dan vult u hier niets in.
Gemoedsbezwaarden
Wij hebben geen apart model jaaropgaaf voor gemoedsbezwaarde werknemers of werkgevers. Als u ons
model of een eigen jaaropgaaf gebruikt, moet u de namen van de rubrieken ‘ingehouden loonbelasting/
premie volksverzekeringen’ en ‘ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet’ aanpassen. In plaats
daarvan vermeldt u ‘ingehouden loonbelasting/premievervangende loonbelasting’ en ‘ingehouden
bijdragevervangende loonbelasting’ (zie hoofdstuk 27). In die rubrieken vermeldt u de bedragen
van de premievervangende loonbelasting en de bijdragevervangende loonbelasting. Bent u een
gemoedsbezwaarde werkgever, dan vermeldt u bovendien onder ‘totaal premies werknemersverzekeringen’
de premievervangende loonbelasting.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 144
Stap 14 Informatieplicht
U kunt verschillende soorten controlebezoeken van ons krijgen. Veel voorkomende bezoeken zijn:
– een boekenonderzoek (zie paragraaf 14.1)
Wij controleren of de aangiften van uw onderneming in orde zijn.
– een bedrijfsbezoek (zie paragraaf 14.2)
Wij voeren met u een gesprek over uw bedrijf en uw bedrijfsvoering. Ook kunnen wij voorlichting geven
en afspraken met u maken.
– een zogenoemde waarneming ter plaatse (zie paragraaf 14.3)
Wij verzamelen informatie over de gang van zaken in uw onderneming.
U bent verplicht aan een controle mee te werken (zie paragraaf 14.4).
Wij kunnen u niet alleen tijdens een controlebezoek, maar ook schriftelijk vragen om informatie (zie
paragraaf 14.5).
Bewaarplicht
Voor uw loonadministratie geldt een bewaarplicht. Zie paragraaf 3.5 voor meer informatie over de
bewaartermijn en de bewaarplaats van uw loonadministratie.
14.1 Boekenonderzoek
Wij kondigen een boekenonderzoek van tevoren aan. Het boekenonderzoek is een controle van uw aangiften.
Het kan gaan om een onderzoek over een bepaalde periode of om controle van bepaalde onderdelen van uw
aangifte. Van elk boekenonderzoek maken wij een verslag. U krijgt hier een kopie van. Als u het niet eens
bent met het verslag, kunt u hierop reageren.
14.2 Bedrijfsbezoek
Wij kondigen een bedrijfsbezoek meestal van tevoren schriftelijk aan. In de brief staat wanneer wij uw
bedrijf gaan bezoeken en het doel van ons bezoek. Tijdens zo’n bedrijfsbezoek bespreken wij samen met
u aspecten van uw bedrijf en uw bedrijfsvoering. Ook kunnen wij voorlichting geven en afspraken met u
maken, bijvoorbeeld over uw administratie, uw bewaarplicht en de sectoraansluiting. Van elk bedrijfsbezoek
maken wij een verslag. U krijgt hier een kopie van. Als u het niet eens bent met het verslag, kunt u hierop
reageren.
14.3 Waarneming ter plaatse
Bij een waarneming ter plaatse willen wij inzicht krijgen in de dagelijkse gang van zaken in uw onderneming.
Wij kunnen bijvoorbeeld kijken of uw administratie goed is bijgehouden en hoeveel personeel er aanwezig is.
Als iets niet in orde is, wijzen wij u daar meteen op. De gegevens die wij tijdens de waarneming ter plaatse
verzamelen, gebruiken wij direct of later voor de controle van uw aangiften.
De 1e keer dat wij bij u 1 of meer waarnemingen ter plaatse willen doen, kondigen wij dit meestal van
tevoren schriftelijk aan. In de brief staat niet wanneer wij de waarneming ter plaatse gaan doen en ook niet
het aantal waarnemingen. Een eventueel vervolgbezoek kan op dezelfde dag plaatsvinden, maar ook later.
Wel leest u in de brief waarop wij ons tijdens de waarneming(en) ter plaatse richten en welke gegevens u bij
de hand moet houden.
Als wij de waarneming ter plaatse niet van tevoren schriftelijk hebben aangekondigd, krijgt u tijdens de
waarneming dezelfde informatie als bij een vooraf aangekondigde waarneming.
Van een waarneming ter plaatse maken wij een verslag. U krijgt hier een kopie van. Als u het niet eens bent
met het verslag, kunt u hierop reageren.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 145
Meer informatie vindt u in de brochure ‘Waarneming ter plaatse’, die u kunt downloaden van
belastingdienst.nl.
14.4 Meewerken aan controle
U bent verplicht om mee te werken aan een controle. Dat houdt het volgende in:
– U moet onze medewerkers toegang geven tot de gebouwen waarin uw onderneming is gevestigd, behalve
als het om een woning gaat.
– U moet alle gegevens en inlichtingen geven die voor onze controle van belang kunnen zijn.
– U moet inzage geven in uw administratie en toestaan dat wij er kopieën van maken.
– U moet uitleggen hoe uw administratie is opgezet, zodat wij de controle binnen een redelijke termijn
kunnen afronden.
Deze verplichting om mee te werken aan een controle geldt ook als wij bij u een controle uitvoeren voor de
belastingheffing van derden. Als u bijvoorbeeld betalingen hebt gedaan aan een aannemer, kunnen wij bij u
nagaan of de bedragen in zijn administratie overeenkomen met de betalingen in uw administratie.
Bij controles leggen wij een verband tussen de aangiften, de jaaropgaven en de administratie. Daarom kunt u
het beste de berekeningen bewaren die u hebt gemaakt voor de aangiften en de eventuele jaarloonopgaven.
Als u een geautomatiseerde administratie hebt, kunt u onze controle ook vergemakkelijken door de Auditfile
van uw boekhoudpakket (de Auditfile Financieel), de Auditfile van uw salarispakket (de Auditfile Salaris) en
de Auditfile van uw rittenregistratiesysteem (de Auditfile Ritregistratie) te gebruiken. Bij de meeste pakketten
is dat mogelijk. Met de Auditfile kunt u snel de belangrijkste gegevens die wij nodig hebben voor de controle,
in een bestand opslaan.
14.5 Informatieverzoeken
Ook zonder controle kunnen wij u vragen om informatie te geven over uzelf of voor de belastingheffing van
derden. Dit kan bijvoorbeeld met een vragenbrief over een aangifte loonheffingen. U bent verplicht om mee
te werken aan dit verzoek om informatie.
Levert u de gevraagde gegevens niet of niet volledig, dan hoeft u dit niet bij ons te melden. Na afloop
van de termijn die in de vragenbrief staat, en na eventuele aanmaningen, kunnen wij u een zogenoemde
informatiebeschikking sturen. Hierin staat de reden van het verzoek om informatie. Werkt u nog steeds niet
mee aan ons verzoek? Dan kunnen wij een correctieverplichting en een naheffingsaanslag opleggen als uit
ons onderzoek blijkt dat u te weinig loonheffingen hebt ingehouden.
In de informatiebeschikking staat ook dat wij de omkering van de bewijslast toepassen als u niet meewerkt
aan het informatieverzoek en dat u een naheffingsaanslag krijgt. De omkering van de bewijslast heeft
2 gevolgen:
– U krijgt de bewijslast.
– Het verzwaart uw bewijslast. Dat wil zeggen dat het niet meer voldoende is dat u aannemelijk maakt dat
de naheffingsaanslag onjuist is, maar dat u dit overtuigend moet bewijzen.
Tegen de informatiebeschikking kunt u bezwaar maken en in beroep gaan.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 146
Stap 15 Einde van inhoudingsplicht of
dienstbetrekking
Bent u niet meer inhoudingsplichtig (zie paragraaf 15.1) of eindigt de dienstbetrekking van een werknemer
(zie paragraaf 15.2)? Dan moet u ons een aantal zaken doorgeven.
15.1 U bent niet meer inhoudingsplichtig
U bent niet meer inhoudingsplichtig als u aan beide volgende voorwaarden voldoet:
– U hebt geen personeel meer in dienst.
– U betaalt geen loon meer.
Verwacht u dat dit ten minste 12 maanden het geval zal zijn? Meld dit dan schriftelijk aan ons. Doe dit binnen
1 maand na afloop van het laatste aangiftetijdvak waarin u nog inhoudingsplichtig bent. Wij trekken dan de
aangifteverplichting voor toekomstige tijdvakken in. U krijgt een ‘Mededeling Intrekking aangiftebrief’. In
deze mededeling staat per wanneer u geen aangifte meer hoeft te doen. Zolang u deze mededeling niet hebt
gekregen, doet u nihilaangiften (zie paragraaf 11.2.3).
Hebt u een ‘Mededeling Intrekking aangiftebrief’ gekregen en moet u een eerdere aangifte corrigeren? Doe
dat dan met een losse correctie (zie paragraaf 12.2.4). U gebruikt daarbij het loonheffingennummer dat u als
inhoudingsplichtige had.
Als u naar verwachting korter dan 12 maanden geen personeel in dienst hebt, hoeft u dit niet aan ons te
melden. U moet in die periode wel nihilaangifte blijven doen.
Als u geen premies werknemersverzekeringen meer hoeft te betalen
Hebt u geen personeel meer waarvoor u premies werknemersverzekeringen betaalt, maar nog wel personeel
waarvoor u loonbelasting/premie volksverzekeringen inhoudt en werkgeversheffing Zvw betaalt? Dan blijft
u inhoudingsplichtig. U moet ons wel schriftelijk melden dat u geen premies werknemersverzekeringen
meer hoeft te betalen. Wij heffen dan uw sectoraansluiting(en) op. Zodra u weer personeel in dienst neemt
waarvoor u premies werknemersverzekeringen moet betalen, meldt u dit weer aan ons met het formulier
‘Melding Loonheffingen Premies werknemersverzekeringen betalen’. U kunt dit formulier downloaden van
belastingdienst.nl.
15.1.1 U draagt uw onderneming over
Als u uw onderneming overdraagt, bent u niet meer inhoudingsplichtig. In de volgende gevallen is er sprake
van overdracht van uw onderneming:
– U draagt activiteiten van uw onderneming over aan een andere werkgever, bijvoorbeeld aan 1 van uw
kinderen, een werknemer of een bv.
– U verandert de rechtsvorm van (een deel van) uw onderneming, bijvoorbeeld van een eenmanszaak naar
een bv.
Tot het moment van de overdracht van uw onderneming bent u verantwoordelijk voor het inhouden
en betalen van de loonheffingen. Na de overdracht is de werkgever die uw onderneming overneemt,
verantwoordelijk. U blijft na de overdracht wel verantwoordelijk voor het inhouden en betalen van
loonheffingen over een periode vóór de overdracht.
U meldt de overdracht van uw onderneming samen met de overnemende werkgever aan ons met het
formulier ‘Melding Loonheffingen Overdracht van activiteiten’, dat u kunt downloaden van belastingdienst.nl.
U houdt dan op werkgever te zijn. Daarmee eindigt ook uw eventuele eigenrisicodragerschap voor de
ZW en voor de WGA. U blijft aangifte doen (nihilaangiften) tot de datum die in de ‘Mededeling Intrekking
aangiftebrief’ staat.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 147
Als u uw onderneming overdraagt aan een nieuwe werkgever, moet hij zich aanmelden als nieuwe werkgever
(zie paragraaf 2.1).
15.2 Dienstbetrekking van een werknemer eindigt
Een dienstbetrekking eindigt bijvoorbeeld door ontslag of overlijden van een werknemer. U vult altijd de
datum van het einde van de dienstbetrekking in bij de werknemersgegevens in de aangifte loonheffingen
van het betreffende tijdvak. Als u door het einde van de dienstbetrekking naar verwachting ten minste 12
maanden niet meer inhoudingsplichtig bent, moet u dat binnen 1 maand schriftelijk aan ons doorgeven (zie
paragraaf 15.1).
U moet ten minste 5 kalenderjaren na het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking eindigt, de volgende
gegevens van uw werknemers bewaren:
– loonbelastingverklaringen of formulieren met de gegevens voor de loonheffingen, zoals het ‘Model Opgaaf
gegevens voor de loonheffingen’ en het ‘Model Opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en
scholierenregeling)’
U bewaart ook de oude verklaringen en formulieren als zij zijn vervangen door nieuwe.
– kopieën van identiteitsbewijzen
– kopieën van beschikkingen of verklaringen die u van uw werknemers hebt gekregen
In paragraaf 15.2.1 tot en met 15.2.7 behandelen we een aantal bijzondere situaties die kunnen ontstaan bij
het einde van een dienstbetrekking.
15.2.1 Auto van de zaak
Als een ex-werknemer van u alleen nog loon krijgt in de vorm van een auto van de zaak, moet u over het
voordeel van het privégebruik loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en werkgeversheffing Zvw
betalen (zie paragraaf 21.3.8). U past op dit loon de groene tabel toe.
U moet de loonbelasting/premie volksverzekeringen op uw ex-werknemer verhalen. Doet u dit niet, dan heeft
uw ex-werknemer, naast de auto van de zaak, een voordeel ter grootte van de niet-verhaalde loonbelasting/
premie volksverzekeringen. Dit voordeel moet u als nettoloon behandelen en omrekenen naar een brutoloon
(zie paragraaf 7.4). U past op dit loon de groene tabel toe.
15.2.2 Levenslooptegoed
Sinds 1 januari 2012 is de levensloopregeling niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers. Voor
bestaande deelnemers geldt overgangsrecht.
Uitkering bij overlijden
Als uw werknemer overlijdt en nog levenslooptegoed heeft staan, moet u over het tegoed dat op de dag
voorafgaand aan het overlijden op de rekening staat, loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en
premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw betalen. In dit geval is de uitkering van het
levenslooptegoed loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, tenzij de ex-werknemer bij het begin van het
kalenderjaar 61 jaar of ouder was. Dan is de uitkering loon uit vroegere dienstbetrekking en betaalt u geen
premies werknemersverzekeringen.
Let op!
Een uitkering van levenslooptegoed bij overlijden valt niet onder postuum loon (zie paragraaf 15.2.7).
Als u niet meer inhoudingsplichtig bent
Als u door een faillissement of bedrijfsbeëindiging niet meer inhoudingsplichtig bent, wordt de uitvoerder van
de levensloopregeling inhoudingsplichtig.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 148
15.2.3 Studiekosten
Soms moet een ex-werknemer een eerder vrijgestelde studiekostenvergoeding aan u terugbetalen. Hoe u
met de terugbetaling moet omgaan, kunt u lezen in paragraaf 20.1.4.
15.2.4 Vakantiedagen
Bij het einde van de dienstbetrekking mag de werknemer het restant afkopen van de vakantiedagen die hij
niet heeft opgenomen. De afkoopsom is loon uit tegenwoordige dienstbetrekking voor alle loonheffingen.
15.2.5 Werknemer gaat bij een ander concernonderdeel werken
Als een werknemer binnen het concern bij een ander onderdeel gaat werken, eindigt de bestaande
dienstbetrekking en begint een nieuwe dienstbetrekking. Om de administratieve last in deze situatie
te verminderen, kunnen wij op uw verzoek uw concern aanwijzen als een samenhangende groep
inhoudingsplichtigen (zie paragraaf 3.6).
15.2.6 Ontslagvergoeding
Als u uw werknemer bij ontslag een ontslagvergoeding betaalt, is dit loon uit vroegere dienstbetrekking. U
past hierop de groene tabel voor bijzondere beloningen toe. Ook moet u de werkgeversheffing Zvw betalen
(zie ook paragraaf 4.7.1).
In sommige gevallen is de ontslagvergoeding te beschouwen als een regeling voor vervroegd uittreden.
U moet dan over de ontslagvergoeding pseudo-eindheffing betalen. U kunt aan ons vragen of wij de
ontslagvergoeding zien als een regeling voor vervroegde uittreding (RVU-regeling). Dat doet u voordat u de
ontslagvergoeding uitbetaalt. U krijgt dan van ons een beschikking, waartegen u bezwaar kunt maken. Zie
paragraaf 19.3.1 en 24.7 voor meer informatie.
Als de ontslagvergoeding excessief hoog is, moet u pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding
betalen. Zie paragraaf 24.8 voor meer informatie.
15.2.7 Postuum loon
Postuum loon is loon dat u uitbetaalt na het overlijden van een werknemer. Over dit loon hoeft u geen
premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw te betalen en ook geen bijdrage Zvw in te
houden.
U mag postuum loon in de loonadministratie verwerken alsof u het vóór het overlijden aan de werknemer
zelf hebt uitbetaald. Op het loon past u de tabel toe die geldt op het tijdstip dat het loon wordt genoten (zie
paragraaf 7.2).
U kunt postuum loon ook aan de erfgenamen toerekenen volgens de verdeelsleutel die voor de erfenis geldt.
U moet die erfgenamen dan wel in uw salarisadministratie opnemen en voor iedere erfgenaam apart een
loonstaat maken (zie ook paragraaf 9.2.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 149
Thema’s
16 Bijzondere arbeidsrelaties
In dit hoofdstuk behandelen we de volgende bijzondere arbeidsrelaties:
– (partners van) aandeelhouders met een aanmerkelijk belang (zie paragraaf 16.1)
– aannemers van werk en hun hulpen (zie paragraaf 16.2)
– agenten en subagenten (zie paragraaf 16.3)
– artiesten (zie paragraaf 16.4)
– au pairs (zie paragraaf 16.5)
– beroepssporters (zie paragraaf 16.6)
– bestuurders (zie paragraaf 16.7)
– commissarissen (zie paragraaf 16.8)
– gelijkgestelden (zie paragraaf 16.9)
– leerlingen en stagiairs (zie paragraaf 16.10)
– meewerkende kinderen (zie paragraaf 16.11)
– oproepkrachten (zie paragraaf 16.12)
– personeel of dienstverlening aan huis (zie paragraaf 16.13)
– pseudowerknemers (opting-in) (zie paragraaf 16.14)
– sekswerkers die werken voor een exploitant (zie paragraaf 16.15)
– studenten en scholieren (zie paragraaf 16.16)
– thuiswerkers en hun hulpen (zie paragraaf 16.17)
– topsporters met een A-status (zie paragraaf 16.18)
– uitzendkrachten en payrollmedewerkers (zie paragraaf 16.19)
– vrijwilligers (zie paragraaf 16.20)
– werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt (zie paragraaf 16.21)
16.1 (Partners van) aandeelhouders met een aanmerkelijk belang
Voor personen die werken voor een vennootschap of coöperatie en daarin, eventueel samen met hun fiscale
partner, een aanmerkelijk belang hebben, geldt de gebruikelijkloonregeling. Soms geldt voor hen ook een
fictief loon.
Aanmerkelijkbelanghouder
Iemand is aandeelhouder met een aanmerkelijk belang als hij, eventueel met zijn fiscale partner:
– 5% of meer van de aandelen heeft in een vennootschap
– rechten heeft om voor 5% of meer aandelen in een vennootschap te kopen
– winstbewijzen heeft om 5% of meer van de jaarwinst – of van een uitkering bij liquidatie – van de
vennootschap te krijgen
– voor 5% of meer stemrecht heeft in de algemene vergadering van een coöperatie of een vereniging op
coöperatieve grondslag
Voor een aanmerkelijkbelanghouder geldt de gebruikelijkloonregeling. Voor deze regeling is de fiscale partner
van de aanmerkelijkbelanghouder:
– de echtgenoot of geregistreerd partner
– degene met wie de aanmerkelijkbelanghouder op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de
Basisregistratie Personen (BRP)
Zij moeten dan bovendien voldoen aan 1 van de volgende voorwaarden:
– De aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner hebben samen een notarieel samenlevingscontract.
Beiden moeten dan meerderjarig zijn.
– De aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner hebben samen een kind.
– De aanmerkelijkbelanghouder of zijn partner heeft een kind en de ander heeft dit kind erkend.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 150
– De aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner zijn meerderjarig en 1 van beiden heeft een minderjarig
kind dat op hetzelfde adres staat ingeschreven. Maar als de aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner
een zakelijke huurovereenkomst hebben, zijn ze in dit geval geen fiscaal partners.
– De aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner staan als partners geregistreerd bij een pensioenfonds.
– De aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner zijn beiden eigenaar van de woning die hun
hoofdverblijf is.
– De aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner waren in het voorgaande jaar al fiscale partners.
Voldoen de aanmerkelijkbelanghouder en zijn partner slechts een deel van het jaar aan 1 van deze
voorwaarden? Dan kunnen zij kiezen om het hele jaar fiscale partners te zijn. Tenzij ze het hele jaar samen
in de BRP staan ingeschreven. Dan kunnen zij niet kiezen: zij zijn dan het hele jaar fiscale partners.
Gebruikelijkloonregeling
De gebruikelijkloonregeling bepaalt hoe hoog het loon van de aanmerkelijkbelanghouder minimaal moet zijn.
Voor de berekening van dat loon zijn de begrippen ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’ en ‘verbonden
vennootschap’ van belang. Voor aanmerkelijkbelanghouders die werken voor start-ups, geldt een versoepeld
regime (zie hierna bij ‘Start-ups’). En ook startende ondernemingen en ondernemingen die verlies lijden,
mogen in bepaalde gevallen van een lager gebruikelijk loon uitgaan (zie hierna bij ‘Startende ondernemingen’
en ‘Ondernemingen die verlies lijden’).
Meest vergelijkbare dienstbetrekking
Voor de berekening van het loon mag u een vergelijking maken met de ‘meest vergelijkbare
dienstbetrekking’. U kunt dus een vergelijking maken met het loon van werknemers die niet precies hetzelfde
werk doen. Daardoor is het bijvoorbeeld mogelijk om het loon van een orthodontist vast te stellen op basis
van het loon van een tandarts in loondienst.
Verbonden vennootschap
Een met u verbonden vennootschap is:
– een vennootschap waarin u voor ten minste 1/3 gedeelte belang hebt
– een vennootschap die voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft in u
– een vennootschap waarin een derde partij voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft, terwijl deze derde
partij ook voor minimaal 1/3 gedeelte belang heeft in u
Berekening gebruikelijk loon
We gaan ervan uit dat de aanmerkelijkbelanghouder een loon krijgt dat gebruikelijk is voor het niveau en de
duur van zijn werk. Dit loon is het hoogste van de volgende bedragen:
– 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking
– het loon van de meestverdienende werknemer van u of van een verbonden vennootschap
– € 45.000
U mag het loon in de volgende gevallen op een lager bedrag vaststellen:
– U maakt aannemelijk dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan € 45.000. U
stelt dan het loon op 100% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.
– U maakt aannemelijk dat 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan het
loon van de meestverdienende werknemer van u of van een verbonden lichaam. U stelt het loon op 75%
van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking met een minimum van € 45.000.
Voorbeeld
Het loon van de meestverdienende werknemer is € 50.000. U maakt aannemelijk dat een andere
dienstbetrekking meer vergelijkbaar is met de dienstbetrekking van de aanmerkelijkbelanghouder.
Het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking is € 40.000. Dat is lager dan € 45.000. U stelt
het loon van de aanmerkelijkbelanghouder daarom vast op € 40.000 (100% van het loon uit de
meest vergelijkbare dienstbetrekking).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 151
Als wij vinden dat een hoger loon aannemelijk is, kunnen wij eventueel tegenbewijs leveren.
Deeltijdsituaties
Werkt een aanmerkelijkbelanghouder in deeltijd voor u? Dan mag u het gebruikelijk loon niet automatisch
op een lager bedrag vaststellen dan € 45.000. Ook in dit geval moet u aannemelijk maken dat een evenredig
deel van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of het loon van de meestverdienende
werknemer lager is dan € 45.000. Als u dat aannemelijk kunt maken, gaat u uit van het evenredige
bedrag van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of van het loon van de meestverdienende
werknemer.
Voorbeeld
Een aanmerkelijkbelanghouder werkt 2 dagen per week voor u. Als u aannemelijk kunt maken dat
het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking voor een voltijdsfunctie € 60.000 is, dan mag
u het gebruikelijk loon vaststellen op 2/5 van € 60.000 (€ 24.000).
Gebruikelijk loon € 5.000 of lager
Krijgt een aanmerkelijkbelanghouder geen loon voor zijn werkzaamheden en is zijn gebruikelijk loon
niet hoger dan € 5.000? Dan hoeft u geen loonheffingen over dat gebruikelijke loon te betalen. De
grens van € 5.000 wordt niet per onderneming getoetst, maar geldt voor alle werkzaamheden van de
aanmerkelijkbelanghouder.
Betaalt u wel loon – ook al is dat lager dan € 5.000 – dan moet u wel loonheffingen betalen. De
grens van € 5.000 wordt niet per onderneming getoetst, maar geldt voor alle werkzaamheden van de
aanmerkelijkbelanghouder.
Partner en kinderen aanmerkelijkbelanghouder
Voor de partner van de aanmerkelijkbelanghouder die werkt voor de vennootschap, geldt de
gebruikelijkloonregeling op dezelfde manier. Voor de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de
aanmerkelijkbelanghouder of zijn partner die werken voor de vennootschap, geldt de gebruikelijkloonregeling
op dezelfde manier, als zij aandelen in of winstbewijzen van de vennootschap hebben.
Afspraken over de gebruikelijkloonregeling
Het kan zijn dat wij met u een afspraak hebben gemaakt over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling.
Als u op basis van deze afspraak een loon in aanmerking moest nemen van meer dan € 44.000, dan is deze
afspraak per 1 januari 2015 vervallen.
Maar u mag de afspraak blijven toepassen, als u het te genieten loon verhoogt tot 75/70 van het loon dat u
volgens de afspraak hebt berekend. Deze toezegging geldt tot het moment waarop de afspraak zou aflopen
of als wij u eerder meedelen dat deze toezegging niet meer geldt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als wij
een nieuwe afspraak met u willen maken. U kunt ook besluiten om de nieuwe regels toe te passen of om ons
te benaderen voor het maken van een nieuwe afspraak.
Let op!
– Het gebruikelijk loon is het ‘loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen’ (kolom 14 van de
loonstaat). Dit loon is dus inclusief de bijtelling van het voordeel van een ter beschikking gestelde
auto (zie ook paragraaf 21.3 en 21.4) en ná toepassing van de wettelijke vrijstellingen, zoals
de vrijstelling van pensioenpremie en gerichte vrijstellingen. Deze vrijstellingen horen niet tot
het loon van kolom 14. Deelname aan een pensioenregeling kan dus gevolgen hebben voor de
toepassing van de gebruikelijkloonregeling (zie ook paragraaf 19.4). Ook gerichte vrijstellingen
hebben gevolgen voor het gebruikelijk loon (zie paragraaf 20.1).
– Een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang is niet altijd verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. Bijvoorbeeld: een directeur-grootaandeelhouder is wel een
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 152
aandeelhouder met een aanmerkelijk belang, maar is niet verzekerd (zie paragraaf 16.1.1). Als de
aandeelhouder met een aanmerkelijk belang wél verzekerd is, geldt de gebruikelijkloonregeling ook
voor de premies werknemersverzekeringen.
Start-ups
Voor aanmerkelijkbelanghouders die werken voor start-ups, geldt een versoepeld regime. Zij mogen het
wettelijk minimumloon nemen als gebruikelijk loon. Of, als dat lager is door bijvoorbeeld deeltijd, het loon uit
de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Dit laatste moet u als werkgever aannemelijk maken.
Om aangemerkt te kunnen worden als een start-up moet u voldoen aan de volgende voorwaarden:
– U hebt in een kalenderjaar een S&O-verklaring.
– U hebt in een kalenderjaar recht op het verhoogde starterspercentage (zie paragraaf 25.1.2).
– U komt niet uit boven het ‘de-minimisplafond’ voor staatssteun van het Europese Verdrag. Dat toont
u aan met een ‘Verklaring de-minimissteun’. U vraagt deze verklaring aan bij de Rijksdienst voor
Ondernemend Nederland (RVO.nl). Kijk voor meer informatie op RVO.nl. Deze verklaring is niet nodig
voor een directeur-grootaandeelhouder (zie paragraaf 16.1.1).
Hebt u voor een deel van het kalenderjaar een S&O-verklaring en recht op het verhoogde
starterspercentage? Dan geldt deze regeling toch voor het hele kalenderjaar.
U mag de start-upregeling maximaal 3 jaar toepassen. Daarna geldt weer de hoofdregel.
Startende ondernemingen
Startende ondernemingen die niet aan de voorwaarden voor een start-up voldoen, kunnen voor een
aanmerkelijkbelanghouder toch tijdelijk uitgaan van een loon dat lager is dan wat gebruikelijk is voor het
niveau en de duur van het werk. Maar het loon mag niet lager zijn dan het wettelijk minimumloon dat past
bij het aantal uren dat de aanmerkelijkbelanghouder voor u werkt.
U mag uitgaan van een lager loon als u het gebruikelijk loon door het opstarten van de onderneming niet
kunt betalen, bijvoorbeeld omdat u veel hebt geïnvesteerd of een lage cashflow hebt. U mag dit maximaal 3
jaar doen vanaf het moment dat de vennootschap of coöperatie inhoudingsplichtig wordt.
U moet de periode van 3 jaar inkorten als de onderneming als eenmanszaak begint en pas later wordt
ingebracht in een vennootschap of coöperatie. De periode waarin de onderneming op naam of voor rekening
van de aanmerkelijkbelanghouder of een ander werd gedreven, moet u dan aftrekken van de 3 jaar.
Ondernemingen die verlies lijden
Lijdt uw onderneming zoveel verlies dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is? Dan mag u het loon
lager vaststellen dan het gebruikelijk loon. Maar niet lager dan het wettelijk minimumloon dat past bij het
aantal uren dat de aanmerkelijkbelanghouder voor u werkt.
In de volgende situaties mag u het loon niet lager vaststellen:
– Uw onderneming lijdt incidenteel verlies.
– Uw onderneming kan de rekeningen nog steeds betalen.
– Uw onderneming kan de rekeningen niet betalen als gevolg van een oplopende rekeningcourantschuld,
uitgekeerd dividend of andere onttrekkingen.
Fictief loon
Bij de gebruikelijkloonregeling gaan wij ervan uit dat de aanmerkelijkbelanghouder een loon krijgt dat
gebruikelijk is voor zijn werk. Als u wel loon uitbetaalt, maar minder dan het gebruikelijke loon, moet u het
verschil als loon in uw administratie verwerken en daarover loonheffingen berekenen. Dat verschil is het
zogenoemde fictieve loon: u betaalt het niet werkelijk uit.
Als u helemaal geen loon uitbetaalt, behandelt u het gebruikelijke loon volledig als fictief loon.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 153
16.1.1 Directeur-grootaandeelhouder
Een directeur-grootaandeelhouder is voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de Zvw
in dienst bij zijn eigen vennootschap. Een directeur-grootaandeelhouder is niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. In die gevallen betaalt de vennootschap geen premies werknemersverzekeringen
en houdt verder 5,70% bijdrage Zvw in (zie paragraaf 6.2.2). Het gaat om de volgende directeurengrootaandeelhouders:
– de bestuurder die zelf, of samen met zijn echtgenoot, op grond van de statuten over zijn ontslag kan
beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden
– de bestuurder die zelf, of samen met zijn echtgenoot en met zijn (aangetrouwde) familieleden tot en
met de 3e graad, aandelen heeft die ten minste 2/3 deel van de stemmen vertegenwoordigen, zodat hij
(samen met zijn familieleden) over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden
– bestuurders die samen alle aandelen in de vennootschap hebben en allemaal een gelijk of bijna gelijk
deel van het kapitaal in handen hebben.
Een bijna gelijk deel betekent dat het onderlinge verschil in het aandelenkapitaal niet meer dan de
waarde van 1 aandeel mag zijn.
– de bestuurder die via een rechtspersoon waarvan hij ook bestuurder is, of via een vennootschap waarin
hij samen met zijn echtgenoot aandelen heeft, zoveel invloed in de vennootschap heeft dat hij over zijn
ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden
– de bestuurder die via een rechtspersoon waarvan hij ook bestuurder is, of via een vennootschap waarin
hij zelf, of samen met zijn echtgenoot en met zijn (aangetrouwde) familieleden tot en met de 3e graad,
aandelen heeft die ten minste 2/3 deel van de stemmen vertegenwoordigen, zoveel invloed in de
vennootschap heeft dat hij over zijn ontslag kan beslissen of niet tegen zijn wil ontslagen kan worden
Voor al deze situaties geldt dat de bestuurder zelf direct of indirect aandelen in de vennootschap moet
hebben.
Met ‘bestuurder’ wordt in deze regeling de statutair bestuurder bedoeld. Is de statutair bestuurder een
rechtspersoon, dan wordt degene die het bestuurswerk doet, ook als bestuurder gezien.
Echtgenoot
Voor deze regeling is een echtgenoot ook:
– de geregistreerde partner
– de ongehuwde meerderjarige die met de bestuurder een gezamenlijke huishouding voert, met
uitzondering van bloedverwanten van de bestuurder in de 1e graad
16.1.2 Doorbetaaldloonregeling
Een directeur-grootaandeelhouder kan onder voorwaarden gebruikmaken van de doorbetaaldloonregeling (zie
paragraaf 4.14).
16.2 Aannemers van werk en hun hulpen
Aannemers van werk en hun hulpen zijn bij u in fictieve dienstbetrekking als zij werken op grond van een
aannemingsovereenkomst. Met een aannemingsovereenkomst verplicht de aannemer zich om voor u een
bepaald werk van stoffelijke aard uit te voeren, voor een bepaalde prijs. Onder werken van stoffelijke aard
vallen onder andere bouwwerken, wegenaanleg, landbewerking, herstelwerkzaamheden en het maken van
kleding.
Deze fictieve dienstbetrekking geldt niet in de volgende situaties:
– De aannemer voert het werk uit in de persoonlijke of huishoudelijke sfeer (zie paragraaf 16.13).
– Een zelfstandig ondernemer of thuiswerker neemt het werk aan (zie paragraaf 16.17).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 154
Loon van hulpen van aannemers
Als een aannemer hulpen heeft, moet u ook loonheffingen inhouden over het loon dat de aannemer aan zijn
hulpen betaalt. Daarom moet de aannemer aan u opgeven hoeveel loon iedere hulp krijgt. Hij moet daarvoor
bij u een verklaring inleveren die hij en zijn hulpen hebben ondertekend.
Als de aannemer geen verklaring bij u inlevert, moet u voor de berekening van alle loonheffingen het hele
loon beschouwen als loon van de aannemer.
Speciale tabellen voor aannemers en hun hulpen
Voor aannemers en hun hulpen moet u de loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen met speciale
tabellen (zie tabel 4, 5, 6a en 6b achter in dit handboek). U past die tabellen toe op de grondslag (kolom 14
van de loonstaat; zie paragraaf 7.1).
16.3 Agenten en subagenten
Agenten en subagenten zijn tussenpersonen die bemiddelen bij het tot stand komen van overeenkomsten
tussen personen die zij bezoeken en hun opdrachtgever. Het gaat bijvoorbeeld om handelsagenten,
colporteurs, verzekeringsagenten en provisiereizigers. Agenten en subagenten zijn in fictieve
dienstbetrekking als zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
– Zij werken uitsluitend voor 1 opdrachtgever of agent.
– Zij bemiddelen regelmatig: bemiddelen is voor hen geen bijkomende taak.
– Bij het werk waarbij zij personen bezoeken, helpen niet meer dan 2 personen.
Voor agenten en subagenten in fictieve dienstbetrekking gelden de gewone regels voor de loonheffingen.
16.4 Artiesten
Een artiest die in Nederland optreedt, valt in principe onder een bijzondere regeling voor de loonheffingen:
de artiesten- en beroepssportersregeling. Uitgebreide informatie over deze regeling vindt u in de ‘Handleiding
Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de handleiding voor 2019 in de loop van het
jaar downloaden van belastingdienst.nl.
16.5 Au pairs
Voor een buitenlandse au pair hoeft u geen loonheffingen te betalen onder de volgende voorwaarden:
– De beloning die de au pair krijgt voor het werk in de huishouding en de verzorging en opvang van uw
kinderen, legt u vast in een overeenkomst.
– De beloning bestaat voor meer dan 90% uit:
– kost en inwoning
– een vergoeding voor ziektekosten- en aansprakelijkheidsverzekeringen
– een geldbedrag van maximaal € 340 per maand, dat ook gebruikt moet worden voor reiskosten,
visumkosten, bemiddelingskosten en andere kosten voor het werk
– De au pair heeft geen ander belastbaar inkomen voor de inkomstenbelasting.
Is niet aan deze voorwaarden voldaan, dan geldt voor buitenlandse au pairs de regeling dienstverlening aan
huis (zie paragraaf 16.13.2) of de vereenvoudigde regeling voor personeel aan huis (zie paragraaf 16.13.3).
Tewerkstellingsvergunning
Een au pair heeft geen tewerkstellingsvergunning nodig als is voldaan aan de voorwaarden van het
Nederlandse au-pairbeleid. Meer informatie daarover vindt u op ind.nl.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 155
16.6 Beroepssporters
Een beroepssporter die in het buitenland woont en in Nederland sport beoefent, valt in principe onder een
bijzondere regeling voor de loonheffingen: de artiesten- en beroepssportersregeling. Uitgebreide informatie
over deze regeling vindt u in de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de
handleiding voor 2019 in de loop van het jaar downloaden van belastingdienst.nl.
16.7 Bestuurders
Voor de loonheffingen moet onderscheid gemaakt worden tussen bestuurders die werken voor een nietbeursgenoteerde vennootschap, een beursgenoteerde vennootschap, een stichting, een vereniging of een
coöperatie met werknemerszelfbestuur.
Bestuurder van een niet-beursgenoteerde vennootschap
Een bestuurder van een niet-beursgenoteerde vennootschap werkt formeel in dienstbetrekking en staat
onder gezag van de algemene vergadering van aandeelhouders. Ook wanneer hij daar zelf deel van uitmaakt.
Voor de werknemersverzekeringen geldt een uitzondering voor een directeur-grootaandeelhouder (zie
paragraaf 16.1.1).
Bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap
Is de overeenkomst tussen de bestuurder en de beursgenoteerde vennootschap aangegaan vóór 2013? Dan
is er sprake van een echte dienstbetrekking.
Is de overeenkomst aangegaan op of na 1 januari 2013, dan maakt u onderscheid tussen beursgenoteerde
vennootschappen met een one tier board en een two tier board. Een one tier board is een eenlaags
(monistisch) bestuursmodel waarin de directie en de toezichthouder in 1 bestuur zitten. Er is dus geen
aparte Raad van Commissarissen, zoals bij een two tier board. Een one tier board kent uitvoerende en nietuitvoerende bestuurders.
Beursgenoteerde vennootschappen met een one tier board
Niet-uitvoerende bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap met een one tier board zijn met ingang
van 1 januari 2018 niet meer in fictieve dienstbetrekking. Daardoor worden de niet-uitvoerende bestuurders
van een beursgenoteerde vennootschap met een one tier board en commissarissen (van een two tier board)
gelijk behandeld: voor beiden houdt u geen loonbelasting/premie volksverzekeringen meer in en betaalt u
geen werkgeversheffing Zvw meer.
Uitvoerende bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap met een one tier board zijn nog steeds in
fictieve dienstbetrekking. Voor hen blijft u dus gewoon loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden
en werkgeversheffing Zvw betalen. En u betaalt voor hen premies werknemersverzekeringen, tenzij ze niet
verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen (zie paragraaf 16.1.1).
Let op!
U kunt samen met de commissaris of de niet-uitvoerende bestuurder nog wel kiezen voor een fictieve
dienstbetrekking via opting-in (zie paragraaf 16.14).
Beursgenoteerde vennootschappen met een two tier board
Bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen met een two tier board zijn in fictieve dienstbetrekking
van de vennootschap.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 156
Bestuurder van een stichting
De bestuurder van een stichting werkt formeel in dienstbetrekking als hij persoonlijke arbeid verricht en
hiervoor een vergoeding krijgt.
Bestuurder van een vereniging
Een bestuurder van een vereniging staat vaak onder gezag van de algemene ledenvergadering. Wanneer hij
in dat geval arbeid verricht en daar een vergoeding voor krijgt, is hij in dienstbetrekking bij de vereniging.
Bestuurder van een coöperatie met werknemerszelfbestuur
Bestuurders die werken bij een coöperatie met werknemerszelfbestuur en lid zijn van die coöperatie, zijn in
fictieve dienstbetrekking. Voor hen gelden de gewone regels voor de loonheffingen.
Er is sprake van een coöperatie met werknemerszelfbestuur als de coöperatie voldoet aan de volgende
voorwaarden:
– Ten minste 2/3 van de werknemers is lid van de coöperatie.
– Iedere werknemer kan onder dezelfde voorwaarden lid worden van de coöperatie. Er worden geen
financiële voorwaarden gesteld.
– Ieder lid heeft 1 stem.
– De arbeidsvoorwaarden zijn gebruikelijk bij soortgelijke ondernemingen in de bedrijfstak.
– Een lid kan bij beëindiging van het lidmaatschap hoogstens aanspraak maken op zijn inleg, behalve bij
liquidatie.
Let op!
De volgende bestuurders zijn niet in fictieve dienstbetrekking:
– bestuurders die geen lid zijn van een coöperatie met werknemerszelfbestuur
– bestuurders van coöperaties die maar uit 2 personen bestaan
16.8 Commissarissen
Commissarissen houden toezicht op het bestuur van een organisatie. Commissarissen zijn bijvoorbeeld leden
van raden van toezicht.
Commissarissen zijn niet in echte of fictieve dienstbetrekking. U kunt samen met uw commissaris nog wel
kiezen voor opting-in (zie paragraaf 16.14).
16.9 Gelijkgestelden
Een gelijkgestelde is iemand die in maatschappelijk opzicht gelijk kan worden gesteld aan iemand die in
echte dienstbetrekking werkt en aan de volgende voorwaarden voldoet:
– Hij voert persoonlijk het werk uit waarvoor hij loon krijgt.
– Het brutoloon per week is meestal ten minste 40% van het wettelijk minimumloon per week. Een week
bestaat uit 7 aaneengesloten dagen. Het minimumloon is het loon volgens de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag. Voor werknemers jonger dan 22 jaar geldt een lager wettelijk minimumloon
dan voor andere werknemers. Als het loon niet afhankelijk is van leeftijd, geldt voor de 40%-grens het
minimumloon voor werknemers van 22 jaar of ouder.
– Hij werkt meestal op ten minste 2 dagen per week, ongeacht het aantal uren.
– De arbeidsrelatie is aangegaan voor onbepaalde tijd of voor ten minste 1 maand. Hierbij kan het ook
gaan om 2 arbeidsrelaties met dezelfde opdrachtgever die elkaar binnen een maand opvolgen en die
samen ten minste een maand duren. Een maand is voor deze regeling een aaneengesloten periode van
30 dagen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 157
– Hij is geen aannemer van werk of zijn hulp, agent, subagent, bestuurder van een coöperatie met
werknemerszelfbestuur, commissaris, leerling, stagiair, meewerkend kind, thuiswerker of zijn hulp,
topsporter met een A-status of uitzendkracht.
Een gelijkgestelde is in fictieve dienstbetrekking bij zijn opdrachtgever.
Uitzonderingen
Iemand is geen gelijkgestelde als hij hoort tot 1 van de volgende groepen:
– personen die vooral godsdienstig werk hebben, bijvoorbeeld priesters
– auteurs of redacteurs die werken voor een uitgever, maar dit werk niet voor hun beroep doen
– bestuurders van verenigingen en stichtingen
– personen van wie de arbeidsrelatie vooral wordt bepaald door een familierelatie
– zelfstandig ondernemers
– personen die werken in de persoonlijke of huishoudelijke sfeer van de opdrachtgever
– opdrachtnemers die samen met hun opdrachtgever een bepaling in hun schriftelijke overeenkomst
hebben opgenomen dat de fictieve dienstbetrekking voor gelijkgestelden niet van toepassing is
Voor personeel of dienstverlening aan huis gelden bijzondere regels (zie paragraaf 16.13).
Of iemand bij u in fictieve dienstbetrekking is, moet u beoordelen aan de hand van verwachtingen bij
het begin van de arbeidsrelatie. Wordt er soms afgeweken van de voorwaarden, bijvoorbeeld als de
gelijkgestelde in een week maar op 1 dag werkt, dan leidt dat niet tot een onderbreking van de fictieve
dienstbetrekking. Maar gaat het om een blijvende afwijking, dan moet u opnieuw beoordelen of u de
arbeidsrelatie als een fictieve dienstbetrekking kunt beschouwen.
Let op!
Het is mogelijk dat bij een blijvende afwijking de gelijkgestelde niet meer voldoet aan de voorwaarden,
bijvoorbeeld het tijdscriterium. Dan is er geen sprake meer van een gelijkgestelde en een fictieve
dienstbetrekking. Vanaf dat moment geeft u de beloning niet meer aan in de aangifte loonheffingen. U
moet die beloning dan bij ons melden als een uitbetaald bedrag aan een derde (zie paragraaf 1.2).
Speciale tabellen voor gelijkgestelden
Voor gelijkgestelden moet u de loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen met speciale tabellen
(zie tabel 4, 5, 6a en 6b achter in dit handboek). U past die tabellen toe op de grondslag (kolom 14 van de
loonstaat; zie paragraaf 7.1).
16.10 Leerlingen en stagiairs
Voor leerlingen van bepaalde onderwijsinstellingen is het in de praktijk werken onderdeel van hun opleiding.
Leerlingen die in de praktijk werken, noemen we stagiairs. Meestal zijn leerlingen en stagiairs niet in
echte dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.1). Maar als een stagiair een reële beloning krijgt, bijvoorbeeld
het minimum(jeugd)loon, is hij wel in echte dienstbetrekking. Dan gelden de gewone regels voor de
loonheffingen en zijn de stagiairs verzekerd voor alle werknemersverzekeringen. U moet dan premies
werknemers verzekeringen berekenen en ook de werkgeversheffing Zvw betalen.
Als er geen echte dienstbetrekking is, maar de stagiair krijgt wel een beloning, dan is er sprake van een
fictieve dienstbetrekking. Deze stagiair is wel verzekerd voor de Wet Wajong en voor de ZW. U hoeft geen
premies werknemersverzekeringen te berekenen. U moet wel loonbelasting/premie volksverzekeringen
inhouden en werkgeversheffing Zvw betalen. Onder bepaalde voorwaarden heeft de stagiair ook recht op een
uitkering. Voor meer informatie hierover kunt u terecht bij UWV.
Als de stagiair de stagevergoeding niet zelf krijgt, hoeft u geen loonheffingen in te houden en te betalen
onder de volgende voorwaarden:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 158
– U maakt de stagevergoeding rechtstreeks aan de school of het stagefonds over, met uitzondering van
kostenvergoedingen.
– De school of het stagefonds geeft het stagegeld niet door aan de stagiair, maar gebruikt dit voor
algemene schoolse activiteiten.
– De school of het stagefonds administreert de stagevergoedingen en de besteding daarvan.
– U legt binnen 2 maanden na afloop van elk jaar de volgende gegevens in uw administratie vast: de
naam, het adres en het burgerservicenummer van de stagiair, de naam en het adres van de school of het
stagefonds en het bedrag van de beloning. Hierbij vermeldt u de datum en het nummer van het besluit
waarop de regeling is gebaseerd: 14 december 2010, nr. DGB2010/2202m.
16.11 Meewerkende kinderen
Een kind dat meewerkt in de onderneming van zijn ouder(s), kan in echte dienstbetrekking zijn (zie
paragraaf 1.1.1). Dat is het geval als het meewerkende kind onder dezelfde arbeidsvoorwaarden werkt als
andere werknemers. Het kind is dan ook verzekerd voor de werknemersverzekeringen. In dat geval gelden
de normale regels voor de loonheffingen.
Voor meewerkende kinderen geldt de fictieve dienstbetrekking als het kind ten minste 15 jaar is
en de familierelatie in de arbeidsrelatie tussen ouder en kind overheerst, met andere woorden: de
arbeidsvoorwaarden zijn niet gelijk aan die van de andere werknemers. In dat geval geldt het volgende:
– De ouders zijn inhoudingsplichtig voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en zij moeten
werkgeversheffing Zvw betalen.
– De ouders moeten aan alle bijbehorende administratieve verplichtingen voldoen. Zij moeten bijvoorbeeld
een kopie van het identiteitsbewijs van hun kind bij de administratie bewaren.
– Het meewerkende kind is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
De fictieve dienstbetrekking geldt niet als het kind winst uit de onderneming van zijn ouders geniet.
Voor meewerkende kinderen mag u onder bepaalde voorwaarden een vereenvoudigde regeling voor de
loonbelasting/premie volksverzekeringen en de Zvw toepassen (zie paragraaf 16.11.1). Voor de waardering
van kleding, maaltijden en inwoning die meewerkende kinderen van hun ouders krijgen, gelden speciale
regels (zie paragraaf 16.11.2).
16.11.1 Vereenvoudigde regeling voor meewerkende kinderen
Voor kinderen die in dienstbetrekking meewerken in de onderneming van hun ouders, mag onder bepaalde
voorwaarden een vereenvoudigde regeling worden toegepast. De regeling houdt het volgende in:
– U doet 1 keer per jaar aangifte loonheffingen.
– U maakt gebruik van een apart loonheffingennummer. Dat kunt u aanvragen met het formulier ‘Melding
Loonheffingen Werkgever van meewerkende kinderen’. U kunt dit formulier downloaden. Als u al
een apart loonheffingennummer voor meewerkende kinderen hebt, kunt u daarmee ook voor andere
meewerkende kinderen aangifte doen.
– U hoeft geen loonstaten in te vullen.
– U moet de loonspecificatie bij de loonadministratie bewaren.
– U past altijd de loonheffingskorting toe.
– U houdt de loonbelasting/premie volksverzekeringen 1 keer per jaar in op de 1e werkdag van het
volgende kalenderjaar. U betaalt dan ook de werkgeversheffing Zvw.
U doet 1 maand na afloop van het kalenderjaar digitaal aangifte. Dit betekent dat u de aangifte over 2019
uiterlijk 31 januari 2020 moet doen. In de aangifte vermeldt u de gegevens van de kinderen. U kunt op 3
manieren aangifte doen (zie paragraaf 11.2.1).
Voorwaarden vereenvoudigde regeling voor meewerkende kinderen
De vereenvoudigde regeling voor meewerkende kinderen mag u toepassen onder de volgende voorwaarden:
– U hebt een eenmanszaak, maatschap, vof of cv.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 159
– Vóór de eerste uitbetaling van het loon neemt u de naam, het adres en het burgerservicenummer van het
meewerkende kind in de administratie op.
– Het kind werkt in de onderneming van de ouder(s). In het geval van een maatschap, vof of cv gaat het
dus om een kind van 1 van de maten of vennoten.
– Het kind hoort tot het huishouden van deze ouder(s).
– Het kind is ten minste 15 jaar.
– Het kind is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
– Het kind geniet geen winst uit de onderneming.
Voor toepassing van de vereenvoudigde regeling moet u toestemming aan ons vragen. Als u die toestemming
niet hebt gevraagd of als niet aan alle voorwaarden is voldaan, gelden voor u alle normale administratieve
verplichtingen.
Let op!
Als u gebruikmaakt van de vereenvoudigde regeling voor meewerkende kinderen, vindt de inhouding
en betaling van loonbelasting/premie volksverzekeringen en de betaling van de werkgeversheffing
Zvw 1 keer per jaar plaats. Als u de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet op het loon van het
meewerkende kind inhoudt, dan is de niet-ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen een
voordeel dat tot het loon hoort.
16.11.2 Waardering inwoning, maaltijden of kleding meewerkende kinderen
Hebt u bij het vaststellen van het loon van uw meewerkende kinderen rekening gehouden met gratis
inwoning, de gratis verstrekking van maaltijden en de gratis verstrekking van kleding? Dan rekent u
hiervoor de factuurwaarde of de waarde in het economische verkeer tot het loon. Dit geldt ook als u bij het
vaststellen van het loon geen rekening hebt gehouden met deze verstrekkingen en met uw kind een loon
bent overeengekomen dat ten minste 25% lager is dan het loon dat gebruikelijk is voor het werk dat uw
kind uitvoert. Maar u mag in beide gevallen voor inwoning en maaltijden ook de volgende normbedragen
gebruiken:
– € 5,55 per dag per kind voor de waarde van de gratis inwoning
– € 3,35 per maaltijd
Als u de waarde van de verstrekkingen bepaalt met de normbedragen en dan uitkomt op een loon dat ten
minste 25% lager is dan het gebruikelijke loon, dan mag u de normbedragen niet gebruiken. U moet in dat
geval voor de waarde van de verstrekkingen uitgaan van de factuurwaarde of de waarde in het economische
verkeer. Als u daardoor op een loon komt dat meer is dan 75% van het gebruikelijke loon, dan stelt u het
loon op 75% van het gebruikelijke loon.
Voorbeeld
U hebt het loon van uw meewerkende kind vastgesteld op € 1.000. Daarnaast verstrekt u aan
uw meewerkende kind 30 maaltijden met een factuurwaarde van € 10 per maaltijd. Een andere
werknemer krijgt voor hetzelfde werk € 1.700. Als u voor de 30 maaltijden die u verstrekt, uitgaat
van het normbedrag (30 x € 3,35 = € 100,50), komt u voor uw meewerkende kind op een loon van
€ 1.100,50. Omdat dit meer dan 25% lager is dan het gebruikelijke loon, mag u de normbedragen
niet gebruiken. U telt dus de factuurwaarde van de maaltijden die u verstrekt (€ 10 per maaltijd),
bij het loon. Daarmee komt het loon op € 1.300. Omdat dit meer is dan 75% van het gebruikelijke
loon, stelt u het loon van uw meewerkende kind op € 1.275.
16.12 Oproepkrachten
Een oproepkracht is iemand die op afroep beschikbaar is voor werk. U beloont een oproepkracht vaak op
basis van zijn gewerkte uren. Er zijn verschillende soorten oproepovereenkomsten. De arbeidsrelatie van een
oproepkracht is meestal een echte dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.1).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 160
In grote lijnen zijn er 3 soorten oproepovereenkomsten:
– de overeenkomst met werkgarantie en verschijningsplicht
– de overeenkomst zonder werk- of loonbetalingsgarantie, maar met verschijningsplicht (nul-urencontract)
– de overeenkomst zonder garantie en zonder verschijningsplicht
De overeenkomst met werkgarantie en verschijningsplicht
In deze overeenkomst garandeert u aan de werknemer een minimumaantal uren werk per week. U moet bij
uitblijven van werkaanbod over dat minimumaantal uren loon betalen. De werknemer moet komen werken
als u hem oproept. Dit is de zogenoemde verschijningsplicht. Dit is een doorlopende dienstbetrekking waarbij
er sprake is van deeltijdwerk en er soms sprake kan zijn van voltijdwerk. Het loontijdvak hangt af van de
duur van de oproep en de periode waarover u het loon uitbetaalt (zie paragraaf 7.3.5).
De overeenkomst zonder werk- of loonbetalingsgarantie, maar met verschijningsplicht
(nul-urencontract)
In deze overeenkomst is er geen werk- of loonbetalingsgarantie, maar heeft de werknemer wel
verschijningsplicht. Dit wordt ook wel een ‘nul-urencontract’ genoemd. Het gaat hier om een overeenkomst
met uitgestelde prestatieplicht. Er is sprake van een doorlopende dienstbetrekking, waarbij uw werknemer
niet regelmatig – zoals elke week of maand – hoeft te werken. Het loontijdvak hangt af van de duur van de
oproep en de periode waarover u het loon uitbetaalt (zie paragraaf 7.3.5).
De overeenkomst zonder garantie en zonder verschijningsplicht
In deze overeenkomst is er geen werk- of loonbetalingsgarantie en is er ook geen verschijningsplicht. Bij
deze overeenkomst is er dus een zekere vrijblijvendheid tussen u en de oproepkracht. Er is geen sprake van
een doorlopende dienstbetrekking. Bij een oproep is er telkens sprake van een nieuwe dienstbetrekking die
na afloop van de oproep eindigt. Het loontijdvak hangt af van de duur van de oproep en de periode waarover
u het loon uitbetaalt (zie paragraaf 7.3.5).
Aangifte doen voor oproepkrachten
Een oproepkracht met verschijningsplicht (dus ook een oproepkracht met een nul-urencontract) heeft een
doorlopende dienstbetrekking. Dat betekent dat u deze oproepkracht in al uw aangiften opneemt, ook
over aangiftetijdvakken waarin hij niet voor u heeft gewerkt. U gebruikt dan steeds hetzelfde nummer
inkomstenverhouding (zie ook paragraaf 3.4).
Voor een oproepkracht zonder verschijningsplicht begint bij elke oproep een nieuwe dienstbetrekking, die
eindigt na afloop van de oproep. Dat betekent dat er telkens sprake is van een nieuwe inkomstenverhouding,
die na afloop van de oproep eindigt. In de aangiften is er dus voor elke oproep sprake van een nieuwe
inkomstenverhouding, waarvoor u een nieuw nummer inkomstenverhouding gebruikt (zie paragraaf 3.4). U
neemt de oproepkracht alleen op in de aangiften over de aangiftetijdvakken waarin hij heeft gewerkt.
16.13 Personeel of dienstverlening aan huis
Als particulier kunt u huishoudelijke werkzaamheden laten uitvoeren door een dienstverlener (zie paragraaf
16.13.1). Dit kan leiden tot een dienstbetrekking tussen u en uw dienstverlener. U moet dan op de
betaling(en) aan de dienstverlener loonheffingen inhouden en betalen.
In deze paragraaf leest u hoe het zit met het inhouden en betalen van loonheffingen bij:
– dienstverlening aan huis (zie paragraaf 16.13.2)
– personeel aan huis (zie paragraaf 16.13.3)
Persoonsgebonden budget
Krijgt u zorg in huis via een persoonsgebonden budget, dan bepaalt de financiering van dit
persoonsgebonden budget of u zelf loonheffingen moet inhouden en betalen of niet.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 161
Als u een persoonsgebonden budget hebt op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de
Wet langdurige zorg of de Jeugdwet, dan beheert het Servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank
uw budget. Het Servicecentrum PGB verzorgt uw salarisadministratie: de betaling van uw zorgverlener, het
inhouden en betalen van loonheffingen, salarisstroken en jaaropgaven. De informatie uit deze paragraaf is
dan voor u niet van belang, omdat u zelf geen loonheffingen inhoudt en betaalt.
Krijgt u een persoonsgebonden budget op basis van de Zorgverzekeringswet? Dan kunt u zelf persoonlijke
of medische hulp regelen. U kunt de hulp aanvragen via een thuiszorgbureau of zelf op zoek gaan naar een
hulp.
Vraagt u de hulp aan via een thuiszorgbureau, vraag het bureau dan of de hulp bij het bureau in dienst
is. Is dat het geval, dan is deze paragraaf voor u niet van belang. Als de hulp niet in dienst is bij het
thuiszorgbureau of als u de hulp zelf regelt, is de informatie uit deze paragraaf wel van belang voor u, omdat
u mogelijk zelf loonheffingen moet inhouden en betalen.
Let op!
Als u een persoonsgebonden budget krijgt op basis van de Zorgverzekeringswet, dan kunt u het
Servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank vragen uw salarisadministratie te verzorgen. Zie
voor meer informatie svb.nl.
Buitenlandse au pairs
Voor au pairs geldt een aparte vrijstellingsregeling (zie paragraaf 16.5).
16.13.1 Wat zijn huishoudelijke werkzaamheden?
Huishoudelijke werkzaamheden zijn taken die u in uw huishouden laat doen. Het gaat daarbij om taken die u
anders zelf zou doen, zoals:
– schoonmaken van uw woning, wassen, strijken, koken en afwassen
– oppassen op uw kinderen
– uitlaten van uw hond
– onderhouden van uw tuin
– uitvoeren van klein onderhoud aan uw woning
– privéchauffeur zijn
– uitvoeren van allerlei klusjes, bijvoorbeeld boodschappen doen en ophalen van medicijnen
– persoonlijke en/of medische verzorging, bijvoorbeeld in het kader van een persoonsgebonden budget
door een alfahulp, verpleegkundige of familielid
Huishoudelijke werkzaamheden hoeven niet altijd in of rond uw woning te gebeuren. Zo mag het oppassen
op uw kinderen ook bij uw kinderoppas thuis gebeuren. Het kan ook zijn dat u hulpbehoevend bent en
tijdelijk ergens anders woont. In dat geval mag u zorg krijgen op uw tijdelijke woonadres.
16.13.2 Dienstverlening aan huis
Bent u particulier en huurt u iemand in voor huishoudelijk werk in en om het huis voor maximaal 3 dagen
per week? Dan geldt voor u de regeling dienstverlening aan huis. Deze regeling houdt in dat u voor de
Belastingdienst geen administratieve lasten hebt. U hoeft niet te laten weten wie er voor u werkt. En u hoeft
ook geen loonheffingen in te houden en te betalen. U moet wel aan de volgende voorwaarden voldoen:
– Het gaat om huishoudelijke werkzaamheden in en om het huis (zie paragraaf 16.13.1).
– U bent particulier (u hebt geen bedrijf) en degene die u inhuurt is ook particulier.
– Degene die u inhuurt, werkt op niet meer dan 3 dagen per week bij u. Het aantal uren dat hij per dag
werkt, is niet belangrijk. Werkt hij 1 uur per dag, dan geldt dat dus als 1 gewerkte dag.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 162
De vrijstelling voor de loonheffingen betekent niet dat de dienstverlener geen inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen en bijdrage Zvw hoeft te betalen. De dienstverlener moet hiervoor zijn inkomsten zelf
aangeven in zijn aangifte inkomstenbelasting.
Regeling dienstverlening aan huis niet van toepassing
In de volgende gevallen gelden de gewone regels voor de loonheffingen en geldt de regeling dienstverlening
aan huis dus niet:
– U huurt iemand in via een thuiszorgbureau. Degene die u inhuurt, is dan in loondienst bij het
thuiszorgbureau.
– U huurt iemand in via een uitzendbureau of een ander bedrijf. Degene die u inhuurt, is dan in loondienst
bij het uitzendbureau of bij het andere bedrijf.
– U bent een natuurlijk persoon met een bedrijf en degene die u inhuurt, werkt minder dan 90% van zijn
werktijd in uw huishouden.
– U bent een vrije beroepsbeoefenaar met een praktijk aan huis, zoals een arts of een advocaat, en degene
die u inhuurt, werkt meer dan 40% van zijn werktijd voor de praktijk.
16.13.3 Personeel aan huis
Huurt u iemand in voor huishoudelijk werk in en om het huis voor 4 of meer dagen per week? Dan is
degene die u inhuurt bij u in dienstbetrekking. U moet dan loonheffingen inhouden en betalen volgens de
vereenvoudigde regeling voor personeel aan huis. Deze regeling houdt in dat u maar 1 keer per jaar aangifte
hoeft te doen.
Personeel aan huis is ook verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Dit zijn de Werkloosheidswet (WW),
de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (zie hoofdstuk 5). U betaalt
de premies voor de werknemersverzekeringen aan ons via de aangifte loonheffingen. Als u gedifferentieerde
premie Werkhervattingskas (Whk) aan ons betaalt, mag u de premiecomponent WGA voor maximaal de
helft inhouden op het nettoloon van de werknemer. Zie hoofdstuk 5 voor de berekening van de premies
werknemersverzekeringen.
U moet ook de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet betalen voor uw personeel aan huis (zie hoofdstuk 6).
Als u een familierelatie met de dienstverlener hebt
Als u met de dienstverlener een familierelatie hebt, kan het zijn dat er geen echte dienstbetrekking is,
omdat er geen gezagsverhouding is (zie paragraaf 1.1.1). U hoeft dan geen loonheffingen in te houden en te
betalen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als uw ouders op uw kinderen passen of een inwonende dochter
een hulpbehoevende in uw gezin verzorgt.
Loonheffingen inhouden en betalen
De loonheffingen die u inhoudt, moet u 1 keer per jaar aan ons betalen. Hiervoor moet u digitaal aangifte
doen. Voor personeel aan huis is er geen aparte aangifte. U moet dezelfde aangifte doen als alle andere
werkgevers (zie hoofdstuk 11). In november krijgt u van ons de ‘Aangiftebrief loonheffingen’. Daarin staat
het aangiftetijdvak voor het komende jaar en de uiterste aangifte- en betaaldatum. Op de achterkant staat
het betalingskenmerk. Vermeld bij het overschrijven van de loonheffingen altijd dit betalingskenmerk, omdat
wij anders moeilijk kunnen bepalen bij welke aangifte de betaling hoort. Als u het betalingskenmerk niet
meer weet, kunt u de zoekhulp op belastingdienst.nl gebruiken. Of bel de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
Het moment waarop uw betaling op onze rekening is bijgeschreven, bepaalt of u op tijd hebt betaald. Als u
de belasting niet of niet op tijd betaalt, en/of niet op tijd aangifte doet, kunt u een naheffingsaanslag (met
boete) krijgen.
16.14 Pseudowerknemers (opting-in)
Als de arbeidsrelatie tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer geen echte of fictieve dienstbetrekking
is (zie paragraaf 1.1.1 en 1.1.2), kunnen zij er samen voor kiezen hun arbeidsrelatie aan te merken als
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 163
een fictieve dienstbetrekking. Deze regeling wordt ook ‘opting-in’ genoemd. De opdrachtnemer wordt
‘pseudowerknemer’ genoemd.
Let op!
– Opting-in geldt niet als de opdrachtnemer werkt als ondernemer.
– Opting-in geldt niet voor de werknemersverzekeringen.
De pseudowerknemer en u hoeven de keuze alleen bij ons te melden. Hiervoor kunt u het formulier
‘Verklaring Loonheffingen Opting-in’ gebruiken. Download dit formulier van belastingdienst.nl of vraag dit aan
bij de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
Let op!
Voordat de pseudowerknemer bij u gaat werken, moet het volgende zijn geregeld (zie ook hoofdstuk 2):
– U moet de identiteit van de pseudowerknemer vaststellen.
– De pseudowerknemer moet zijn gegevens aan u geven.
Na de melding moet u loonheffingen inhouden en betalen, en gelden de gewone regels voor de loonbelasting/
premie volksverzekeringen. Dit betekent bijvoorbeeld ook dat u de pseudowerknemer de mogelijkheid kunt
geven om deel te nemen aan een pensioenregeling. Op de beloning van de pseudowerknemer moet u verder
5,70% bijdrage Zvw inhouden (zie paragraaf 6.2.2).
Let op!
Bij opting-in brengt u de arbeidsrelatie vrijwillig onder de loonbelasting/volksverzekeringen. U kunt
uw keuze voor opting-in ook weer terugdraaien, maar niet met terugwerkende kracht. De keuze voor
opting-in heeft geen arbeidsrechtelijke gevolgen. Er ontstaat bijvoorbeeld geen ontslagbescherming.
16.15 Sekswerkers die werken voor een exploitant
Als exploitant van sekswerkers beoordeelt u eerst of de sekswerker in echte dienstbetrekking is (zie
paragraaf 1.1.1). Is de sekswerker niet in echte dienstbetrekking, dan is de sekswerker in fictieve
dienstbetrekking. Als exploitant moet u de loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden op het loon
van de sekswerker en aan ons betalen. Daarnaast moet u de werkgeversheffing Zvw betalen. Voor de
loonheffingen gelden de normale regels.
Voorwaardenpakket
Voldoet de arbeidsrelatie aan de regels van het zogenoemde voorwaardenpakket, dan hoeft u de premies
werknemersverzekeringen niet te betalen. 1 van de voorwaarden van het pakket is de toepassing van
de opting-inregeling (zie paragraaf 16.14). U houdt wel loonbelasting/premie volksverzekeringen en de
bijdrage Zvw in. Daarnaast stellen wij onder meer voorwaarden aan de werkzaamheden, de inkomsten en de
verplichtingen van de exploitant.
Voor sekswerkers die werken op basis van het voorwaardenpakket moet u de loonbelasting/premie
volksverzekeringen berekenen met speciale tabellen (zie tabel 4, 5, 6a en 6b achter in dit handboek). U past
die tabellen toe op de grondslag (kolom 14 van de loonstaat; zie paragraaf 7.1).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 164
16.16 Studenten en scholieren
Voor studenten en scholieren bestaat een bijzondere regeling: de studenten- en scholierenregeling. Als u
de regeling toepast, hoeft u minder loonbelasting/premie volksverzekeringen te berekenen. U mag voor
de berekening van de loonheffingen namelijk het kalenderkwartaal gebruiken in plaats van het werkelijke
loontijdvak. U houdt dan meestal minder of geen loonbelasting/premie volksverzekeringen in.
De regeling geldt voor:
– scholieren voor wie bij het begin van het kalenderkwartaal recht bestaat op kinderbijslag volgens de
Algemene kinderbijslagwet
– studenten en scholieren die bij het begin van een kalenderkwartaal recht hebben op een gift
of prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering 2000 of de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek
– studenten en scholieren die bij het begin van het kalenderkwartaal recht hebben op een tegemoetkoming
in de studiekosten volgens de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
– buitenlandse studenten en scholieren uit een ander land van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen,
Zwitserland of Liechtenstein die beschikken over een International Student Identity Card (ISIC)
Voor de toepassing van de studenten- en scholierenregeling gelden voorwaarden en verplichtingen (zie
paragraaf 16.16.1 en 16.16.2). Om deze regeling te beëindigen, moet u aan bepaalde verplichtingen voldoen
(zie paragraaf 16.16.3).
16.16.1 Voorwaarden en verplichtingen
Nederlandse studenten en scholieren
Een Nederlandse student of scholier moet een schriftelijk verzoek, voorzien van datum en handtekening, bij u
doen voor het toepassen van de studenten- en scholierenregeling. In het verzoek vermeldt hij het volgende:
– het burgerservicenummer of het onderwijsnummer
– de ingangsdatum van de regeling
– dat hij student of scholier is in de zin van de regeling
– dat hij de regeling wil laten toepassen
Voor dit verzoek kunt u het ‘Model Opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en
scholierenregeling)’ downloaden van belastingdienst.nl. Bewaar het formulier of het verzoek bij uw
loonadministratie.
Buitenlandse studenten en scholieren
Wilt u de studenten- en scholierenregeling toepassen voor een buitenlandse student of scholier uit een ander
land van de Europese Unie, of uit IJsland, Noorwegen, Zwitserland of Liechtenstein? Dan moet u kunnen
bewijzen dat er sprake is van een student of scholier. Dat kan met een International Student Identity Card
(ISIC). Studenten die geen ISIC hebben, kunnen deze kaart aanvragen bij een afgiftepunt (zie isic.nl).
Als u de studenten- en scholierenregeling toepast, kunt u voor de gegevens voor de loonheffingen
gebruikmaken van het ‘Model Opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studenten- en scholierenregeling)’.
Download dit formulier van belastingdienst.nl. Bewaar dit formulier samen met een kopie van de ISIC bij uw
loonadministratie.
16.16.2 Toepassing studenten- en scholierenregeling
Voor toepassing van de studenten- en scholierenregeling gebruikt u de kwartaaltabel voor de berekening
van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 7.3.4) en het kwartaalmaximum voor de
berekening van de premies werknemersverzekeringen. Het kwartaalmaximum bepaalt u door driemaal het
maandbedrag in aanmerking te nemen (zie tabel 11, 12 en 13 achter in dit handboek).
U berekent de inhouding als volgt:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 165
1 Tel het loon dat u al eerder in het kalenderkwartaal betaalde, op bij het loon dat u op dat moment
betaalt.
2 Bereken de loonheffingen alsof u op dat moment het hele loon betaalt.
3 Trek daarvan de loonheffingen af die u al eerder had berekend. U mag niet uitkomen op een negatief
bedrag.
Deze berekening gebruikt u ook als de werknemer in een kalenderkwartaal meer dan een dienstbetrekking
achter elkaar bij u heeft.
Let op!
Voor studenten en scholieren uit bepaalde sectoren mag u voor de sectorpremie soms het lage
premiepercentage toepassen (zie paragraaf 5.3).
16.16.3 Beëindiging studenten- en scholierenregeling
U kunt de studenten- en scholierenregeling alleen beëindigen met ingang van het eerstvolgende
kalenderkwartaal. De werknemer moet hiervoor een schriftelijk verzoek voorzien van datum en
handtekening bij u doen. Dat kan met het ‘Model Opgaaf gegevens voor de loonheffingen (studentenen scholierenregeling)’, dat u kunt downloaden van belastingdienst.nl. Bewaar het formulier bij uw
loonadministratie.
16.17 Thuiswerkers en hun hulpen
U moet de thuiswerker niet verwarren met de werknemer die een echte of fictieve dienstbetrekking heeft en
(soms) thuis werkt. Een thuiswerker is iemand die alleen thuis werkt en het werk niet uitbesteedt. Bovendien
heeft een thuiswerker geen eigen bedrijf. Denk bijvoorbeeld aan inpakwerkzaamheden thuis.
Eerst beoordeelt u of de thuiswerker in echte dienstbetrekking is (zie paragraaf 1.1.1). Is de thuiswerker
niet in echte dienstbetrekking, dan zijn de thuiswerker en zijn hulpen in fictieve dienstbetrekking als aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan:
– Het werk wordt persoonlijk gedaan.
– Het brutoloon is per maand meestal ten minste 40% van het wettelijk minimumloon per maand. Het
minimumloon is het loon volgens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Voor werknemers
jonger dan 22 jaar geldt een lager wettelijk minimumloon dan voor andere werknemers. Als het loon niet
afhankelijk is gesteld van de leeftijd, dan moet u voor de 40%-grens het minimumloon voor werknemers
van 22 jaar of ouder aanhouden.
– De arbeidsrelatie is aangegaan voor onbepaalde tijd of voor ten minste 1 maand. Hierbij kan het ook
gaan om 2 arbeidsrelaties met dezelfde opdrachtgever die elkaar binnen een maand opvolgen en die
samen ten minste een maand duren. Een maand is voor deze regeling een aaneengesloten tijdvak van 30
dagen.
De fictieve dienstbetrekking geldt niet als de thuiswerker en zijn hulpen tot 1 van de volgende groepen
horen:
– personen die vooral godsdienstig werk hebben, bijvoorbeeld priesters
– auteurs of redacteurs die werken voor een uitgever, maar dit werk niet voor hun beroep doen
– bestuurders van verenigingen en stichtingen
– personen van wie de arbeidsrelatie vooral wordt bepaald door een familierelatie
– zelfstandig ondernemers
– personen die meestal meer dan 2 hulpen hebben, die niet hun echtgenoot zijn of minderjarige kinderen
die tot hun huishouden horen
– opdrachtnemers die samen met hun opdrachtgever een bepaling in hun schriftelijke overeenkomst
hebben opgenomen dat de fictieve dienstbetrekking voor thuiswerkers niet van toepassing is
Of een thuiswerker en zijn hulpen bij u in fictieve dienstbetrekking zijn, beoordeelt u aan de hand van
verwachtingen bij het begin van de arbeidsrelatie. Wordt er soms afgeweken van de voorwaarden,
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 166
bijvoorbeeld wanneer u in een maand maar 30% van het minimumloon betaalt, dan leidt dat niet tot een
onderbreking van de fictieve dienstbetrekking. Maar gaat het om een blijvende afwijking, dan moet u
opnieuw beoordelen of de arbeidsrelatie een fictieve dienstbetrekking is.
16.17.1 Wie moet de loonheffingen inhouden?
Als opdrachtgever van de thuiswerker moet u de loonheffingen inhouden op het loon van de thuiswerker
en aan ons betalen. De thuiswerker moet loonheffingen inhouden en betalen over het loon van zijn hulpen,
tenzij de thuiswerker meestal alleen voor u werkt. Dan moet u de loonheffingen inhouden op het loon van de
hulpen van de thuiswerker en aan ons betalen.
16.17.2 Loon van de hulpen van de thuiswerker
Als een thuiswerker hulpen heeft en u ook voor die hulpen de loonheffingen inhoudt en betaalt, dan moet de
thuiswerker aan u opgeven hoeveel loon iedere hulp krijgt. Hij moet daarvoor bij u een verklaring inleveren
die door hemzelf en door zijn hulpen is ondertekend. Levert de thuiswerker geen verklaring bij u in, dan moet
u voor de berekening van alle loonheffingen het hele loon beschouwen als loon van de thuiswerker.
Let op!
Het is mogelijk dat de situatie tijdens de dienstbetrekking verandert waardoor de thuiswerker niet meer
aan de voorwaarden van een fictieve dienstbetrekking voldoet. Vanaf dat moment geeft u het loon niet
meer aan in de aangifte loonheffingen. U moet het loon dan bij ons melden als een uitbetaald bedrag
aan een derde (zie paragraaf 1.2).
16.17.3 Speciale tabellen voor thuiswerkers (en hun hulpen)
Voor thuiswerkers en hun hulpen moet u de loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen met speciale
tabellen (zie tabel 4, 5, 6a en 6b achter in dit handboek). U past die tabellen toe op de grondslag (kolom 14
van de loonstaat; zie paragraaf 7.1).
16.18 Topsporters met een A-status
Sommige topsporters die van NOC*NSF een A-status hebben gekregen, krijgen een maandelijkse uitkering
(stipendium) uit het ‘Fonds voor de topsporter’ en een kostenvergoeding. Daarnaast is er een categorie
topsporters met een A-status die alleen een kostenvergoeding van het Fonds krijgt.
Beide categorieën topsporters zijn voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de Zvw in fictieve
dienstbetrekking bij het ‘Fonds voor de topsporter’. Alleen de topsporters die een maandelijkse uitkering
krijgen, vallen ook onder de werknemersverzekeringen.
Let op!
Voor andere inkomsten die topsporters met een A-status met sporten verdienen, kan de speciale
regeling voor beroepssporters gelden (zie paragraaf 16.6). Er kan ook sprake zijn van een echte
dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.1) of van pseudowerknemerschap (zie paragraaf 16.14).
16.19 Uitzendkrachten en payrollmedewerkers
Een uitzendkracht is in echte dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.1) bij een uitzend- of detacheringsbureau
als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
– De uitzending vindt plaats via een uitzend- of detacheringsbureau.
– De uitzendkracht werkt onder toezicht en leiding van de inlener.
– Er is sprake van een uitzendovereenkomst.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 167
– Het uitzend- of detacheringsbureau is de werkgever.
Als er geen sprake is van een echte dienstbetrekking, kan er sprake zijn van een fictieve dienstbetrekking.
Dit is het geval wanneer een uitzendkracht bij een derde werkt via een organisatie of een natuurlijk persoon.
Er is geen sprake van een fictieve dienstbetrekking in de volgende gevallen:
– De uitzendkracht werkt meestal op maximaal 3 dagen per week bij u als dienstverlener aan huis (zie
paragraaf 16.13.2).
– De uitzendkracht werkt bij wijze van arbeidstherapie.
– De uitzendkracht heeft een eigen bedrijf en voert via een bemiddelingsbureau voor eigen rekening en
risico een opdracht uit.
Voor uitzendkrachten in echte of fictieve dienstbetrekking gelden de gewone regels voor de loonheffingen.
Als een uitzendkracht loon krijgt voor niet-opgenomen vakantiedagen, kunt u voor de inhouding van
loonbelasting/premie volksverzekeringen kiezen tussen 2 tabellen: de tabel voor bijzondere beloningen (zie
paragraaf 7.3.6) of de tijdvaktabel (zie paragraaf 7.3.4) voor gewone loonbetalingen.
Wanneer is een uitzendkracht een payrollmedewerker?
Een uitzendkracht is een payrollmedewerker als aan de volgende 3 voorwaarden is voldaan:
– De opdrachtgever is zelf verantwoordelijk voor het werven en selecteren van de payrollmedewerker. Bij
een uitzendkracht is het uitzendbureau daar verantwoordelijk voor.
– Het payrollbedrijf en de opdrachtgever zijn expliciet overeengekomen dat de payrollmedewerker tijdens
de opdracht uitsluitend voor de opdrachtgever werkt. Het payrollbedrijf mag de payrollmedewerker dus
niet ergens anders laten werken. Dat mag alleen in uitzonderingssituaties, bijvoorbeeld deze:
– De opdracht loopt tijdelijk terug in uren. Het payrollbedrijf en de opdrachtgever kunnen dan
overeenkomen dat de payrollmedewerker voor de weggevallen uren tijdelijk ergens anders werkt.
– De payrollmedewerker raakt (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. Het payrollbedrijf en de opdrachtgever
kunnen dan overeenkomen dat de payrollmedewerker voor zijn re-integratie (gedeeltelijk) tijdelijk
ergens anders werkt.
– De opdrachtgever is verantwoordelijk voor het personeelsbeleid rond de payrollmedewerker, zoals het
loopbaanbeleid, opleidingen, functioneringsgesprekken en verzuimbegeleiding. Bij een uitzendkracht is
het uitzendbureau daar verantwoordelijk voor.
Het payrollbedrijf is de juridische werkgever. Dat wil zeggen dat het payrollbedrijf alle administratieve zaken
regelt, zoals het sluiten van de arbeidsovereenkomst, uitbetaling tijdens ziekte en het doen van aangifte. Alle
loonkosten belast het payrollbedrijf door aan de opdrachtgever.
De payrollmedewerker is in beginsel in echte dienstbetrekking bij het payrollbedrijf.
16.20 Vrijwilligers
Een vrijwilliger is iemand die voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet in echte of fictieve
dienstbetrekking is en die niet ‘bij wijze van beroep’ werkt voor 1 van de volgende organisaties:
– een organisatie die geen aangifte vennootschapsbelasting hoeft te doen
– een sportorganisatie
– een algemeen nut beogende instelling (ANBI)
Bij een sportorganisatie en een ANBI zijn de rechtsvorm en het wel of niet aangifte vennootschapsbelasting
hoeven doen niet van belang.
Een vrijwilliger is iemand die alleen een beloning krijgt die binnen de grenzen van een vrijwilligersvergoeding
blijft. Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is namelijk dat een vergoeding niet in verhouding
staat tot het tijdsbeslag en de aard van het werk. Van een vrijwilligersvergoeding is sprake als iemand
vergoedingen of verstrekkingen krijgt met een gezamenlijke waarde van maximaal € 170 per maand en
maximaal € 1.700 per kalenderjaar.
Als u binnen deze maximumbedragen iemand een vergoeding of verstrekking per uur betaalt, dan
beschouwen wij een uurvergoeding van maximaal € 5,00 (of € 2,75 voor een vrijwilliger jonger dan 22
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 168
jaar) als vrijwilligersvergoeding. Betaalt u een vrijwilliger niet per uur, maar per activiteit, dan moet u de
vergoeding omrekenen naar een vergoeding per uur. Over een uurvergoeding van maximaal € 5,00 (of
€ 2,75 voor een vrijwilliger jonger dan 22 jaar) hoeft u geen loonheffingen in te houden en te betalen. Ook
hoeft u geen urenadministratie bij te houden.
Betaalt u een marktconforme beloning en is degene aan wie u deze betaalt, aan te merken als werknemer,
dan gelden de normale regels voor de loonheffingen.
Voorbeeld 1
Voor vereniging X werken 3 vrijwilligers. Vrijwilliger A krijgt per activiteit betaald: hij krijgt € 9
voor een activiteit van 2 uur, die hij 10 x per maand voor de organisatie doet. Vrijwilligers B en
C krijgen allebei een vergoeding van € 4 per uur en zijn 35 uur per maand actief. Vrijwilliger C
declareert per maand ook nog € 47,50 reiskosten. Alle vrijwilligers zijn 22 jaar of ouder. Omdat
de uurvergoeding voor de vrijwilligers niet hoger is dan € 5,00, vallen A, B en C onder de fiscale
definitie van vrijwilliger.
Aan de hand van de uitbetaalde bedragen moet de vereniging beoordelen of de
vrijwilligersvrijstelling van toepassing is. Vrijwilliger A blijft onder de € 170 per maand en ook onder
de € 1.700 per jaar, dus de vergoeding is onbelast. Vrijwilliger B krijgt € 140 per maand en blijft
daarmee onder het maandbedrag van € 170. Als de vereniging ervoor zorgt dat het jaarbedrag niet
boven de € 1.700 uitkomt, is de vergoeding onbelast. Vrijwilliger C krijgt € 187,50 (€ 140 + € 47,50
reiskostenvergoeding) en komt daarmee boven het maandmaximum, dat geldt voor het totaal van
de vergoedingen en verstrekkingen, inclusief kostenvergoedingen. De vrijwilligersvrijstelling is op
vrijwilliger C niet van toepassing: de vereniging moet vaststellen of deze persoon is aan te merken
als werknemer.
Voorbeeld 2
Een vrijwilliger werkt 2 maanden 100 uur per maand en 3 maanden 50 uur per maand voor
een voetbalvereniging. In totaal werkt de vrijwilliger dus 350 uur in 5 maanden. Hij krijgt een
vergoeding van € 2 per uur, in totaal € 700. Een vergoeding van € 2 per uur is geen marktconforme
beloning en de totale vergoeding van € 700 komt niet boven het jaarmaximum van € 1.700. Toch
is de vrijwilligersregeling niet van toepassing, omdat de beloning boven het maandmaximum van
€ 170 komt. De vergoeding in de 2 maanden waarin de vrijwilliger 100 uur werkt, is namelijk € 200.
De vereniging moet vaststellen of er sprake is van een werknemer. Zo ja, dan moet de vereniging
over de totale vergoeding loonheffingen inhouden en betalen. Ook moet de vereniging dan een
urenadministratie bijhouden.
Voorbeeld 3
Een 25-jarige vrijwilliger werkt 10 maanden 50 uur per maand voor een voetbalvereniging. Hij krijgt
een vergoeding van € 3 per uur, in totaal € 1.500. De vereniging maakt dit bedrag in 1 keer aan
hem over. Een vergoeding van € 3 per uur is geen marktconforme beloning en de totale vergoeding
van € 1.500 komt niet boven het maandmaximum van € 170 en het jaarmaximum van € 1.700. De
vereniging hoeft over de vergoeding van deze vrijwilliger dus geen loonheffingen in te houden en te
betalen. Ook hoeft de vereniging geen urenadministratie bij te houden.
Voorbeeld 4
Een tennisvereniging betaalt een vrijwilliger een vergoeding van € 7 per uur. De vrijwilliger
werkt 9 maanden 20 uur per maand voor de vereniging. Hoewel de vergoeding niet boven het
maandmaximum van € 170 en het jaarmaximum van € 1.700 komt, moet de vereniging toch
loonheffingen inhouden en betalen en een urenadministratie bijhouden als er sprake is van een
werknemer. De vergoeding van € 7 per uur is namelijk een marktconforme beloning.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 169
Als uw vrijwilliger een bijstands-, IOAW- of IOAZ-uitkering krijgt en vrijwilligerswerk
doet
Krijgt uw vrijwilliger een bijstandsuitkering of een IOAW- of IOAZ-uitkering en daarnaast een vergoeding voor
vrijwilligerswerk? Dan verandert de hoogte van zijn uitkering niet als de vergoeding voor het vrijwilligerswerk
maximaal € 170 per maand is en maximaal € 1.700 per jaar.
16.21 Werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt
Vanaf 1 januari 2019 is de AOW-leeftijd verhoogd naar 66 jaar en 4 maanden. Hierdoor duren de
verzekeringsplicht en de premieplicht voor de werknemersverzekeringen 4 maanden langer dan in 2018. Als
u werkgeversheffing Zvw moet betalen, duurt dit ook 4 maanden langer.
Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, betaalt u de werkgeversheffing Zvw tot het einde van
de dienstbetrekking. Sinds 1 januari 2017 zijn deze werknemers ook verzekerd voor de ZW. U betaalt voor
deze werknemers geen premies werknemersverzekeringen.
Voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen geldt vanaf de 1e dag van de maand waarin de
werknemer de AOW-leeftijd bereikt, de inhouding die bij de AOW-leeftijd hoort. Ook bij een weekloon of
een vierwekenloon geldt die inhouding als de werknemer dat loon geniet op of na de 1e dag van de maand
waarin hij de AOW-leeftijd bereikt.
Voorbeeld 1: loon per maand
Uw werknemer wordt 66 jaar op 18 mei 2019. Na het bereiken van de AOW-leeftijd op 18
september 2019 blijft hij nog werken. Dit betekent het volgende:
– Uw werknemer heeft recht op een AOW-uitkering vanaf 18 september 2019.
– De verzekeringsplicht voor de AOW, WW, WAO en WIA loopt door tot en met 17 september
2019. Na deze datum blijft de werknemer nog wel verzekerd voor de ZW.
– U houdt de hele maand augustus nog AOW-premie in en u betaalt premies
werknemersverzekeringen, dus tot en met 31 augustus 2019.
– U blijft werkgeversheffing Zvw betalen tot het einde van de dienstbetrekking.
– Voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen maakt u voor loon dat de
werknemer geniet vanaf 1 september 2019, gebruik van de kolom ‘AOW-leeftijd en ouder’.
Voorbeeld 2: loon per 4 weken
Uw werknemer wordt 66 jaar op 25 juni 2019. Na het bereiken van de AOW-leeftijd op 25 oktober
2019 blijft hij werken. Dit betekent het volgende:
– Uw werknemer heeft recht op een AOW-uitkering vanaf 25 oktober 2019.
– De verzekeringsplicht voor de AOW, WW, WAO, en WIA loopt tot en met 24 oktober 2019. Na
deze datum blijft de werknemer nog wel verzekerd voor de ZW.
– U betaalt vanaf de 11e periode van 4 weken (van 7 oktober 2019 tot en met 3 november 2019)
geen premies werknemersverzekeringen meer.
– U blijft werkgeversheffing Zvw betalen tot het einde van de dienstbetrekking.
– Voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen maakt u voor het loon dat
de werknemer geniet over de 10e periode van 4 weken (van 9 september 2019 tot en met 6
oktober 2019) gebruik van de kolom ‘Jonger dan de AOW-leeftijd’ als u het loon betaalt vóór 1
oktober. Betaalt u het loon op of na 1 oktober, dan gebruikt u de kolom ‘AOW-leeftijd en ouder’.
– Vanaf de 11e periode (van 7 oktober 2019 tot en met 3 november 2019) maakt u gebruik van
de kolom ‘AOW-leeftijd en ouder’.
– Betaalt u het loon over de 10e periode (van 9 september 2019 tot en met 6 oktober 2019)
op 30 september 2019 uit, dan is dat vóór de 1e van de maand waarin de werknemer
de AOW-leeftijd bereikt. De werknemer is dan de hele 10e periode verzekerd voor de
werknemersverzekeringen en u moet in deze periode dus premies werknemersverzekeringen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 170
voor hem betalen. Betaalt u het loon over de 10e periode uit op 3 oktober, dan hoeft u geen
premies werknemersverzekeringen te betalen.
Let op!
Als de werknemer in december 2018 66 jaar of ouder was, dan heeft hij in 2018 de AOW-leeftijd
bereikt. Gebruik dan vanaf januari 2019 ook de bedragen en tarieven voor werknemers met de AOWleeftijd en ouder.
Werknemer is nog in dienstbetrekking
Als uw werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt en nog bij u in dienstbetrekking is, gebruikt u voor de
berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het loon de witte tabel (zie paragraaf
7.3.2).
Werknemer (pensioengenieter) krijgt van u een uitkering
Als u aan een werknemer een uitkering betaalt, zoals een lijfrente- of (pre)pensioenuitkering, is er sprake
van loon uit vroegere dienstbetrekking. Voor de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen
gebruikt u de groene tabel (zie paragraaf 7.3.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 171
17 Werken over de grens: loonbelasting
Dit hoofdstuk is alleen voor u van toepassing als u in Nederland bent gevestigd en 1 van de volgende
situaties geldt:
– Uw werknemer woont in Nederland en werkt in het buitenland.
– Uw werknemer woont in het buitenland en werkt in Nederland.
– Uw werknemer woont en werkt in het buitenland.
In deze situaties gelden aparte regels voor het inhouden van loonbelasting en voor het betalen
van premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en premies
werknemersverzekeringen. In dit hoofdstuk leest u hoe u in deze situaties omgaat met de loonbelasting.
In hoofdstuk 18 leest u hoe u in deze situaties omgaat met de premie volksverzekeringen, de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en de premies werknemersverzekeringen. Wat we bedoelen met ‘wonen
in Nederland’ en hoe u dat kunt vaststellen, leest u in paragraaf 2.3.3.
In dit hoofdstuk behandelen wij de volgende onderwerpen:
– algemene uitleg over belastingheffing bij grensoverschrijdende arbeid (zie paragraaf 17.1)
– meest voorkomende gevallen van grensoverschrijdende arbeid (zie paragraaf 17.2)
– bijzondere situaties (zie paragraaf 17.3)
– extraterritoriale kosten en de 30%-regeling (zie paragraaf 17.4)
– de werkkostenregeling in buitenlandsituaties (zie paragraaf 17.5)
– vrijstelling van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor uw werknemers
(zie paragraaf 17.6)
Werknemers met bijzondere status
Paragraaf 17.1 en 17.2 gelden niet voor een aantal werknemers met een bijzondere status. Dit zijn:
– bestuurders en commissarissen (opting-in)
– uitkerings- en pensioengerechtigden
– artiesten en beroepssporters
– studenten
– hoogleraren en andere docenten
– ambtenaren
– werknemers in het internationaal transport en vliegverkeer
– werknemers die worden uitgezonden door of namens de Nederlandse staat
Zie paragraaf 17.3 voor meer informatie over deze werknemers.
17.1 Algemene uitleg over belastingheffing bij grensoverschrijdende
arbeid
Als er niets tussen landen zou zijn geregeld, zou een werknemer bij grensoverschrijdend werken 2 keer
belasting betalen over zijn loon: in het werkland (loon)belasting en in het woonland inkomstenbelasting.
Om dit te voorkomen zijn er belastingverdragen waarin wordt geregeld welk land wanneer belasting mag
heffen (zie paragraaf 17.1.1). Heeft Nederland geen verdrag gesloten met het land waar uw werknemer
gaat werken, dan is er voor werknemers die in Nederland wonen, nog de eenzijdige regeling (zie paragraaf
17.1.2). Wat we bedoelen met ‘wonen in Nederland’ en hoe u dat kunt vaststellen, leest u in paragraaf 2.3.3.
17.1.1 Belastingverdragen en 183-dagenregeling
In de meeste belastingverdragen is bepaald dat het werkland van de werknemer het recht heeft belasting
te heffen over het loon dat de werknemer daar verdient. Hierop is 1 uitzondering: het woonland van de
werknemer heeft het recht om belasting te heffen als aan de volgende 3 voorwaarden wordt voldaan:
– De werknemer verblijft binnen een bepaalde periode niet langer dan 183 dagen in het werkland. Binnen
welke periode de 183 dagen moeten vallen, verschilt per verdragsland. Zie hiervoor de tabel hierna.
Voor het tellen van de dagen voor de 183-dagenregeling gaat u uit van de verblijfsdagen: alle dagen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 172
waarop de werknemer in de werkstaat was. Ook dagen waarop de werknemer niet werkte, bijvoorbeeld
weekenden of vakantiedagen, telt u dus mee. Een dagdeel telt als een volledige dag.
– De werkgever die het loon betaalt, is niet gevestigd in het werkland en het loon wordt ook niet betaald
door of namens een werkgever in het werkland, de zogenoemde materiële werkgever (zie hierna, onder
‘Personeel uitlenen, uitzenden of detacheren’).
– Het loon komt niet ten laste van de winst van een vaste inrichting van de werkgever in het werkland,
bijvoorbeeld een filiaal, of van een vast middelpunt van de werkgever in het werkland, bijvoorbeeld een
verkooppunt van een fabrikant.
Deze 3 voorwaarden staan samen bekend als de 183-dagenregeling. Degene die deze regeling wil gebruiken
– dit kan de werkgever, de werknemer of de Belastingdienst zijn – moet bewijzen dat er aan alle 3 de
voorwaarden is voldaan. Wordt aan 1 van de voorwaarden niet voldaan, dan heeft het werkland het recht
belasting te heffen.
Personeel uitlenen, uitzenden of detacheren
Hebt u te maken met situaties waarin personeel ter beschikking wordt gesteld, zoals uitlenen, uitzenden en
detacheren? Dan kan het bij het beoordelen van de 2e voorwaarde van de 183-dagenregeling lastig zijn te
bepalen of er sprake is van een materiële werkgever in het werkland. Er is in ieder geval sprake van een
materiële werkgever in het werkland als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
– De werknemer staat in een gezagsverhouding tot de opdrachtgever in het werkland: de opdrachtgever
bepaalt hoe, wanneer en onder welke omstandigheden de werknemer werkt.
– De werkzaamheden komen voor rekening en risico van de opdrachtgever in het werkland: de financiële
voor- en nadelen van het werk komen voor rekening van de opdrachtgever.
– Het loon wordt doorbelast aan het werkland. Van doorbelasten is al sprake als u de loonkosten globaal
per tijdseenheid in rekening brengt, bijvoorbeeld een bedrag per uur of per dag.
Als er sprake is van een materiële werkgever in het werkland, wordt niet voldaan aan de 2e voorwaarde van
de 183-dagenregeling. In dat geval mag het werkland belasting heffen over het loon dat de werknemer daar
verdient.
Uitzending binnen concernverband
Bij uitzending van een werknemer binnen concernverband geldt het volgende:
– werknemer woont in Nederland en wordt uitgezonden naar het buitenland
U moet loonbelasting inhouden als deze werknemer in een bepaalde periode korter dan 183 dagen in het
buitenland verblijft. Hoe lang die periode is, ziet u in de tabel 183-dagenregeling. Het kan voorkomen dat
het werkland vindt dat u ook in het werkland loonbelasting moet inhouden. Deze situatie, waarbij sprake
is van dubbele belasting, kunt u voorleggen aan uw belastingkantoor.
– werknemer woont in het buitenland en wordt uitgezonden naar Nederland
In deze situatie is er meestal sprake van een materiële werkgever in Nederland (zie hierboven voor de
3 voorwaarden). Nederland mag dan heffen en het buitenlandse concernonderdeel moet loonbelasting
inhouden op het deel van het loon dat de werknemer hier verdient. U bent mogelijk geen materieel
werkgever in Nederland als de uitzending naar Nederland korter duurt dan 60 werkdagen per 12
maanden. Over dit specifieke onderwerp is een besluit verschenen waarin het begrip ‘werkgever’ in
belastingverdragen wordt uitgelegd, het besluit DGB2010/267M (Staatscourant 2010, 788). U vindt dit
besluit op zoek.officielebekendmakingen.nl. Als u twijfelt wie als werkgever geldt, kunt u bellen met de
BelastingTelefoon Buitenland: (055) 538 53 85.
Verleggingsregeling inhouding loonheffingen
Komt een werknemer van een buitenlands concernonderdeel in Nederland werken en is het buitenlandse
concernonderdeel inhoudingsplichtig? Dan kan het Nederlandse onderdeel van dit concern de loonheffingen
inhouden. Dit is de zogenoemde verleggingsregeling.
Voor het toepassen van de verleggingsregeling moeten u en het buitenlandse concernonderdeel gezamenlijk
een verzoek doen bij het belastingkantoor van het Nederlandse concernonderdeel. In het verzoek vermeldt u
de volgende gegevens:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 173
– naam, adres, vestigingsplaats en loonheffingennummer van het Nederlandse concernonderdeel
– naam, adres en vestigingsplaats van het buitenlandse concernonderdeel en eventueel het
loonheffingennummer, als het buitenlandse concernonderdeel dat heeft
– de gewenste ingangsdatum van de beschikking
– of u een algemene beschikking of een beschikking voor 1 of meer specifieke werknemers wilt hebben
– als u een beschikking voor 1 of meer specifieke werknemers wilt hebben: naam, adres, woonplaats en
burgerservicenummer van deze werknemers
Als wij uw verzoek hebben behandeld, sturen wij u een beschikking waarin staat of u de regeling mag
toepassen.
U kunt een verzoek doen voor meerdere concernonderdelen tegelijk.
Wanneer geldt de 183-dagenregeling niet?
De 183-dagenregeling geldt meestal niet voor bestuurders en commissarissen van vennootschappen,
beroepssporters, artiesten, hoogleraren, docenten en ambtenaren (zie paragraaf 17.3).
Meer informatie over belastingverdragen
De meeste verdragen hebben een 183-dagenbepaling. Wilt u die bepaling goed toepassen, dan moet u het
relevante verdrag raadplegen. Kijk daarvoor op verdragenbank.overheid.nl en zoek op het land en ‘belasting’.
Dan vindt u de belastingverdragen en wijzigingsprotocollen die Nederland met dat land heeft gesloten.
Tabel 183-dagenregeling
In de tabel hierna ziet u per land met welke periode u rekening moet houden bij de toepassing van de
183-dagenregeling. Voor het tellen van de dagen gaat u uit van de verblijfsdagen: alle dagen waarop de
werknemer in de werkstaat was. Ook dagen waarop de werknemer niet werkte, bijvoorbeeld weekenden of
vakantiedagen, telt u dus mee. Een dagdeel telt u als een volledige dag. Een verklaring voor de letters in de
tabel vindt u direct na de tabel.
Werkland Periode waarbinnen de werknemer maximaal 183 dagen in werkland mag
zijn
Albanië A
Argentinië A
Armenië A
Australië B
Azerbeidjan F
Bahrein F
Bangladesh D
Barbados A
Belarus (Wit-Rusland) A
België A
Bermuda F
BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius, Saba) A
Bosnië-Herzegovina C
Brazilië B
Bulgarije B
Canada E
China 2013 A
Denemarken A
Duitsland 2012 F
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 174
Werkland Periode waarbinnen de werknemer maximaal 183 dagen in werkland mag
zijn
Egypte F
Estland G
Ethiopië F
Filippijnen B
Finland A
Frankrijk B
Georgië A
Ghana F
Griekenland B
Hongarije B
Hongkong A
Ierland B
IJsland A
India B
Indonesië A
Israël B
Italië B
Japan F
(voormalig) Joegoslavië C
Jordanië A
Kazachstan A
Kirgizië C
Koeweit A
Kroatië A
Letland A
Litouwen A
Luxemburg B
Macedonië A
Maleisië C
Malta C
Marokko B
Mexico A
Moldavië A
Montenegro C
Nederlandse Antillen (Aruba, Curaçao, Sint
Maarten)
A
Nieuw-Zeeland B
Nigeria H
Noorwegen A
Oeganda A
Oekraïne A
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 175
Werkland Periode waarbinnen de werknemer maximaal 183 dagen in werkland mag
zijn
Oezbekistan F
Oman F
Oostenrijk C
Pakistan B
Panama F
Polen A
Portugal A
Qatar F
Roemenië A
Rusland A
Saudi-Arabië F
Servië C
Singapore C
Slovenië F
Slowakije B
Spanje B
Sri Lanka A
Suriname A
Tadzjikistan C
Taiwan A
Thailand B
Tsjechië B
Tunesië B
Turkije C
Turkmenistan C
Venezuela B
Verenigde Arabische Emiraten G
Verenigd Koninkrijk F
Verenigde Staten van Amerika B
Vietnam A
Zambia F
Zimbabwe B
Zuid-Afrika A
Zuid-Korea B
Zweden A
Zwitserland B
Periodes waarbinnen de werknemer maximaal 183 dagen in het werkland mag zijn:
A: 12 maanden
B: belastingjaar
C: kalenderjaar
D: belastingtijdvak of belastingjaar
E: 12 maanden begin of einde in kalenderjaar
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 176
F: 12 maanden begin of einde in belastingjaar
G: 12 maanden begin en einde in belastingjaar
H: belastingjaar of jaar van aanslag
17.1.2 Eenzijdige regeling
Als een werknemer die in Nederland woont, in een land werkt waarmee Nederland geen verdrag heeft
gesloten, kunt u dubbele belastingheffing voorkomen op grond van de eenzijdige regeling. Deze regeling
geldt voor loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en voor loon uit vroegere dienstbetrekking.
De regeling bepaalt voor het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking onder andere dat u over het
buitenlandse deel van dat loon geen loonbelasting hoeft in te houden in 1 van de volgende situaties:
– De werknemer werkt minder dan 30 aaneengesloten dagen in het niet-verdragsland en kan aantonen dat
hij in het werkland belasting over zijn loon betaalt.
– De werknemer werkt 30 aaneengesloten dagen of langer in het niet-verdragsland en maakt aannemelijk
dat het werkland belasting heft op zijn loon. Hij hoeft dus niet aan te tonen dat hij ook belasting betaalt.
Is de periode langer dan 3 maanden aaneengesloten, dan is daarmee aannemelijk gemaakt dat het
werkland belasting heft op het loon.
Bij het bepalen van het aantal werkdagen in het buitenland, tellen de reguliere werkonderbrekingen, zoals
weekenden en korte vakantiesluitingen, mee.
17.2 Meest voorkomende gevallen van grensoverschrijdende arbeid
In deze paragraaf behandelen we de volgende 3 situaties:
– Uw werknemer woont in Nederland en werkt in het buitenland (zie paragraaf 17.2.1).
– Uw werknemer woont in het buitenland en werkt in Nederland (zie paragraaf 17.2.2).
– Uw werknemer woont en werkt alleen in het buitenland (zie paragraaf 17.2.3).
Wat we bedoelen met ‘wonen in Nederland’ en hoe u dat kunt vaststellen, leest u in paragraaf 2.3.3.
17.2.1 Uw werknemer woont in Nederland en werkt in het buitenland
Voor werknemers die in Nederland wonen en (tijdelijk of deels) in het buitenland werken, vindt u
hier informatie over het inhouden van de loonbelasting. Aan het eind van deze paragraaf vindt u een
stroomschema waarmee u kunt bepalen of u loonbelasting moet inhouden voor uw werknemer.
Loonbelasting inhouden
Om te bepalen of u over het loon dat uw werknemer verdient in het buitenland, loonbelasting moet inhouden,
kijkt u eerst of er een belastingverdrag is gesloten met het land waar uw werknemer werkt. Kijk hiervoor op
verdragenbank.overheid.nl en zoek op het land en ‘belasting’.
Er is een belastingverdrag
Als er een belastingverdrag is, gaat u als volgt te werk:
1 Bepaal of het verdrag een 183-dagenregeling bevat. Zo nee, bel de BelastingTelefoon: 0800 – 0543. Zo
ja, ga verder met stap 2.
2 Bepaal of uw werknemer meer dan 183 dagen in het werkland zal zijn:
– Verwacht u dat dat zo is, dan houdt u geen loonbelasting in op het salaris dat de werknemer daar
verdient. U neemt uw werknemer wel op in de aangifte. Verdient hij naast het loon in het werkland
ook loon in Nederland, dan kunt u uw werknemer onder 2 nummers inkomstenverhouding opnemen
(zie paragraaf 3.4.1).
– Verblijft uw werknemer naar verwachting korter dan 183 dagen in het werkland? Ga verder met stap
3.
3 Kijk of het loon van uw werknemer ten laste komt van de winst van een vaste inrichting van u in het
werkland, bijvoorbeeld een filiaal, of van een vast middelpunt van u in het werkland, bijvoorbeeld een
verkooppunt van u:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 177
– Zo ja, dan houdt u geen loonbelasting in op het buitenlandse salaris van uw werknemer. U neemt uw
werknemer wel op in de aangifte. Verdient hij naast het loon in het werkland ook loon in Nederland,
dan neemt u uw werknemer op onder 2 nummers inkomstenverhouding (zie paragraaf 3.4.1).
– Is dat niet het geval, dan blijft u loonbelasting inhouden op het volledige salaris van uw werknemer,
dus zowel het buitenlandse deel als het eventuele Nederlandse deel.
Er is geen belastingverdrag: eenzijdige regeling
Als uw werknemer gaat werken in een land waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft, moet u bepalen
hoe lang uw werknemer in het buitenland gaat werken:
– Gaat uw werknemer 3 maanden of langer aaneengesloten in het niet-verdragsland werken, dan houdt u
geen loonbelasting in op zijn salaris voor zijn werk in het niet-verdragsland.
– Gaat uw werknemer korter dan 3 maanden, maar langer dan 30 aaneengesloten dagen in het nietverdragsland werken en kunt u aannemelijk maken dat hij daar over zijn loon belasting moet betalen?
Dan houdt u geen loonbelasting in op zijn salaris voor zijn werk in het niet-verdragsland. Uw werknemer
hoeft niet daadwerkelijk belasting te betalen. Het is voldoende dat de werknemer voor zijn werk kan
worden belast op grond van de lokale belastingwetgeving.
– Gaat uw werknemer minder dan 30 dagen aaneengesloten in het niet-verdragsland werken en betaalt
hij aantoonbaar belasting over het salaris dat hij verdient in dat niet-verdragsland, dan houdt u geen
loonbelasting in over dat salaris.
In alle bovenstaande situaties neemt u uw werknemer wel op in de aangifte. Verdient hij naast het loon in
het werkland ook loon in Nederland, dan neemt u uw werknemer op onder 2 nummers inkomstenverhouding
(zie paragraaf 3.4.1).
In alle andere gevallen blijft u loonbelasting inhouden op het volledige salaris van uw werknemer, dus zowel
het buitenlandse deel als het eventuele Nederlandse deel. U neemt de werknemer in de aangifte op onder 1
nummer inkomstenverhouding.
Stroomschema
U kunt het volgende stroomschema gebruiken om te bepalen of u loonbelasting moet inhouden op het loon
dat uw werknemer in het buitenland verdient. U past het schema per land toe: als u 1 of meer werknemers
hebt die in verschillende landen werken, doorloopt u het schema dus voor elk land.
Let op!
Dit schema geldt niet voor bestuurders en commissarissen, uitkerings- en pensioengerechtigden,
artiesten en beroepssporters, studenten, hoogleraren en andere docenten, ambtenaren, werknemers in
het internationaal transport en vliegverkeer en werknemers die worden uitgezonden door of namens de
Nederlandse staat.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 178
Stroomschema 1: Uw werknemer woont in Nederland en werkt in het buitenland
Let op!
In belastingverdragen die Nederland met andere landen heeft afgesloten om dubbele belasting
te voorkomen, is bepaald hoe Nederland dubbele belasting voorkomt. In sommige verdragen is
afgesproken dat Nederland als woonland vrijstelling of aftrek geeft, als het werkland belasting heft.
Als uw werknemer geen belasting betaalt in het werkland, raden wij u aan om toch loonbelasting in te
houden. Daarmee voorkomt u dat uw werknemer inkomstenbelasting moet bijbetalen.
17.2.2 Uw werknemer woont in het buitenland en werkt in Nederland
Voor werknemers die in het buitenland wonen en (tijdelijk of deels) in Nederland werken, vindt u hier
informatie over:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 179
– burgerservicenummer
– loonbelasting inhouden
– loonadministratie en aangifte loonheffingen
Aan het eind van deze paragraaf vindt u een stroomschema waarmee u kunt bepalen of u loonbelasting moet
inhouden voor uw werknemer.
Burgerservicenummer
Om in Nederland te kunnen werken, moet een werknemer die in het buitenland woont, een
burgerservicenummer hebben. Alleen voor artiesten en beroepssporters die in het buitenland wonen,
geldt een uitzondering. De werknemer moet zich inschrijven bij 1 van de 19 gemeenten met een RNIloket. Na inschrijving krijgt uw werknemer een kopie van de geregistreerde gegevens, waaronder zijn
burgerservicenummer. Voor meer informatie over RNI kunt u terecht op rvig.nl.
Bij het aanvragen van een burgerservicenummer moet de werknemer:
– zich kunnen legitimeren met een geldig en origineel identiteitsbewijs
– een geldige verblijfsaantekening in zijn paspoort hebben waarop staat dat hij in Nederland mag werken,
als hij uit een niet-EER-land komt
Hoewel Zwitserland een niet-EER-land is, hebben werknemers uit Zwitserland geen verblijfsaantekening in
hun paspoort nodig. Zie paragraaf 18.1.1 voor een overzicht van de EER-landen.
Loonbelasting inhouden
Om te bepalen of u over het loon van uw in het buitenland wonende werknemer loonbelasting moet
inhouden, bepaalt u waar hij werkt voor u:
– alleen in Nederland
– voor 90% of meer in het buitenland
– gedeeltelijk in Nederland en gedeeltelijk in het buitenland
Werknemer werkt alleen in Nederland
Werkt de werknemer alleen in Nederland voor u, dan moet u over zijn volledige salaris loonbelasting
inhouden.
Werknemer werkt in een kalenderjaar voor 90% of meer in het buitenland
– Uw werknemer woont in een verdragsland: dan houdt u geen loonbelasting in, ook niet over het loon dat
hij eventueel nog in Nederland verdient.
– Uw werknemer woont in een niet-verdragsland:
– Is het loon, inclusief eventueel Nederlands loon, in dat land niet aan belasting onderworpen? Dan
moet u daarover loonbelasting inhouden.
– Is het loon, inclusief eventueel Nederlands loon, in dat land wél aan belasting onderworpen? Dan
houdt u daarover geen loonbelasting in. Uw werknemer hoeft niet aan te tonen dat het werkland
feitelijk belasting inhoudt.
In alle gevallen vermeldt u het loon, inclusief eventueel Nederlands loon, in uw aangifte loonheffingen onder
1 nummer inkomstenverhouding.
Werknemer werkt in een kalenderjaar gedeeltelijk in Nederland en gedeeltelijk (voor minder dan 90%) in het
buitenland
– Woont uw werknemer in een verdragsland? Dan houdt u over het loon dat hij in Nederland verdient,
loonbelasting in. Over het loon dat uw werknemer in dat verdragsland verdient, houdt u alleen
loonbelasting in als Nederland volgens het verdrag belasting mag heffen.
– Woont uw werknemer in een niet-verdragsland? Dan houdt u over het Nederlandse loon loonbelasting in.
Voor het buitenlandse loon geldt:
– Als het buitenlandse loon in dat land niet aan belasting is onderworpen, moet u daarover
loonbelasting inhouden.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 180
– Als het niet-verdragsland zelf belasting heft over het loon dat uw werknemer daar verdient, houdt u
daarover geen loonbelasting in.
In alle gevallen vermeldt u het Nederlandse én het buitenlandse loon in uw aangifte loonheffingen. Heft
het land waar uw werknemer gedeeltelijk werkt, belasting over het loon dat hij daar verdient? Dan kunt u
uw werknemer onder 2 nummers inkomstenverhouding opnemen (zie paragraaf 3.4.1). Moet u over het
Nederlandse én buitenlandse loon loonbelasting inhouden, dan neemt u de werknemer op onder 1 nummer
inkomstenverhouding.
Loonadministratie
In de loonadministratie behandelt u een werknemer die in het buitenland woont en in Nederland werkt,
hetzelfde als uw Nederlandse werknemers.
Stroomschema
U kunt het volgende stroomschema gebruiken om te bepalen of u loonbelasting moet inhouden op het loon
dat uw werknemer in Nederland verdient. U past het schema per land toe: als u meer werknemers hebt die
in verschillende landen wonen, doorloopt u het schema dus voor elk land.
Let op!
Dit schema geldt niet voor bestuurders en commissarissen, uitkerings- en pensioengerechtigden,
artiesten en beroepssporters, studenten, hoogleraren en andere docenten, ambtenaren, werknemers in
het internationaal transport en vliegverkeer en werknemers die worden uitgezonden door of namens de
Nederlandse staat.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 181
Stroomschema 2: Uw werknemer woont in het buitenland en werkt in Nederland
17.2.3 Uw werknemer woont en werkt alleen in het buitenland
Als uw werknemer woont in het buitenland en alleen in het buitenland werkt, hoeft u geen loonbelasting in te
houden op het salaris dat u hem uitbetaalt. U hoeft hem ook niet op te nemen in de aangifte.
17.3 Bijzondere situaties
De volgende personen hebben een bijzondere status bij grensoverschrijdende werkzaamheden:
– bestuurders en commissarissen (opting-in) (zie paragraaf 17.3.1)
– uitkerings- en pensioengerechtigden (zie paragraaf 17.3.2)
– studenten (zie paragraaf 17.3.3)
– artiesten en beroepssporters (zie paragraaf 17.3.4)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 182
– hoogleraren en andere docenten (zie paragraaf 17.3.5)
– ambtenaren (zie paragraaf 17.3.6)
– werknemers in het internationaal transport en vliegverkeer (zie paragraaf 17.3.7)
– werknemers die worden uitgezonden door of namens de Nederlandse staat (zie paragraaf 17.3.8)
17.3.1 Bestuurders en commissarissen (opting-in)
Heeft uw organisatie, bijvoorbeeld een nv of bv, een bestuurder of commissaris die in het buitenland woont?
Dan moet u in de meeste situaties loonbelasting inhouden op het loon dat u hem voor zijn bestuurswerk of
commissariaat betaalt. Dat doet u ook als de bestuurder of commissaris niet in Nederland werkt. Voor meer
informatie kunt u contact opnemen met de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
Let op!
Voor een commissaris geldt bovenstaande alléén als gezamenlijk wordt gekozen voor opting-in. Zie voor
meer informatie paragraaf 16.14.
17.3.2 Uitkerings- en pensioengerechtigden
Ook op loon uit vroegere dienstbetrekking moet u loonbelasting inhouden. Maar u hoeft geen loonbelasting
in te houden op een Nederlandse (pensioen)uitkering van iemand die in het buitenland woont, als Nederland
met het woonland van de uitkeringsgerechtigde een verdrag heeft gesloten dat de belastingheffing toewijst
aan het woonland.
U moet zelf beoordelen of u wel of geen loonbelasting moet inhouden. Omdat het moeilijk is om dat aan de
hand van een verdrag te bepalen, kunt u de uitkeringsgerechtigde vragen om bij Belastingdienst/kantoor
Buitenland een zogenoemde verdragsverklaring aan te vragen. Wij geven deze verklaring af als Nederland op
grond van een belastingverdrag geen loonbelasting mag inhouden.
Let op!
Als u geen loonheffingen hoeft in te houden op grond van internationale regelgeving, moet u de
pensioenuitkering toch in de aangifte loonheffingen opnemen.
17.3.3 Studenten
U moet loonbelasting inhouden op het loon dat een buitenlandse student bij u verdient. Dat hoeft niet als aan
de volgende 4 voorwaarden wordt voldaan:
– De student verblijft 6 maanden of korter in Nederland.
– De student loopt stage voor zijn studie of beroepsopleiding.
– U geeft alleen een vergoeding voor kosten van levensonderhoud en zakgeld.
– U geeft ons na afloop van het kalenderjaar door welke bedragen u de student hebt betaald.
Voldoet u niet aan deze voorwaarden, dan zijn er belastingverdragen die regelen dat u geen
loonbelasting hoeft in te houden als de student loon krijgt uit buitenlandse bronnen, bijvoorbeeld een
buitenlandse universiteit of een buitenlands fonds. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de
BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
17.3.4 Artiesten en beroepssporters
Artiesten en beroepssporters betalen meestal belasting in het werkland. Het maakt niet uit of zij werknemer,
zzp’er of ondernemer zijn. Huurt u een artiest, beroepssporter, artiestengezelschap of sportploeg in? Lees
dan de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en beroepssportersregeling’. U kunt de handleiding voor 2019 in
de loop van het jaar downloaden van belastingdienst.nl.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 183
17.3.5 Hoogleraren en andere docenten
Als een onderwijsinstelling in Nederland een hoogleraar of een andere docent uitzendt, moet die instelling
loonbelasting blijven inhouden op het loon van de uitgezonden docent.
17.3.6 Ambtenaren
Het loon van ambtenaren is belast in het land dat de ambtenaar uitzendt.
17.3.7 Werknemers in het internationaal transport en vliegverkeer
Voor werknemers in het internationale verkeer aan boord van schepen of luchtvaartuigen en voor
binnenvaartschippers gelden aparte regels voor de loonbelasting. Meer informatie kunt u krijgen bij de
BelastingTelefoon Buitenland: (055) 538 53 85.
17.3.8 Werknemers die worden uitgezonden door of namens de Nederlandse staat
Voor werknemers die worden uitgezonden door of namens de Nederlandse staat – bijvoorbeeld leraren aan
Nederlandse internationale scholen in het buitenland – geldt het volgende:
– Werken deze werknemers in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten, dan moet
u het verdrag raadplegen om te bepalen of u voor hen loonbelasting moet inhouden.
– Werken deze werknemers in een niet-verdragsland, dan gelden voor hen dezelfde regels als voor
ambtenaren (zie paragraaf 17.3.6).
17.4 Extraterritoriale kosten en de 30%-regeling
Werknemers die tijdelijk naar het buitenland of naar Nederland worden uitgezonden, krijgen vaak
een vergoeding voor de extra kosten van dat verblijf buiten het land van herkomst, de zogenoemde
extraterritoriale kosten. Hiervoor geldt een gerichte vrijstelling. Voor het vergoeden van die kosten kunt u
kiezen: vergoeden van de werkelijke extraterritoriale kosten of, onder voorwaarden, toepassen van de 30%-
regeling.
Vergoeden van werkelijke kosten
Vergoedt u de werkelijke extraterritoriale kosten, dan moet u deze, in redelijkheid gemaakte, kosten
aannemelijk maken. U houdt dan de kosten en de vergoeding per werknemer bij in uw loonadministratie. U
mag deze kosten met ingang van 1 januari 2019 maximaal 5 jaar onbelast vergoeden aan de werknemer.
Daarna is de vergoeding belast. U mag de vergoeding wel aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf
8.1.3). Voor werknemers die vóór 1 januari 2019 bij u in dienst zijn gekomen, geldt hetzelfde overgangsrecht
als bij de 30%-regeling (zie paragraaf 17.4.2).
Vergoeden met 30%-regeling
Als u de 30%-regeling gebruikt, mag u, zonder nader bewijs, maximaal 30% van het loon inclusief de
vergoeding aanwijzen als gericht vrijgestelde vergoeding voor de extraterritoriale kosten (zie paragraaf
17.4.3). Geeft u daarnaast ook nog een vergoeding of verstrekking voor de werkelijke extraterritoriale
kosten, dan is deze vergoeding of verstrekking loon van uw werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Hebt u een werknemer met behoud van loon geschorst, op non-actief gesteld of tot aan het eind van zijn
dienstbetrekking vrijgesteld van werk? Dan mag u de 30%-regeling voor hem niet gebruiken in de periode
van inactiviteit. Op het loon dat u betaalt in het 1e loontijdvak na het loontijdvak waarin de inactiviteit is
begonnen, mag u de 30%-regeling nog wel toepassen.
U vindt in deze paragraaf informatie over:
– werknemers uitgezonden naar het buitenland (zie paragraaf 17.4.1)
– werknemers die naar Nederland komen (zie paragraaf 17.4.2)
– inhoud van de regeling (zie paragraaf 17.4.3)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 184
17.4.1 Werknemers uitgezonden naar het buitenland
De 30%-regeling geldt voor de volgende werknemers:
– werknemers die vanuit Nederland worden uitgezonden naar landen in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en een
aantal Oost-Europese landen
– werknemers die vanuit Nederland worden uitgezonden om in een ander land wetenschap te beoefenen of
onderwijs te geven
– ambtenaren die Nederland vertegenwoordigen in het buitenland
– ambtenaren, rechterlijke ambtenaren en militairen die worden uitgezonden naar de BES-eilanden,
Curaçao, Sint Maarten of Aruba
– militairen die worden uitgezonden naar landen buiten het Koninkrijk der Nederlanden
Wilt u gebruikmaken van de 30%-regeling voor deze werknemers? Dan moet de werknemer in een periode
van 12 maanden ten minste 45 dagen in het buitenland verblijven. Uitzendingen van minder dan 15 dagen
tellen hierbij niet mee. Maar als de werknemer eenmaal aan de 45-dagenvoorwaarde voldoet, dan mag u
voor de berekening van het aantal dagen waarop u de 30%-regeling mag toepassen, ook alle uitzendingen
van ten minste 10 dagen meetellen.
Voorbeeld 1
U zendt werknemer A op 1 februari uit naar Chili voor 50 dagen. Na afloop van het werk
daar, komt de werknemer terug naar Nederland. In oktober van hetzelfde jaar zendt u deze
werknemer opnieuw uit, nu voor 11 dagen naar Argentinië. Omdat deze werknemer aan de 45-
dagenvoorwaarde voldoet, mag u ook de 11-daagse uitzending meetellen: u past de 30%-regeling
voor deze werknemer toe op het loon dat hij tijdens de 61 dagen uitzending verdiende.
Voorbeeld 2
Op 8 maart zendt u werknemer B uit naar Tanzania. De uitzending duurt 20 dagen, waarna de
werknemer weer naar Nederland komt. In de loop van hetzelfde jaar zendt u werknemer B nog
2 keer uit: voor 14 dagen naar Mali en voor 20 dagen naar Kenia. Hoewel u werknemer B in een
periode van 12 maanden in totaal 54 dagen hebt uitgezonden, voldoet deze werknemer niet aan de
45-dagenvoorwaarde, want de uitzending naar Mali (minder dan 15 dagen) telt niet mee. U mag
voor deze werknemer de 30%-regeling niet toepassen.
Om van de 30%-regeling voor uitgezonden werknemers gebruik te kunnen maken, hebt u van ons
geen beschikking nodig. Als u aan de voorwaarden voldoet, kunt u van de regeling gebruikmaken. Voor
werknemers die u vanuit een ander land hebt geworven om in Nederland te komen werken, hebt u wel een
beschikking nodig (zie paragraaf 17.4.2).
17.4.2 Werknemers komen naar Nederland
De 30%-regeling geldt ook voor werknemers die u uit een ander land hebt geworven of die vanuit een ander
land zijn uitgezonden om in Nederland te werken. Om van de 30%-regeling gebruik te kunnen maken, gelden
de volgende voorwaarden:
– De werknemer is bij u in dienst.
– De werknemer beschikt over een specifieke deskundigheid (deskundigheidsvereiste, zie hierna).
– De werknemer voldoet aan de definitie van ‘ingekomen werknemer’ (zie hierna).
– Wij hebben een beschikking afgegeven waaruit blijkt dat u van de 30%-regeling gebruik mag maken.
U kunt deze beschikking aanvragen met het formulier ‘Verzoek Loonheffingen 30%-regeling 2019’, dat u
binnenkort kunt downloaden van belastingdienst.nl.
De 30%-regeling is ook van toepassing op inwoners van de BES-eilanden, Aruba, Curaçao en Sint Maarten
die aan de voorwaarden voldoen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 185
Met ingang van 1 januari 2019 mag u voor een ingekomen werknemer maximaal 5 jaar gebruikmaken
van de 30%-regeling, in plaats van de maximale looptijd van 8 jaar die gold vanaf 2012. Voor ingekomen
werknemers die voor 1 januari 2019 bij u in dienst zijn gekomen, geldt overgangsrecht (zie hierna).
Deskundigheidsvereiste
Als u voor een werknemer die naar Nederland komt, van de 30%-regeling gebruik wilt maken, moet deze
werknemer onder andere een specifieke deskundigheid hebben. Voor het aantonen van die specifieke
deskundigheid geldt een inkomensnorm, die ieder jaar wordt geïndexeerd. In 2019 is er sprake van
een specifieke deskundigheid als uw werknemer een belastbaar jaarloon heeft van minimaal € 37.743,
exclusief de gerichte vrijstelling. Voor werknemers die in het wetenschappelijk onderwijs een Nederlandse
mastertitel hebben behaald of een gelijkwaardige buitenlandse titel, en die jonger zijn dan 30 jaar, is deze
inkomensnorm € 28.690, exclusief de gerichte vrijstelling.
Voor werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen bij bepaalde instellingen en artsen in opleiding tot
specialist, geldt een uitzondering: zij hoeven niet aan een inkomensnorm te voldoen.
In uitzonderingsgevallen moet uw werknemer niet alleen aan de inkomensnorm voldoen
(deskundigheidsvereiste), maar ook aan een schaarstevereiste: de deskundigheid van uw werknemer moet
niet of nauwelijks te vinden zijn op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat is het geval als vrijwel alle werknemers
in een specifieke sector voldoen aan de inkomensnorm, bijvoorbeeld profvoetballers. In die gevallen moet u
de schaarste op de gebruikelijke manier aantonen.
Bij de beoordeling van het schaarste- en deskundigheidsvereiste houden wij dan rekening met de volgende 3
factoren:
– het opleidingsniveau van de werknemer
– de ervaring van de werknemer die relevant is voor de functie
Als een werknemer meer dan 2,5 jaar heeft gewerkt in een vergelijkbare functie, gaan wij ervan uit dat
hij relevante ervaring voor de functie heeft.
– de verhouding tussen het beloningsniveau voor de functie in Nederland en het beloningsniveau in het
land van herkomst van de werknemer
Het uitgangspunt is dat de nettobeloning in het land van herkomst niet lager is dan de nettobeloning
voor de functie in Nederland. De vergoeding voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van
herkomst (extraterritoriale kosten) telt hierbij niet mee.
150 kilometer-grens
Sinds 1 januari 2012 geldt er een beperking voor werknemers die uit de grensstreek van Nederland komen.
De 30%-regeling voor werknemers die naar Nederland komen, de zogenoemde ingekomen werknemers,
geldt alleen nog voor werknemers die in de 24 maanden voor hun 1e werkdag in Nederland, meer dan 16
maanden op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens woonden. U kunt de 30%-
regeling dus niet gebruiken voor werknemers uit België en Luxemburg. Ook werknemers uit Noord-Frankrijk,
uit grote delen van Duitsland en uit een klein deel van het Verenigd Koninkrijk komen niet in aanmerking
voor deze regeling.
Uitzonderingen op de beperking
De beperking geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 niet voor de werknemer die uit de
Nederlandse grensstreek komt en die aan de volgende 3 voorwaarden voldoet:
– De werknemer heeft eerder in Nederland gewerkt en komt na een verblijf in het buitenland weer in
Nederland werken, waarbij de eerdere werkperiode maximaal 8 jaar geleden is begonnen.
– Deze werknemer heeft in de 24 maanden vóór deze eerdere werkperiode in Nederland, meer dan 16
maanden op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens gewoond.
– Tijdens deze eerdere werkperiode gold er een beschikking voor de 30%-regeling voor de werknemer. Als
er geen beschikking was, kan hij aannemelijk maken dat hij aan de toen geldende voorwaarden voor de
30%-regeling voldeed.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 186
Voor werknemers met een doctorstitel (gepromoveerden) die binnen 1 jaar na hun promotie voor u
in Nederland gaan werken, geldt ook een uitzondering. Als een gepromoveerde aan beide volgende
voorwaarden voldoet, beschouwen wij hem toch als een ingekomen werknemer:
– Hij woonde tijdens het promotieonderzoek en tussen de promotie en de start van het werk in Nederland
of binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens.
– Hij woonde in de 24 maanden vóór de start van zijn promotieonderzoek in Nederland meer dan 16
maanden op een afstand van meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens.
In de volgende situaties beschouwen wij een gepromoveerde ook als een ingekomen werknemer:
– Hij deed promotieonderzoek in Nederland en had naast zijn promotieonderzoek een dienstbetrekking in
Nederland.
– Hij kreeg vóór zijn promotie een arbeidsovereenkomst van u. Het behalen van de doctorstitel was een
voorwaarde voor u om hem in dienst te nemen.
De 30%-regeling gaat in deze gevallen pas in vanaf het moment dat de werknemer zijn doctorstitel behaalt.
Beschikking: geldigheid en toetsen voorwaarden
Beschikkingen voor de 30%-regeling hebben een looptijd van maximaal 5 jaar. Van die looptijd trekken wij
af:
– periodes van verblijf of werk in Nederland die meer dan 25 jaar voor de datum van aankomst in
Nederland zijn begonnen en minder dan 25 jaar voor de datum van aankomst in Nederland zijn geëindigd
– periodes van verblijf of werk in Nederland in de 25 jaar voor de datum van aankomst in Nederland
Daarbij tellen we de volgende periodes niet mee:
– periodes van maximaal 20 dagen per jaar waarin de werknemer in Nederland heeft gewerkt
– periodes van maximaal 6 weken per jaar, of eenmalig maximaal 3 aaneengesloten maanden, waarin
de werknemer in Nederland is geweest voor vakantie, familiebezoek of andere privéredenen
– periodes waarin een werknemer in het buitenland werkte of verbleef, maar nog wel werknemer was
De uiterlijke einddatum staat in de beschikking die u van ons krijgt. De einddatum kan door overgangsrecht
worden bekort. Zie daarvoor de paragraaf over het overgangsrecht hieronder. De 30%-regeling eindigt
in ieder geval op de laatste dag van het loontijdvak na het tijdvak waarin de laatste werkdag valt. Als
bijvoorbeeld de laatste werkdag van uw werknemer 15 februari 2019 is, dan mag u bij een loontijdvak van
een maand de 30%-regeling toepassen tot en met 31 maart 2019.
Toetsen inkomensnorm
U moet tijdens de looptijd van de beschikking toetsen of uw werknemer nog aan de inkomensnorm voldoet.
Als het loon in een jaar lager is dan de geïndexeerde norm, vervalt de 30%-regeling met terugwerkende
kracht tot 1 januari van dat jaar. U moet dan uw eerdere aangiften corrigeren. Als het arbeidscontract in de
loop van een kalenderjaar begint of eindigt, herrekent u het loon naar een jaarloon. Voldoet de werknemer
later wel weer aan de inkomensnorm, dan mag u de 30%-regeling niet meer toepassen. Bij een lager loon
dat is veroorzaakt door ouderschapsverlof en zwangerschapsverlof kunt u uitgaan van het loon dat de
werknemer zonder dit verlof zou genieten.
Werknemers met een mastertitel
Werknemers die in het wetenschappelijk onderwijs een Nederlandse mastertitel hebben behaald of een
gelijkwaardige buitenlandse titel, en voor wie de verlaagde inkomensnorm geldt, moeten vanaf de maand
na de maand waarin zij 30 jaar worden, voldoen aan de hogere norm (belastbaar jaarloon van € 37.743
exclusief de gerichte vrijstelling).
Wisseling van werkgever
Als de werknemer binnen een samenhangende groep inhoudingsplichtigen (zie ook paragraaf 3.6) van
werkgever wisselt, blijft een beschikking voor de 30%-regeling geldig zolang de werknemer ook bij de
nieuwe werkgever aan de voorwaarden van de regeling voldoet.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 187
Voor een werknemer die gedurende de looptijd van de beschikking overstapt naar een nieuwe werkgever,
kan onder voorwaarden de 30%-regeling van toepassing blijven. De nieuwe werkgever moet dan samen met
de werknemer een nieuw verzoek indienen. Meer informatie hierover kunt u krijgen bij de BelastingTelefoon
Buitenland: (055) 538 53 85.
Bij een uitzending binnen het concern kan het zijn dat de werknemer formeel in dienst blijft bij de
oude (buitenlandse) werkgever. Ook in die situatie kunt u onder voorwaarden gebruikmaken van
de 30%-regeling, bijvoorbeeld door de werknemer op te nemen in de salarisadministratie van het
Nederlandse concernonderdeel. Meer informatie hierover kunt u krijgen bij de BelastingTelefoon
Buitenland: (055) 538 53 85.
Overgangsrecht voor werknemers ingekomen voor 1 januari 2012
Voor ingekomen werknemers die voor 1 januari 2012 onder de 30%-regeling vallen, geldt overgangsrecht.
De looptijd van de 30%-regeling stopt uiterlijk op 1 januari 2021, ook als de oorspronkelijke maximale
looptijd dan nog niet is verstreken.
U moet voor de toepassing van de 30%-regeling toetsen of uw werknemer naar verwachting nog voldoet aan
de inkomensnorm (zie hiervoor onder het kopje ‘Deskundigheidsvereiste’). Voldoet uw werknemer hier niet
meer aan, dan mag u de 30%-regeling vanaf het toetsmoment niet meer toepassen voor deze werknemer.
Zolang de werknemer er wel aan voldoet, mag u de 30%-regeling blijven toepassen, tot maximaal 10 jaar.
De regeling stopt uiterlijk op 1 januari 2021, ook als de looptijd van 10 jaar dan nog niet is verstreken.
Voorbeeld
U maakt voor een werknemer sinds 1 december 2011 gebruik van de 30%-regeling. De 30%-
regeling zou voor deze werknemer na 10 jaar stoppen, dus op 1 december 2021, maar door de
verkorting van de looptijd en het overgangsrecht stopt de regeling op 1 januari 2021.
Overgangsrecht voor werknemers ingekomen in de periode van 1 januari 2012 tot en
met 31 december 2018
Met ingang van 1 januari 2019 is de looptijd van de 30%-regeling verkort van maximaal 8 tot maximaal 5
jaar. Voor werknemers die in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2018 zijn ingekomen
en onder de 30%-regeling vallen, geldt overgangsrecht. Hebt u voor een werknemer op 1 januari 2021
meer dan 5 jaar gebruikgemaakt van de 30%-regeling? Dan stopt de regeling op die datum. Hebt u op
1 januari 2021 nog geen 5 jaar gebruikgemaakt van de regeling? Dan loopt de regeling door totdat de
maximale looptijd van 5 jaar is verstreken.
Voorbeeld 1
U maakt voor een werknemer sinds 1 januari 2017 gebruik van de 30%-regeling. Op 1 januari 2021
hebt u 4 jaar gebruikgemaakt van de regeling. U mag de 30%-regeling voor deze werknemer dan
blijven gebruiken tot de looptijd van 5 jaar is verstreken. Dus tot 1 januari 2022.
Voorbeeld 2
U maakt voor een werknemer sinds 1 januari 2014 gebruik van de 30%-regeling. Op 1 januari 2021
hebt u 7 jaar gebruikgemaakt van de regeling. U mag de 30%-regeling vanaf die datum niet langer
gebruiken voor deze werknemer.
17.4.3 Inhoud van de regeling
De 30%-regeling houdt in dat u van bepaalde werknemers, zonder nader bewijs, maximaal 30% van het loon
inclusief de vergoeding aan mag wijzen als gericht vrijgestelde vergoeding voor de extraterritoriale kosten.
Het maximum van 30% van het loon inclusief de vergoeding is gelijk aan 30/70 van het loon exclusief de
vergoeding. Hierbij moet u wel rekening houden met het deskundigheidsvereiste (zie paragraaf 17.4.2).
Onder loon verstaan wij hier loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarvoor u aangifte loonheffingen doet.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 188
Voorbeeld 1
Het loon inclusief de vergoeding is € 60.000. De gericht vrijgestelde vergoeding van extraterritoriale
kosten is maximaal 30% x € 60.000 = € 18.000.
Voorbeeld 2
Het loon inclusief de vergoeding is € 40.000. Omdat het loon exclusief vergoeding minimaal
€ 37.743 moet zijn, kunt u maximaal een gericht vrijgestelde vergoeding geven van € 40.000 –
€ 37.743 = € 2.257.
Voorbeeld 3
Het loon exclusief de vergoeding is € 40.000. De gericht vrijgestelde vergoeding van
extraterritoriale kosten is maximaal 30/70 x € 40.000 = € 17.143.
Als u meer dan het maximumbedrag vergoedt of verstrekt, dan is dit meerdere loon voor de loonheffingen.
Zie echter ook onder ‘Overige gericht vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen’.
Zijn de in redelijkheid gemaakte, werkelijke kosten hoger dan 30/70 van het loon, dan mag u er ook
voor kiezen om de werkelijke kosten gericht vrijgesteld te vergoeden. U moet dan wel de kosten kunnen
aantonen.
Extraterritoriale kosten
De extraterritoriale kosten bestaan onder meer uit:
– de extra kosten voor levensonderhoud door een hoger prijspeil in het werkland dan in het land van
herkomst, zoals extra uitgaven voor maaltijden, gas, water en licht (cost of living allowance)
– de kosten voor een kennismakingsreis naar het werkland, eventueel met het gezin, om bijvoorbeeld te
zoeken naar een woning of een school
– de kosten voor het aanvragen of omzetten van officiële persoonlijke papieren, zoals
verblijfsvergunningen, visa en rijbewijzen
– de kosten voor medische keuringen en vaccinaties voor het verblijf in het werkland
– de dubbele huisvestingskosten, omdat de werknemer in het land van herkomst blijft wonen, bijvoorbeeld
hotelkosten
– de (1e) huisvestingskosten
Alleen de (1e) huisvestingskosten die uitkomen boven 18% van het loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking, zijn extraterritoriale kosten.
– de kosten voor opslag van het deel van de boedel dat niet wordt verhuisd naar het werkland
– de reiskosten naar het land van herkomst, bijvoorbeeld voor familiebezoek of gezinshereniging
– de extra kosten voor het laten invullen van de aangifte inkomstenbelasting als dat duurder is dan het
laten invullen van de aangifte door een vergelijkbare belastingadviseur in het land van herkomst
Hierbij geldt een maximum van € 1.000 per werknemer.
– de cursuskosten om de taal van het werkland te leren voor de werknemer en voor de gezinsleden die bij
hem verblijven
– de extra (niet-zakelijke) gesprekskosten voor telefoneren met het land van herkomst
– de kosten van een aanvraag vrijstelling sociale zekerheid, zoals een zogenoemde E101-verklaring of een
formulier A1/certificate of coverage
– de extra kosten voor schoolgelden voor een internationale school of voor een internationale afdeling van
een gewone school
Hiervan is sprake als:
– de opleiding op de betreffende (afdeling van de) school is gebaseerd op een buitenlands stelsel
– de school of de afdeling vooral bedoeld is voor kinderen van uitgezonden werknemers
De volgende kosten zijn geen extraterritoriale kosten en deze mag u dus niet gericht vrijgesteld vergoeden of
verstrekken:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 189
– de uitzendtoelagen, bonussen en vergelijkbare vergoedingen (foreign service premium, expat allowance,
overseas allowance)
– de vermogensverliezen
– de aan- en verkoopkosten van een woning (reimbursement expenses purchase house, brokers fee)
– de compensatie voor hogere belastingtarieven in het werkland (tax equalization)
Let op!
Alleen als u aannemelijk maakt dat de totale in redelijkheid gemaakte extraterritoriale kosten méér
bedragen dan 30% van het loon inclusief de vergoeding, mag u de werkelijk gemaakte kosten aanwijzen
als gericht vrijgestelde vergoeding. Daarvoor gelden geen normeringen of beperkingen.
Overige gericht vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen
Als u gebruikmaakt van de 30%-regeling, kunt u daarnaast ook de volgende kosten aanwijzen als gericht
vrijgestelde vergoeding of verstrekking:
– de verhuiskosten en de kosten voor tijdelijke opslag en het overbrengen van de boedel (zie ook paragraaf
20.1.5)
– de kosten voor een kennismakingsbezoek door de werknemer aan het bedrijf in het werkland
– de kosten voor het aanvragen of omzetten van een tewerkstellingsvergunning
– schoolgelden voor een internationale school of voor een internationale afdeling van een gewone school
Hiervan is sprake als:
– de opleiding op de betreffende (afdeling van de) school is gebaseerd op een buitenlands stelsel
– de school of de afdeling vooral bedoeld is voor kinderen van uitgezonden werknemers
Let op!
De 30%-regeling geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen. Als de werknemer in Nederland
verzekerd is voor de werknemersverzekeringen, hoeft u over de gerichte vrijstelling volgens de 30%-
regeling geen premies werknemersverzekeringen te berekenen.
Voor meer informatie over de 30%-regeling kunt u contact opnemen met de BelastingTelefoon: 0800 – 0543,
of de BelastingTelefoon Buitenland: (055) 538 53 85.
Loonadministratie en aangifte loonheffingen
U hebt voor werknemers die gebruikmaken van de 30%-regeling, dezelfde administratieve verplichtingen
als voor uw andere werknemers. Als u de 30%-regeling toepast, moet u wel extra aandacht besteden aan
de vergoedingen en de verstrekkingen die u naast de 30%-regeling hebt betaald of verstrekt. Want het is
niet toegestaan om naast de 30%-regeling ook de werkelijke extraterritoriale kosten gericht vrijgesteld te
vergoeden of te verstrekken.
17.5 Werkkostenregeling in buitenlandsituaties
Hebt u grensoverschrijdende werknemers of werknemers die in het buitenland wonen én werken? Dan vindt
u in deze paragraaf informatie over:
– werkkostenregeling en werknemers die wonen in Nederland en werken in het buitenland (zie paragraaf
17.5.1)
– werkkostenregeling en werknemers die wonen in het buitenland en werken in Nederland (zie paragraaf
17.5.2)
– werkkostenregeling en werknemers die wonen en werken in het buitenland (zie paragraaf 17.5.3)
– werkkostenregeling en buitenlandse werknemers die zijn opgenomen in een Nederlandse
salarisadministratie (zie paragraaf 17.5.4).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 190
– overzicht buitenlandsituaties en werkkostenregeling (zie paragraaf 17.5.5)
Zie hoofdstuk 8 en 20 voor meer informatie over de systematiek van de werkkostenregeling. Wat we
bedoelen met ‘wonen in Nederland’ en hoe u dat kunt vaststellen, leest u in paragraaf 2.3.3.
17.5.1 Werkkostenregeling en werknemers die wonen in Nederland en werken in het
buitenland
Voor werknemers die wonen in Nederland en (ook) voor u werken in het buitenland, gelden dezelfde regels
als voor werknemers die wonen en werken in Nederland: het loon en de vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen van deze werknemers vallen onder de werkkostenregeling.
Het kan zijn dat (een deel van) het loon van deze werknemers niet in Nederland belast is, bijvoorbeeld
door een belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Als dat het geval is, gaat u voor het
berekenen van de eindheffing werkkostenregeling in 1e instantie toch uit van het volledige loon, inclusief de
vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Vervolgens past u op het loon van de werknemer
dat in het andere land wordt belast, de regels ter voorkoming van dubbele belasting toe. Hiermee voorkomt u
dat dit deel van het loon ook in Nederland wordt belast.
Als u de vrije ruimte overschrijdt, vervalt een deel van de eindheffing. Dit deel kunt u op 2 manieren
berekenen:
– met de collectieve methode
– met de individuele methode
U moet voor alle werknemers met belast loon in het buitenland dezelfde methode gebruiken.
Let op!
Als u de regels ter voorkoming van dubbele belasting niet toepast, belast u het volledige loon. U houdt
dan te veel loonbelasting in. Uw werknemer kan deze loonbelasting via zijn aangifte inkomstenbelasting
terugvragen. In dit geval betaalt u wel de volledige eindheffing; er vervalt dus geen deel van de
eindheffing.
Collectieve methode
Bij de collectieve methode berekent u het deel van de eindheffing dat vervalt, als volgt:
1 Neem het deel van het totale fiscale loon van alle werknemers dat in Nederland niet is belast.
2 Deel dit door het totale fiscale loon van alle werknemers.
3 Vermenigvuldig de uitkomst van deze breuk met de eindheffing die u moet betalen.
Bij deze methode hoeft u de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet per werknemer
bij te houden.
Voorbeeld
U hebt 2 werknemers:
– Werknemer A woont in Nederland en werkt 50% van zijn tijd voor u in België. Hij
verdient met zijn werk in België 50% van zijn loon. De vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen die hij krijgt, zijn evenredig toe te rekenen aan zijn werk in Nederland
en België. Deze werknemer heeft een loon van € 100, inclusief € 10 aan vergoedingen,
verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Daarvoor geldt geen gerichte vrijstelling of
nihilwaardering. U wijst de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aan als
eindheffingsloon. Het belastbare loon van deze werknemer is dus € 90. Omdat de werknemer
50% van het loon verdient met werk in België en dit loon volgens het belastingverdrag daar
belast is, is het loon van werknemer A dat u in Nederland moet belasten € 45.
– Werknemer B woont en werkt in Nederland. Hij heeft een loon van € 100, inclusief € 5
aan vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen. Daarvoor geldt geen
gerichte vrijstelling of nihilwaardering. U wijst deze vergoedingen, verstrekkingen en
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 191
terbeschikkingstellingen aan als eindheffingsloon. Het belastbare loon van deze werknemer is
dus € 95.
Berekening van de eindheffing
– Het totale fiscale loon van alle werknemers is € 185. Uw vrije ruimte is dus 1,2% van € 185 =
€ 2,22.
– U overschrijdt uw vrije ruimte met € 12,78 (€ 15 – € 2,22). Hierover moet u 80% eindheffing
betalen: € 10,22.
– Het totale fiscale loon van alle werknemers dat in Nederland niet is belast, is € 45. € 45 gedeeld
door het totale fiscale loon van alle werknemers (€ 185) is 24%.
– Het deel van de eindheffing dat niet in Nederland is belast, is € 10,22 x 24% = € 2,45.
– U betaalt een eindheffing van € 10,22 – € 2,45 = € 7,77.
Individuele methode
Bij de individuele methode berekent u het deel van de eindheffing dat vervalt, als volgt:
1 Neem het deel van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van de werknemer dat
toe te rekenen is aan werk met loon dat niet in Nederland is belast.
2 Deel dit door het totaalbedrag van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van alle
werknemers.
3 Vermenigvuldig de uitkomst van deze breuk met de eindheffing die u moet betalen.
Bij deze methode moet u de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen per werknemer met
belast loon in het buitenland bijhouden.
Voorbeeld
U hebt dezelfde 2 werknemers A en B als bij het voorbeeld van de collectieve methode hierboven.
Berekening van de eindheffing
– Het totale fiscale loon van alle werknemers is € 185. Uw vrije ruimte is dus 1,2% van € 185 = € 2,22.
– U overschrijdt uw vrije ruimte met € 12,78 (€ 15 – € 2,22). Hierover moet u 80% eindheffing betalen:
€ 10,22.
– Het deel van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van werknemer A dat toe te
rekenen is aan werk met loon dat niet in Nederland is belast, is € 5.
– Het totaalbedrag van de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van alle werknemers is
€ 15.
– Het deel van de eindheffing dat niet in Nederland is belast, is € 10,22 x 33,3% = € 3,41.
– U betaalt een eindheffing van € 10,22 – € 3,41 = € 6,81.
17.5.2 Werkkostenregeling en werknemers die wonen in het buitenland en werken in
Nederland
Voor werknemers die wonen in het buitenland en voor u werken in Nederland, gelden dezelfde regels als
voor werknemers die wonen en werken in Nederland: het loon en de vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen van deze werknemers vallen onder de werkkostenregeling.
Als de werknemer ook in een ander land voor u werkt
Werkt deze werknemer ook voor u in zijn woonland of in een ander land? Dan is misschien (een deel
van) zijn loon niet in Nederland belast, bijvoorbeeld door een belastingverdrag ter voorkoming van
dubbele belasting. Als dat het geval is, gaat u voor het berekenen van de eindheffing werkkostenregeling
in 1e instantie toch uit van het volledige loon, inclusief de vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen. Vervolgens past u op het loon van de werknemer dat in het andere land wordt
belast, de regels ter voorkoming van dubbele belasting toe. Hiermee voorkomt u dat dit deel van het loon
ook in Nederland wordt belast.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 192
Als u de vrije ruimte overschrijdt, vervalt een deel van de eindheffing. Dit deel kunt u op 2 manieren
berekenen: met de collectieve methode of de individuele methode (zie paragraaf 17.5.1).
Let op!
Als u de regels ter voorkoming van dubbele belasting niet toepast, belast u het volledige loon. U houdt
dan te veel loonbelasting in. Uw werknemer kan deze loonbelasting via zijn aangifte inkomstenbelasting
terugvragen. In dit geval betaalt u wel de volledige eindheffing; er vervalt dus geen deel van de
eindheffing.
17.5.3 Werkkostenregeling en werknemers die wonen en werken in het buitenland
Voor werknemers die wonen en werken in het buitenland, bepaalt u op de gebruikelijke manier of ze
werknemer zijn voor de loonbelasting (zie paragraaf 17.2.2, 17.2.3 en 17.3).
Geen werknemer
Is uw werknemer die in het buitenland woont en werkt, geen werknemer voor de loonbelasting? Dan betaalt
u geen loonbelasting en vallen het loon en de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet
onder de werkkostenregeling.
Wel werknemer
Is uw werknemer die in het buitenland woont en werkt, wel werknemer voor de loonbelasting? Dan vallen
het loon en de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen wel onder de werkkostenregeling.
Maar misschien is (een deel van) zijn loon niet in Nederland belast, bijvoorbeeld door een belastingverdrag
ter voorkoming van dubbele belasting. Als dat het geval is, gaat u bij het berekenen van de eindheffing
werkkostenregeling in 1e instantie toch uit van het volledige loon, inclusief de vergoedingen, verstrekkingen
en terbeschikkingstellingen. Vervolgens past u op het loon van de werknemer dat in het andere land wordt
belast, de regels ter voorkoming van dubbele belasting toe. Hiermee voorkomt u dat dit deel van het loon
ook in Nederland wordt belast.
Als u de vrije ruimte overschrijdt, vervalt een deel van de eindheffing. Dit deel kunt u op 2 manieren
berekenen: met de collectieve methode of met de individuele methode (zie paragraaf 17.5.1).
Let op!
Als u de regels ter voorkoming van dubbele belasting niet toepast, belast u het volledige loon. U houdt
dan te veel loonbelasting in. Uw werknemer kan deze loonbelasting via zijn aangifte inkomstenbelasting
terugvragen. In dit geval betaalt u wel de volledige eindheffing; er vervalt dus geen deel van de
eindheffing.
17.5.4 Werkkostenregeling en buitenlandse werknemers in Nederlandse
salarisadministratie
Als uw bedrijf deel uitmaakt van het Nederlandse onderdeel van een internationale onderneming
(multinational), dan mag u een buitenlandse werknemer die een arbeidsovereenkomst heeft met een
ander concernonderdeel en dus niet bij u in dienst is, opnemen in uw Nederlandse salarisadministratie.
Deze werknemer blijft dan formeel in dienst bij een buitenlands onderdeel van de multinational, maar u
betaalt voor deze werknemer loonbelasting in Nederland. In dit geval geldt de werkkostenregeling voor deze
werknemer, net als voor uw andere werknemers die in Nederland werken.
U houdt rekening met de eventuele vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die
het buitenlandse onderdeel van de multinational aan de werknemer geeft. U beoordeelt of deze
vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in Nederland als vergoeding, verstrekking en
terbeschikkingstelling gelden en of ze binnen de normbedragen blijven. Als dat niet het geval is, zijn deze
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 193
vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen loon van de werknemer. Maar u kunt dit loon ook
aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
17.5.5 Overzicht buitenlandsituaties en werkkostenregeling
In het schema hieronder ziet u in welke situaties u bij grensoverschrijdende werknemers gebruik kunt maken
van de werkkostenregeling.
Situatie Gevolg
De werknemer is geen werknemer voor de loonbelasting. Het loon, de vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen vallen niet onder de
werkkostenregeling.
De werknemer is werknemer voor de loonbelasting en het
loon is in Nederland belast.
Het loon, de vergoedingen, verstrekkingen
en terbeschikkingstellingen vallen onder de
werkkostenregeling.
De werknemer is werknemer voor de loonbelasting. Het
loon is (gedeeltelijk) niet belast in Nederland, bijvoorbeeld
door een belastingverdrag. U houdt wel loonbelasting in.
De vergoedingen, verstrekkingen en
terbeschikkingstellingen vallen onder de
werkkostenregeling. Als u de regels ter voorkoming
van dubbele belasting toepast, vervalt het deel van de
eindheffing dat te maken heeft met het loon dat niet in
Nederland is belast. U kunt dit deel berekenen met de
collectieve of de individuele methode.
U betaalt de werkelijke extraterritoriale kosten voor uw
werknemer of u vergoedt hem die kosten.
Voor de vergoedingen en verstrekkingen geldt een gerichte
vrijstelling als u deze aanwijst als eindheffingsloon.
U maakt gebruik van de 30%-regeling en u vergoedt of
verstrekt daarnaast ook nog werkelijke extraterritoriale
kosten voor uw werknemer.
Voor de 30%-vergoeding geldt een gerichte vrijstelling.
Voor de vergoedingen en verstrekkingen voor de werkelijke
extraterritoriale kosten geldt het volgende:
– Als ze lager zijn dan of gelijk aan de 30%-vergoeding,
zijn ze loon van de werknemer.
– Als ze hoger zijn dan de 30%-vergoeding, dan zijn ze
gericht vrijgesteld. U mag de 30%-regeling dan niet
meer gebruiken.
17.6 Vrijstelling van aangifte inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen voor uw werknemers
U mag onder bepaalde voorwaarden de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u moet inhouden,
afstemmen op de inkomstenbelasting en eventuele premie volksverzekeringen die uw werknemer moet
betalen. Als u met uw werknemer een nettoloon hebt afgesproken, kunt u met deze werkwijze snel en
definitief het juiste bedrag afrekenen. En uw werknemer hoeft dan geen aangifte inkomstenbelasting te doen.
Deze vereenvoudigde werkwijze geldt voor:
– een werknemer die in het buitenland woont en in Nederland werkt, en die alleen looninkomsten in
Nederland heeft
– een werknemer die uit een ander land is geworven of vanuit een ander land is uitgezonden om in
Nederland te werken
Als deze werknemer in Nederland woont en als hij van de 30%-regeling gebruikmaakt, kan hij kiezen
voor de zogenoemde partiële buitenlandse belastingplicht. In dat geval wordt de werknemer voor
de heffing in de inkomstenbelasting in box 2 en 3 behandeld als een niet-inwoner. Vaak kan de
belastingheffing in Nederland daardoor beperkt worden tot het genoten loon.
Om deze vereenvoudigde werkwijze toe te kunnen passen, moet u afspraken met ons maken en moet u onze
goedkeuring vastleggen in een (loonheffing)convenant.
Om onze goedkeuring te krijgen, moet u in ieder geval aan de volgende voorwaarden voldoen:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 194
– De werknemer heeft alleen inkomsten van u en geen andere inkomsten in Nederland.
– U kunt en wilt de volledige loonberekening uitvoeren en u hebt daarvoor de benodigde deskundigheid –
intern of extern – beschikbaar.
– U hebt een informatiesysteem waarmee u op tijd en volledig (met alle loongerelateerde elementen) de
loonadministratie voert.
– U bent verantwoordelijk voor het volledig en juist verwerken van de loonadministratie en u kunt daarop
worden aangesproken.
– De werknemer verklaart schriftelijk met deze werkwijze in te stemmen en u bewaart deze verklaring bij
de loonadministratie.
U mag deze werkwijze alleen toepassen nadat wij u goedkeuring hebben gegeven. Voor goedkeuring overlegt
u met uw belastingkantoor.
Verwerking van het convenant in de loonadministratie
Hoe u het convenant in uw loonadministratie verwerkt, leest u hieronder.
Eind van het jaar: eenmalige berekening
Bij de uitvoering van het convenant kunt u in december of direct na afloop van het jaar een jaarberekening
in de salarisadministratie maken. U stelt dan de loonbelasting/premie volksverzekeringen vast op het juiste
bedrag aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die u moet betalen. U neemt de loonbelasting/
premie volksverzekering die u op deze manier berekent, mee in de laatste aangifte over het kalenderjaar.
In de loop van het jaar: loongegevens inschatten
Door het jaar heen moet u de loongegevens die u per loontijdvak nodig hebt voor de jaarberekening, zo goed
mogelijk inschatten. Gegevens die redelijkerwijs later bekend zijn dan in het loontijdvak, mogen mee naar de
hiervoor genoemde jaarberekening.
Corrigeren
In de volgende gevallen corrigeert u direct in het volgende belastingjaar:
– U hebt fouten gemaakt, bijvoorbeeld door nagekomen informatie.
– De dienstbetrekking met de werknemer eindigt in de loop van het jaar.
– Er zijn nagekomen beloningen in het kader van de dienstbetrekking, zoals een bonus die u een jaar na
het vertrek van de werknemer toekent.
Let op!
Uw werknemer heeft alleen over de periode dat hij verzekerd is in Nederland, recht op het premiedeel
van de heffingskortingen. De werknemer heeft recht op het belastingdeel van de heffingskortingen
als hij in Nederland woont. Wat we bedoelen met ‘wonen in Nederland’ en hoe u dat kunt vaststellen,
leest u in paragraaf 2.3.3. Woont uw werknemer het hele jaar in het buitenland, dan houdt u bij het
inhouden van de loonbelasting geen rekening met het belastingdeel van de heffingskortingen. Met 1
uitzondering: uw werknemer heeft wel recht op het belastingdeel van de arbeidskorting voor de periode
dat hij belastingplichtig is in Nederland, als hij woont in een land uit de landenkring (zie paragraaf
7.3.7).
Houdt u bij uw werknemer wel rekening met de arbeidskorting? Ga dan uit van zijn wereldinkomen en
niet alleen van het loon dat hij bij u in Nederland verdient (anders berekent u te veel arbeidskorting, zie
paragraaf 23.1.2).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 195
18 Werken over de grens: sociale zekerheid
Dit hoofdstuk is alleen op u van toepassing als u in Nederland woont of bent gevestigd, de werknemer voor u
werkt en 1 van de volgende situaties geldt:
– Uw werknemer woont in Nederland en werkt in het buitenland.
– Uw werknemer woont in het buitenland en werkt in Nederland.
– Uw werknemer woont en werkt in het buitenland.
In deze situaties gelden aparte regels en verdragen voor de loonbelasting en voor de sociale zekerheid
(volksverzekeringen, de Zorgverzekeringswet en werknemersverzekeringen). In dit hoofdstuk leest u hoe
u in deze situaties omgaat met de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). In hoofdstuk 17 leest u hoe u in deze situaties
omgaat met de loonbelasting. Wat we bedoelen met ‘wonen in Nederland’ en hoe u dat kunt vaststellen, leest
u in paragraaf 2.3.3.
Er zijn veel algemene regels en uitzonderingen op die regels als het gaat om sociale zekerheid en
grensoverschrijdend werken. De hoofdregel is dat uw werknemer verzekerd is voor de sociale verzekeringen
in het land waar hij werkt. In dit handboek voert het te ver om alle regels en uitzonderingen op
te nemen. Daarom verwijzen wij regelmatig naar de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor verdere
informatie: (020) 656 52 77. Of kijk op svb.nl. Neem ook contact op met de SVB als uw werknemer niet
alleen voor u werkt. Dat is bijvoorbeeld het geval als uw werknemer nog een werkgever heeft of ook als
zelfstandige werkt.
In dit hoofdstuk behandelen wij de volgende onderwerpen:
– algemene uitleg over sociale zekerheid bij grensoverschrijdende arbeid (zie paragraaf 18.1)
– meest voorkomende gevallen van grensoverschrijdende arbeid (zie paragraaf 18.2)
– bijzondere situaties (zie paragraaf 18.3)
18.1 Algemene uitleg over sociale zekerheid bij grensoverschrijdende
arbeid
Bij het vaststellen van de verzekeringsplicht van uw werknemer bij grensoverschrijdende arbeid zijn er
verschillende regels voor:
– de landen die vallen onder de Europese socialezekerheidsverordeningen nr. 883/2004 en 1408/71
(hierna: verordeningslanden) (zie paragraaf 18.1.1)
– de landen waarmee Nederland een socialezekerheidsverdrag heeft gesloten (hierna:
sociaalverdragslanden) (zie paragraaf 18.1.2)
– alle andere landen (zie paragraaf 18.1.3)
18.1.1 Wonen/werken in een verordeningsland
Als uw werknemer de nationaliteit heeft van 1 van de verordeningslanden (zie hierna) en in 1 of meer van
deze landen woont en werkt, bepalen de volgende verordeningen welke nationale socialezekerheidswetgeving
van toepassing is:
– basisverordening nr. 883/2004 en toepassingsverordening nr. 987/2009 (hierna: nieuwe verordening)
– basisverordening nr. 1408/71 en toepassingsverordening nr. 574/72 (hierna: oude verordening)
De nationale socialezekerheidswetgeving bepaalt of uw werknemer verzekerd is en of u en uw werknemer
premies moeten betalen voor de sociale verzekeringen. In verband met de leesbaarheid bedoelen wij in het
vervolg van dit hoofdstuk met ‘de werknemer is verzekerd in een land’ dat de socialezekerheidswetgeving
van dat land van toepassing is.
Onder voorwaarden gelden de verordeningen ook voor werknemers met een andere nationaliteit dan van een
verordeningsland. Voor meer informatie over deze werknemers kunt u contact opnemen met de SVB.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 196
Verordeningslanden
De verordeningslanden zijn de EER-landen en Zwitserland.
De EER bestaat uit:
– alle EU-landen
– Liechtenstein
– Noorwegen
– IJsland
De EU-landen zijn:
– België
– Bulgarije
– Cyprus
– Denemarken
– Duitsland
– Estland
– Finland
– Frankrijk
– Griekenland
– Hongarije
– Ierland
– Italië
– Kroatië
– Letland
– Litouwen
– Luxemburg
– Malta
– Nederland
– Oostenrijk
– Polen
– Portugal
– Roemenië
– Slovenië
– Slowakije
– Spanje
– Tsjechië
– Verenigd Koninkrijk
– Zweden
Nieuwe verordening sociale zekerheid
De nieuwe verordening is sinds 1 mei 2010 van kracht. Deze verordening geldt:
– vanaf 1 mei 2010 voor alle nieuwe situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU (met
uitzondering van Kroatië)
– vanaf 1 april 2012 ook voor alle nieuwe situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU (met
uitzondering van Kroatië) en Zwitserland, waarbij uw werknemer in Zwitserland woont en/of werkt
– vanaf 1 juni 2012 ook voor alle nieuwe situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU (met
uitzondering van Kroatië), Zwitserland en de andere EER-landen, waarbij uw werknemer in 1 van de
andere EER-landen woont en/of werkt
– vanaf 1 juli 2013 ook voor situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU, waarbij uw
werknemer in Kroatië woont en/of werkt
Omdat de regels van verordeningen zich vaak lastig laten doorgronden, hebben wij samen met de SVB,
UWV en het Zorginstituut Nederland een toelichting op de nieuwe verordening geschreven. U kunt de
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 197
Toelichting Europese basisverordening en de Toelichting Europese toepassingsverordening downloaden van
belastingdienst.nl.
Overgangsrecht EU-landen
De oude verordening blijft van toepassing op situaties waarin al vóór 1 mei 2010 sprake was van
grensoverschrijdend werken binnen de EU (met uitzondering van Kroatië). Dit geldt onder de volgende
voorwaarden:
– De nieuwe verordening wijst op 1 mei 2010 een ander land aan waar uw werknemer verzekerd is, dan de
oude verordening.
– De woon- en werksituatie van uw werknemer zijn sinds 30 april 2010 onveranderd.
– De werknemer heeft geen verzoek gedaan voor het toepassen van de nieuwe verordening.
Het toepassen van de nieuwe verordening moet de werknemer aanvragen bij de bevoegde instantie van
het land waar hij volgens de nieuwe verordening verzekerd is. Op deze keuze kan uw werknemer niet
terugkomen.
Als de nieuwe en de oude verordening op 1 mei 2010 dezelfde wetgeving aanwijzen, geldt automatisch vanaf
1 mei 2010 de nieuwe verordening.
Het overgangsrecht geldt tot 1 mei 2020.
Overgangsrecht Zwitserland
Voor grensoverschrijdende situaties binnen de EU (met uitzondering van Kroatië) en Zwitserland waarbij uw
werknemer in Zwitserland woont en/of werkt, geldt hetzelfde overgangsrecht als voor de EU-landen, maar
dan met ingangsdatum 1 april 2012. De woon- en werksituatie moeten sinds 31 maart 2012 onveranderd
zijn. Het overgangsrecht geldt tot 1 april 2022.
Overgangsrecht andere EER-landen
Voor grensoverschrijdende situaties binnen de EU (met uitzondering van Kroatië), Zwitserland en de andere
EER-landen waarbij uw werknemer in 1 van de andere EER-landen woont en/of werkt, geldt hetzelfde
overgangsrecht als voor de EU-landen, maar dan met ingangsdatum 1 juni 2012. De woon- en werksituatie
moeten sinds 31 mei 2012 onveranderd zijn. Het overgangsrecht geldt tot 1 juni 2022.
18.1.2 Wonen/werken in een sociaalverdragsland
Nederland heeft socialezekerheidsverdragen met aanwijsregels voor de verzekeringsplicht gesloten met de
volgende landen:
– Australië
– Bosnië-Herzegovina
– Canada (inclusief Quebec)
– Chili
– China
– Egypte
– India
– Israël (met uitzondering van Gazastrook, Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en Golan)
– Japan
– Kaapverdië
– Kanaaleilanden (Jersey, Guernsey, Alderney, Herm, Jethou)
– Kosovo
– Macedonië
– Man
– Marokko
– Montenegro
– Nieuw-Zeeland
– Servië
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 198
– Tunesië
– Turkije
– Uruguay
– Verenigde Staten van Amerika
– Zuid-Korea
Deze verdragen regelen welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is en in welk land u en
uw werknemer premies sociale verzekeringen moeten betalen. De voorwaarden hiervoor kunnen per
verdragsland verschillen. Neem voor meer informatie contact op met de SVB.
18.1.3 Wonen/werken in alle andere landen
Woont u als werkgever in Nederland of bent u hier gevestigd? En werkt uw werknemer in het buitenland,
maar niet in een verordeningsland en niet in een sociaalverdragsland? Dan bepalen de nationale wetgevingen
van Nederland en het land waar de werknemer werkt, waar de werknemer sociaal verzekerd is.
18.2 Meest voorkomende gevallen van grensoverschrijdende arbeid
In deze paragraaf behandelen we de volgende 3 situaties:
– Uw werknemer woont in Nederland en werkt in het buitenland (zie paragraaf 18.2.1).
– Uw werknemer woont in het buitenland en werkt in Nederland (zie paragraaf 18.2.2).
– Uw werknemer woont en werkt in het buitenland (zie paragraaf 18.2.3).
Ook vindt u hier 2 stroomschema’s waarmee u kunt bepalen in welk land uw werknemer in
grensoverschrijdende situaties met verordeningslanden verzekerd is (zie paragraaf 18.2.4).
Wat we bedoelen met ‘wonen in Nederland’ en hoe u dat kunt vaststellen, leest u in paragraaf 2.3.3.
18.2.1 Uw werknemer woont in Nederland en werkt in het buitenland
De regels voor de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zijn afhankelijk van de vraag in welk land uw werknemer werkt en of uw
werknemer onder de nieuwe of de oude verordening valt. U vindt in deze paragraaf informatie over:
– Uw werknemer woont in Nederland en werkt in een verordeningsland.
– Uw werknemer woont in Nederland en werkt in een sociaalverdragsland.
– Uw werknemer woont in Nederland en werkt in 1 van de andere landen.
– loonadministratie en aangifte loonheffingen
Uw werknemer woont in Nederland en werkt in een verordeningsland
Als uw werknemer in een verordeningsland werkt, kan hij onder de nieuwe of de oude verordening vallen (zie
paragraaf 18.1.1). Werkt hij in Kroatië, dan geldt de nieuwe verordening.
Nieuwe verordening van toepassing
Als de nieuwe verordening op uw werknemer van toepassing is (zie paragraaf 18.1.1) en uw werknemer in
Nederland woont, geldt het volgende:
– Voor bepaalde groepen werknemers gelden bijzondere regels: voor ambtenaren, militairen, Rijnvarenden,
zeevarenden in internationale wateren en cockpit- of cabinepersoneel in de burgerluchtvaart. Zie voor
meer informatie paragraaf 18.3.6 of neem contact op met de SVB.
– Als de werknemer alleen in 1 ander verordeningsland werkt, is hij in principe verzekerd in dat land (er
bestaan uitzonderingen bij detachering; zie hierna).
– Als de werknemer in meerdere verordeningslanden werkt, is hij in Nederland verzekerd.
– Als u een werknemer tijdelijk detacheert naar een ander verordeningsland en hij alleen daar
werkt, kan die werknemer in Nederland verzekerd blijven voor de volksverzekeringen, Zvw en
werknemersverzekeringen. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
– De werknemer is direct voor de detachering in Nederland verzekerd.
– U detacheert de werknemer niet als vervanger van een eerder gedetacheerde collega.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 199
– De detachering duurt maximaal 24 maanden.
– De werkzaamheden vinden plaats voor uw rekening.
– Er moet een gezagsverhouding blijven bestaan tussen u als werkgever en uw werknemer.
– De werknemer werkt normaal gesproken in Nederland.
– De onderneming waar u uw werknemer hebt gedetacheerd, stelt de werknemer niet ter beschikking
van een andere onderneming (doorlenen).
Voor detachering geldt het volgende:
– detachering van maximaal 24 maanden
Als de detachering naar verwachting niet langer duurt dan 24 maanden, blijft de werknemer in Nederland
verzekerd voor de sociale verzekeringen. Hiervoor kunt u voor, tijdens en na de detachering een A1/
E101-verklaring aanvragen bij de SVB, Kantoor Verzekeringen. Deze verklaring dient als bewijs dat de
werknemer in Nederland verzekerd blijft.
– detachering langer dan 24 maanden
Als de detachering naar verwachting langer duurt dan 24 maanden, kan de werknemer op verzoek
voor een periode van maximaal 5 jaar in Nederland verzekerd blijven voor de sociale verzekeringen.
Hiervoor vraagt u een zogenoemde artikel-16-overeenkomst aan bij de SVB, Kantoor Verzekeringen. Deze
overeenkomst dient als bewijs dat de werknemer in Nederland verzekerd blijft.
Voor meer informatie over de voorwaarden en gevolgen van detachering voor de sociale verzekeringen kunt
u contact opnemen met de SVB.
Oude verordening van toepassing
Als de oude verordening op uw werknemer van toepassing is (zie paragraaf 18.1.1) en uw werknemer in
Nederland woont, geldt het volgende:
– Voor bepaalde groepen werknemers gelden bijzondere regels: voor ambtenaren, militairen, Rijnvarenden,
werknemers in het internationale verkeer op de weg, op zee, op de binnenwateren en in de lucht, leden
van het bedienend personeel van een diplomatieke zending en hulpfunctionarissen van de EG. Ook als
de grens tussen meerdere landen door het grondgebied van uw onderneming loopt, gelden bijzondere
regels. Neem voor meer informatie contact op met de SVB.
– Als de werknemer alleen in 1 ander verordeningsland werkt, is hij in principe verzekerd in dat land.
– Als de werknemer in meerdere verordeningslanden werkt, is hij in Nederland verzekerd.
Uw werknemer woont in Nederland en werkt in een sociaalverdragsland
Hebt u een werknemer gedetacheerd naar 1 van de sociaalverdragslanden? Dan kan die werknemer voor 1 of
meer jaren in Nederland sociaal verzekerd blijven. Dat kan alleen als u aan de voorwaarden voor detachering
voldoet. Deze voorwaarden kunnen per verdrag verschillen. In ieder geval gelden de volgende voorwaarden:
– De werknemer is direct voor de detachering in Nederland verzekerd.
– U blijft als Nederlandse werkgever het loon doorbetalen.
Neem voor meer informatie contact op met de SVB.
Uw werknemer woont in Nederland en werkt in 1 van de andere landen
Werkt uw werknemer in het buitenland, maar niet in een verordeningsland en niet in een
sociaalverdragsland? Dan bepalen de nationale wetgevingen van Nederland en het land waar uw werknemer
werkt, waar de werknemer sociaal verzekerd is. De algemene regel in deze situatie is dat deze werknemer
in Nederland sociaal verzekerd is. Een werknemer die in het buitenland werkt en in het werkland is
verzekerd tegen langdurige arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, is in Nederland niet verzekerd voor de
werknemersverzekeringen. Het is ook mogelijk dat deze werknemer op grond van de nationale wetgevingen
in beide landen is verzekerd of juist helemaal niet is verzekerd.
Neem voor meer informatie contact op met de SVB.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 200
Loonadministratie en aangifte loonheffingen
Als een werknemer in Nederland verzekerd is, neemt u hem op in uw loonadministratie (zie hoofdstuk 3).
Betalingen aan deze werknemer verwerkt u in uw aangifte loonheffingen. Besteed hierbij extra aandacht
aan het gebruik van de juiste codes voor de loonbelastingtabel. U kunt deze codes downloaden van
belastingdienst.nl. Het is mogelijk dat u over het loon van deze werknemer geen loonbelasting hoeft in te
houden (zie hoofdstuk 17 voor loonbelasting in grensoverschrijdende situaties).
Als de werknemer in een ander land gaat werken, moet u dit melden bij de SVB. Hierdoor kan de SVB bepalen
in welk land de werknemer na deze verandering is verzekerd. Als een werknemer is verzekerd in een ander
land dan in Nederland, moet u premies betalen in het land waar de werknemer verzekerd is. U moet zich dan
melden bij de bevoegde instantie van het land waar de werknemer is verzekerd. Vraag in zo’n situatie aan
die instantie hoe u de premies moet betalen.
18.2.2 Uw werknemer woont in het buitenland en werkt in Nederland
De regels voor de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw zijn afhankelijk van de vraag in welk land uw werknemer woont en of uw
werknemer onder de nieuwe of de oude verordening valt. U vindt in deze paragraaf informatie over:
– Uw werknemer woont in een verordeningsland en werkt in Nederland.
– Uw werknemer woont in een sociaalverdragsland en werkt in Nederland.
– Uw werknemer woont in 1 van de andere landen en werkt in Nederland.
– loonadministratie en aangifte loonheffingen
Uw werknemer woont in een verordeningsland en werkt in Nederland
Als uw werknemer in een verordeningsland woont, kan hij onder de nieuwe of de oude verordening vallen
(zie paragraaf 18.1.1). Woont hij in Kroatië, dan geldt de nieuwe verordening.
Nieuwe verordening van toepassing
Als de nieuwe verordening op uw werknemer van toepassing is (zie paragraaf 18.1.1) en uw werknemer in
een verordeningsland woont, geldt het volgende:
– Voor bepaalde groepen werknemers gelden bijzondere regels: voor ambtenaren, militairen, Rijnvarenden,
zeevarenden in internationale wateren en cockpit- of cabinepersoneel in de burgerluchtvaart. Neem voor
meer informatie contact op met de SVB.
– De werknemer is in principe verzekerd in Nederland als hij alleen in Nederland werkt (er bestaan
uitzonderingen bij detachering).
– De werknemer is niet in Nederland verzekerd als hij voldoet aan de volgende 2 voorwaarden:
– Hij werkt in Nederland en ook in zijn woonland.
– Hij werkt voor ten minste 25% van zijn contractuele werktijd in zijn woonland of hij verdient ten
minste 25% van zijn loon in zijn woonland.
– De werknemer is verzekerd in Nederland als hij voldoet aan de volgende 2 voorwaarden:
– Hij werkt bij u en 1 of meer andere werkgevers in Nederland.
– Hij werkt minder dan 25% van zijn contractuele werktijd in zijn woonland of hij verdient minder dan
25% van zijn loon in zijn woonland.
– De werknemer is verzekerd in Nederland als hij aan de volgende 2 voorwaarden voldoet:
– Hij werkt bij u in Nederland en bij 1 of meer andere werkgevers in zijn woonland.
– Hij werkt minder dan 25% van zijn contractuele werktijd in zijn woonland of hij verdient minder dan
25% van zijn loon in zijn woonland.
– De werknemer is verzekerd in zijn woonland als aan de volgende 3 voorwaarden is voldaan:
– De werknemer werkt bij u in Nederland en bij 1 of meer andere werkgevers in andere
verordeningslanden.
– U en ten minste 1 andere werkgever zijn gevestigd in verschillende verordeningslanden, maar niet in
het woonland van de werknemer.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 201
– De werknemer werkt minder dan 25% van zijn contractuele werktijd in zijn woonland of hij verdient
minder dan 25% van zijn loon in zijn woonland.
Oude verordening van toepassing
Als de oude verordening op uw werknemer van toepassing is (zie paragraaf 18.1.1) en uw werknemer in een
verordeningsland woont, geldt het volgende:
– Voor bepaalde groepen werknemers gelden bijzondere regels: voor ambtenaren, militairen, Rijnvarenden,
werknemers in het internationale verkeer op de weg, op zee, op de binnenwateren en in de lucht, leden
van het bedienend personeel van een diplomatieke zending en hulpfunctionarissen van de EG. Ook als
de grens tussen meerdere landen door het grondgebied van uw onderneming loopt, gelden bijzondere
regels.
– Als de werknemer alleen in Nederland werkt, dan is hij in principe in Nederland verzekerd.
– Als de werknemer in Nederland werkt en ook in zijn woonland, dan is hij niet in Nederland verzekerd.
– Als uw werknemer in meerdere verordeningslanden werkt, maar niet in zijn woonland, is hij in Nederland
verzekerd.
Uw werknemer woont in een sociaalverdragsland en werkt in Nederland
Als uw werknemer in een sociaalverdragsland woont en in Nederland werkt, is hij meestal in Nederland
verzekerd. Op deze regel zijn uitzonderingen die per verdrag verschillen.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de SVB.
Uw werknemer woont in 1 van de andere landen en werkt in Nederland
Woont uw werknemer in het buitenland, maar niet in een verordeningsland en niet in een
sociaalverdragsland? Dan bepalen de nationale wetgevingen van Nederland en het land waar uw werknemer
woont waar de werknemer sociaal verzekerd is. U kunt als vuistregel aanhouden dat de werknemer in
Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen en de Zvw als hij bij u in echte dienstbetrekking is en u
over zijn loon loonbelasting moet inhouden (zie paragraaf 17.2.2).
De werknemer die in Nederland in echte dienstbetrekking werkt, zal meestal in Nederland verzekerd zijn
voor de werknemersverzekeringen. Maar deze werknemer kan op grond van de nationale wetgevingen ook in
beide landen verzekerd zijn, of juist helemaal niet verzekerd zijn.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de SVB.
Loonadministratie en aangifte loonheffingen
Als een werknemer in Nederland verzekerd is, neemt u hem op in uw loonadministratie (zie hoofdstuk 3).
Betalingen aan deze werknemer verwerkt u in uw aangifte loonheffingen. Besteed hierbij extra aandacht
aan het gebruik van de juiste codes voor de loonbelastingtabel. U kunt deze codes downloaden van
belastingdienst.nl. Het is mogelijk dat u over het loon van deze werknemer geen loonbelasting hoeft in te
houden (zie hoofdstuk 17 voor loonbelasting in grensoverschrijdende situaties).
Als de werknemer ook in een ander land dan Nederland gaat werken, moet u dit melden bij de bevoegde
instantie van het woonland van de werknemer. Hierdoor kan die instantie bepalen in welk land de werknemer
na deze verandering is verzekerd. Als een werknemer is verzekerd in een ander land dan in Nederland, moet
u premies betalen in het land waar de werknemer verzekerd is. U moet zich dan melden bij de bevoegde
instantie van het land waar de werknemer is verzekerd. Vraag in zo’n situatie aan die instantie hoe u de
premies moet betalen.
18.2.3 Uw werknemer woont en werkt in het buitenland
Als uw werknemer in het buitenland woont en werkt, is het mogelijk – bijvoorbeeld bij detachering – dat deze
werknemer sociaal verzekerd is in Nederland.
Neem voor meer informatie contact op met de SVB.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 202
18.2.4 Stroomschema’s verordeningslanden
Aan de hand van de onderstaande 2 stroomschema’s kunt u bepalen in welk verordeningsland uw werknemer
in grensoverschrijdende situaties verzekerd is. Het uitgangspunt bij deze stroomschema’s is dat uw
werknemer alleen voor u werkt. Als uw werknemer niet alleen voor u werkt, kunt u contact opnemen met de
SVB. Dat is bijvoorbeeld het geval als uw werknemer nog een werkgever heeft of ook als zelfstandige werkt.
Voor grensoverschrijdende situaties met andere landen is er geen stroomschema. Neem in die situaties
contact op met de SVB.
Uitleg stroomschema’s
Sinds 1 mei 2010 is de nieuwe verordening van kracht. Deze verordening geldt in ieder geval voor:
– alle nieuwe situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU (met uitzondering van Kroatië) die
gestart zijn vanaf 1 mei 2010
– alle nieuwe situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU (met uitzondering van Kroatië)
en Zwitserland, waarbij uw werknemer in Zwitserland woont en/of werkt en die gestart zijn vanaf
1 april 2012
– alle nieuwe situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU (met uitzondering van Kroatië),
Zwitserland en de andere EER-landen, waarbij uw werknemer in 1 van de andere EER-landen woont en/of
werkt en die gestart zijn vanaf 1 juni 2012
– vanaf 1 juli 2013 voor situaties van grensoverschrijdend werken binnen de EU, waarbij uw werknemer in
Kroatië woont en/of werkt
Zie paragraaf 18.1.1 voor alle situaties waarvoor de nieuwe verordening geldt.
Grensoverschrijdend werken: binnen de EU
Bij grensoverschrijdend werken binnen de EU gebruikt u de 2 stroomschema’s als volgt:
– Voor werknemers die al vóór 1 mei 2010 onafgebroken in een ander EU-land (met uitzondering
van Kroatië) woonden en/of werkten, past u zowel stroomschema 1 (de nieuwe verordening) als
stroomschema 2 (de oude verordening) toe. Hierbij gaat u uit van de situatie zoals deze onmiddellijk voor
1 mei 2010 was. Er zijn 2 mogelijke uitkomsten:
– De nieuwe en de oude verordening wijzen op 1 mei 2010 hetzelfde land aan waar uw werknemer
verzekerd is. In dit geval is sinds 1 mei 2010 de nieuwe verordening op deze werknemer van
toepassing.
– De nieuwe verordening wijst op 1 mei 2010 een ander land aan waar uw werknemer verzekerd
is, dan de oude verordening. In dit geval is de oude verordening van toepassing zolang de woonen werksituatie van de werknemer gelijk blijven. Als de woon- of werksituatie zodanig verandert
dat de oude verordening de wetgeving van een ander land aanwijst dan voorheen, is de nieuwe
verordening van toepassing. De nieuwe verordening is dan van toepassing vanaf het moment dat de
omstandigheden veranderen.
– Voor werknemers die vanaf 1 mei 2010 in een ander EU-land (met uitzondering van Kroatië) woonden en/
of werkten, past u stroomschema 1 (de nieuwe verordening) toe.
– Voor werknemers die in Kroatië wonen en/of werken, past u stroomschema 1 (de nieuwe verordening)
toe.
Grensoverschrijdend werken: Zwitserland
Bij grensoverschrijdend werken binnen de EU (met uitzondering van Kroatië) en Zwitserland, waarbij uw
werknemer in Zwitserland woont en/of werkt, gebruikt u de 2 stroomschema’s als volgt:
– Voor werknemers die al vóór 1 april 2012 onafgebroken in Zwitserland woonden en/of werkten, past u
zowel stroomschema 1 (de nieuwe verordening) als stroomschema 2 (de oude verordening) toe. Hierbij
gaat u uit van de situatie zoals deze onmiddellijk voor 1 april 2012 was. Er zijn 2 mogelijke uitkomsten:
– De nieuwe en de oude verordening wijzen op 1 april 2012 hetzelfde land aan waar uw werknemer
verzekerd is. In dit geval is sinds 1 april 2012 de nieuwe verordening op deze werknemer van
toepassing.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 203
– De nieuwe verordening wijst op 1 april 2012 een ander land aan waar uw werknemer verzekerd
is, dan de oude verordening. In dit geval is de oude verordening van toepassing zolang de woonen werksituatie van de werknemer gelijk blijven. Als de woon- of werksituatie zodanig verandert
dat de oude verordening de wetgeving van een ander land aanwijst dan voorheen, is de nieuwe
verordening van toepassing. De nieuwe verordening is dan van toepassing vanaf het moment dat de
omstandigheden veranderen.
– Voor werknemers die vanaf 1 april 2012 in Zwitserland woonden en/of werkten, past u stroomschema 1
(de nieuwe verordening) toe.
Grensoverschrijdend werken: de andere EER-landen (Liechtenstein, Noorwegen en IJsland)
Bij grensoverschrijdend werken binnen de EU (met uitzondering van Kroatië), Zwitserland en de andere
EER-landen, waarbij uw werknemer in 1 van de andere EER-landen woont en/of werkt, gebruikt u de 2
stroomschema’s als volgt:
– Voor werknemers die al vóór 1 juni 2012 onafgebroken in 1 van de andere EER-landen woonden en/
of werkten, past u zowel stroomschema 1 (de nieuwe verordening) als stroomschema 2 (de oude
verordening) toe. Hierbij gaat u uit van de situatie zoals deze onmiddellijk voor 1 juni 2012 was. Er zijn 2
mogelijke uitkomsten:
– De nieuwe en de oude verordening wijzen op 1 juni 2012 hetzelfde land aan waar uw werknemer
verzekerd is. In dit geval is sinds 1 juni 2012 de nieuwe verordening op deze werknemer van
toepassing.
– De nieuwe verordening wijst op 1 juni 2012 een ander land aan waar uw werknemer verzekerd
is, dan de oude verordening. In dit geval is de oude verordening van toepassing zolang de woonen werksituatie van de werknemer gelijk blijven. Als de woon- of werksituatie zodanig verandert
dat de oude verordening de wetgeving van een ander land aanwijst dan voorheen, is de nieuwe
verordening van toepassing. De nieuwe verordening is dan van toepassing vanaf het moment dat de
omstandigheden veranderen.
– Voor werknemers die vanaf 1 juni 2012 in 1 van de andere EER-landen woonden en/of werkten, past u
stroomschema 1 (de nieuwe verordening) toe.
Let op!
Als de oude verordening van toepassing is, kan uw werknemer de nieuwe verordening laten toepassen.
Dit moet hij aanvragen bij de bevoegde instantie van het land waar hij volgens de nieuwe verordening
verzekerd is. Op deze keuze kan uw werknemer niet terugkomen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 204
Stroomschema 1: Nieuwe verordening
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 205
Stroomschema 2: Oude verordening
18.3 Bijzondere situaties
De volgende personen hebben een bijzondere status bij grensoverschrijdende werkzaamheden:
– werknemers met een vrijwillige verzekering (zie paragraaf 18.3.1)
– bestuurders en commissarissen (zie paragraaf 18.3.2)
– uitkerings- en pensioengerechtigden (zie paragraaf 18.3.3)
– artiesten en beroepssporters (zie paragraaf 18.3.4)
– studenten (zie paragraaf 18.3.5)
– werknemers in het internationaal transport en vliegverkeer (paragraaf 18.3.6)
– werknemers die worden uitgezonden door of namens de Nederlandse staat (zie paragraaf 18.3.7)
18.3.1 Werknemers met een vrijwillige verzekering
Als een werknemer die in Nederland woont in het buitenland gaat werken, is hij misschien niet meer in
Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen. Deze werknemer kan zich
dan vrijwillig verzekeren. Hij kan bijvoorbeeld de opbouw van zijn AOW door laten lopen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 206
Over aanmelding voor de vrijwillige volksverzekeringen kan uw werknemer contact opnemen met de SVB.
Over aanmelding voor de vrijwillige werknemersverzekeringen kan uw werknemer contact opnemen met
UWV: 088 – 898 92 94.
Geeft u uw werknemer een vergoeding voor de premie van de vrijwillige volksverzekeringen, dan is deze
vergoeding belast. Een vergoeding voor premie van de vrijwillige werknemersverzekeringen voor de WAO en
de WW is onbelast, voor zover dit een vergoeding is voor de ‘wettelijke werkgeverspremie’.
18.3.2 Bestuurders en commissarissen
In de oude verordening worden bestuurders en commissarissen als werknemers beschouwd. In de nieuwe
verordening worden bestuurders en commissarissen alleen als werknemers beschouwd als zij zijn verzekerd
voor de werknemersverzekeringen (zie hoofdstuk 5 voor meer informatie over de werknemersverzekeringen).
Als een bestuurder of commissaris niet als een werknemer wordt beschouwd, neem dan contact op met de
SVB.
18.3.3 Uitkerings- en pensioengerechtigden
Pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen moeten een pseudopremie Wet Langdurige zorg (Wlz) en
een pseudobijdrage Zvw inhouden op het loon van uitkeringsgerechtigden die aan de volgende voorwaarden
voldoen:
– De uitkeringsgerechtigde woont in het buitenland.
– De uitkeringsgerechtigde heeft in zijn woonland recht op zorg ten laste van Nederland.
– De uitkeringsgerechtigde is niet verzekerd voor de Wlz en is dus ook niet verzekeringsplichtig voor de
Zvw.
Deze inhoudingen moet u niet opnemen in uw aangifte loonheffingen, maar betalen aan het CAK. Zie voor
meer informatie hetcak.nl.
18.3.4 Artiesten en beroepssporters
Voor musici, artiesten en beroepssporters die niet wonen in een verordeningsland en die korte tijd
in Nederland werken, gelden bijzondere regels. Zij zijn niet sociaal verzekerd in Nederland, ook al
moet u loonbelasting inhouden. Meer informatie vindt u in de ‘Handleiding Loonheffingen artiesten- en
beroepssportersregeling’. U kunt de handleiding in de loop van 2019 downloaden van belastingdienst.nl.
18.3.5 Studenten
Volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet
Komt een student vanuit het buitenland naar Nederland, dan is hij in Nederland niet verzekerd voor de
volksverzekeringen en de Zorgverzekeringswet (Zvw) als hij aan de volgende 2 voorwaarden voldoet:
– Hij woont alleen in Nederland voor zijn studie.
– Hij werkt niet in Nederland.
Voldoet de student niet aan deze voorwaarden, dan is hij in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen
en Zvw.
Een Nederlandse student die naar het buitenland gaat, blijft in Nederland verzekerd voor de
volksverzekeringen en de Zvw als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
– Hij woont alleen in het buitenland voor zijn studie.
– Hij werkt niet in het buitenland.
Voldoet hij niet aan deze voorwaarden, dan is de student in Nederland niet verzekerd voor de
volksverzekeringen en Zvw.
Werknemersverzekeringen
Een student die in het buitenland woont en die in Nederland bij u in dienstbetrekking is, is in principe in
Nederland verzekerd voor de werknemersverzekeringen. Internationale regels kunnen anders bepalen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 207
18.3.6 Werknemers in het internationaal transport en vliegverkeer
Verordeningen
Voor werknemers in het internationaal transport en vliegverkeer maakt het uit welke verordening van
toepassing is. Is de oude verordening van toepassing, dan gelden speciale regels voor deze werknemers.
Is de nieuwe verordening van toepassing, dan geldt het volgende:
– De werknemer in het internationaal vliegverkeer is verzekerd in het land waar hij zijn thuisbasis heeft.
– Zeevarenden in internationale wateren zijn verzekerd in het zogenoemde vlagland: het land waarvan het
schip de vlag voert.
– Voor werknemers in het internationaal wegvervoer en vervoer over binnenwateren gelden de algemene
regels. Bij vervoer over binnenwateren kan ook het Rijnvarendenverdrag van toepassing zijn.
Voor meer informatie neemt u contact op met de SVB.
Sociale verdragen
In de sociale verdragen met andere landen zijn bepalingen opgenomen over werknemers in het internationale
transport en vliegverkeer. Deze bepalingen kunnen per verdrag anders zijn.
Voor meer informatie over kunt u contact opnemen met de SVB.
18.3.7 Werknemers die worden uitgezonden door of namens de Nederlandse staat
Voor werknemers die door of namens de Nederlandse staat worden uitgezonden naar een
sociaalverdragsland, zijn in veel gevallen speciale regels opgenomen in het socialezekerheidsverdrag.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de SVB.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 208
19 Aanspraken, vrijgestelde uitkeringen,
ontslaguitkeringen en pensioenen
In dit hoofdstuk komen de volgende onderwerpen komen aan bod:
– aanspraken en uitkeringen op grond van aanspraken (zie paragraaf 19.1)
– vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen (zie paragraaf 19.2)
– ontslaguitkeringen (zie paragraaf 19.3)
– pensioen, prepensioen en vroegpensioen (zie paragraaf 19.4)
19.1 Aanspraken en uitkeringen op grond van aanspraken
Een aanspraak is een recht om na verloop van tijd of onder voorwaarden 1 of meer uitkeringen of
verstrekkingen te krijgen. Een aanspraak hoort in het algemeen tot het loon, maar kan ook (deels) zijn
vrijgesteld. Als de aanspraak is vrijgesteld, is de uitkering die voortvloeit uit die aanspraak, in het algemeen
belast.
Bij aanspraken kunnen zich de volgende situaties voordoen:
– De aanspraak hoort tot het loon.
– De aanspraak is (deels) vrijgesteld.
– De aanspraak is ten onrechte niet tot loon gerekend.
Aanspraak hoort tot loon
De hoofdregel is dat aanspraken tot het loon horen. Voor deze aanspraken geldt in het algemeen dat de
uitkeringen zijn vrijgesteld.
Waarde van de aanspraak
De waarde van de aanspraak is het bedrag dat u voor de werknemer stort bij een derde, bijvoorbeeld bij
een fonds of verzekeringsmaatschappij. Als u de aanspraak zelf beheert, is de waarde van de aanspraak het
bedrag dat u bij een derde zou moeten storten.
Het bedrag dat u tot het loon rekent, is de waarde van de aanspraak min de eventuele werknemersbijdrage.
Dit saldo mag niet negatief zijn. U boekt dit bedrag in kolom 4 van de loonstaat.
Let op!
U mag de totale waarde van de aanspraken min het totaal van de werknemersbijdragen ook
als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3). Dat mag alleen als de aanspraken loon uit
tegenwoordige dienstbetrekking zijn en als aan de gebruikelijkheidstoets (zie paragraaf 4.2) is voldaan.
Hierop is 1 uitzondering: is de aanspraak loon uit vroegere dienstbetrekking en betaalt u de werknemer
daarnaast ook loon waarop de arbeidskorting van toepassing is, dan mag u de waarde van de aanspraak
toch aanwijzen als eindheffingsloon. Ook hier geldt dat moet zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.
Voor de waardebepaling van aanspraken op grond van ziektekostenregelingen die niet onder de
Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) vallen, en van vakantiebonnen geldt een aantal bijzondere regels (zie
paragraaf 19.1.1 en 19.1.2).
Aanspraak (deels) vrijgesteld
Als een aanspraak is vrijgesteld, betekent dit meestal dat u de loonheffingen niet betaalt wanneer de
aanspraak ontstaat, maar pas wanneer de uitkeringen worden uitbetaald. Dit heet de ‘omkeerregel’. De
aanspraken die onder de omkeerregel vallen, zijn de aanspraken op:
– verlof (zie paragraaf 19.1.3)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 209
– uitkeringen op grond van de ZW, WAZO (Wet arbeid en zorg), WW en WAO/WIA en overeenkomstige
aanspraken (zie paragraaf 19.1.4)
– een eenmalige uitkering bij einde dienstbetrekking (zie paragraaf 19.1.5)
– ongevallenverzekeringen (zie paragraaf 19.1.6)
– periodieke uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval (zie paragraaf 19.1.7)
– pensioen, prepensioen en vroegpensioen (zie paragraaf 19.4)
In de volgende gevallen is niet alleen de aanspraak maar ook de uitkering (deels) vrijgesteld. Het gaat om
aanspraken op:
– een eenmalige uitkering bij overlijden door een ongeval (zie paragraaf 19.1.7)
– een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan door een ongeval (zie paragraaf 19.1.8)
Let op!
U mag uitkeringen of verstrekkingen die loon uit vroegere dienstbetrekking zijn en die voortkomen uit
aanspraken, niet als eindheffingsloon aanwijzen. Dat mag alleen als u de werknemer daarnaast ook
nog loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is
voldaan (zie paragraaf 8.1.3).
Aanspraak ten onrechte niet tot loon gerekend
Als de waarde van een aanspraak tot het loon hoort, geldt in het algemeen dat de uitkeringen of
verstrekkingen zijn vrijgesteld. Maar als een aanspraak ten onrechte niet tot het loon is gerekend, zijn deze
uitkeringen of verstrekkingen wel belast.
Let op!
U mag uitkeringen of verstrekkingen die loon uit vroegere dienstbetrekking zijn en die voortkomen uit
aanspraken, niet als eindheffingsloon aanwijzen. Dat mag alleen als u de werknemer daarnaast ook
nog loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is
voldaan (zie paragraaf 8.1.3).
19.1.1 Aanspraken op ziektekostenregelingen die niet onder de Zvw vallen
Aanspraken op grond van ziektekostenregelingen die niet onder de Zvw vallen, zijn belast. Alleen als de
waarde van zo’n aanspraak per jaar maximaal € 27 is, hoeft u de waarde niet tot het loon te rekenen.
Uitkeringen en verstrekkingen die uit deze aanspraken voortvloeien, zijn vrijgesteld. Dit geldt niet voor
periodieke uitkeringen.
De waarde van de aanspraak is het bedrag dat u voor de werknemer stort bij een derde, bijvoorbeeld bij
een fonds of verzekeringsmaatschappij. Als u het bedrag voor de werknemer niet bij een derde stort en de
aanspraak zelf beheert, is de waarde van de aanspraak het geschatte bedrag dat u bij een derde zou moeten
storten. Voor de waardebepaling van aanspraken op grond van een ziektekostenregeling in eigen beheer
voor ten minste 25 (ex-)werknemers die het hele voorafgaande kalenderjaar bestond, gelden daarnaast de
volgende bijzondere regels:
– De waarde van de aanspraak is het bedrag van de gemiddelde uitkering. Dit is het gemiddelde van
de jaargemiddelden van de afgelopen 5 kalenderjaren of, als de ziektekostenregeling nog geen 5
kalenderjaren bestaat, het aantal kalenderjaren dat de ziektekostenregeling bestaat. Het jaargemiddelde
is het bedrag van de uitkeringen en verstrekkingen in het betreffende jaar, gedeeld door het aantal
(ex-)werknemers dat in dat jaar ten minste 6 maanden recht had op een uitkering.
– Het hoogste en het laagste jaargemiddelde mogen buiten beschouwing blijven als dit leidt tot een lagere
gemiddelde uitkering. Dit mag niet als de ziektekostenregeling pas 1 of 2 kalenderjaren bestaat.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 210
Let op!
U mag aanspraken op grond van ziektekostenregelingen die niet onder de Zvw vallen, ook
als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3). U trekt hiervan het totaal van de eigen
werknemersbijdragen af. Het saldo van de waarde mag niet negatief zijn.
Geen aanspraak, wel vergoeding ziektekosten
Als u aan uw werknemer geen aanspraak op het vergoeden van ziektekosten hebt toegekend en u de kosten
van ziekte, invaliditeit en bevalling vergoedt, dan horen die vergoedingen tot het loon. Dit geldt ook voor
verstrekkingen voor ziekte, invaliditeit en bevalling. U mag de vergoedingen en verstrekkingen ook als
eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Let op!
Een (aanvullende) vergoeding voor premies van een zorgverzekering hoort ook tot het loon. U kunt dit
loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.
19.1.2 Vakantiebonnen
Vakantiebonnen geven de werknemer een zelfstandig recht op loon en vakantiebijslag bij een derde,
bijvoorbeeld bij een vakantiefonds dat de bedrijfsorganisatie heeft opgericht.
Aanspraken op vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen en daarmee overeenkomende aanspraken
(hierna: vakantiebonnen) horen tot het loon. Uitkeringen op grond van aanspraken op vakantiebonnen zijn
vrijgesteld, tenzij het om periodieke uitkeringen gaat.
U mag vakantiebonnen voor 99% van de nominale waarde tot het loon rekenen als u aan de volgende
voorwaarden voldoet:
– De aanspraak is vastgelegd in een cao of publiekrechtelijke regeling.
– U verstrekt de vakantiebonnen regelmatig bij het betalen van het loon en belast deze met het overige
loon volgens de tabellen.
Voldoet u niet aan deze voorwaarden, dan moet u de vakantiebonnen voor 100% van de nominale waarde tot
het loon rekenen.
Er bestaan speciale tabellen voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen van
werknemers met vakantiebonnen. U kunt deze tabellen voor 2019, 2018 en 2017 via de rekenhulp
Loonbelastingtabellen downloaden. De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/tabellen. Voor de jaren 2016
en eerder kunt u de tabellen downloaden van belastingdienst.nl.
19.1.3 Aanspraken op verlof
Hierna worden de aanspraken op de volgende vormen van verlof behandeld:
– vakantie- en compensatieverlof
– geclausuleerd verlof (verlof dat u voor specifieke doelen toekent)
– verlof tijdens rust- en feestdagen
Zie hoofdstuk 22 voor informatie over de levensloopregeling.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 211
Let op!
Als u een werknemer vlak voor hij uit dienst gaat de mogelijkheid geeft om met verlof te gaan, kan er
sprake zijn van een regeling voor vervroegd uittreden. U moet dan eindheffing betalen. Zie paragraaf
19.3.1 voor meer informatie hierover.
Vakantie- en compensatieverlof
Aanspraken op vakantie- en compensatieverlof zijn vrijgesteld als zij aan het einde van het kalenderjaar
recht geven op een aantal verlofuren van maximaal het aantal werkuren in de voorafgaande 50 weken.
Voorbeeld 1
Een werknemer heeft een fulltimedienstverband van 40 uur per week. Het maximumaantal
vrijgestelde verlofuren is dan 40 uur per week x 50 weken = 2.000.
Voorbeeld 2
Een werknemer heeft een parttimedienstverband van 32 uur per week. Het maximumaantal
vrijgestelde verlofuren is dan 32 uur per week x 50 weken = 1.600.
Voorbeeld 3
Een werknemer werkt de ene week 30 uur en de andere week 20 uur. Het maximumaantal
vrijgestelde verlofuren is dan: (25 weken x 30 uur) + (25 weken x 20 uur) = 1.250.
Voorbeeld 4
Een werknemer gaat met ingang van 1 mei 2019 in plaats van 40 uur per week 30 uur per week
werken. Het maximumaantal vrijgestelde verlofuren is dan: (34 weken x 30 uur = 1.020) + (1
week x 34 uur) + (15 weken x 40 uur = 600) = 1.654.
Als uw werknemer aan het einde van het kalenderjaar meer verlofdagen dan het maximumaantal heeft
gespaard en meeneemt naar het volgende kalenderjaar, dan is de aanspraak op de dagen boven het
maximumaantal belast. U houdt de loonheffingen over dit deel van de aanspraak in december in. Als uw
werknemer in de loop van het jaar uit dienst gaat, moet u de loonheffingen op dat moment inhouden. U gaat
bij de berekening uit van het uurloon dat uw werknemer op dat moment krijgt. Neemt uw werknemer in een
volgend kalenderjaar een verlofdag op, waarover u de loonheffingen al hebt ingehouden? Dan hoeft u over
deze dag niet nog een keer de loonheffingen in te houden.
Voorbeeld
Uw werknemer werkt 5 dagen van 8 uur per week. Het maximumaantal vrijgestelde verlofuren
is dan 40 uur per week x 50 weken = 2.000. Aan het eind van 2018 is het aantal overgebleven
verlofuren 2.040. U moet dan in december 2018 de loonheffingen over 40 uur inhouden. Uw
werknemer neemt daarna in januari 2019 deze 40 verlofuren op. U hoeft nu niet opnieuw over het
doorbetaalde loon de loonheffingen in te houden.
Let op!
U kunt de aanspraken op vakantie- en compensatieverlof van de uren boven het maximum als
eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Geclausuleerd verlof
Geclausuleerd verlof is verlof dat u voor specifieke doeleinden toekent, zoals:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 212
– adoptieverlof
– pleegzorgverlof
– zwangerschapsverlof
– bevallingsverlof
– kraamverlof
– buitengewoon verlof
– calamiteiten- en ander kort verzuimverlof
– studieverlof
– zorgverlof
– ouderschapsverlof
– palliatief verlof (verlof voor stervensbegeleiding)
– politiek verlof (verlof voor politieke nevenfuncties)
Aanspraken op geclausuleerd verlof zijn vrijgesteld. Betaald geclausuleerd verlof belast u op de normale
manier.
Verlof op rust- en feestdagen
Aanspraken op verlof tijdens rust- en feestdagen zijn vrijgesteld. Het gaat om verlof op unieke dagen dat niet
naar een volgend jaar kan worden meegenomen. Het maakt niet uit of het een officiële rust- of feestdag is.
We kennen onder andere de volgende soorten rust- en feestdagen:
– religieuze, nationale, regionale en plaatselijke rust- en feestdagen, zoals Kerstmis, Koningsdag of een
oogstfeest
– persoonlijke feestdagen van uw werknemer, zoals een bruiloft
– feestdagen van uw bedrijf, zoals een jubileum vanwege het 25-jarige bestaan
19.1.4 ZW, WAZO, WW, WAO/WIA en overeenkomstige aanspraken
De aanspraken op uitkeringen op grond van de ZW, WAZO (Wet arbeid en zorg), WW en WAO/WIA en
overeenkomstige aanspraken zijn vrijgesteld. De uitkeringen zijn wel belast. ‘Overeenkomstige aanspraken’
zijn bijvoorbeeld regelingen voor het toekennen van ziekengeld over wachtdagen of wachtgeld na ontslag.
Het werknemersdeel van de premie voor regelingen die overeenkomen met de ZW, WAZO, WW en WAO/WIA,
komt in mindering op het loon voor alle loonheffingen (kolom 7 van de loonstaat).
Aanspraken op aanvullende uitkering WAO/WIA
Op verschillende manieren kan zijn voorzien in aanvullende uitkeringen als de werknemer in de WAO/WIA
komt:
– De aanspraak is vastgelegd in de pensioenregeling. De premies voor de aanvulling worden als
pensioenpremie behandeld. Voorwaarde is dat er sprake blijft van een pensioenregeling die voldoet aan
de wettelijke voorwaarden (zie paragraaf 19.4.1).
– De aanspraak is niet vastgelegd in een pensioenregeling, maar komt wel overeen met een aanspraak op
een WAO/WIA-uitkering. Van een dergelijke aanspraak is in ieder geval geen sprake als de WAO/WIAuitkering en aanvulling samen hoger zijn dan het loon dat zij vervangen. De aanspraak is vrijgesteld en
de ingehouden werknemerspremies komen in mindering op het loon voor alle loonheffingen (kolom 7 van
de loonstaat).
– Er is geen aanspraak. De werknemer heeft zelf bijvoorbeeld een verzekering afgesloten bij een
particuliere verzekeraar. Als u de premie vergoedt, is dit belast loon van de werknemer. U kunt dit loon
ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Let op!
De uitkeringen op grond van de ZW, WAZO, WW en WAO/WIA en op grond van overeenkomstige
aanspraken zijn loon uit vroegere dienstbetrekking. U kunt deze uitkeringen niet als eindheffingsloon
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 213
aanwijzen. Dat mag alleen als u de werknemer daarnaast ook nog loon uitbetaalt waarop de
arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.
19.1.5 Aanspraken op een eenmalige uitkering bij einde dienstbetrekking
Voor aanspraken op een eenmalige uitkering bij het einde van de dienstbetrekking gelden de volgende
regels:
– De aanspraak op een eenmalige uitkering van maximaal driemaal het loon over een maand is vrijgesteld
als de uitkering wordt uitbetaald bij het einde van de dienstbetrekking vanwege arbeidsongeschiktheid
of het bereiken van de pensioenleeftijd. Een aanspraak op een hogere uitkering hoort volledig tot het
loon. Het loon dat de hoogte van de vrijstelling bepaalt, is gelijk aan het loon over een maand dat de
hoogte van de diensttijduitkering bepaalt (zie paragraaf 19.2.1). Als de aanspraak belast is, kunt u deze
als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
– De aanspraak op een eenmalige uitkering is vrijgesteld, ongeacht de hoogte van de uitkering,
als de uitkering wordt uitbetaald bij het einde van de dienstbetrekking om een andere reden dan
arbeidsongeschiktheid of overlijden van de werknemer, vervroegd uittreden of het bereiken van de
pensioenleeftijd (zie paragraaf 19.1.7, 19.1.8 en 19.4).
De uitkering op grond van een vrijgestelde aanspraak hoort tot het loon, behalve als de uitkering als een
vrijgestelde diensttijduitkering kan worden gezien (zie paragraaf 19.2.1).
Let op!
Als u een excessieve vertrekvergoeding betaalt aan uw (ex-)werknemer, moet u naast de gewone
loonheffingen ook 75% pseudo-eindheffing betalen over het excessieve deel van deze vergoeding (zie
paragraaf 24.8).
19.1.6 Ongevallenverzekeringen
Bij ongevallenverzekeringen zijn er 2 mogelijkheden:
– Uw werknemer heeft zelf een ongevallenverzekering afgesloten en u vergoedt de premie. De vergoeding
van de premie is belast loon van de werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen
(zie paragraaf 8.1.3).
– U hebt voor uw werknemer een ongevallenverzekering afgesloten. U betaalt de premie en uw werknemer
kan aanspraak maken op de uitkering bij een ongeval. Het deel van de premie dat u betaalt voor de
aanspraak op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit, is vrijgesteld (zie ook paragraaf 19.1.7). Het deel
van de premie dat u betaalt voor de aanspraak op andere uitkeringen, is belast. Maar u kunt dit deel
van de premie ook als eindheffingsloon aanwijzen. De uitkeringen zijn vrijgesteld, tenzij het gaat om
periodieke uitkeringen.
19.1.7 Aanspraken op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval
Aanspraken op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval zijn vrijgesteld. Hierbij maakt
het niet uit of het gaat om een aanspraak op een eenmalige uitkering of een aanspraak op periodieke
uitkeringen.
De werknemersbijdrage die u voor deze aanspraken op het loon inhoudt, komt in mindering op het loon voor
alle heffingen (te boeken in kolom 7 van de loonstaat).
Eenmalige uitkering bij overlijden door een ongeval
Een eenmalige uitkering bij overlijden is tot maximaal driemaal het loon over een maand vrijgesteld. De
vrijstelling geldt als 1 van de volgende personen overlijdt:
– de werknemer
– degene die in het (voorafgaande) kalenderjaar de fiscale partner is van de werknemer
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 214
– de eigen kinderen of pleegkinderen
Zie paragraaf 19.2.1 voor meer informatie over het loon over een maand.
Als de uitkering hoger is dan driemaal het loon over een maand, hoort het meerdere tot het loon. Hierop is
dan de tabel bijzondere beloningen van toepassing. U mag dit loon niet als eindheffingsloon aanwijzen (zie
paragraaf 8.1.3), omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking is. U mag dit loon in 1 uitzonderingssituatie
wel als eindheffingsloon aanwijzen, namelijk als u de werknemer daarnaast ook nog loon uitbetaalt waarop
de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.
Eenmalige uitkering bij invaliditeit door een ongeval
Een eenmalige uitkering bij invaliditeit hoort tot het loon, behalve als de uitkering als een vrijgestelde
diensttijduitkering kan worden gezien (zie paragraaf 19.2.1).
Periodieke uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval
Als de uitkering bij overlijden of invaliditeit niet eenmalig is, maar uit periodieke uitkeringen bestaat, dan
horen deze uitkeringen tot het loon.
19.1.8 Aanspraken op een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan
door een ongeval
Aanspraken op een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan door een ongeval, zijn
vrijgesteld als de uitkering of verstrekking niet hoger is dan driemaal het loon over een maand bij het
overlijden van:
– de werknemer
– degene die in het (voorafgaande) kalenderjaar fiscale partner is van de werknemer
– de eigen kinderen of pleegkinderen
Is de uitkering of verstrekking hoger dan driemaal het loon over een maand? Dan hoort het deel van de
aanspraak dat betrekking heeft op het meerdere, tot het loon. Op verzoek kan de minister van Financiën een
dergelijke aanspraak toch aanwijzen als een vrijgestelde aanspraak. Dit gebeurt alleen als u de waarde van
de aanspraak in redelijkheid niet kunt bepalen.
Eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden anders dan door een ongeval
Een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden waarvan de aanspraak was vrijgesteld, is vrijgesteld tot
driemaal het loon over een maand.
Zie paragraaf 19.2.1 voor meer informatie over het loon over een maand.
Als de uitkering of verstrekking hoger is dan driemaal het loon over een maand, hoort het meerdere tot het
loon. Hierop is dan de tabel bijzondere beloningen van toepassing. U mag dit loon niet als eindheffingsloon
aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3), omdat het loon uit vroegere dienstbetrekking is. U mag dit loon in 1
uitzonderingssituatie wel als eindheffingsloon aanwijzen, namelijk als u de werknemer daarnaast ook nog
loon uitbetaalt waarop de arbeidskorting van toepassing is, en als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan.
Een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden op grond van een belaste aanspraak is vrijgesteld.
Let op!
Hebt u een eenmalige uitkering of verstrekking bij overlijden gegeven waarop geen aanspraak bestond?
Dan is deze uitkering of verstrekking ook vrijgesteld tot driemaal het loon over een maand.
19.2 Vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen
Als u en uw werknemer voldoen aan de voorwaarden, zijn de volgende uitkeringen en verstrekkingen
vrijgesteld voor de loonheffingen:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 215
– diensttijduitkeringen of -verstrekkingen (zie paragraaf 19.2.1)
– uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen die aan de dienstbetrekking zijn verbonden (zie paragraaf
19.2.2)
19.2.1 Diensttijduitkeringen of -verstrekkingen
Een eenmalige uitkering of verstrekking die u uw werknemer geeft omdat hij ten minste 25 of 40 jaar in
dienst is, is vrijgesteld tot maximaal het loon over een maand. U mag uw werknemer zo’n uitkering of
verstrekking geven na ten minste 25 dienstjaren en opnieuw na ten minste 40 dienstjaren.
Let op!
In sommige branches, zoals bijvoorbeeld de bouw, is er niet het hele jaar lang werk. Vaak krijgt een
werknemer een tijdelijke uitkering in de periode waarin hij niet werkt. Als de werknemer in die periode
niet bij een andere werkgever werkt, telt deze periode van tijdelijke werkloosheid mee voor het bepalen
van de diensttijd.
Loon over een maand
Bij het vaststellen van het loon over een maand (tijdvakloon) gaat u uit van het fiscale loon over een
maand. Dat is het loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen uit kolom 14 van de loonstaat. U mag geen
rekening houden met:
– bijzondere beloningen die niet vast en gegarandeerd zijn, zoals tantièmes
– aanspraken die tot het loon horen
– keuzeloon (zie paragraaf 4.15)
Voorbeeld
Een werknemer heeft een individueel keuzebudget (IKB). Hij kiest ervoor om zijn tijdvakloon van
€ 1.500 te verlagen tot € 1.400. In ruil daarvoor stort u € 100 in zijn IKB. In augustus neemt hij
€ 500 op uit het IKB. Zijn fiscale loon over augustus is dan € 1.900 (€ 1.400 tijdvakloon en € 500
keuzeloon). Zijn loon over een maand (tijdvakloon) is ook in die maand € 1.400.
Bij het fiscale loon over een maand telt u het maandbedrag op van:
– het werknemersaandeel in de pensioenpremie
– de werknemersbijdrage voor aanspraken die overeenkomen met aanspraken op WW-, ZW-, WAZO- en
WAO/WIA-uitkeringen
– de werknemersbijdrage voor aanspraken op uitkeringen bij overlijden of invaliditeit door een ongeval
– bedragen die worden ingehouden in plaats van de hierboven genoemde premies en bijdragen
– de werknemersbijdrage in de levensloopregeling (zie hoofdstuk 22)
Bij het berekende bedrag telt u bovendien op:
– 1/12 van de vakantiebijslag
– 1/12 van het jaarbedrag van vaste gegarandeerde bijzondere beloningen
19.2.2 Uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen die aan de dienstbetrekking zijn
verbonden
Uitkeringen en verstrekkingen uit fondsen die aan de dienstbetrekking zijn verbonden, horen onder bepaalde
voorwaarden niet tot het loon. Denk bijvoorbeeld aan uitkeringen uit een sociaal ondersteuningsfonds
voor werknemers in financiële moeilijkheden of een studiefonds voor kinderen van werknemers. Er zijn 3
voorwaarden:
– Het gaat niet om uitkeringen en verstrekkingen voor adoptie en overlijden, voor ziekte, invaliditeit en
bevalling.
– De werknemer heeft geen vrijgestelde aanspraak op de uitkeringen of verstrekkingen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 216
– Werknemers die aan het fonds bijdragen, hebben de laatste 5 jaar gezamenlijk minstens evenveel
bijgedragen als de werkgever. Als het fonds nog geen 5 jaar bestaat, gaat u uit van de periode vanaf de
oprichting van het fonds tot aan het jaar waarin de uitkering of verstrekking plaatsvindt.
Bijdragen van de werknemer aan het fonds houdt u in op het nettoloon. Deze bijdragen zijn dus niet
aftrekbaar.
Tijdsparen
De inkomsten van een tijdspaarfonds zijn afkomstig van werkgevers en werknemers. U stort bij elke
salarisbetaling de waarde in geld van het opgebouwde verlof van uw werknemer in het fonds, waarbij u
loonheffingen inhoudt. U kunt het volgende storten in het fonds:
– de vakantietoeslag
– de waarde van de bovenwettelijke vakantiedagen
– de waarde van vrij opneembare roosterdagen
– de waarde van kortverzuimdagen
Uw werknemer kan de waarde van zijn overuren in het fonds storten. Hierop houdt u loonheffingen in.
Het fonds betaalt aan uw werknemer het loon voor een dag waarop hij niet werkt. Het fonds keert aan uw
werknemer uit zonder inhouding van loonheffingen.
19.3 Ontslaguitkeringen
U mag een ontslaguitkering vanaf 2014 alleen nog toekennen in de vorm van een belaste uitkering.
Sinds 1 januari 2014 kan uw (ex-)werknemer er niet meer voor kiezen om een ontslaguitkering te krijgen
in de vorm van een vrijgesteld stamrecht (aanspraak op periodieke uitkeringen). De stamrechtvrijstelling is
vervallen.
Voor de stamrechten die al op 31 december 2013 bestonden, geldt overgangsrecht. Voor deze stamrechten
blijven de regels gelden zoals deze op 31 december 2013 waren. Deze stamrechten mogen ook vervroegd
in 1 keer of in delen worden opgenomen. Uw ex-werknemer hoeft dan geen revisierente te betalen. De
uitkeringen die uit het stamrecht voortvloeien, zijn loon uit vroegere dienstbetrekking.
Ontslaguitkering aan te merken als regeling voor vervroegd uittreden
In sommige gevallen is een ontslaguitkering aan te merken als een regeling voor vervroegd uittreden. In dat
geval moet u daarover naast de gewone loonheffingen ook eindheffing betalen. Zie paragraaf 19.3.1 voor
meer informatie hierover.
Let op!
Als u een excessieve vertrekvergoeding betaalt aan uw (ex-)werknemer, moet u naast de gewone
loonheffingen ook 75% pseudo-eindheffing betalen over het excessieve deel van deze vergoeding (zie
paragraaf 24.8).
19.3.1 Regeling voor vervroegd uittreden
Een regeling voor vervroegd uittreden stelt oudere werknemers in staat eerder te stoppen met werken.
Ook bij individueel ontslag kan er sprake zijn van een regeling voor vervroegd uittreden. Bij regelingen
voor vervroegd uittreden moet u naast de gewone loonheffingen ook 52% eindheffing berekenen over de
ontslaguitkering (zie ook paragraaf 24.7).
In de volgende gevallen kan er sprake zijn van een regeling voor vervroegd uittreden:
– U geeft uw werknemer bij het einde van zijn dienstbetrekking een ontslaguitkering mee.
– U geeft uw werknemer vlak voor het einde van de dienstbetrekking de mogelijkheid om (langdurig) met
verlof te gaan.
– U stelt uw werknemer vlak voor het einde van de dienstbetrekking op non-actief.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 217
– U voert een afvloeiingsregeling in voor werknemers vanaf een bepaalde leeftijd en u geeft deze
werknemers een uitkering om de periode tot de ingangsdatum van AOW of pensioen te overbruggen of
om de pensioenuitkering aan te vullen.
Niet alle gevallen waarin u oudere werknemers ontslaat, op non-actief stelt of langdurig met verlof laat gaan,
zijn een regeling voor vervroegd uittreden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van een regeling voor vervroegd
uittreden als er een reorganisatie plaatsvindt waarbij u werknemers volgens objectieve criteria (zoals het
afspiegelingsbeginsel) ontslaat, of als de werknemer de ontslaguitkering in de pensioenregeling onderbrengt.
Hierbij moet u er wel op letten dat de pensioenregeling aan de wettelijke voorwaarden blijft voldoen (zie
paragraaf 19.4.1).
Als u vooraf wilt weten of er sprake is van een regeling voor vervroegd uittreden, kunt u, voordat u de
regeling overeenkomt, ons vragen de ontslag-, verlof- of non-activiteitsregeling te beoordelen. U krijgt
van ons dan een beschikking. U vraagt de beoordeling aan bij uw belastingkantoor. Wij toetsen dan aan de
hand van de objectieve voorwaarden en kenmerken van de regeling of er sprake is van een regeling voor
vervroegd uittreden. Een objectieve voorwaarde is bijvoorbeeld een leeftijdsgrens. Voor onze beoordeling
is de daadwerkelijke uitstroom achteraf dus niet van belang. En ook niet waarom u de regeling aanbiedt of
waarom uw werknemers voor de regeling kiezen.
19.4 Pensioen, prepensioen en vroegpensioen
In deze paragraaf vindt u informatie over pensioenregelingen (zie paragraaf 19.4.1). Daarnaast vindt u
informatie over het overgangsrecht voor (pre)pensioen- en vroegpensioenrechten die tot 1 januari 2006 zijn
opgebouwd: bij sommige van deze regelingen kan de werknemer stoppen voordat hij de pensioenleeftijd
bereikt (zie paragraaf 19.4.2).
Let op!
– Op 1 januari 2019 is de AOW-leeftijd omhooggegaan van 66 jaar naar 66 jaar en 4 maanden.
– Met ingang van 1 januari 2018 is de pensioenrichtleeftijd 68 jaar.
– Met ingang van 1 januari 2015 is de jaarlijkse ruimte voor opbouw van ouderdomspensioen
maximaal 1,875% bij een middelloonstelsel en maximaal 1,657% bij een eindloonstelsel.
– Per 1 januari 2019 is het pensioengevend loon maximaal € 107.593 bij een fulltimedienstverband.
Bij een parttimedienstverband wordt dit bedrag evenredig minder.
19.4.1 Pensioenregelingen
Pensioenregelingen moeten in grote lijnen aan de volgende voorwaarden voldoen:
– In een pensioenregeling mag u (vrijwel) alleen voorzieningen treffen voor:
– een levenslang ouderdomspensioen voor de werknemer
Het uitgangspunt is dat de werknemer stopt met werken als hij 68 jaar is. De werknemer mag
wel eerder met pensioen gaan, maar dan moeten de pensioenuitkeringen worden herrekend. Uw
werknemer krijgt dan een lagere uitkering. Een herrekening is niet nodig als het pensioen ingaat op
de 1e dag van de maand waarin de werknemer 68 jaar wordt. Het pensioen volledig vervroegen kan
alleen als de werknemer op die datum volledig stopt met werken. Stopt hij voor een deel met werken,
dan mag het pensioen in beginsel alleen worden vervroegd voor het deel dat hij niet meer werkt.
Hierop is 1 uitzondering: de werknemer mag het pensioen volledig vervroegen in de 5 jaar voor hij de
AOW-leeftijd bereikt, ook als hij volledig of gedeeltelijk blijft werken.
– een partnerpensioen dat na het overlijden van de werknemer wordt uitbetaald aan de
(ex-)echtgenoot of de (ex-)partner met wie de werknemer een gezamenlijke huishouding voerde
Het partnerpensioen mag ingaan op de 1e dag van de maand waarin de werknemer is overleden.
– een wezenpensioen dat na het overlijden van de werknemer wordt uitbetaald aan eigen kinderen of
pleegkinderen die jonger zijn dan 30 jaar
Het wezenpensioen mag ingaan op de 1e dag van de maand waarin de werknemer is overleden.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 218
– een arbeidsongeschiktheidspensioen dat naar maatschappelijke opvattingen redelijk is en wordt
uitbetaald bij arbeidsongeschiktheid van de werknemer die langer dan 1 jaar heeft geduurd
– een nabestaandenoverbruggingspensioen dat naast het partnerpensioen kan worden uitbetaald totdat
de partner de AOW-leeftijd bereikt – ter compensatie van het gemis aan Anw/AOW – als dat pensioen
ingaat direct na het overlijden van de werknemer of na het einde van de Anw-uitkering
Het nabestaandenoverbruggingspensioen kan ook worden uitbetaald naast het wezenpensioen.
– In de regeling moet u onder meer opnemen dat uw werknemer de pensioenrechten niet kan afkopen
vervreemden, belenen of prijsgeven, tenzij de Pensioenwet dat toestaat.
– Het pensioen moet zijn verzekerd bij een verzekeraar die in de wet wordt genoemd. Zie hierna bij
‘Erkende pensioenverzekeraar’.
– Het pensioen moet, uitgaande van de pensioenleeftijd, binnen de wettelijke grenzen blijven, zoals:
– Bij een middelloonregeling wordt per dienstjaar maximaal 1,875% van het pensioengevend loon aan
ouderdomspensioen opgebouwd en bij een eindloonregeling maximaal 1,657%.
– Bij beschikbare premieregelingen geldt een andere opbouwmethode. Er wordt dan een jaarlijks te
storten premie bepaald in plaats van een jaarlijks opbouwpercentage (zie hierna bij ‘Pensioenopbouw
volgens beschikbare premieregelingen’).
– Alle bovengenoemde grenzen worden bepaald met inbegrip van de AOW-uitkeringen (normaal gesproken
met de zogenoemde AOW-franchise). Naast de collectieve – verplichte – pensioenregeling mag een
regeling, binnen de hiervoor genoemde grenzen, individuele modules hebben waaruit de werknemer zelf
kan kiezen.
– Zolang uw werknemer in dienst is, mag hij pensioen opbouwen tijdens verlof, zoals bijvoorbeeld
ouderschaps-, sabbats-, studie- en zorgverlof, of verlof waarvoor hij levenslooptegoed opneemt.
– Uw werknemer mag ook partner- en wezenpensioen ruilen voor hoger of eerder ingaand
ouderdomspensioen en andersom.
– De ingangsdatum van het pensioen mag worden uitgesteld tot uiterlijk 5 jaar na het bereiken van de
AOW-leeftijd. De werknemer hoeft daarvoor gedurende deze 5 jaar niet bij u in dienst te zijn.
– U mag de pensioenen variabel uitbetalen, binnen de verhouding 100:75. Bij variabele uitbetaling moet de
hoogte van de variatie en de periode waarin de uitkeringen in hoogte variëren, uiterlijk vaststaan op het
moment waarop de uitkeringen ingaan.
– De hoogte van de pensioenuitkeringen mag ook variëren ten opzichte van de hoogte die het
uitgangspunt was op het tijdstip waarop het pensioen inging. Het gaat daarbij om hogere of lagere
uitkeringen door ontwikkelingen in de levensverwachting, de behaalde sterfteresultaten of de behaalde
beleggingsresultaten.
– Met ingang van 1 januari 2019 mag het pensioengevend loon niet hoger zijn dan € 107.593. Voor
inkomens boven dit bedrag kunt u nettopensioen aanbieden (zie hierna bij Nettopensioen). Voor
werknemers die in deeltijd werken, is het bedrag van € 107.593 evenredig minder.
Erkende pensioenverzekeraar
Als pensioenverzekeraar kunnen optreden:
– een (algemeen) pensioenfonds
– een verzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht
Voor de vennootschapsbelasting moet de verzekeraar de pensioenverplichting tot het binnenlandse
ondernemingsvermogen rekenen.
– een premiepensioeninstelling
– een niet in Nederland gevestigde organisatie die aan 1 van de volgende voorwaarden voldoet:
– De organisatie is aangewezen door de minister.
– De organisatie verzekerde het pensioen al in een periode waarin de werknemer of ex-werknemer niet
in Nederland woonde of werkte én dit pensioen daarna bij deze verzekeraar voortzette.
Deelnemingsjarenpensioen
Werknemers die 41 4/12 deelnemingsjaren bereikt hebben, kunnen een aanvullend levenslang
ouderdomspensioen opbouwen. Daardoor kunnen zij stoppen met werken als zij 64 jaar en 4 maanden
worden. Het deelnemingsjarenpensioen moet tegelijk ingaan met het ouderdomspensioen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 219
Het ouderdomspensioen en het deelnemingsjarenpensioen mogen op de leeftijd van 64 jaar en 4 maanden
samen niet hoger zijn dan 75% van het gemiddelde pensioengevend loon. Ook belaste uitkeringen op
grond van een overbruggingspensioen of prepensioen tellen mee bij de toets of er ruimte is voor een
deelnemingsjarenpensioen. U moet bovendien vanaf de AOW-leeftijd rekening houden met de AOW-inbouw.
Vóór de AOW-leeftijd mogen het ouderdomspensioen en het deelnemingsjarenpensioen samen het gemis aan
AOW compenseren tot het bedrag van de AOW-inbouw.
AOW-franchise
Bij het berekenen van het ouderdomspensioen moet u rekening houden met AOW-uitkeringen die uw
werknemer zal krijgen. Daarom moet u van het pensioengevend loon een AOW-franchise aftrekken.
U berekent het pensioen over het bedrag dat na aftrek van de franchise overblijft. Dit bedrag heet de
pensioengrondslag.
Bij een maximaal gebruik van de ruimte voor pensioenopbouw is de AOW-franchise voor een
middelloonregeling ten minste € 13.785 en voor een eindloonregeling ten minste € 15.599. Maar u mag ook
een lagere AOW-franchise toepassen als u een lager jaarlijks opbouwpercentage toepast dan maximaal is
toegestaan en als er geen overgangsregeling geldt. Afhankelijk van het opbouwstelsel mag u de volgende
lagere AOW-franchise toepassen:
– Pensioenopbouw volgens het middelloonstelsel:
– Bij een opbouw per dienstjaar van maximaal 1,701% mag de AOW-franchise € 11.008 zijn.
– Bij een opbouw per dienstjaar van meer dan 1,701%, maar niet meer dan 1,788% mag de AOWfranchise € 12.426 zijn.
– Pensioenopbouw volgens het eindloonstelsel:
– Bij een opbouw per dienstjaar van maximaal 1,483% mag de AOW-franchise € 12.456 zijn.
– Bij een opbouw per dienstjaar van meer dan 1,483%, maar niet meer dan 1,570% mag de AOWfranchise € 14.060 zijn.
Let op!
Een pensioenregeling kan ook individuele modules hebben, waaruit uw werknemer kan kiezen. Hierdoor
kan uw werknemer de totale opbouw per dienstjaar verhogen. Om te beoordelen of u rekening mag
houden met een lagere AOW-inbouw, moet u uitgaan van deze hogere opbouw. Let er wel op dat de
pensioenregeling aan de wettelijke voorwaarden blijft voldoen.
Pensioenopbouw volgens beschikbare premieregelingen
De staatssecretaris heeft in het premieovereenkomstenbesluit van 10 december 2018, nr. 2018-28515
(Stcr. 2018, 68652), staffels met de premiepercentages voor pensioenopbouw gepubliceerd. U kunt deze
premiestaffels op de volgende manier toepassen:
– Voor beschikbare premieregelingen voor een middelloonopbouw van maximaal 1,875% mag u de
staffels toepassen bij een opbouw van 1,875% middelloon. Deze staffels kunt u toepassen op het
pensioengevend loon, waarvan u een franchise van € 13.785 aftrekt.
– Voor beschikbare premieregelingen voor een middelloonopbouw van maximaal 1,788% mag u de
staffels toepassen bij een opbouw van 1,788% middelloon. Deze staffels kunt u toepassen op het
pensioengevend loon, waarvan u een franchise van € 12.426 aftrekt.
– Voor beschikbare premieregelingen voor een middelloonopbouw van maximaal 1,701% mag u de
staffels toepassen bij een opbouw van 1,701% middelloon. Deze staffels kunt u toepassen op het
pensioengevend loon, waarvan u een franchise van € 11.008 aftrekt.
Nettopensioen
Met ingang van 1 januari 2019 is het pensioengevend loon maximaal € 107.593. Uw werknemer kan boven
dit bedrag geen ‘normaal’ pensioen meer opbouwen met toepassing van de omkeerregel. Uw werknemer
kan over het inkomen boven € 107.593 wel nettopensioen opbouwen. Dit nettopensioen moet hij uit het
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 220
nettoloon sparen. Nettopensioen sparen is alleen mogelijk in de vorm van een beschikbare premieregeling.
De nettostaffels zijn gepubliceerd in bijlage VII van het premieovereenkomstenbesluit van 10 december
2018, nr. 2018-28515.
Let op!
Bijdragen die u als werkgever doet in de nettopensioenregeling van uw werknemer, moet u bruteren,
zodat er na het inhouden en betalen van de loonheffingen een nettobijdrage overblijft. Dit geldt zowel
voor werkgeversbijdragen in de premie als voor bijdragen in de kosten.
Aanwijzen pensioenregeling
Als u een regeling hebt die niet helemaal voldoet aan de voorwaarden voor een pensioenregeling, kunnen
de ministers van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze regeling onder bepaalde
voorwaarden toch als pensioenregeling aanwijzen. U kunt een verzoek voor het aanwijzen van een regeling
als pensioenregeling sturen naar:
Ministerie van Financiën
Postbus 20201
2500 EE Den Haag
Let op!
Twijfelt u of een regeling een pensioenregeling is, neem dan contact met ons op.
Pensioen in eigen beheer afkopen
Sinds 1 juli 2017 kunt u niet langer in eigen beheer pensioen opbouwen. Wat u kunt doen met het pensioen
dat u in eigen beheer hebt opgebouwd, leest u op belastingdienst.nl. Zoek op ‘pensioen in eigen beheer’.
Kiest u voor de mogelijkheid om het pensioen in eigen beheer af te kopen? Dan is de fiscale balanswaarde
van het pensioen op het moment van afkoop belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. U krijgt daarop
wel een afkoopkorting, die u berekent over de fiscale balanswaarde van het pensioen op het moment van
afkoop. Maar als de fiscale balanswaarde op 31 december 2015 lager is, dan berekent u de afkoopkorting
over dat lagere bedrag. Of, bij een gebroken boekjaar, over de lagere fiscale balanswaarde op de datum
waarop dat boekjaar in 2015 eindigde.
Afkopen kan nog in 2019. In 2019 is de afkoopkorting 19,5%.
Voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen gebruikt u de groene tabel voor
bijzondere beloningen. Verder betaalt u werkgeversheffing Zvw.
Voorbeeld
Een directeur-grootaandeelhouder koopt in 2019 zijn pensioen in eigen beheer af. De fiscale
balanswaarde op het moment van afkoop is € 200.000. Op 31 december 2015 was die waarde €
185.000.
U berekent de loonbelasting/premie volksverzekeringen als volgt:
– De afkoopkorting is 19,5% van € 185.000 = € 36.075
– U betaalt loonbelasting/premie volksverzekeringen over € 200.000 – € 36.075 = € 163.925
– De loonbelasting/premie volksverzekeringen is 51,75% van € 163.925 = € 84.831.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 221
19.4.2 Overgangsrecht (pre)pensioen- en vroegpensioenrechten opgebouwd tot 1
januari 2006
Sinds 1 januari 2005 zijn de fiscale voordelen van (pre)pensioen en vroegpensioen (inclusief tijdelijk
overbruggingspensioen) vervallen. Voor de rechten die zijn opgebouwd tot 1 januari 2006, geldt
overgangsrecht.
Collectieve pensioenregelingen
Bij collectieve pensioenregelingen mogen de aanspraken op pre- en vroegpensioen (inclusief tijdelijk
overbruggingspensioen) die vóór 1 januari 2006 zijn opgebouwd, blijven bestaan volgens de regels die op
31 december 2004 golden. Het moet dan gaan om aanspraken op grond van verplichte deelname aan een
collectieve regeling of op grond van individuele modules als aanvulling op verplichte collectieve regelingen.
Let op!
Bij individuele aanvulling van pensioentekorten moet u rechten op vroegpensioen (inclusief tijdelijk
overbruggingspensioen) en prepensioen eerst herrekenen naar pensioenrechten op 68-jarige leeftijd,
waarna u een eventueel aan te vullen pensioentekort berekent.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 222
20 Gerichte vrijstellingen, nihilwaarderingen en
normbedragen
Onder de werkkostenregeling (WKR) kunt u maximaal 1,2% van het totale fiscale loon van al uw werknemers
(de ‘vrije ruimte’) besteden aan onbelaste vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen voor uw
werknemers. (zie paragraaf 4.2) Daarnaast kunt u bepaalde zaken onbelast vergoeden, verstrekken of ter
beschikking stellen, de zogenoemde gerichte vrijstellingen (zie paragraaf 4.6). Gerichte vrijstellingen gaan
niet ten koste van uw vrije ruimte (zie paragraaf 20.1).
Om te voorkomen dat de waarde van bepaalde voorzieningen die uw werknemer op de werkplek gebruikt,
in de vrije ruimte valt, is een aantal voorzieningen op nihil gewaardeerd. Deze ‘nihilwaarderingen’ gaan dus
ook niet ten koste van uw vrije ruimte. De nihilwaarderingen gelden alleen voor loon in natura, niet voor
vergoedingen in geld (zie paragraaf 20.2).
Voor bepaalde voorzieningen op de werkplek en voor (dienst)woningen gelden normbedragen (zie paragraaf
20.3).
20.1 Gerichte vrijstellingen
Voor een aantal vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen bestaan gerichte vrijstellingen. U
mag voor gerichte vrijstellingen ook een vaste kostenvergoeding geven (zie paragraaf 4.6.1).
Gerichte vrijstellingen en vaste kostenvergoedingen voor gerichte vrijstellingen gaan niet ten koste van uw
vrije ruimte als u aan de volgende 2 voorwaarden voldoet:
– U wijst de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen aan als eindheffingsloon,
bijvoorbeeld door ze in uw administratie op te nemen als eindheffingsloon. Doet u dit niet, dan is
de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling loon van uw werknemer. De keuze tussen
gerichte vrijstelling (eindheffingsloon) en loon van uw werknemer maakt u uiterlijk op het moment van
vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen.
– De vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen blijven binnen de normen die voor deze
gerichte vrijstellingen gelden.
Let op!
Als loon in natura onder de nihilwaarderingen én onder de gerichte vrijstellingen zou kunnen vallen,
behandelt u het loon als nihilwaardering.
Bovenmatig deel
Vergoedt of verstrekt u meer dan de normen, dan is er sprake van een bovenmatig deel. Voor dit
bovenmatige deel mag u kiezen:
– als loon van uw werknemer belasten
– als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3)
– deels als loon van uw werknemer belasten en deels als eindheffingsloon aanwijzen
Voorbeeld
U betaalt uw werknemer een reiskostenvergoeding van € 0,29 per zakelijke kilometer. Van dit
bedrag kunt u € 0,19 per kilometer gericht vrijgesteld vergoeden. De rest van het bedrag (€ 0,10
per kilometer) is het bovenmatige deel en valt niet onder de gerichte vrijstelling. U kunt dit als loon
van uw werknemer aanmerken of als eindheffingsloon aanwijzen. Hebt u geen vrije ruimte meer
over, dan moet u over het meerdere 80% eindheffing betalen, dus € 0,08 per kilometer.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 223
Welke gerichte vrijstellingen zijn er?
Er zijn gerichte vrijstellingen voor het vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van:
– vervoer (zie hoofdstuk 21)
– tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking, zoals overnachtingen tijdens dienstreizen (zie
paragraaf 20.1.1) en maaltijden (zie paragraaf 20.1.2)
– cursussen, congressen, vakliteratuur en dergelijke voor het onderhouden en verbeteren van de kennis
en vaardigheden die nodig zijn voor het werk, inschrijving in een beroepsregister en outplacement (zie
paragraaf 20.1.3)
– studie- en opleiding met het oog op het verwerven van (meer) inkomen en procedures tot erkenning van
verworven competenties (evc-procedures) (zie paragraaf 20.1.4)
– verhuizingen voor de dienstbetrekking (zie paragraaf 20.1.5)
– extraterritoriale kosten (zie paragraaf 20.1.6)
– gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur als deze voldoen
aan het zogenoemde noodzakelijkheidscriterium (zie paragraaf 20.1.7)
– korting op producten uit eigen bedrijf (zie paragraaf 20.1.8)
– arbovoorzieningen (zie paragraaf 20.1.9)
– hulpmiddelen (zie paragraaf 20.1.10)
20.1.1 Tijdelijk verblijf
Vergoedt of verstrekt u aan uw werknemer kosten van tijdelijk verblijf, dan is deze vergoeding of
verstrekking mogelijk gericht vrijgesteld. In de volgende 2 gevallen is er sprake van tijdelijk verblijf:
– Het gaat om een ambulante werknemer (zie hierna bij ‘Ambulante werknemers’).
– Uw werknemer reist heen en weer tussen een tijdelijke verblijfplaats en zijn werkplek, omdat er zakelijke
redenen zijn om (nog) niet bij de plaats van zijn werk te gaan wonen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij
tijdelijke projecten of zolang uw werknemer in de wettelijke proeftijd zit.
Zodra er geen sprake meer is van tijdelijk verblijf, is de vergoeding van de kosten van het verblijf niet
meer gericht vrijgesteld. De vergoeding is dan loon van uw werknemer vanaf het moment dat hij niet meer
ambulant is. Of als er geen zakelijke redenen meer zijn om niet bij de werkplek te wonen. Maar u kunt dit
loon ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Ambulante werknemers
Een werknemer is ambulant als hij vanuit zijn woning naar steeds verschillende arbeidsplaatsen reist. Een
werknemer is ook ambulant als hij doorgaans op ten minste 1 dag per week heen en weer reist tussen zijn
woning en dezelfde arbeidsplaats en hij dat doet op maximaal 20 dagen (het 20-dagencriterium).
U moet het 20-dagencriterium beoordelen over de zogenoemde referentieperiode. Deze periode begint in
de week waarin uw werknemer voor het eerst naar de arbeidsplaats reist, en eindigt in de week waarin hij
voor het laatst naar deze plaats reist. Bij incidentele onderbrekingen loopt de referentieperiode door. Bij
lange onderbrekingen begint de referentieperiode opnieuw. Van een langdurige onderbreking is sprake als uw
werknemer niet naar dezelfde arbeidsplaats reist gedurende 1 of meer van de volgende periodes:
– 2 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens verlof en/of ziekte, in een periode van 26 weken of
minder
– 3 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens verlof en/of ziekte, in een periode van meer dan
26 weken
– 6 of meer aaneensluitende weken wegens verlof en/of ziekte
Reisbesluiten Binnen- en Buitenland
De reisbesluiten Binnen- en Buitenland regelen de vergoedingen voor ambtenaren op dienstreis, maar u
kunt ze ook toepassen voor werknemers die wat hun uitgaven betreft vergelijkbaar zijn met ambtenaren op
dienstreis.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 224
Binnenlandse dienstreizen
Voor binnenlandse dienstreizen kunt u maximaal de volgende bedragen voor verblijfkosten gericht vrijgesteld
vergoeden aan uw werknemer:
– kleine uitgaven overdag: € 4,52
– kleine uitgaven ’s avonds: € 9,05
– een ontbijt: € 10,13
– een lunch: € 9,16
– een avondmaaltijd: € 22,99
– logies: € 102,59
Als u meer vergoedt dan deze bedragen, dan kunt u het bovenmatige deel van de vergoeding tot het loon
van uw werknemer rekenen of als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Zie paragraaf 20.1.2 voor meer informatie over maaltijden.
Zie paragraaf 20.3.4 voor meer informatie over een woning die u aan uw werknemer ter beschikking stelt
voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
Buitenlandse dienstreizen
Vergoedingen volgens het Reisbesluit Buitenland voor buitenlandse dienstreizen zijn gericht vrijgesteld.
Hierop is 1 uitzondering: Als u de kosten van een overnachting niet aannemelijk kunt maken, mag u volgens
het Reisbesluit Buitenland een vergoeding van € 11,34 geven. Deze vergoeding is niet gericht vrijgesteld. U
kunt dit loon wel als eindheffingsloon aanwijzen.
20.1.2 Maaltijden
Maaltijden als onderdeel van tijdelijke verblijfskosten zijn gericht vrijgesteld. Van zo’n maaltijd is sprake bij:
– dienstreizen
– reizen van mobiele en ambulante werknemers, zoals vertegenwoordigers en accountants
Zie paragraaf 20.1.1 voor meer informatie over tijdelijk verblijf.
– zakelijke besprekingen met klanten buiten de vaste werkplek
– werkzaamheden op niet-permanente locaties, zoals bij het werk van wegenbouwers, bouwvakkers en
medewerkers van een filmcrew
Zie paragraaf 20.1.1 voor meer informatie over tijdelijk verblijf.
De vergoeding of verstrekking van maaltijden is ook gericht vrijgesteld als de maaltijden een meer dan
bijkomstig zakelijk karakter hebben. Van een maaltijd met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter is
sprake bij:
– al dan niet verwacht overwerk of werk op koopavonden
– therapeutisch mee-eten
– werkzaamheden aan boord van vliegtuigen, schepen, boorplatforms of kermiswagens
Als een werknemer door zijn werk tussen 17.00 en 20.00 uur niet thuis kan eten, is er in elk geval sprake
van een meer dan bijkomstig zakelijke maaltijd.
Als u dergelijke maaltijden vergoedt, kunt u de werkelijke kosten ervan vergoeden. U mag ook aansluiten bij
het normbedrag voor maaltijden in bedrijfskantines van € 3,35 per maaltijd. Het maakt daarbij niet uit waar
uw werknemer kosten voor de maaltijd heeft gemaakt. Bijvoorbeeld:
– in een restaurant
– bij een bakker voor bijvoorbeeld kant-en-klare (luxe) broodjes
– in een supermarkt voor bijvoorbeeld een maaltijd die uw werknemer de volgende dag mee van huis
neemt
Ambulante werknemers
Voor ambulante werknemers is een vergoeding of verstrekking van een maaltijd gericht vrijgesteld. Een
werknemer is ambulant als hij vanuit zijn woning naar steeds verschillende arbeidsplaatsen reist. Een
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 225
werknemer is ook ambulant als hij doorgaans op ten minste 1 dag per week heen en weer reist tussen zijn
woning en dezelfde arbeidsplaats en hij dat doet op maximaal 20 dagen (het 20-dagencriterium).
U moet het 20-dagencriterium beoordelen over de zogenoemde referentieperiode. Deze periode begint in
de week waarin uw werknemer voor het eerst naar de arbeidsplaats reist, en eindigt in de week waarin hij
voor het laatst naar deze plaats reist. Bij incidentele onderbrekingen loopt de referentieperiode door. Bij
lange onderbrekingen begint de referentieperiode opnieuw. Van een langdurige onderbreking is sprake als uw
werknemer niet naar dezelfde arbeidsplaats reist gedurende 1 of meer van de volgende periodes:
– 2 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens verlof en/of ziekte, in een periode van 26 weken of
minder
– 3 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens verlof en/of ziekte, in een periode van meer dan
26 weken
– 6 of meer aaneensluitende weken wegens verlof en/of ziekte
Zodra een werknemer niet langer ambulant is, moet u het normbedrag toepassen (zie paragraaf 20.3.1).
Reisbesluiten Binnen- en Buitenland
De reisbesluiten Binnen- en Buitenland regelen de vergoedingen voor ambtenaren op dienstreis, maar u
kunt ze ook toepassen voor werknemers die wat hun uitgaven betreft vergelijkbaar zijn met ambtenaren op
dienstreis. Zie paragraaf 20.1.1 voor meer informatie over vergoedingen volgens de reisbesluiten.
Zakelijk etentje
Als uw werknemer uit eten gaat met een klant en uw werknemer de rekening zelf betaalt, kunt u die
rekening onbelast aan uw werknemer vergoeden. Het moet dan wel aantoonbaar om een zakelijk etentje
gaan.
Therapeutisch mee-eten
Sommige werknemers in de gezondheids- of welzijnszorg zijn op grond van een publiekrechtelijke regeling of
(collectieve) arbeidsovereenkomst verplicht samen te eten met de hen toevertrouwde patiënten, pupillen of
bewoners. Voor dit therapeutisch mee-eten hoeft u bij deze werknemers niets bij het loon te tellen.
Maaltijden in bedrijfskantines
Voor maaltijden in bedrijfskantines rekent u een normbedrag tot het loon (zie paragraaf 20.3.1).
Maaltijden tijdens personeelsfeesten
Hoe u omgaat met maaltijden tijdens personeelsfeesten, recepties en jubileumfeesten, hangt af van de
locatie van het feest (zie paragraaf 20.3.1).
20.1.3 Congressen, cursussen, vakliteratuur en dergelijke
Vergoedingen of verstrekkingen die u uw werknemer geeft voor het onderhouden en verbeteren van zijn
kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het werk, zoals cursussen, congressen en vakliteratuur, zijn
gericht vrijgesteld. Dat geldt ook voor inschrijving in een beroepsregister en outplacement.
Studiedag met gemengd karakter
Als u een studiedag met verschillende activiteiten organiseert, kunnen verschillende vrijstellingen een rol
spelen. Als u zo’n dag organiseert voor uw werknemers met lunch, diner en een ontspannend avondje
teambuilding, moet u – afhankelijk van de invulling van het programma en de tijdsbesteding – de kosten
splitsen in:
– de kosten van activiteiten met vooral een zakelijk karakter
Deze kosten zijn vrijgesteld op basis van de volgende gerichte vrijstellingen:
– cursussen, congressen, seminars, vakliteratuur en dergelijke (de gerichte vrijstelling van deze
paragraaf)
– tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking (zie paragraaf 20.1.1)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 226
– maaltijden met een meer dan bijkomstig zakelijk karakter (zie paragraaf 20.1.2)
– de kosten van activiteiten met vooral een consumptief karakter
De regels voor het personeelsfeest zijn van toepassing (zie paragraaf 20.2.3).
Reiskosten
Meer informatie over vergoedingen voor reizen in verband met cursussen, congressen, seminars, symposia
en excursies vindt u in hoofdstuk 21.
Inschrijving in beroepsregister
De inschrijving in een beroepsregister is gericht vrijgesteld als het gaat om wettelijk voorgeschreven
registraties en registraties die de beroepsgroep eist voor het veiligstellen en bewaken van kwaliteitsnormen.
Ook de inschrijving in een register zonder een verplicht karakter kunt u gericht vrijgesteld vergoeden.
Voorwaarde daarbij is voldoende kwaliteitsborging door de beroepsvereniging. Hiervan is bijvoorbeeld sprake
als de beroepsvereniging alleen leden toelaat die voldoen aan bepaalde deskundigheidseisen, verplichtingen
oplegt voor scholing, of het bijhouden of verwerven van kennis en vaardigheden op het vakgebied stimuleert.
Outplacement
Outplacement is het geheel van diensten en adviezen voor de werknemer om op zo kort mogelijke termijn
een passende nieuwe werkkring te vinden door het verbeteren van kennis en vaardigheden. Hieronder vallen
bijvoorbeeld de kosten van een loopbaanscan. Onder outplacement vallen niet de kosten van bemiddeling of
contractonderhandeling door een vertegenwoordiger van de werknemer.
De kosten van outplacement kunt u gericht vrijgesteld vergoeden. Ook de verstrekking van
outplacementfaciliteiten is gericht vrijgesteld.
Een prepensioencursus als voorbereiding op een nieuwe levensfase is vergelijkbaar met outplacement. Als
de cursus een meer recreatief karakter heeft, dan is de vergoeding of verstrekking loon van uw werknemer.
Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3). Wij kunnen op uw verzoek
beoordelen in hoeverre u de cursus gericht vrijgesteld kunt vergoeden of verstrekken.
Een vergoeding voor binnenlandse reizen in verband met outplacement is vrijgesteld tot maximaal € 0,19
per kilometer als uw werknemer een eigen vervoermiddel gebruikt. Als uw werknemer met het openbaar
vervoer reist, mag u maximaal € 0,19 per kilometer vergoeden. Maar u kunt ook de werkelijke kosten gericht
vrijgesteld vergoeden.
Meer informatie over vergoedingen voor reizen in verband met outplacement vindt u in hoofdstuk 21.
Dagbladen
Het vergoeden of verstrekken van (abonnementen op) dagbladen is gericht vrijgesteld, als het dagblad
vakliteratuur voor de werknemer is.
Is het dagblad geen vakliteratuur, dan is de vergoeding of verstrekking van (abonnementen op) dagbladen
loon van uw werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.
20.1.4 Studie en opleiding
Volgt uw werknemer een studie of een opleiding om zich persoonlijk te ontwikkelen, zodat hij (meer)
inkomen uit werk en woning kan verwerven? Dan zijn uw vergoedingen en verstrekkingen hiervoor gericht
vrijgesteld. Er zijn 3 voorwaarden voor vrijstelling:
– De studiekosten worden niet al door een ander vergoed.
– De studie of opleiding is gericht op het vervullen van een beroep in de toekomst.
– U hebt de vergoeding verstrekt of toegezegd vóór het einde van het kalenderjaar waarin de kosten
worden gemaakt.
Het gaat hier met name om lesgelden, kosten van studieboeken en andere leermiddelen en reiskosten voor
lesbezoek.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 227
Let op!
Vergoedingen voor een studeerruimte en de inrichting ervan horen wel tot het loon, tenzij het gaat om
arbovoorzieningen (zie paragraaf 20.1.9).
De vrijstelling is ook van toepassing als een werknemer de vergoeding voor studiekosten onder bepaalde
omstandigheden moet terugbetalen, bijvoorbeeld als hij de studie onderbreekt of als hij onvoldoende
studieresultaten behaalt. Gratificaties of premies die u aan uw werknemer toekent bij afronding van zijn
studie of opleiding, horen echter wel tot het loon, ook al is de hoogte ervan afgestemd op de hoogte van de
studiekosten.
Vergoedingen en verstrekkingen voor bepaalde studiekosten in verband met het vervullen van de huidige
dienstbetrekking zijn ook gericht vrijgesteld (zie paragraaf 20.1.3).
Reiskosten
Meer informatie over vergoedingen voor binnenlandse reizen in verband met studie en opleiding vindt u in
hoofdstuk 21. Bij buitenlandse reizen in verband met studie en opleiding mag u de werkelijke kosten gericht
vrijgesteld vergoeden.
Studiekostenvergoedingen en ontslag
Soms moet een werknemer bij ontslag de gericht vrijgestelde studiekostenvergoeding terugbetalen. Die
terugbetaling is voor de werknemer geen negatief loon. De werknemer kan het terugbetaalde bedrag in het
jaar van de terugbetaling wel als scholingsuitgaven opnemen in zijn aangifte inkomstenbelasting.
Als een nieuwe werkgever het terugbetaalde bedrag vergoedt aan de werknemer, mag hij dat gericht
vrijgesteld doen in het kalenderjaar waarin de werknemer het bedrag terugbetaalt. Als een nieuwe werkgever
de terugbetalingsverplichting overneemt in het kalenderjaar waarin de werknemer het bedrag aan zijn
oude werkgever moet terugbetalen, heeft dit geen gevolgen voor de loon- en inkomstenbelasting. Maar als
de nieuwe werkgever dit in een later kalenderjaar doet, is de vergoeding alleen gericht vrijgesteld of de
overname van de terugbetalingsverplichting alleen zonder fiscale gevolgen als hij:
– de vergoeding van de terugbetalingsverplichting al onvoorwaardelijk heeft toegezegd in het kalenderjaar
waarin de werknemer het bedrag terugbetaalt
– de overname van de terugbetalingsverplichting al onvoorwaardelijk heeft toegezegd in het kalenderjaar
waarin de werknemer het bedrag aan zijn oude werkgever moet terugbetalen
Let op!
Als een nieuwe werkgever de terugbetaling van de studiekostenvergoeding gericht vrijgesteld
vergoedt of de terugbetalingsverplichting overneemt, kan de werknemer de terugbetaling niet als
scholingsuitgaven in zijn aangifte inkomstenbelasting opnemen.
Erkenning verworven competenties
Uitgaven en verstrekkingen voor het volgen van een procedure Erkenning verworven competenties zijn
studiekosten. Vergoedingen en verstrekkingen in verband met deze procedure zijn gericht vrijgesteld.
20.1.5 Verhuizingen
Vergoedingen voor verhuiskosten horen in het algemeen tot het loon, maar u kunt voor de verhuiskosten
van een werknemer een gericht vrijgestelde vergoeding betalen als de verhuizing verband houdt met de
dienstbetrekking.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 228
U mag een gericht vrijgestelde verhuiskostenvergoeding geven van maximaal € 7.750 naast de vergoeding
van de werkelijke kosten voor het overbrengen van de boedel. Voorwaarde is wel dat het gaat om een
verhuizing die voldoende samenhangt met de dienstbetrekking. Voldoende verband met de dienstbetrekking
is in ieder geval aanwezig als aan de volgende 2 voorwaarden is voldaan:
– De werknemer verhuist binnen 2 jaar na aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na
overplaatsing.
– De werknemer woont meer dan 25 kilometer van het werk en verhuist, waardoor de afstand tussen zijn
nieuwe woning en zijn werk ten minste 60% minder wordt.
In bijzondere situaties kunt u ook een gericht vrijgestelde verhuiskostenvergoeding geven aan een
werknemer die bij u uit dienst gaat. Bijvoorbeeld als de werknemer door het einde van de dienstbetrekking
niet langer in een dienstwoning kan blijven wonen.
Voor vergoedingen voor aan- en verkoopkosten van woningen bestaat geen gerichte vrijstelling. Deze
vergoedingen zijn loon van uw werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie
paragraaf 8.1.3).
20.1.6 Extraterritoriale kosten
Zie paragraaf 17.4 voor meer informatie over de extraterritoriale vergoedingen en de 30%-regeling.
20.1.7 Noodzakelijkheidscriterium: gereedschappen, computers, mobiele
communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur
Vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van gereedschappen, computers, mobiele
communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur zijn gericht vrijgesteld als deze voldoen aan het
zogenoemde noodzakelijkheidscriterium. Dit is het geval als:
– de voorziening naar uw redelijke oordeel noodzakelijk is voor een behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking
– u de voorziening betaalt en de kosten niet doorberekent aan uw werknemer
– uw werknemer de voorziening moet teruggeven of de restwaarde van deze voorziening aan u moet
betalen als hij deze niet meer nodig heeft voor de dienstbetrekking
Als uw werknemer de voorziening niet teruggeeft of de restwaarde van de voorziening niet aan u betaalt,
moet u vanaf het moment dat hij de voorziening niet meer nodig heeft, de restwaarde van de voorziening
tot zijn loon rekenen. U mag dit loonbestanddeel ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf
8.1.3).
Als uw werknemer privévoordeel heeft van de voorziening, hoeft u dit voordeel niet tot het loon te rekenen.
U mag wel een eigen bijdrage vragen als u uw werknemer laat kiezen voor een duurdere uitvoering van de
noodzakelijke voorziening. De eigen bijdrage trekt u dan van het nettoloon af.
Noodzakelijk
‘Noodzakelijk’ betekent dat de werknemer zonder de voorziening zijn dienstbetrekking niet goed kan
uitoefenen. Dat houdt in dat de werknemer de voorziening voor zijn werk nodig heeft en gebruikt. De mate
van dat gebruik is daarbij niet doorslaggevend.
Als het werk in theorie ook mogelijk is zonder de voorziening, kunt u toch aan het noodzakelijkheidscriterium
voldoen. Waar het om gaat is dat de voorziening naar uw redelijke oordeel noodzakelijk is voor een
behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en u dus kunt aantonen dat deze voorziening gericht is op een
optimale bedrijfsvoering.
Als een voorziening noodzakelijk is voor het werk van uw werknemer, dan bent u hier ook financieel
verantwoordelijk voor. Daarom komen de kosten van een noodzakelijke voorziening voor uw rekening.
Voorbeeld
Een dagbladjournalist die bij u in dienst is, heeft bepaalde digitale hulpmiddelen nodig om zijn
werk te kunnen doen. Als u hem 1 tablet en 1 telefoon verstrekt, levert dit geen discussie op. Maar
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 229
als u hem een laptop, tablet en mobiele telefoon verstrekt, kunnen wij u om uitleg vragen over
de noodzakelijkheid van de hulpmiddelen. Stelt u dat uw werknemer efficiënter werkt door deze
hulpmiddelen, maar zijn wij niet overtuigd? Dan moeten wij bewijzen dat niet alle hulpmiddelen
noodzakelijk zijn.
Het noodzakelijkheidscriterium vertoont veel overeenkomsten met het tot nu toe gebruikelijke
zakelijkheidsvereiste, maar gaat een stapje verder. Een zakelijke voorziening of kosten die alleen bijdragen
aan een goede uitoefening van de dienstbetrekking, hoeven namelijk niet noodzakelijk te zijn om toch gericht
vrijgesteld te zijn (zie paragraaf 20.1.10).
Gereedschap en dergelijke apparatuur
Voorbeelden van gereedschap zijn: het pneumatische nietpistool of de lasergestuurde afstandsmeter van
een timmerman, het fototoestel van een fotograaf, een muziekinstrument van een muzikant, de kwast van
een schilder en de naaimachine van een kledingmaker. Een voorbeeld van ‘dergelijke apparatuur’ is een
kalibreerapparaat dat nodig is om gereedschap bedrijfsklaar te houden. De verf waar een schilder mee
schildert en de stof waar de kleding van wordt gemaakt, zijn geen gereedschap, net zomin als werkkleding of
kantoormeubilair.
Computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur
Onder computers en mobiele communicatiemiddelen verstaan wij onder meer desktops, laptops, tablets,
mobiele telefoons en smartphones. Simkaarten, dongels, abonnementen voor internet en telefonie en
software kunnen ook vrijgesteld zijn. Een voorbeeld van ‘dergelijke apparatuur’ is een organizer, een printer
of een navigatiesysteem omdat deze vooral bedoeld zijn om zelfstandig te gebruiken.
Als het internet bij uw werknemer thuis aan de voorwaarden van het noodzakelijkheidscriterium voldoet, dan
is de vergoeding van de abonnementskosten gericht vrijgesteld.
Heeft uw werknemer een 3-in-1-pakket (internet, telefoon en televisie) gekocht bij een provider? Dan
bepaalt u het deel van de factuur dat voor de internetaansluiting is. Eventueel gaat u na wat de provider
rekent voor een apart abonnement voor internet. Dat gedeelte kunt u gericht vrijgesteld vergoeden.
Als u de rest ook vergoedt, dan is dat loon van uw werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon
aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Vaste kostenvergoedingen
U mag vaste kostenvergoedingen geven voor voorzieningen die voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium,
zolang u maar expliciet vastlegt aan welke eisen deze voorzieningen moeten voldoen. U moet ook altijd
vooraf onderzoek doen naar de werkelijke kosten.
Cafetariaregelingen en noodzakelijkheid
Binnen een cafetariaregeling zijn vergoedingen voor gereedschappen, computers, mobiele
communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur niet gericht vrijgesteld, omdat ze niet voldoen aan het
noodzakelijkheidscriterium.
Als u niet gebruikmaakt van een cafetariaregeling en dus bepaalt of een voorziening noodzakelijk is, mag
u uw werknemer wel keuzevrijheid geven in het merk of het model van de voorzieningen. Ook mag uw
werknemer een duurder model kiezen als hij een eigen bijdrage uit zijn nettoloon betaalt.
Bestuurders en commissarissen
Voor bestuurders en commissarissen (opting-in) geldt het noodzakelijkheidscriterium pas als u aannemelijk
kunt maken dat de voorziening gebruikelijk is voor de behoorlijke uitoefening van de dienstbetrekking. In dit
geval hebt u dus de bewijslast.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 230
Voorbeeld
Een commissaris vraagt u een tablet en een Virtual Reality-bril (VR-bril) te verstrekken voor
zijn werk. U moet beoordelen of deze voorzieningen gebruikelijk en noodzakelijk zijn voor de
behoorlijke uitoefening van de dienstbetrekking. Voor het werk van een commissaris is een tablet
niet ongebruikelijk en kan deze dus noodzakelijk zijn. Voor een VR-bril geldt dat niet.
20.1.8 Korting op producten uit eigen bedrijf
Voor korting op producten uit uw eigen bedrijf geldt een gerichte vrijstelling. Als u aan uw werknemer een
korting of vergoeding geeft bij de aankoop van producten uit eigen bedrijf, dan is dit onder de volgende
voorwaarden gericht vrijgesteld:
– De producten zijn niet branchevreemd.
– De korting of vergoeding is per product maximaal 20% van de waarde van dat product in het
economische verkeer.
– De kortingen of vergoedingen bedragen in het kalenderjaar samen niet meer dan € 500.
Komt u boven het maximum van € 500 uit, dan kunt u het deel dat uitkomt boven het maximum aanwijzen
als eindheffingsloon. Komt u niet boven het maximum van € 500 uit, dan mag u het niet-gebruikte deel van
de vrijstelling niet doorschuiven naar een volgend jaar.
Kortingen of vergoedingen voor producten uit eigen bedrijf zijn ook een gerichte vrijstelling als de
dienstbetrekking is geëindigd door pensionering of arbeidsongeschiktheid.
Deze regeling geldt ook als de korting wordt gegeven door een met u verbonden vennootschap. Onder een
verbonden vennootschap wordt verstaan:
– een vennootschap waarin de werkgever voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft
– een vennootschap die voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft in de werkgever
– een vennootschap waarin een derde partij voor ten minste 1/3 gedeelte belang heeft, terwijl deze derde
partij ook voor minimaal 1/3 gedeelte belang heeft in de werkgever
20.1.9 Arbovoorzieningen
Arbovoorzieningen zijn gericht vrijgesteld. Hierbij maakt het niet uit of u deze vergoedt, verstrekt of
ter beschikking stelt, en of uw werknemer de voorziening op de werkplek gebruikt of niet. In al deze
situaties geldt een gerichte vrijstelling die niet ten koste gaat van uw vrije ruimte. Het gaat om de volgende
voorzieningen:
– arbovoorzieningen op de werkplek
– arbovoorzieningen buiten de werkplek (bijvoorbeeld een medische keuring)
De arbovoorzieningen moeten wel aan de volgende voorwaarden voldoen:
– De arbovoorzieningen hangen samen met uw verplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.
– De werknemer gebruikt de voorzieningen (gedeeltelijk).
– De werknemer betaalt geen eigen bijdrage voor de voorzieningen.
Het gaat bijvoorbeeld om:
– een veiligheidsbril met geslepen glazen voor een laborant of lasser
– een zonnebril voor een chauffeur of piloot
– speciale isolerende of beschermende kleding
Zie paragraaf 20.2.4 voor meer informatie over (werk)kleding en uniformen.
– een verplichte medische keuring
– een aanstellingskeuring
– een geneeskundig of arbeidsgezondheidskundig onderzoek, een second opinion of een griepprik in het
kader van preventie- en verzuimbeleid
– een door de werkgever geïnitieerd preventie- en gezondheidsprogramma
– een EHBO-cursus die in redelijkheid deel uitmaakt van uw arboplan
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 231
Dit geldt ook voor herhalingscursussen en bijscholing in verband met het EHBO-diploma. Krijgt de
werknemer met een EHBO-diploma hiervoor een toeslag, dan is deze toeslag wel belast.
Stoelmassage of reflexzonemassage
Een stoelmassage of reflexzonemassage kunt u onder de volgende voorwaarden gericht vrijgesteld ter
beschikking stellen:
– U hebt als werkgever een arboplan.
– De massage maakt in redelijkheid deel uit van dat arboplan.
– De massage vindt tijdens werktijd plaats.
– Uw werknemer hoeft geen eigen bijdrage te betalen.
Cursus stoppen met roken
U mag uw werknemers gericht vrijgesteld een cursus stoppen met roken laten volgen. Voorwaarde daarbij is
dat de cursus deel uitmaakt van het arboplan van uw onderneming.
Arbovoorzieningen in de werkruimte thuis
Het vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van arbovoorzieningen in de werkruimte thuis is gericht
vrijgesteld als:
– die arbovoorzieningen samenhangen met uw verplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
– de werknemer die voorzieningen (gedeeltelijk) gebruikt in de werkruimte
– de werknemer geen eigen bijdrage voor die voorzieningen betaalt
– de inrichting van de werkruimte thuis voldoet aan de volgende eisen van het
Arbeidsomstandighedenbesluit:
– De werkruimte van een thuiswerker is zodanig ingericht, dat de werknemer zo veel mogelijk zittend
en op een ergonomisch verantwoorde manier zijn werk kan doen. De werknemer heeft hiervoor
een doelmatige zitgelegenheid en een doelmatig werkblad of een doelmatige werktafel tot zijn
beschikking.
– In de werkruimte zijn de nodige voorzieningen voor een doelmatige kunstverlichting aanwezig.
20.1.10 Hulpmiddelen
Hulpmiddelen die uw werknemer ook buiten de werkplek kan gebruiken en die hij voor 90% of meer zakelijk
gebruikt, zijn gericht vrijgesteld. Dit geldt dus ook als er volgens uw redelijke oordeel geen sprake is van een
noodzakelijke computer en dergelijke apparatuur, een mobiel communicatiemiddel en gereedschappen en
toebehoren (zie paragraaf 20.1.7).
20.2 Nihilwaarderingen
Alles wat u uw werknemer verstrekt, vergoedt of ter beschikking stelt voor zijn dienstbetrekking, is loon.
Om te voorkomen dat de waarde van voorzieningen die uw werknemer op de werkplek gebruikt, in de vrije
ruimte valt, is een aantal voorzieningen op nihil gewaardeerd. Deze ‘nihilwaarderingen’ gaan dus niet ten
koste van uw vrije ruimte.
Bij het vaststellen van de nihilwaardering is het begrip ‘werkplek’ van belang: u mag alleen voorzieningen die
uw werknemer ook op de werkplek gebruikt, op nihil waarderen. De nihilwaardering geldt bovendien alleen
voor werknemers die voor hun dienstbetrekking op die werkplek moeten werken. Zie paragraaf 20.2.1 voor
meer informatie over het begrip ‘werkplek’.
Let op!
Als loon in natura onder de nihilwaarderingen en onder de gerichte vrijstellingen zou kunnen vallen,
behandelt u het loon als nihilwaardering.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 232
Welke nihilwaarderingen zijn er?
De volgende voorzieningen waardeert u op nihil:
– voorzieningen die uw werknemer op de werkplek gebruikt (zie paragraaf 20.2.2)
– consumpties op de werkplek die geen deel uitmaken van een maaltijd (zie paragraaf 20.2.3)
– ter beschikking gestelde werkkleding (zie paragraaf 20.2.4)
– het rentevoordeel van een personeelslening als uw werknemer daarmee een (elektrische) fiets of
elektrische scooter koopt (zie paragraaf 20.2.5)
– ter beschikking gestelde ov-abonnementen als uw werknemer het abonnement ook voor het werk
gebruikt (zie paragraaf 20.2.6)
– de waarde van huisvesting en inwoning (inclusief verstrekte energie, water en bewassing) die u op de
werkplek ter beschikking stelt voor de vervulling van de dienstbetrekking (zie paragraaf 20.2.7)
Dit is een nihilwaardering als uw werknemer niet op de werkplek woont en hij redelijkerwijs wel gebruik
moet maken van deze voorziening.
– voorzieningen in de werkruimte thuis (zie paragraaf 20.2.8)
20.2.1 Werkplek
Een werkplek is elke plaats waar uw werknemers werken en waarvoor u op grond van de
Arbeidsomstandighedenwet verantwoordelijk bent. Uw zorgplicht voor de werkplek kan blijken uit een
arboplan of uit de risico-inventarisatie en -evaluatie die u op grond van de Arbeidsomstandighedenwet moet
maken.
Een werkplek is bijvoorbeeld: het bureau, een kamer, een kantoortuin, de lopende band, een fabriekshal, de
keuken, de vergaderzaal, een bedrijfskantine, de parkeergarage of de fietsenstalling op het bedrijfsterrein,
een fitnessruimte, de openbare ruimte voor een bouwvakker die graafwerkzaamheden verricht en voor een
gemeentelijke hovenier die de openbare beplanting verzorgt.
Ook een auto of een ander vervoermiddel kan een werkplek zijn als een werknemer daarin werkt en u
arboverantwoordelijk bent voor dat vervoermiddel. Voorbeelden zijn de (vracht)auto bij beroepschauffeurs,
het vliegtuig bij piloten, en de trein bij conducteurs en machinisten. Ook bij andere beroepen kunnen
vervoermiddelen een werkplek zijn als u uw werknemer opdraagt een bepaald vervoermiddel te gebruiken
voor zijn werk. Bijvoorbeeld als een werknemer in uw opdracht uw auto gebruikt voor een dienstreis. Voor
voorzieningen, zoals een notebook of de mobiele telefoon, die de werknemer in de auto (werkplek) voor zijn
werk gebruikt, geldt dan een nihilwaardering.
Parkeergelegenheid in de omgeving van de werkplek
Gebruiken uw werknemers een parkeergelegenheid in de omgeving van de werkplek? Dan maakt deze
deel uit van de werkplek als u verantwoordelijk bent voor die parkeergelegenheid. Dat wil zeggen dat een
werknemer u met succes aansprakelijk kan stellen als door uw nalatigheid bijvoorbeeld zijn auto beschadigd
raakt. Als u deze parkeergelegenheid ter beschikking stelt, waardeert u deze op nihil.
Werkplek en personeelsfeesten, recepties en jubilea
Voor personeelsfeesten, recepties en jubilea is het begrip werkplek ruimer. De consumpties tijdens het
feest, de receptie of het jubileum waardeert u op nihil als het feest plaatsvindt op een plaats waarvoor u
arboverantwoordelijk bent. U waardeert het ook op nihil voor:
– werknemers van andere vestigingen, locaties of kantoren
– werknemers van andere werkgevers, met wie u de concernregeling (zie paragraaf 8.1.5) toepast
Zie paragraaf 20.2.3 voor informatie over personeelsfeesten in concernverband of op een externe locatie.
Werkplek in woning werknemer
Uw werknemer werkt in een werkruimte in zijn eigen woning, vakantiewoning, woonwagen, woonschip,
garage, tuinhuis en dergelijke. Zo’n werkruimte is mogelijk een werkplek. U kunt arbovoorzieningen op deze
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 233
werkplek gericht vrijgesteld vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen. Zie paragraaf 20.2.8 voor
meer informatie hierover.
Geen werkplek
In de volgende situaties is er geen sprake van een werkplek:
– Uw werknemer werkt onderweg. Hij mailt bijvoorbeeld in de trein of de bus of schrijft een artikel in een
horecagelegenheid. In deze situaties bent u niet arboverantwoordelijk. Voor de voorzieningen die uw
werknemer alleen onderweg gebruikt, geldt geen nihilwaardering.
– De omstandigheden van uw werknemer wijzigen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een overplaatsing
(de oude werkplek is dan geen werkplek meer), blijvende arbeidsongeschiktheid of het einde van de
dienstbetrekking.
20.2.2 Voorzieningen op de werkplek
Voor voorzieningen op de werkplek geldt een nihilwaardering. Denk hierbij aan een bureau of een
kopieermachine. Maar dit kan ook een fitnessruimte op de werkplek zijn.

20.2.3 Consumpties op de werkplek
Consumpties die u op de werkplek (zie paragraaf 20.2.1) verstrekt en die geen deel uitmaken van een
maaltijd, waardeert u op nihil. Het gaat hier bijvoorbeeld om koffie, thee, gebak, een stuk fruit en andere
tussendoortjes van weinig waarde (maaltijden vallen hier dus niet onder). U hoeft deze consumpties niet
tijdens werktijd te verstrekken.
Vormen de consumpties samen met andere consumpties die u (gedeeltelijk) vergoedt of verstrekt, een
maaltijd? Dan is de regeling voor maaltijden van toepassing (zie paragraaf 20.1.2).

Een vergoeding voor consumpties op de werkplek is loon van uw werknemer. Maar u kunt deze vergoeding
ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Personeelsfeesten
Hoe u om moet gaan met consumpties op personeelsfeesten, recepties en jubileumfeesten, hangt af van de
locatie van het feest:

– feest op de werkplek
De verstrekte consumpties waardeert u op nihil, ook voor werknemers van andere vestigingen, locaties
of kantoren en voor werknemers van andere werkgevers, met wie u de concernregeling (zie paragraaf
8.1.5) toepast.
– feest op externe locatie bij een derde
Deze feesten zijn loon van uw werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.
Vergoedingen voor personeelsfeesten, recepties en jubileumfeesten zijn loon van uw werknemer. Maar u kunt
dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen. Hoe u om moet gaan met maaltijden op personeelsfeesten leest
u in paragraaf 20.3.1.

Bij een externe activiteit waarbij het zakelijk karakter overheerst en het feestelijk karakter niet meer dan
bijkomstig is, hoeft u de totale kosten niet te splitsen in zakelijke en consumptieve kosten. De consumpties
zijn gericht vrijgesteld.

Sinterklaasfeest
Bij de organisatie van een Sinterklaasfeest voor de kinderen van uw werknemers zijn er 2 mogelijkheden:
– U organiseert het feest op de werkplek, bijvoorbeeld in de kantine. Het feest is een niet-ongebruikelijke
voorziening. De consumpties waardeert u op nihil. Dit geldt ook voor werknemers van andere
vestigingen, locaties of kantoren en voor werknemers van andere werkgevers, met wie u de
concernregeling (zie paragraaf 8.1.5) toepast. Als u de kinderen of uw werknemers een cadeau meegeeft,
is dat loon van de werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 234

– U organiseert het feest extern bij een derde. De waarde van het feest en de eventuele cadeaus voor de
kinderen of uw werknemers is loon voor de werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon
aanwijzen.

Personeelsreizen
De factuurwaarde (inclusief btw) van personeelsreizen en dergelijke, of vergoedingen daarvoor is loon van
uw werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.
Reisbesluiten Binnen- en Buitenland
De reisbesluiten Binnen- en Buitenland regelen de vergoedingen voor ambtenaren op dienstreis, maar u
kunt ze ook toepassen voor werknemers die wat hun uitgaven betreft vergelijkbaar zijn met ambtenaren op
dienstreis.
Zie paragraaf 20.1.1 voor meer informatie over vergoedingen volgens de reisbesluiten.

20.2.4 Werkkleding
U kunt uw werknemer kleding ter beschikking stellen (u blijft eigenaar), vergoeden (uw werknemer is
eigenaar) of verstrekken (uw werknemer wordt eigenaar). In deze paragraaf leest u wanneer dit belast is.
Ook leest u hier of het vergoeden van de reinigingskosten van deze kleding belast is.
U vergoedt of verstrekt kleding
Vergoedt of verstrekt u de kleding aan uw werknemer? Dan is dit loon van de werknemer. Dit geldt ook
voor een vergoeding voor de reinigingskosten van die kleding. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon
aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
U stelt kleding ter beschikking
Stelt u kleding ter beschikking aan uw werknemer? Dan waardeert u dit op nihil als het werkkleding is en
geheel of gedeeltelijk op de werkplek wordt gedragen.
Wat is werkkleding?
Kleding is werkkleding als deze voldoet aan 1 van de volgende voorwaarden:
– De kleding is (bijna) alleen geschikt om tijdens het werk te dragen, zoals een laboratoriumjas en een
stofjas.
– Op de kleding zitten 1 of meer duidelijk zichtbare beeldkenmerken die horen bij de werkgever
(bijvoorbeeld een bedrijfslogo). Deze hebben samen een oppervlakte van ten minste 70 cm² per
kledingstuk. De oppervlakte berekent u met een denkbeeldige rechthoek om de uiterste punten van het
logo.
– De kleding blijft aantoonbaar achter op de werkplek.
– De kleding is een uniform of een overall.
– U vergoedt, verstrekt of stelt de kleding ter beschikking omdat de Arbeidsomstandighedenwet dit
voorschrijft, zoals een paar veiligheidsschoenen. U moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
– U hebt een arboplan.
– De kleding is nodig volgens dat arboplan.
– De kleding wordt vooral tijdens werktijd gedragen.
– De werknemer hoeft geen eigen bijdrage te betalen.
Wat is een uniform?
Als een groep werknemers dezelfde kleding draagt, die ook buiten de werkomgeving wordt geassocieerd
met een bedrijf of beroep, dan is die kleding een uniform. Bijvoorbeeld de kleding van politie, militairen en
stewardessen. Een zwarte broek met blauwe blazer van een chauffeur is dus geen uniform.
De herkenbaarheid van de kleding bepaalt of de kleding een uniform is en welke onderdelen daar bij horen. U
kunt met ons bespreken of de kleren die uw werknemers dragen, uniformen zijn.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 235
Als een kledingstuk onderdeel is van een uniform, dan is dat kledingstuk ook werkkleding. Hierbij maakt het
niet uit of dit losse kledingstuk al dan niet wordt herkend als uniform en of het buiten het werk gedragen kan
worden.
Kleding voldoet niet aan de voorwaarden
Als de kleding niet aan 1 van de voorwaarden voldoet, is de waarde van de kleding loon van de werknemer.
Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.
Vergoeding reinigingskosten
Geldt voor de kleding die u ter beschikking stelt, een nihilwaardering? Dan mag u ook de reinigingskosten
van die kleding onbelast vergoeden. Een vergoeding van deze kosten aan uw werknemer is geen loon, maar
een vergoeding voor intermediaire kosten (zie paragraaf 4.12.2).
Stroomschema kleding ter beschikking stellen
In het volgende stroomschema ziet u of u de kleding onbelast ter beschikking mag stellen aan uw
werknemer.
20.2.5 Rentevoordeel personeelslening voor (elektrische) fiets of elektrische scooter
Wanneer u of een met u verbonden vennootschap geld leent aan een werknemer, kan er sprake zijn van
een rentevoordeel voor die werknemer. Dit is zo wanneer hij minder rente betaalt over de lening dan bij
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 236
een kredietverlener. Voor dit rentevoordeel geldt een nihilwaardering bij een personeelslening voor een
(elektrische) fiets of een elektrische scooter. Dit geldt ook binnen een cafetariaregeling (zie paragraaf 4.15).
Personeelslening voor eigen woning en andere personeelsleningen
Bij alle andere personeelsleningen is het rentevoordeel belast. Bij een personeelslening voor een eigen
woning zijn ook de kosten die aan de lening zijn verbonden, belast.
U berekent het rentevoordeel door een marktconform percentage van het geleende bedrag te nemen. Als
uw werknemer rente heeft betaald, trekt u het betaalde rentebedrag af van het marktconforme rentebedrag.
Dit rentevoordeel is belast loon van uw werknemer, tenzij u het aanwijst als eindheffingsloon (zie paragraaf
8.1.3).

Let op!
Het rentevoordeel inclusief de kosten van een personeelslening voor een eigen woning mag u niet
aanwijzen als eindheffingsloon als het gaat om een lening waarvan de rente aftrekbaar is in de
inkomstenbelasting. Het rentevoordeel inclusief de kosten zijn dan altijd loon van uw werknemer. Uw
werknemer kan het belaste rentevoordeel en de kosten aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting bij
de eigenwoningregeling onder de voorwaarden die daarvoor gelden.
De afspraken die u met uw werknemer hebt gemaakt over de aflossing van de lening, bepalen wanneer
u het rentevoordeel moet aangeven. Als uw werknemer bijvoorbeeld maandelijks aflost door betaling of
verrekening, moet u het rentevoordeel ook maandelijks aangeven. Lost uw werknemer ergens in het jaar een
gedeelte af, dan geeft u het rentevoordeel aan in de aangifte over dat tijdvak. Voor het rentevoordeel van de
personeelslening voor een eigen woning mag u ook elk aangiftetijdvak een zo goed mogelijk geschat bedrag
aan rentevoordeel aangeven. In het laatste aangiftetijdvak van het jaar verrekent u dan het daadwerkelijke
rentevoordeel.

20.2.6 OV-abonnementen
Zie hoofdstuk 21 voor alle regels die te maken hebben met het openbaar vervoer.
20.2.7 Huisvesting en inwoning
Stelt u op de werkplek huisvesting voor het behoorlijk vervullen van de dienstbetrekking ter beschikking, dan
waardeert u dat op nihil als uw werknemer voldoet aan de volgende voorwaarden:
– Uw werknemer woont niet op de werkplek (zie paragraaf 20.2.1). Hij woont elders.
– Uw werknemer moet redelijkerwijs wel gebruikmaken van de huisvesting. Dit geldt bijvoorbeeld voor de
groepsleider die slaapdiensten heeft in een gezinsvervangend tehuis, de brandweerman die op de kazerne
slaapt, en uw werknemer die aan boord van een schip of op een boorplatform verblijft.
Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan geldt de nihilwaardering. Ook voor de verstrekking van energie,
water en bewassing.
Als niet aan deze voorwaarden is voldaan, past u het normbedrag voor huisvesting op de werkplek toe
(zie paragraaf 20.3.3). Bij het ter beschikking stellen van een woning rekent u met de huurwaarde in het
economische verkeer (zie paragraaf 20.3.4). Voor de dienstwoning die u ter beschikking stelt voor het
behoorlijk vervullen van de dienstbetrekking, geldt een normbedrag (zie paragraaf 20.3.4).
20.2.8 Voorzieningen in de werkruimte thuis
Werkruimte thuis is bijvoorbeeld een kantoor, werkkamer of studeerkamer in de woning van de werknemer.
Voor deze regeling zijn vakantiewoningen, woonwagens met een vaste standplaats en woonschepen met
een vaste ligplaats ook een woning. Ook een atelier of andere ruimte die voor de uitoefening van de
dienstbetrekking wordt gebruikt, is werkruimte.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 237
Bij een voorziening in de werkruimte van uw werknemer moet u onderscheid maken in arbovoorzieningen en
niet-arbovoorzieningen.

Arbovoorzieningen
Bij arbovoorzieningen gaat het om voorzieningen die voortvloeien uit de arbovoorschriften die passen binnen
uw arbeidsomstandighedenbeleid. Deze voorzieningen vallen onder de gerichte vrijstellingen. Zie voor meer
informatie paragraaf 20.1.9.

Niet-arbovoorzieningen
Bij niet-arbovoorzieningen moet u vaststellen of de werkruimte in de woning van uw werknemer een
‘werkplek’ is. Een ruimte in de woning van uw werknemer is een werkplek als aan de volgende voorwaarden
wordt voldaan:
– De ruimte is een zelfstandig gedeelte van de woning: de ruimte heeft bijvoorbeeld een eigen opgang en
eigen sanitair.
– U hebt met uw werknemer een reële (zakelijke) huurovereenkomst, waardoor alleen u over de ruimte
beschikt.
– Uw werknemer werkt in die ruimte.
Als aan alle 3 de voorwaarden wordt voldaan, is de ruimte een werkplek voor deze werknemer.
Niet-arbovoorzieningen waarvoor een nihilwaardering geldt, zijn:
– ter beschikking gestelde voorzieningen die uw werknemer op de werkplek gebruikt (zie paragraaf 20.2.2)
– consumpties op de werkplek die geen deel uitmaken van een maaltijd (zie paragraaf 20.2.3)
– ter beschikking gestelde werkkleding (zie paragraaf 20.2.4)
– de verstrekte huisvesting, energie, water en bewassing (zie paragraaf 20.2.7)
Werkplek in woning werknemer
Voor een werkplek in de woning van een werknemer mag u onbelast niet-arbovoorzieningen ter beschikking
stellen als aan de volgende 3 voorwaarden wordt voldaan:
– U stelt de niet-arbovoorzieningen in redelijkheid ter beschikking. Of een terbeschikkingstelling redelijk is,
beoordelen wij per geval. Hierbij spelen de feiten en omstandigheden een rol.
– Uw werknemer gebruikt de voorzieningen geheel of gedeeltelijk op de werkplek.
– De voorzieningen voldoen aan de voorwaarden die voor een onbelaste terbeschikkingstelling gelden.
Geen werkplek in woning van werknemer
Als niet aan alle 3 de voorwaarden wordt voldaan, dan is het ter beschikking stellen, het verstrekken
of het vergoeden van een niet-arbovoorziening loon van uw werknemer. Maar u kunt dit loon ook als
eindheffingsloon aanwijzen.
Let op!
Voor het vergoeden van de energiekosten van de werkruimte in de woning van uw werknemer geldt het
volgende:
– Als de werkruimte een werkplek is, is de vergoeding van de energiekosten aan uw werknemer geen
loon, maar een vergoeding voor intermediaire kosten (zie hoofdstuk 4.12.2).
– Als de werkruimte geen werkplek is, is de vergoeding loon van uw werknemer. Maar u kunt dit loon
ook als eindheffingsloon aanwijzen.
20.3 Normbedragen
De volgende voorzieningen op de werkplek zijn loon van de werknemer waarvoor normbedragen gelden:
– maaltijden in bedrijfskantine (zie paragraaf 20.3.1)

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 238

– kinderopvang (zie paragraaf 20.3.2)
– huisvesting op de werkplek (zie paragraaf 20.3.3)
Ook een (dienst)woning die u ter beschikking stelt, is loon van uw werknemer. Voor de
terbeschikkinggestelde dienstwoning geldt een normbedrag. Zie paragraaf 20.3.4 voor meer informatie over
het berekenen van dit loon.

20.3.1 Maaltijden in bedrijfskantines
De waarde van een maaltijd in een bedrijfskantine is € 3,35. Dit normbedrag geldt voor een ontbijt, voor een
lunch en voor een diner. U mag het normbedrag toepassen op maaltijden in bedrijfskantines of soortgelijke
ruimtes. Het normbedrag min de eventuele eigen bijdrage van de werknemer van maximaal € 3,35 is loon
van uw werknemer. Maar u kunt de waarde van de maaltijd ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf
8.1.3). U hoeft dan de maaltijden niet per werknemer te administreren. U houdt alleen het totale aantal
maaltijden bij van alle werknemers samen. U vermenigvuldigt het totale aantal maaltijden met € 3,35 en
trekt van de uitkomst de eigen bijdragen van alle werknemers af. Het bedrag mag niet negatief worden.
Bedrijfskantines voor verschillende bedrijven
In een bedrijfskantine met een externe cateraar waar werknemers van verschillende bedrijven eten, handelt
u als volgt: In uw administratie neemt u de verstrekking op als eindheffingsloon. U ontwikkelt samen met de
cateraar en de andere werkgevers een systeem dat inzicht geeft in:
– het totale aantal maaltijden per werkgever
– de eigen bijdragen van de werknemers per werkgever
U mag het eindheffingsloon niet gelijkstellen aan uw betalingen en verstrekkingen aan de cateraar.
Maaltijden tijdens personeelsfeesten
Hoe u omgaat met maaltijden tijdens personeelsfeesten, recepties en jubileumfeesten, hangt af van de
locatie van het feest:
– Het feest is op de werkplek.
Voor maaltijden tijdens feesten die op de werkplek plaatsvinden, rekent u een normbedrag tot het loon.
Dit normbedrag is € 3,35 per maaltijd. U kunt dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
– Het feest is op een externe locatie bij een derde.
Deze maaltijden rekent u tot het loon. U gaat uit van het factuurbedrag inclusief btw. Voor deze
maaltijden geldt geen normbedrag. U kunt dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
20.3.2 Kinderopvang
Als u kinderopvang aan uw werknemers vergoedt of verstrekt, is dit loon van uw werknemer. Maar u kunt dit
loon ook als eindheffingsloon aanwijzen (zie paragraaf 8.1.3).
Als u kinderopvang aan uw werknemers verstrekt, is de berekening van de waarde daarvan afhankelijk van
de plaats van opvang en of u de opvang inkoopt. Er zijn 3 mogelijkheden:
1 U koopt de kinderopvang in bij een kinderopvangorganisatie en de opvang van kinderen is op de werkplek
of op een andere locatie. In dit geval is de waarde van de verstrekking de waarde van de kinderopvang
verminderd met een eventuele werknemersbijdrage. De waarde van de kinderopvang is het bedrag dat de
kinderopvangorganisatie aan u in rekening brengt.
2 U organiseert de kinderopvang zelf op de werkplek (zie paragraaf 20.2.1). In dit geval bepaalt u de
waarde in het economische verkeer van de verstrekking als volgt: het aantal uren genoten kinderopvang
maal de uurprijs volgens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. U trekt hier een
eventuele werknemersbijdrage van af. Voorwaarde voor deze manier van waarderen is dat de ouders
een kinderopvangtoeslag of een tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen
peuterspeelzalen kunnen krijgen als zij daar recht op hebben.
3 U organiseert de kinderopvang zelf buiten de werkplek. In dit geval is de waarde van de verstrekking
de waarde van de kinderopvang in het economische verkeer verminderd met een eventuele
werknemersbijdrage.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 239
Kinderopvang voor werknemers van verschillende vestigingen
Hebt u verschillende vestigingen en organiseert u de kinderopvang zelf bij een vestiging? Dan geldt het
volgende:
– Voor uw werknemers die bij de vestiging werken waar u de kinderopvang organiseert, is er sprake van
‘op de werkplek georganiseerde kinderopvang’. U bepaalt de waarde van de verstrekking zoals hierboven
aangegeven bij 2.
– Voor uw werknemers van de andere vestigingen is de kinderopvang loon van de werknemer. Maar u kunt
dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen. Voor het bepalen van de hoogte van dit loon gebruikt u de
waarde in het economische verkeer.
20.3.3 Huisvesting op de werkplek
Voldoet de huisvesting op de werkplek niet aan de voorwaarden van de nihilwaardering (zie paragraaf 20.2.7)
en gaat het ook niet om een (dienst)woning (zie paragraaf 20.3.4), dan rekent u voor huisvesting op de
werkplek een normbedrag van € 5,55 per dag tot het loon van uw werknemer. In dit normbedrag is de
verstrekking van energie, water en bewassing inbegrepen. U kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen
(zie paragraaf 8.1.3). In dat geval is administratie per werknemer niet meer nodig. U vermenigvuldigt het
aantal werknemers met het aantal dagen dat u de huisvesting verstrekt en met het normbedrag van € 5,55
per dag.
Het normbedrag van € 5,55 per dag geldt per werknemer. Als u de huisvesting ook verstrekt aan 1 of meer
gezinsleden van uw werknemer, wordt het bedrag niet hoger. Het normbedrag is bijvoorbeeld van toepassing
bij de inwoning van agrarisch personeel op de werkplek, bij een matroos die aan boord woont, of bij verblijf
van een werknemer bij een vaste arbeidsplaats.
20.3.4 (Dienst)woning
Het ter beschikking stellen van een (dienst)woning of de vergoeding van de kosten van een woning is loon
van uw werknemer. Hoe u dit loon berekent, hangt ervan af of het om een woning of een dienstwoning gaat.
Woning
Als u een woning aan een werknemer ter beschikking stelt of de kosten van die woning vergoedt, is dit
loon van de werknemer. Voor de waarde van deze terbeschikkingstelling of vergoeding gaat u uit van de
huurwaarde in het economische verkeer. Dat is de huur die betaald zou moeten worden als de woning zou
worden verhuurd.
Dienstwoning
Als u een woning aan een werknemer ter beschikking stelt voor de behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, is er sprake van een dienstwoning. De waarde van het genot van de ter beschikking
gestelde dienstwoning is loon van uw werknemer. Voor de waarde van deze terbeschikkingstelling gaat u
uit van de huurwaarde in het economische verkeer met een maximum van 18% van het jaarloon van uw
werknemer bij een 36-urige werkweek. Bij een vaste arbeidsduur van minder dan 36 uur per week moet u
het loon herrekenen tot 36 uur.
Let op!
– Bij een arbeidsduur van meer dan 36 uur per week mag u niet herrekenen.
– Voor de berekening van het jaarloon houdt u geen rekening met de bijtelling van 18%.
– Van de vakantiebijslag dat u eenmaal per jaar uitbetaalt, moet u aan elke maand 1/12 gedeelte
toerekenen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 240
Voorbeeld
Uw werknemer woont in een dienstwoning en heeft een maandloon van € 3.200. Hij werkt 32 uur
per week. De vakantietoeslag is 8%. Het jaarloon van uw werknemer is: (12 x 36/32 x € 3.200)
+ (12 x 36/32 x 8% van € 3.200) = € 46.656. Dit is per maand € 3.888. De huurwaarde in het
economische verkeer van de dienstwoning is maximaal € 699,84.
Als de huurwaarde van de dienstwoning hoger is dan het bedrag dat uw werknemer normaal gesproken aan
huur zou uitgeven, kan hij ons niet vragen de lagere besparingswaarde vast te stellen.
De huurwaarde in het economische verkeer van de (dienst)woning kunt u niet als eindheffingsloon aanwijzen
(zie paragraaf 8.1.3). Hierop zijn de volgende 2 uitzonderingen van toepassing:
– het gedeelte van de huurwaarde in het economische verkeer in verband met buitengewone
beveiligingsmaatregelen
– huisvesting buiten de woonplaats veroorzaakt door de dienstbetrekking (het zogenoemde pied-à-terre)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 241
21 Vervoer en reiskosten
De meeste werknemers reizen voor hun werk. U kunt hierbij denken aan woon-werkverkeer (bijvoorbeeld
naar kantoor), andere zakelijke reizen (bijvoorbeeld naar klanten) of reizen voor een opleiding die uw
werknemer voor zijn werk volgt. Als werkgever kunt u de kosten voor deze reizen vergoeden. U kunt er ook
op een andere manier voor zorgen dat uw werknemer deze reizen voor zijn werk kan maken, bijvoorbeeld
door hem een auto ter beschikking te stellen of treinkaartjes te verstrekken.
In dit hoofdstuk krijgt u informatie over vergoedingen en verstrekkingen voor reizen die uw werknemer voor
zijn werk maakt. Ook vindt u informatie over het ter beschikking stellen van vervoermiddelen, -bewijzen, –
abonnementen en parkeergelegenheid.
Let op!
Voor deze vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen gelden soms gerichte vrijstellingen
of nihilwaarderingen. In andere gevallen kunt u ervoor kiezen om de vergoeding, verstrekking
of terbeschikkingstelling aan te wijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3). De vergoeding,
verstrekking of terbeschikkingstelling mag dan niet meer dan 30% afwijken van wat in vergelijkbare
omstandigheden gebruikelijk is (zie paragraaf 4.2).
De volgende onderwerpen komen aan bod:
– reizen met een eigen auto, motor, (brom)fiets enzovoort (zie paragraaf 21.1)
– reizen met openbaar vervoer (zie paragraaf 21.2)
– reizen met een personenauto van de zaak (zie paragraaf 21.3)
– reizen met een bestelauto van de zaak (zie paragraaf 21.4)
– reizen met een ander vervoermiddel van de zaak (zie paragraaf 21.5)
– reizen met een taxi, boot of vliegtuig (zie paragraaf 21.6)
– fietsen (zie paragraaf 21.7)
– carpoolregeling (zie paragraaf 21.8)
– vervoer vanwege de werkgever (zie paragraaf 21.9)
– parkeergelegenheid (zie paragraaf 21.10)
– reiskosten voor periodiek gezinsbezoek (zie paragraaf 21.11)
– tijdelijk ander vervoer door wegwerkzaamheden (zie paragraaf 21.12)
21.1 Reizen met een eigen auto, motor, (brom)fiets enzovoort
Deze paragraaf gaat over het vergoeden van reizen die uw werknemer met eigen vervoer voor het werk
maakt. Bijvoorbeeld met een eigen auto, motor of fiets, maar ook te voet. U vindt informatie over de
volgende onderwerpen:
– onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer (zie paragraaf 21.1.1)
– vaste vergoeding (zie paragraaf 21.1.2)
– vergoeding totale autokosten (zie paragraaf 21.1.3)
– vergoeding hoger dan € 0,19 per kilometer en andere vergoedingen (zie paragraaf 21.1.4)
– vergoedingen administreren en bewaren (zie paragraaf 21.1.5)
– vergoedingen voor laadpaal en elektriciteit voor elektrische auto (zie paragraaf 21.1.6)
Meer informatie over het vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van een fiets vindt u in paragraaf
21.7.

21.1.1 Onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer
Uw werknemer gebruikt een eigen vervoermiddel voor reizen voor het werk. U mag uw werknemer voor deze
reizen een onbelaste vergoeding betalen van maximaal € 0,19 per kilometer. Dit is een gerichte vrijstelling.
U moet de vergoeding dan wel aanwijzen als eindheffingsloon, bijvoorbeeld door deze in uw administratie op

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 242
te nemen als eindheffingsloon. Het maakt geen verschil of uw werknemer het vervoermiddel gebruikt voor
woon- werkverkeer of andere zakelijke reizen.
Het is niet van belang met welk privévervoermiddel uw werknemer reist. Als uw werknemer bijvoorbeeld
8 kilometer van zijn werk woont en dagelijks naar het werk reist, mag u per dag maximaal € 3,04 (€ 0,19
x 16) onbelast vergoeden. Kilometers voor woon-werkverkeer zijn zakelijke kilometers. Onder woonwerkverkeer vallen ook de kilometers die uw werknemer in de loop van een werkdag rijdt tussen de plek van
het werk en zijn woning, bijvoorbeeld de kilometers om thuis te lunchen.
De onbelaste vergoeding van € 0,19 per kilometer geldt niet voor:
– uit privéoverwegingen gereden omrijkilometers (bijvoorbeeld om een kind naar de crèche te brengen)
– een vergoeding voor (delen van) reizen waarvoor u voor vervoer zorgt (zie paragraaf 21.9)
Voorbeeld 1
Uw werknemer reist voor zijn werk van maandag tot en met woensdag met uw personeelsbusje
vanaf de opstapplaats naar een vaste plek. Hij reist met zijn eigen auto van zijn woning naar de
opstapplaats (afstand 9 kilometer). Op donderdag en vrijdag reist hij met zijn eigen auto van zijn
woning naar deze vaste plek (afstand 42 kilometer), omdat op die dagen het personeelsbusje niet
beschikbaar is. Op vrijdag moet hij 10 kilometer omrijden om zijn kind naar de crèche te brengen.
U mag uw werknemer dan de volgende onbelaste reiskostenvergoeding betalen:
– maandag tot en met woensdag: 3 dagen x 18 kilometer x € 0,19 = € 10,26
– donderdag en vrijdag: 2 dagen x 84 kilometer x € 0,19 = € 31,92
Omdat de omrijkilometers op vrijdag privé zijn, is een vergoeding hiervoor loon van uw werknemer.
U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
Voorbeeld 2
U hebt aan uw werknemer voor heel 2019 een personenauto ter beschikking gesteld. Hij heeft ook
een eigen auto. Hij rijdt met zijn eigen auto in 2019 400 zakelijke kilometers. Als uw werknemer uit
privéoverwegingen zijn eigen auto gebruikt, is een vergoeding daarvoor belast. Als uw werknemer
om zakelijke redenen zijn eigen auto gebruikt (bijvoorbeeld omdat de auto van de zaak voor een
onderhoudsbeurt in de garage is), mag u hem een onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per
zakelijke kilometer betalen.
21.1.2 Vaste vergoeding
U mag uw werknemer een vaste, onbelaste vergoeding geven (gerichte vrijstelling) als hij voor zijn werk
naar een vaste plek reist. U moet dan wel voldoen aan de voorwaarden (zie paragraaf 4.6.1).
De hoogte van de vaste vergoeding kunt u baseren op het aantal keren in een jaar dat uw werknemer zijn
zakelijke reizen vermoedelijk aflegt en de lengte van die reizen. U moet de vergoeding aanpassen als de
omstandigheden veranderen, bijvoorbeeld als uw werknemer verhuist of op minder dagen gaat werken.
U mag de hoogte van de vaste onbelaste vergoeding ook bepalen met een praktische methode. U kunt dan
kiezen uit 2 methodes.

Methode 1
Een werknemer reist bij deze methode in een jaar vermoedelijk in minstens 36 weken op 5 dagen voor
zijn werk naar een vaste plek. Voor de berekening van de vaste onbelaste vergoeding gaat u uit van 214
werkdagen in een jaar. Hierbij is al rekening gehouden met kortstondige afwezigheid wegens vakantie, ziekte
en verlof. Als u aannemelijk kunt maken dat het aantal dagen ten minste 25% hoger is dan 214 dagen (dus
ten minste 268 reisdagen naar een vaste plek), mag u uitgaan van het hogere aantal dagen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 243
Het aantal werkdagen vermenigvuldigt u met het totale aantal kilometers per dag. Het totale aantal
kilometers voor een jaar vermenigvuldigt u met de onbelaste kilometervergoeding van maximaal € 0,19.
Voor de vaste vergoeding per maand of per week deelt u de uitkomst door 12 of 52.
U mag deze methode ook toepassen voor werknemers die minder dan 5 dagen per week naar een vaste
plek reizen, bijvoorbeeld door deeltijd. U doet dat dan naar evenredigheid. Als een werknemer bijvoorbeeld
vermoedelijk 3 dagen per week naar een vaste werkplek reist, vermenigvuldigt u de uitkomst van de
berekening met 3/5.
U mag de vaste reiskostenvergoeding doorbetalen tijdens maximaal 6 aaneensluitende weken waarin uw
werknemer afwezig is. Als u langdurige afwezigheid van uw werknemer verwacht, mag u de vaste onbelaste
reiskostenvergoeding nog uitbetalen tijdens de lopende en de eerstvolgende kalendermaand. U mag de
reiskostenvergoeding daarna pas weer betalen vanaf de maand na de maand waarin de werknemer weer
gaat werken.

Voorbeeld
Een werknemer heeft griep en hij meldt zich ziek op 20 maart. Hij is net 1 week weer aan het werk,
als hij op 5 april van de trap valt en zijn been breekt. Daardoor kan de werknemer vermoedelijk
ruim 3 maanden zijn werk niet doen. Op 5 augustus is de werknemer hersteld en hervat hij zijn
werkzaamheden.
Op 20 maart is er sprake van korte afwezigheid; u mag de vaste reiskostenvergoeding
onbelast doorbetalen. Op 5 april is langdurige afwezigheid te voorzien. U mag dan de vaste
reiskostenvergoeding over april en mei nog onbelast uitbetalen. Daarna is tot en met augustus, de
maand waarin de werknemer weer gaat werken, de vaste reiskostenvergoeding belast als loon van
de werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon. Pas vanaf 1 september kan de
werknemer weer een onbelaste vaste reiskostenvergoeding krijgen.

Nacalculatie
Bij een enkelereisafstand van meer dan 75 kilometer van de woning of verblijfplaats naar een vaste plek
voor het werk, is nacalculatie verplicht. Hierbij moet u vaststellen of de vaste kostenvergoeding overeenkomt
met het werkelijke aantal woon-werkkilometers in het kalenderjaar maal de kilometervergoeding die u hebt
betaald (maar maximaal € 0,19 per kilometer). Variabele kilometervergoedingen kunt u daarbij eventueel
salderen (zie paragraaf 21.1.4). Een bovenmatig deel van de vergoeding moet u tot het loon rekenen of moet
uw werknemer aan u terugbetalen. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
De nacalculatie doet u aan het einde van het kalenderjaar, of in het loontijdvak na de maand waarin
de dienstbetrekking eindigt, als dat tijdens het kalenderjaar gebeurt. Een vaste kostenvergoeding met
nacalculatie mag ook voor regelmatige reizen naar andere plekken dan de vaste plek waar de werknemer
werkt.
Methode 2
Als uw werknemer niet altijd naar een vaste plek reist voor zijn werk, mag u de vaste reiskostenvergoeding
ook volgens een andere methode vaststellen. Voor methode 2 gelden de volgende uitgangspunten:
– U geeft een onbelaste reiskostenvergoeding van maximaal € 0,19 per zakelijke kilometer.
– U gaat uit van 214 werkdagen per kalenderjaar. Bij dit aantal is onder andere rekening gehouden met
incidenteel thuiswerken, ziekte, vakantie, sabbatsverlof en zorgverlof.
– Uw werknemer reist op minstens 128 dagen per kalenderjaar naar de vaste plek. Hierdoor kan de
werknemer die op 5 dagen of meer per week werkt, tot 2 dagen per week thuiswerken met behoud van
de vaste onbelaste reiskostenvergoeding.
In de volgende situaties moet u het aantal werkdagen (214) en reisdagen (128) naar evenredigheid
toepassen:
– Uw werknemer werkt op minder dan 5 dagen per week.
– De dienstbetrekking begint of eindigt in de loop van het kalenderjaar.
– De reisafstand voor uw werknemer verandert door bijvoorbeeld een overplaatsing of verhuizing.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 244
– U stopt met het geven van een vaste onbelaste reiskostenvergoeding.
Voorbeeld 1
Uw werknemer werkt op 2 dagen per week. De enkelereisafstand van zijn woning naar de vaste
plek voor zijn werk is 25 kilometer. De vaste onbelaste reiskostenvergoeding is dan voor het hele
jaar maximaal 85 dagen (2/5 x 214) x 50 kilometer x € 0,19 = € 813,20. Per maand kunt u uw
werknemer voor deze reizen een vaste onbelaste vergoeding betalen van € 67,77, als hij in het
kalenderjaar op minstens 51 dagen (2/5 x 128) naar de vaste plek reist.
Voorbeeld 2
Uw werknemer werkt op 5 dagen per week. De enkelereisafstand van zijn woning naar de vaste
plek voor zijn werk is 25 kilometer. De vaste onbelaste reiskostenvergoeding is dan voor het hele
kalenderjaar maximaal 214 dagen x 50 kilometer x € 0,19 = € 2.033. Per maand is dat € 169,42.
Uw werknemer wordt op 15 juli langere tijd ziek. Per 1 september stopt u de vaste
reiskostenvergoeding. Op 1 december gaat uw werknemer weer aan het werk en vanaf 1 december
betaalt u de vergoeding weer. Volgens deze regeling moet uw werknemer voor de vaste onbelaste
vergoeding van € 169,42 per maand in de periode januari tot en met augustus op minstens 85
dagen (8/12 x 128 dagen) naar de vaste plek reizen en in december op minstens 10 dagen (1/12
x 128 dagen). Als uw werknemer hieraan niet voldoet, mag u maximaal € 0,19 per werkelijk
afgelegde woon-werkkilometer onbelast vergoeden. Voor eventueel te veel gegeven vaste onbelaste
vergoedingen moet u correcties verzenden (zie hoofdstuk 12). U mag dit loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon.
21.1.3 Vergoeding totale autokosten
Hebt u afgesproken om de totale kosten (inclusief de afschrijving) van de eigen auto van uw werknemer te
vergoeden, dan gelden de regels voor een auto die u aan uw werknemer ter beschikking hebt gesteld. Dat is
ook zo voor een auto die uw werknemer heeft geleased en waarvan u de kosten vergoedt. Het maakt daarbij
niet uit of uw werknemer u een vergoeding betaalt voor het privégebruik van de auto (zie paragraaf 21.3 en
21.4).
21.1.4 Vergoeding hoger dan € 0,19 per kilometer en andere vergoedingen
Als u aan uw werknemer voor reizen met een eigen vervoermiddel meer vergoedt dan € 0,19 per kilometer,
is de vergoeding boven die € 0,19 loon van de werknemer. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Variabele kilometervergoedingen
Bij variabele kilometervergoedingen mag u per werknemer het gemiddelde nemen van de betaalde
kilometervergoedingen om te bepalen of de vergoeding gemiddeld meer is dan € 0,19 per kilometer. Dat mag
alleen als u schriftelijk hebt vastgelegd dat hogere kilometervergoedingen ook bedoeld zijn voor reiskosten
waarvoor u een lagere kilometervergoeding hebt gegeven dan € 0,19. U kunt de regeling bijvoorbeeld
vastleggen in een aanvulling op de (collectieve) arbeidsovereenkomst of uw vergoedingsregeling.
U berekent het gemiddelde van de hogere en de lagere kilometervergoedingen vóór de uiterste
aangiftedatum van de laatste aangifte over het kalenderjaar. Want als er sprake is van loon, moet u dat loon
in die aangifte aangeven. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
Als de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar eindigt, berekent u het gemiddelde vóór de uiterste
aangiftedatum van de aangifte over het tijdvak waarin de dienstbetrekking eindigt. Want als er sprake is van
loon, moet u dat loon in die aangifte aangeven. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 245
Voorbeeld
U betaalt aan uw werknemer in 2019 de volgende kilometervergoedingen voor reizen voor het
werk:
– 3.000 km à € 0,30 per km = € 900
– 1.000 km à € 0,10 per km = € 100
– kilometervergoeding: € 900 + € 100 = € 1.000
Berekening van het loon in december 2019:
– vergoed in 2019: € 1.000
– onbelast te vergoeden in 2019: 4.000 km à € 0,19 per km = € 760
– loon: € 1.000 – € 760 = € 240
Andere vergoedingen
Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn loon. Dat zijn bijvoorbeeld
vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra) afschrijving en slijtage van de auto, voor extra
brandstofverbruik door een aanhangwagen of voor schade aan de auto.
Vervoer per veerpont
U kunt de werkelijke kosten voor vervoer per veerpont vergoeden als dit vervoer openbaar vervoer is (zie
paragraaf 21.2). U geeft dan geen vergoeding van € 0,19 per kilometer voor de afstand met de veerpont.
Is het vervoer per veer geen openbaar vervoer, dan is de vergoeding die u naast de € 0,19 per kilometer
betaalt, loon.
Parkeergelegenheid bij de woning of de werkplek van de werknemer
In welke gevallen de vergoeding voor parkeren loon is, leest u in paragraaf 21.10.
Let op!
Voldoet de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling van navigatieapparatuur aan het
noodzakelijkheidscriterium (zie paragraaf 20.1.7)? Dan is deze gericht vrijgesteld.
21.1.5 Vergoedingen administreren en bewaren
U moet de gegevens van de kostenvergoedingen voor reizen van uw werknemer naar een vaste werkplek
met een eigen vervoermiddel bij de loonadministratie bewaren. U moet ook de gegevens van de
kostenvergoedingen voor incidentele reizen met een eigen vervoermiddel bewaren, maar dat hoeft niet bij uw
loonadministratie. Voor iedere werknemer houdt u per betalingstijdvak het aantal kilometers bij waarvoor u
een vergoeding hebt gegeven. Om de onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer aannemelijk
te kunnen maken, is het verstandig om per reis de gevolgde route en het bezochte adres te noteren.
21.1.6 Vergoedingen voor laadpaal en elektriciteit voor elektrische auto
U laat een laadpaal bij uw werknemer thuis plaatsen of u vergoedt de kosten van het plaatsen van een
laadpaal. Dit mag onbelast, zolang dat past binnen de onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per
kilometer die u de werknemer betaalt. Vergoedingen die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt, zijn loon.
Dit geldt ook voor de elektriciteit voor de auto en eventuele nodige aanpassingen, zoals een extra groep in de
meterkast en een meter om het verbruik te meten.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 246
21.2 Reizen met openbaar vervoer
Onder openbaar vervoer verstaan we personenvervoer volgens een dienstregeling dat voor iedereen
beschikbaar is. Dat kan bijvoorbeeld vervoer zijn per auto, bus, veerpont, trein, tram of metro. Vervoer per
taxi, boot of vliegtuig is geen openbaar vervoer. Daarvoor geldt een aparte regeling (zie paragraaf 21.6).
In deze paragraaf behandelen we de volgende onderwerpen:
– vergoeden van kosten (zie paragraaf 21.2.1)
– verstrekken van vervoerbewijzen (zie paragraaf 21.2.2)
– ter beschikking stellen van vervoerbewijzen (zie paragraaf 21.2.3)
– vervoer van en naar een station of halte (zie paragraaf 21.2.4)
– reisaftrek voor de inkomstenbelasting (zie paragraaf 21.2.5)
– stroomschema openbaar vervoer (zie paragraaf 21.2.6)
21.2.1 Vergoeden van kosten
U kunt kosten van uw werknemer voor het openbaar vervoer onbelast vergoeden (gerichte vrijstelling)
als u deze vergoedingen als eindheffingsloon aanwijst, bijvoorbeeld door ze als eindheffingsloon in uw
administratie op te nemen. Hiervoor hebt u de volgende mogelijkheden:
– Als uw werknemer op eigen kosten met het openbaar vervoer reist, mag u maximaal € 0,19 per kilometer
onbelast vergoeden. U kunt er ook voor kiezen om de werkelijke reiskosten te vergoeden. Ook dat mag
onbelast. Daarbij hoeft u geen rekening te houden met een vertragingsvergoeding die de vervoerder
eventueel geeft aan uw werknemer.
– Als uw werknemer deels met eigen vervoer reist en deels per openbaar vervoer, mag u voor de volledige
reisafstand een onbelaste vergoeding geven van maximaal € 0,19 per kilometer. U mag ook de werkelijke
openbaarvervoerkosten onbelast vergoeden en daarnaast maximaal € 0,19 per kilometer voor de reizen
met eigen vervoer onbelast vergoeden.
– U mag uw werknemer een onbelaste vaste vergoeding voor reizen geven als u kiest voor vergoeding van
maximaal € 0,19 per kilometer (zie paragraaf 21.1.2).
Als u de werkelijke openbaarvervoerkosten onbelast wilt vergoeden, moet u aannemelijk maken dat uw
werknemer kosten heeft gemaakt voor reizen met het openbaar vervoer. U bewaart bij uw administratie
bijvoorbeeld de (kopieën van de) vervoerbewijzen of de overzichten van de reizen en kosten die gemaakt zijn
met de ov-chipkaart.
Vergoeden van een ov-chipkaart
Vergoedt u aan uw werknemer de aanschafkosten van een ov-chipkaart? Dan telt u de vergoeding bij het
loon van uw werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Vergoeden van een ov-abonnement
Vergoedt u aan uw werknemer een ov-abonnement, bijvoorbeeld een jaartrajectkaart of een ov-jaarkaart?
Of deze vergoeding onbelast is, hangt af van de kosten van de zakelijke reizen die de werknemer met het
abonnement maakt. Deze kosten kunt u op 2 manieren bepalen:
– U maakt met uw werknemer een afspraak over nacalculatie.
– U maakt de kosten aannemelijk.
U maakt met uw werknemer een afspraak over nacalculatie
Binnen 1 maand na het einde van de geldigheid van het ov-abonnement bepaalt u met nacalculatie samen
met uw werknemer het zakelijke gebruik van het abonnement. Het zakelijke gebruik van het abonnement
kan worden vastgesteld door alle kosten die de zakelijke reizen zonder abonnement hadden gekost, bij
elkaar op te tellen. Zijn de kosten van het zakelijke gebruik minder dan de vergoeding die u de werknemer
hebt betaald, dan moet de werknemer het verschil aan u terugbetalen. U kunt ook met uw werknemer
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 247
afspreken dat een eventueel resterend bedrag loon is voor de werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon.
Voorbeeld 1
U vergoedt een ov-jaarkaart van € 6.000. De prijs van de zakelijke reizen waarvoor de werknemer
de kaart gebruikt, is € 8.000. De vergoeding van de ov-jaarkaart is dan volledig onbelast.
Voorbeeld 2
U vergoedt een ov-jaarkaart van € 6.000. De prijs van de zakelijke reizen waarvoor de
werknemer de kaart gebruikt, is € 4.000. De vergoeding van de ov-jaarkaart is dan voor € 4.000
onbelast en voor € 2.000 belast loon van de werknemer. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon.
U maakt de kosten van het zakelijke gebruik aannemelijk
De vergoeding is alleen onbelast als u aannemelijk kunt maken dat de kosten van de zakelijke reizen ten
minste even groot zijn als de kosten van het ov-abonnement. Voor het aannemelijk maken van deze kosten
mag u de volgende methoden gebruiken:
– U berekent de kosten van de zakelijke reizen over 1 maand. In dat geval moeten deze kosten minstens
even hoog zijn als 1/12 van de kosten van het abonnement.
– U berekent de kosten van de zakelijke reizen over een periode van 6 maanden of langer. In dat geval
moeten deze kosten in de 1e 6 maanden minstens de helft zijn van de kosten van het abonnement.
Vergoeden voordeelabonnement
Vergoedt u aan uw werknemer een voordeelabonnement? Of deze vergoeding onbelast is, hangt af van de
hoogte van de kosten van de zakelijke reizen die de werknemer met het voordeelabonnement maakt:
– Is de prijs van het voordeelabonnement lager dan de korting op de zakelijke reizen? Dan is de vergoeding
van het voordeelabonnement onbelast.
– Is de prijs van het voordeelabonnement hoger dan de korting op de zakelijke reizen? Dan is het verschil
tussen de prijs van het voordeelabonnement en de korting belast loon van de werknemer. Maar u mag dit
loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
21.2.2 Verstrekken van vervoerbewijzen
Uw werknemer kan voor zakelijke reizen en voor woon-werkverkeer per openbaar vervoer reizen met
vervoerbewijzen die u hem verstrekt. U kunt losse kaartjes verstrekken of ov-abonnementen. Er is dan
sprake van vervoer vanwege de werkgever (zie paragraaf 21.9).
U mag de plaatsbewijzen onbelast aan uw werknemer verstrekken (gerichte vrijstelling) als u de
plaatsbewijzen als eindheffingsloon aanwijst, bijvoorbeeld door ze als eindheffingsloon op te nemen in uw
administratie. Uw werknemer heeft geen reiskosten, zodat u hem geen onbelaste reiskostenvergoeding
mag betalen. U kunt wel een onbelaste vergoeding geven van maximaal € 0,19 per kilometer voor de reizen
waarvoor de vervoerbewijzen niet gelden, bijvoorbeeld de reizen van en naar het station of de bus- of
tramhalte (zie paragraaf 21.2.4).
Verstrekken van een voordeelabonnement
Verstrekt u aan uw werknemer een voordeelabonnement? Of deze verstrekking onbelast is, hangt af van de
hoogte van de kosten van de zakelijke reizen die de werknemer met het voordeelabonnement maakt:
– Is de prijs van het voordeelabonnement lager dan de korting op de zakelijke reizen? Dan is de
verstrekking van het voordeelabonnement onbelast.
– Is de prijs van het voordeelabonnement hoger dan de korting op de zakelijke reizen? Dan is het verschil
tussen de prijs van het voordeelabonnement en de korting belast loon van de werknemer. Maar u mag dit
loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 248
Verstrekken van een ov-abonnement
Verstrekt u aan uw werknemer een ov-abonnement, bijvoorbeeld een jaartrajectkaart of een ov-jaarkaart?
Of deze verstrekking onbelast is, hangt af van de kosten van de zakelijke reizen die de werknemer met het
abonnement maakt. Deze kosten kunt u op 2 manieren bepalen:
– U maakt met uw werknemer een afspraak over nacalculatie.
– U maakt de kosten aannemelijk.
U maakt met uw werknemer een afspraak over nacalculatie
Binnen 1 maand na het einde van de geldigheid van het ov-abonnement bepaalt u met nacalculatie samen
met uw werknemer het zakelijke gebruik van het abonnement. Zijn de kosten van het zakelijke gebruik
minder dan de kostprijs van het abonnement, dan moet de werknemer het verschil aan u terugbetalen. U
kunt ook met uw werknemer afspreken dat een eventueel resterend bedrag loon is voor de werknemer. U
mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
Voorbeeld 1
U verstrekt een ov-jaarkaart van € 6.000. De prijs van de zakelijke reizen waarvoor de werknemer
de kaart gebruikt, is € 8.000. De verstrekking van de ov-jaarkaart is dan volledig onbelast.
Voorbeeld 2
U verstrekt een ov-jaarkaart van € 6.000. De prijs van de zakelijke reizen waarvoor de
werknemer de kaart gebruikt, is € 4.000. De verstrekking van de ov-jaarkaart is dan voor € 4.000
onbelast en voor € 2.000 belast loon van de werknemer. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon.
U maakt de kosten van het zakelijke gebruik aannemelijk
De verstrekking is alleen onbelast als u aannemelijk kunt maken dat de waarde van de zakelijke reizen ten
minste even hoog is als de kosten van het ov-abonnement. Voor het aannemelijk maken van deze waarde
mag u de volgende methoden gebruiken:
– U berekent de waarde van de zakelijke reizen over 1 maand. In dat geval moet de waarde minstens even
hoog zijn als 1/12 van de kosten van het abonnement.
– U berekent de waarde van de zakelijke reizen over een periode van 6 maanden of langer. In dat geval
moet de waarde in de 1e 6 maanden minstens de helft zijn van de kosten van het abonnement.
21.2.3 Ter beschikking stellen van vervoerbewijzen
Uw werknemer kan voor zakelijke reizen en voor woon-werkverkeer per openbaar vervoer reizen met
vervoerbewijzen die u hem ter beschikking stelt.
De volgende vervoerbewijzen kunt u onbelast ter beschikking stellen aan uw werknemer:
– ov-abonnementen (nihilwaardering)
– voordeelabonnementen die recht geven op een korting van maximaal 50% op de standaardtarieven
(nihilwaardering)
– losse plaatsbewijzen voor zakelijke reizen (gerichte vrijstelling)
Reizen voor woon-werkverkeer zijn ook zakelijke reizen.
Ter beschikking stellen van een ov-abonnement
Stelt u aan uw werknemer een ov-abonnement ter beschikking? Dan moet u beoordelen of u daarvoor iets bij
het loon moet tellen. U hoeft niets bij het loon te tellen als uw werknemer het ov-abonnement (ook) gebruikt
voor reizen voor het werk. Daarvan is sprake als uw werknemer het ov-abonnement doorgaans op ten minste
10% van de werkdagen in het loontijdvak gebruikt voor zakelijke reizen. Normale onderbrekingen, zoals een
korte periode van ziekte of verlof, hebben dus geen invloed op het voldoen aan de voorwaarde. Hierbij geldt
het volgende:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 249
– Stelt u een maandabonnement ter beschikking en maakt uw werknemer minimaal 2 zakelijke ritten per
maand? Dan telt u niets bij het loon voor het ter beschikking stellen van het maandabonnement.
– Stelt u een jaarabonnement ter beschikking? Maak dan zelf een inschatting of uw werknemer het
abonnement op jaarbasis voldoende gebruikt voor zakelijke reizen.
Gebruikt uw werknemer het ov-abonnement niet voldoende voor zakelijke reizen, dan is de factuurwaarde
loon van de werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Een ov-abonnement dat u ter beschikking stelt, kan op naam van uw werknemer staan.
Ter beschikking stellen van een voordeelabonnement
Stelt u aan uw werknemer een voordeelabonnement ter beschikking dat recht geeft op een korting van
maximaal 50% op de standaardtarieven? Dan hoeft u niets bij het loon te tellen als uw werknemer deze
kaart (ook) voor reizen voor het werk gebruikt. U mag daarnaast maximaal de prijs van de zakelijke
treinreizen onbelast vergoeden.
Wijziging van omstandigheden: terbeschikkingstelling niet meer onbelast
Het ov-abonnement dat u ter beschikking stelt, is loon als de reisomstandigheden van de werknemer
ingrijpend wijzigen. Bijvoorbeeld:
– Uw werknemer krijgt een auto van de zaak en gebruikt deze auto voor zakelijke reizen.
– U of uw werknemer verhuist, waardoor uw werknemer het abonnement of de kaart niet meer voor
zakelijke reizen gebruikt.
– De dienstbetrekking met uw werknemer eindigt.
U kunt de werknemer dan vragen het ov-abonnement bij u in te leveren. Doet de werknemer dat, dan stelt u
geen ov-abonnement meer ter beschikking en is dat abonnement geen loon.
Als uw werknemer het ov-abonnement van u mag blijven gebruiken, dan is bij een abonnement dat nog
niet is ingegaan, de factuurwaarde ervan loon van uw werknemer. Maar u mag het loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon. Bij een ov-abonnement dat al wel is ingegaan, is de waarde in het economische verkeer
loon van de werknemer. Maar u mag het loon ook aanwijzen als eindheffingsloon.
Heeft de werknemer een voordeelabonnement en mag hij dat na het einde van de dienstbetrekking blijven
gebruiken? Dat telt u hiervoor niets bij het loon.
Ter beschikking stellen van losse plaatsbewijzen voor zakelijke reizen
Uw werknemer kan voor zakelijke reizen en voor woon-werkverkeer per openbaar vervoer reizen met losse
plaatsbewijzen die u aan hem ter beschikking stelt. Er is dan sprake van vervoer vanwege de werkgever
(zie paragraaf 21.9). U mag de plaatsbewijzen onbelast aan uw werknemer ter beschikking stellen (gerichte
vrijstelling) als u de plaatsbewijzen als eindheffingsloon aanwijst, bijvoorbeeld door ze als eindheffingsloon
op te nemen in uw administratie. Uw werknemer heeft geen reiskosten, zodat u hem geen onbelaste
reiskostenvergoeding mag betalen. U kunt wel een onbelaste vergoeding geven van maximaal € 0,19 per
kilometer voor de reizen waarvoor de vervoerbewijzen niet gelden, bijvoorbeeld de reizen van en naar het
station of de bus- of tramhalte (zie paragraaf 21.2.4).
21.2.4 Vervoer van en naar een station of halte
Voor reizen met een eigen vervoermiddel van uw werknemer van zijn woning of een vaste plek voor het werk
naar bijvoorbeeld een station of bus- of tramhalte, mag u maximaal € 0,19 per kilometer onbelast vergoeden
(zie paragraaf 21.1.1). Bij gebruik van een taxi mag u de werkelijke taxikosten onbelast vergoeden (zie
paragraaf 21.6).
21.2.5 Reisaftrek voor de inkomstenbelasting
Als uw werknemer voor zijn werk met het openbaar vervoer reist, kan hij voor de inkomstenbelasting recht
hebben op de reisaftrek. Dat kan onder de volgende voorwaarden:
– U verstrekt uw werknemer geen vervoerbewijzen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 250
– Uw werknemer reist minimaal 1 keer per week of 40 keer per kalenderjaar met het openbaar vervoer
naar zijn werk.
Uw werknemer vermindert het bedrag van de reisaftrek met de reiskostenvergoeding die u betaalt. Verder
moet uw werknemer ons voor de reisaftrek een verklaring kunnen overleggen. In de meeste gevallen is
dat een openbaarvervoerverklaring die het openbaarvervoerbedrijf aan uw werknemer heeft afgegeven.
Als uw werknemer niet met abonnementen reist, omdat hij bijvoorbeeld in deeltijd werkt, kan hij toch voor
de reisaftrek in aanmerking komen. Daarvoor moet hij een reisverklaring van u kunnen overleggen en
aannemelijk maken dat hij de reizen heeft gemaakt. Dat kan hij doen door de overzichten van de reizen
met de ov-chipkaart en van de kosten van die reizen over te leggen. Als uw werknemer geen ov-chipkaart
gebruikt, kan hij de losse vervoerbewijzen overleggen.
In de door u ondertekende reisverklaring moet in ieder geval het volgende staan:
– uw naam en adres
– de naam en het adres van uw werknemer
– het aantal dagen per week waarop uw werknemer meestal per openbaar vervoer naar zijn werk reist
21.2.6 Stroomschema openbaar vervoer
Gebruik dit stroomschema als uw werknemer per openbaar vervoer reist om te bepalen of de vergoedingen,
verstrekkingen of terbeschikkingstellingen daarvan belast of onbelast zijn.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 251
21.3 Reizen met een personenauto van de zaak
U kunt uw werknemer een personenauto van de zaak ter beschikking stellen. Als u dat doet, is er sprake van
vervoer vanwege de werkgever. U mag dan geen onbelaste kilometervergoeding aan uw werknemer betalen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 252
(zie paragraaf 21.9). Een eventuele vergoeding is dan loon van de werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen
als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
U kunt uw werknemer een auto ter beschikking stellen die van u is. Maar u kunt ook een auto ter beschikking
stellen die niet van u is. Dat is in deze situaties het geval:
– U huurt of leaset een auto voor uw werknemer.
– U spreekt af om de totale kosten (inclusief de afschrijving) van de eigen auto van uw werknemer te
vergoeden. Als uw werknemer met zijn eigen auto rijdt en u geeft alleen een vergoeding van € 0,19 per
kilometer voor zakelijke ritten, is er geen sprake van een door u ter beschikking gestelde auto.
– U vergoedt alle kosten van een auto die uw werknemer zelf huurt of leaset.
Als uw werknemer u een bedrag vergoedt voor privégebruik van de auto, is er in alle gevallen nog steeds
sprake van terbeschikkingstelling van de auto.
Als uw werknemer de personenauto die u hem ter beschikking stelt, ook voor privédoeleinden mag of
kan gebruiken, geldt een bijzondere regeling voor het privégebruik: de bijtelling. U stelt een auto voor
privédoeleinden ter beschikking als uw werknemer zelf van u mag bepalen of zelf kan bepalen voor welke
ritten hij de auto gebruikt. Dat is ook het geval als u bijvoorbeeld een beperking in het aantal kilometers
aanbrengt of als u reizen met de auto naar het buitenland verbiedt.
De regeling voor privégebruik geldt in het algemeen ook voor het ter beschikking stellen van een bestelauto,
maar voor deze auto’s zijn er ook specifieke regels. Die regels vindt u in paragraaf 21.4.
In deze paragraaf komen de volgende onderwerpen aan de orde:
– regeling voor privégebruik auto (bijtelling) (zie paragraaf 21.3.1)
– grondslag voor de bijtelling privégebruik auto (zie paragraaf 21.3.2)
– bijtelling privégebruik auto: percentages en uitgangspunten (zie paragraaf 21.3.3)
– auto’s zonder CO2-uitstoot (zie paragraaf 21.3.4)
– bijtelling voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 0, maar niet meer dan 50 gram per kilometer
(zie paragraaf 21.3.5)
– bijtelling voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer (zie paragraaf 21.3.6)
– bijtelling privégebruik auto en eigen bijdrage werknemer (zie paragraaf 21.3.7)
– privégebruik auto en weinig of geen loon in geld (zie paragraaf 21.3.8)
– vergoedingen voor laadpaal en elektriciteit voor elektrische auto (zie paragraaf 21.3.9)
– een deel van het kalenderjaar een auto ter beschikking stellen (zie paragraaf 21.3.10)
– in de loop van het kalenderjaar een andere auto ter beschikking stellen (zie paragraaf 21.3.11)
– meer dan 1 auto tegelijk ter beschikking stellen (zie paragraaf 21.3.12)
– auto’s die ingericht en uiterlijk herkenbaar zijn voor bepaalde diensten (zie paragraaf 21.3.13)
– (collectieve) afspraak over geen privégebruik auto met de Belastingdienst (zie paragraaf 21.3.14)
– geen bijtelling bij maximaal 500 kilometer privégebruik (zie paragraaf 21.3.15)
– ‘Verklaring geen privégebruik auto’ (zie paragraaf 21.3.16)
– wijzigen of intrekken ‘Verklaring geen privégebruik auto’ (zie paragraaf 21.3.17)
– rittenregistratie (zie paragraaf 21.3.18)
– ander bewijs (zie paragraaf 21.3.19)
– auto’s ouder dan 15 jaar (zie paragraaf 21.3.20)
– bijtelling privégebruik auto voor de autobranche (zie paragraaf 21.3.21)
– gevolgen bijtelling voor loongerelateerde regelingen (zie paragraaf 21.3.22)
– verwerking privégebruik auto in de aangifte loonheffingen (zie paragraaf 21.3.23)
– stroomschema ter beschikking gestelde personenauto (zie paragraaf 21.3.24)
Meer informatie
Als u na het lezen van paragraaf 21.3 nog vragen hebt over het privégebruik van de auto van de zaak, kunt u
meer informatie krijgen bij:
– de BelastingTelefoon: 0800 – 0543
– Belastingdienst/team Auto/PGA, Postbus 4660, 8000 KA, Zwolle
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 253
Uw werknemer kan hier ook informatie krijgen.
21.3.1 Regeling voor privégebruik auto (bijtelling)
Als u uw werknemer een auto van de zaak ter beschikking stelt die hij ook privé mag gebruiken, moet
u daarvoor een bedrag bij het loon tellen. Dit is de bijtelling privégebruik auto. De bijtelling is loon in
natura (zie paragraaf 4.5). U moet daarover loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en premies
werknemersverzekeringen betalen, en de werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Het kan voorkomen dat uw werknemer de ter beschikking gestelde auto een tijd lang niet gebruikt, omdat
hij tijdelijk arbeidsongeschikt is of zijn loopbaan onderbreekt. Ook dan blijft de bijtelling privégebruik auto
gelden.
Let op!
De bijtelling is altijd loon van de werknemer. U kunt dit loon dus niet aanwijzen als eindheffingsloon.
Er is 1 uitzondering: het deel van de bijtelling voor de buitengewone beveiligingsmaatregelen (zie
paragraaf 21.3.2) kunt u wel aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Zakelijke kilometers en privékilometers
Zakelijke kilometers zijn kilometers die uw werknemer voor zijn werkt rijdt. Ook kilometers voor woonwerkverkeer zijn zakelijke kilometers. Onder woon-werkverkeer vallen ook de kilometers die uw werknemer
in de loop van een werkdag rijdt tussen de plek van het werk en zijn woning, bijvoorbeeld de kilometers
om thuis te lunchen. Kilometers die uw werknemer uit privéoverwegingen omrijdt naar of van zijn werk,
bijvoorbeeld langs de crèche, zijn privékilometers.
Wachtdienstregeling
Als u aannemelijk kunt maken dat u aan uw werknemer een auto ter beschikking hebt gesteld voor een
wachtdienst (een roulatiesysteem waarbij uw werknemer een bepaalde periode oproepbaar moet zijn), mag u
alle kilometers tijdens deze wachtdienst als zakelijk behandelen. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:
– Uw werknemer heeft geen invloed op de keuze van de auto.
– Uw werknemer heeft een eigen auto die voor privégebruik even goed geschikt is als, of beter geschikt is
dan de auto van de zaak.
– Uw werknemer moet tijdens de wachtdienst binnen redelijke afstand van zijn woonplaats blijven.
– U of uw werknemer houdt bij hoeveel kilometer hij tijdens de wachtdienst rijdt en de plek(ken) waarvoor
hij wordt opgeroepen.
Maximaal 500 kilometer privégebruik: geen bijtelling
Als uw werknemer op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt met de auto van de zaak,
hoeft u onder voorwaarden het privégebruik niet bij zijn loon te tellen (zie paragraaf 21.3.15).
21.3.2 Grondslag voor de bijtelling privégebruik auto
U berekent de bijtelling (de waarde van het privégebruik) over de grondslag voor de bijtelling privégebruik
auto. Tot de grondslag horen ook de kosten voor buitengewone beveiligingsmaatregelen, bijvoorbeeld
kogelvrij glas, doorrijbanden en deur- of vloerbepantsering.
Voor de grondslag is bepalend wanneer het kenteken is toegekend.
Het kenteken is in Nederland toegekend vóór 1 juli 2006
De grondslag voor de bijtelling privégebruik auto is de cataloguswaarde inclusief de btw en de belasting
van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm). De grondslag is inclusief de accessoires die ‘af fabriek’
of door de dealer of de importeur zijn aangebracht vóór de datum van de toekenning van het kenteken,
ongeacht of u de auto dan al aan uw werknemer ter beschikking hebt gesteld.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 254
De grondslag voor de bijtelling privégebruik auto berekent u als volgt:
Nettocatalogusprijs berekend door de fabrikant of de importeur
+ accessoires aangebracht door dealer (vóór datum kenteken)
+ btw
+ bpm-bedrag vermeld op het kenteken
= Grondslag bijtelling privégebruik auto
Let op!
Accessoires die waren vrijgesteld voor de bpm, tellen ook mee voor de grondslag voor de bijtelling
privégebruik auto. Voor auto’s waarvan het kenteken is toegekend voor 1 januari 2003, tellen ook
accessoires mee die op de dag van toekenning van het kenteken werden aangebracht.
Het kenteken is in Nederland toegekend op of na 1 juli 2006
De grondslag voor de bijtelling privégebruik auto is de cataloguswaarde inclusief de btw en de bpm.
Accessoires die door of namens de fabrikant of de importeur zijn aangebracht vóór de datum van toekenning
van het kenteken, tellen ook mee voor de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto. Andere accessoires
tellen niet mee, ook niet als ze vóór de datum van toekenning van het kenteken zijn aangebracht.
De grondslag voor de bijtelling privégebruik auto berekent u als volgt:
Nettocatalogusprijs berekend door de fabrikant of de importeur (inclusief accessoires)
+ btw
+ bpm-bedrag vermeld op het kenteken
= Grondslag bijtelling privégebruik auto
Catalogusprijzen auto’s in online database RDW
U kunt de catalogusprijzen van auto’s vinden in een online database van de Dienst Wegverkeer (RDW). De
RDW legt in deze database de catalogusprijzen vast van auto’s die vanaf 1 januari 2005 voor het eerst zijn
geregistreerd. U vindt de database op rdw.nl.
Voor auto’s die ouder zijn, maar nog geen 15 jaar, kunt u de historische prijslijsten van de officiële
importeurs gebruiken.
Auto’s ouder dan 15
Vanaf het moment dat de ter beschikking gestelde auto ouder is dan 15 jaar, vormt de waarde in het
economische verkeer van de auto de grondslag voor de berekening van de bijtelling privégebruik auto (zie
paragraaf 21.3.20).
Geïmporteerde gebruikte auto’s en datum 1e toelating
Voor een geïmporteerde gebruikte auto geldt de Nederlandse catalogusprijs op de datum waarop de auto
voor het eerst (in het buitenland) op de weg is toegelaten. Deze datum staat in het kentekenregister van de
RDW. Daarmee is de catalogusprijs van een geïmporteerde auto gelijk aan die van een auto die in Nederland
als nieuwe auto voor het eerst in gebruik is genomen.
21.3.3 Bijtelling privégebruik auto: percentages en uitgangspunten
Welk bijtellingspercentage u moet gebruiken, hangt af van de CO2-uitstoot van de auto en van de datum 1e
toelating of 1e tenaamstelling van de auto. Deze begrippen leggen we hieronder uit.
De algemene bijtellingspercentages voor het privégebruik van de auto zijn:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 255
– 22% voor auto’s met een datum 1e toelating op of na 1 januari 2017
– 25% voor auto’s met een datum 1e toelating vóór 1 januari 2017
– 35% voor auto’s ouder dan 15 jaar
Is er een korting van toepassing, dan geldt 1 van de volgende verlaagde percentages: 4%, 7%, 14%, 15%,
20% of 21%. Vanaf 1 januari 2019 gelden de verlaagde percentages van 4% en 7% voor elektrische auto’s
niet meer voor de volledige grondslag. Het gaat dan om elektrische auto’s met een datum 1e toelating:
– in 2013 of eerder
– in 2014, zodra de termijn van 60 maanden voorbij is
– op of na 1 januari 2019
Zie paragraaf 21.3.4.
Het percentage dat van toepassing is, past u toe op de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto (zie
paragraaf 21.3.2). Per loontijdvak telt u vervolgens een tijdsevenredig deel van de bijtelling privégebruik
auto bij het loon van uw werknemer. Mag u in de loop van het kalenderjaar het kortingspercentage
niet langer gebruiken, dan past u tot dat moment het kortingspercentage toe en daarna het algemene
percentage. U maakt dus 2 berekeningen om te bepalen wat u elk loontijdvak bij moet tellen (zie voorbeeld 1
hierna).
Datum 1e toelating
De datum 1e toelating is de datum waarop het voertuig (waar ook ter wereld) voor het eerst op de weg
is toegelaten. Vanaf 1 januari 2017 is de datum 1e toelating, naast de CO2-uitstoot, bepalend voor het
bijtellingspercentage dat u moet gebruiken. U vindt de datum 1e toelating op het kentekenbewijs en op
rdw.nl als u het kenteken van de auto invoert.
Datum 1e tenaamstelling
De datum 1e tenaamstelling bepaalt, naast de CO2-uitstoot, het bijtellingspercentage dat u moet gebruiken
voor auto’s met een datum 1e toelating vóór 1 januari 2017. De datum 1e tenaamstelling is de datum
waarop het kenteken van de auto voor het eerst in het Nederlandse kentekenregister op naam is gesteld.
U vindt de datum 1e tenaamstelling op het kentekenbewijs (‘datum eerste inschrijving in Nederland’) en op
rdw.nl als u het kenteken van de auto invoert (‘datum eerste afgifte Nederland’).
Op het kentekenbewijs en op rdw.nl vindt u ook nog de datum waarop de auto voor het laatst op naam is
gesteld (‘datum tenaamstelling’). Deze datum is voor de bijtelling niet van belang.
CO2-uitstootgrenzen
De CO2-uitstoot van een auto, die de hoogte van de bijtelling bepaalt, vindt u:
– in het kentekenregister van de Dienst Wegverkeer (RDW)
– op het zogenoemde certificaat van overeenstemming
U kunt dit certificaat opvragen bij de fabrikant of de importeur.
– op het milieulabel van de auto
– in het brandstofverbruiksboekje dat de RDW elk jaar uitgeeft
U vindt dit boekje op rdw.nl.
Voorbeeld 1
De grondslag voor de bijtelling voor een auto met een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per
kilometer en een datum 1e tenaamstelling van 1 april 2013 is € 30.000. Het bijtellingspercentage is
tot en met april 2018 14% en vanaf 1 mei 2018 25% (zie paragraaf 21.3.6).
Bij een loontijdvak van een maand is de bijtelling over de 1e 4 maanden € 1.400 (€ 30.000 x 14% x
4/12), dus € 350 per maand. Over de resterende maanden is de bijtelling € 5.000 ( 30.000 x 25% x
8/12), dus € 625 per maand.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 256
Excessief privégebruik
Als de werkelijke waarde van het privégebruik duidelijk meer is dan de bijtelling op basis van het algemene
bijtellingspercentage, is er sprake van excessief privégebruik van de auto. U moet dan uitgaan van de hogere
waarde van het privégebruik. Als er een korting op het algemene bijtellingspercentage van toepassing is, dan
past u die korting toe op de grondslag en de uitkomst daarvan trekt u af van de waarde van het privégebruik.
Twijfelt u of er sprake is van excessief privégebruik, neem dan contact op met uw belastingkantoor.
Voorbeeld 2
De grondslag voor de bijtelling voor een auto zonder CO2-uitstoot en met een datum 1e toelating
van 30 januari 2017 is € 40.000. De werkelijke waarde van het privégebruik is € 13.000. Dit
is meer dan de bijtelling op basis van het algemene bijtellingspercentage (22% x € 40.000 =
€ 8.800). Het verlaagde bijtellingspercentage is 4% (zie paragraaf 21.3.4). De korting op het
algemene bijtellingspercentage is dus 18%. De bijtelling is dan € 13.000 – € 7.200 (18% van
€ 40.000) = € 5.800. Bij een loontijdvak van een maand is de bijtelling per loontijdvak 483,33
(€ 5.800 : 12).
Voorbeeld 3
De grondslag voor de bijtelling voor een auto zonder CO2-uitstoot en met een datum 1e
tenaamstelling van 1 mei 2015 is € 40.000. De werkelijke waarde van het privégebruik is € 13.000.
Dit is meer dan de bijtelling op basis van het algemene bijtellingspercentage (25% x € 40.000 =
€ 10.000). Het verlaagde bijtellingspercentage is 4% (zie paragraaf 21.3.4). De korting op het
algemene bijtellingspercentage is dus 21%. De bijtelling is dan € 13.000 – € 8.400 (21% van
€ 40.000) = € 4.600. Bij een loontijdvak van 4 weken is de bijtelling per loontijdvak € 353,85
(€ 4.600 : 13).
Let op!
Het komt steeds vaker voor dat werkgevers een werknemer niet alleen een auto ter beschikking stellen,
maar bijvoorbeeld ook een mobiliteitskaart. De werknemer kan dan kiezen welk vervoermiddel hij
neemt voor zijn reis. Gebruikt de werknemer het openbaar vervoer voor zijn zakelijke reizen, dan heeft
dat geen invloed op de hoogte van de bijtelling privégebruik auto.
21.3.4 Bijtelling voor auto’s zonder CO2-uitstoot
Voor auto’s zonder CO2-uitstoot hangt het bijtellingspercentage af van de datum 1e toelating:
Datum 1e toelating Bijtellingspercentage in 2019
2019 – elektrische auto’s:
– 4% voor zover de grondslag voor de bijtelling € 50.000 of lager is
– 22% voor het deel van de grondslag boven € 50.000
– waterstofauto’s: 4% voor de hele grondslag voor de bijtelling
2018 of 2017 4% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand die volgt op de
maand waarin de 1e toelating valt.
Vóór 1 januari 2017 Het bijtellingspercentage hangt af van de datum 1e tenaamstelling. Kijk voor de
percentages in de tabel hierna.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 257
Bijtellingspercentages bij datum 1e toelating vóór 1 januari 2017
Datum 1e tenaamstelling Bijtellingspercentage in 2019
Vóór 1 januari 2014 7% voor zover de grondslag voor de bijtelling € 50.000 of lager is en
25% voor het deel van de grondslag boven € 50.000
Januari tot en met november 2014 4% gedurende 60 maanden en daarna 7% en eventueel voor een deel
25%
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand die
volgt op de maand waarin de 1e tenaamstelling valt. Zijn de 60
maanden voorbij, dan is de bijtelling voor de resterende maanden in
2019 7% voor zover de grondslag voor de bijtelling € 50.000 of lager
is en 25% voor het deel van de grondslag boven € 50.000.
December 2014 4%
2015 of 2016 4% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand die
volgt op de maand waarin de 1e tenaamstelling valt.
2017, 2018 of 2019 7% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand die
volgt op de maand waarin de 1e tenaamstelling valt.
Als u de auto aan een andere werknemer ter beschikking stelt of als de auto van eigenaar wisselt, verandert
het bijtellingspercentage niet.
Voorbeeld 1
U stelt uw werknemer een elektrische leaseauto ter beschikking. De datum 1e toelating is 1 februari
2019. De grondslag voor de bijtelling is € 80.000. Het loontijdvak van de werknemer is een maand.
Hij betaalt u elke maand een eigen bijdrage van € 200.
De bijtelling per maand is dan:
((€ 50.000 x 4%) : 12) + ((30.000 x 22%) : 12) – € 200 = € 516,67
Voorbeeld 2
U stelt uw werknemer een elektrische leaseauto ter beschikking. De datum 1e toelating is 1 februari
2014. De datum 1e tenaamstelling is 16 mei 2014. De grondslag voor de bijtelling is € 60.000. Het
loontijdvak van de werknemer is een maand. Hij betaalt u elke maand een eigen bijdrage van € 50.
De bijtelling per maand over januari tot en met mei 2019 is dan:
((€ 60.000 x 4%) : 12) – € 50 = € 150
De bijtelling per maand over juni tot en met december 2019 is:
((€ 50.000 x 7%) : 12) + ((10.000 x 25%) : 12) – € 50 = € 450
21.3.5 Bijtelling voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 0, maar niet meer dan
50 gram per kilometer
Voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 0, maar niet meer dan 50 gram per kilometer, hangt het
bijtellingspercentage af van de datum 1e toelating:
Datum 1e toelating Bijtellingspercentage in 2019
2019, 2018 of 2017 22%
Vóór 1 januari 2017 Het bijtellingspercentage hangt af van de datum 1e tenaamstelling. Kijk voor de
percentages in de tabel hierna.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 258
Bijtellingspercentages bij datum 1e toelating vóór 1 januari 2017
Datum 1e tenaamstelling Bijtellingspercentage in 2019
Vóór 1 januari 2014 25%
Januari tot en met november 2014 7% gedurende 60 maanden en daarna 25%
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand
die volgt op de maand waarin de 1e tenaamstelling valt. Zijn de
60 maanden voorbij, dan is de bijtelling 25% voor de resterende
maanden in 2019.
December 2014 7%
2015 7% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand die
volgt op de maand waarin de 1e tenaamstelling valt.
2016 15% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag van de maand die
volgt op de maand waarin de 1e tenaamstelling valt.
2017, 2018 of 2019 25%
Als u de auto aan een andere werknemer ter beschikking stelt of als de auto van eigenaar wisselt, verandert
het bijtellingspercentage niet.
21.3.6 Bijtelling voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer
Voor auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer hangt het bijtellingspercentage af van
de datum 1e toelating:
Datum 1e toelating Bijtellingspercentage in 2019
2019, 2018 of 2017 22%
Vóór 1 januari 2017 Het bijtellingspercentage hangt af van de datum 1e tenaamstelling en van de CO2-
uitstoot. Kijk voor de percentages in de tabel hierna.
Bijtellingspercentages bij datum 1e toelating vóór 1 januari 2017
Datum 1e tenaamstelling Brandstof CO2-uitstoot
in gram per
kilometer
Bijtellingspercentage in 2019
2011 of 2012 nvt nvt 25%
2013 nvt nvt 25%
Januari tot en met november
2014
>50- ≤85 14% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag
van de maand die volgt op de maand waarin
de 1e tenaamstelling valt. Zijn de 60 maanden
voorbij, dan is de bijtelling 25% voor de resterende
maanden in 2019.
>85 – ≤111 20% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag
van de maand die volgt op de maand waarin
de 1e tenaamstelling valt. Zijn de 60 maanden
voorbij, dan is de bijtelling 25% voor de resterende
maanden in 2019.
Diesel
>111 25%
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 259
Datum 1e tenaamstelling Brandstof CO2-uitstoot
in gram per
kilometer
Bijtellingspercentage in 2019
>50- ≤88 14% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag
van de maand die volgt op de maand waarin
de 1e tenaamstelling valt. Zijn de 60 maanden
voorbij, dan is de bijtelling 25% voor de resterende
maanden in 2019.
>88 – ≤117 20% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag
van de maand die volgt op de maand waarin
de 1e tenaamstelling valt. Zijn de 60 maanden
voorbij, dan is de bijtelling 25% voor de resterende
maanden in 2019.
Geen diesel
>117 25%
>50- ≤85 14%
>85 – ≤111 20%
Diesel
>111 25%
>50- ≤88 14%
>88 – ≤117 20%
December 2014
Geen diesel
>117 25%
2015 >50- ≤82 14% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag
van de maand die volgt op de maand waarin de 1e
tenaamstelling valt.
>82 – ≤110 20% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag
van de maand die volgt op de maand waarin de 1e
tenaamstelling valt.
nvt
>110 25%
2016 >50- ≤106 21% gedurende 60 maanden
De termijn van 60 maanden start op de 1e dag
van de maand die volgt op de maand waarin de 1e
tenaamstelling valt.
nvt
>106 25%
2017, 2018 of 2019 nvt nvt 25%
21.3.7 Bijtelling privégebruik auto en eigen bijdrage werknemer
Een eventuele eigen bijdrage van de werknemer voor het privégebruik die u inhoudt op zijn nettoloon, trekt
u af van de bijtelling. Voorwaarden zijn dat de bijdrage bestemd is voor het privégebruik en u dat vooraf met
uw werknemer hebt afgesproken.
Voorbeelden van afspraken die u met uw werknemer kunt maken voor eigen bijdragen zijn: parkeerkosten
die de werknemer maakt, kosten voor accessoires die geen eigendom van de werknemer zijn of worden, een
vast bedrag per gereden privékilometer en een eigen bijdrage bij schade. Hiervoor geldt als voorwaarde dat
de schade niet het gevolg mag zijn van onrechtmatig of onzorgvuldig handelen van uw werknemer.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 260
Let op!
Uw werknemer mag een eigen bijdrage voor het privégebruik auto niet aftrekken in zijn aangifte
inkomstenbelasting.
Bij een hoger leasebedrag voor een auto uit een duurdere klasse komt alleen het bedrag dat de werknemer
aan u betaalt voor het privégebruik, in mindering op de bijtelling privégebruik auto. Als u met uw werknemer
hebt afgesproken dat zijn hogere eigen bijdrage (bovennormbijdrage) volledig is bedoeld als een bijdrage
voor het privégebruik, mag u de hele bijdrage in mindering brengen. Maar als u en uw werknemer niets of
iets anders hebben afgesproken, mag dit niet. Bijvoorbeeld als de werknemer ook een bijdrage moet betalen
terwijl hij geen bijtelling privégebruik auto heeft.
Verder moet u onderscheid maken tussen betalingen aan u en betalingen aan derden. Betaalt uw werknemer
een bedrag aan derden, bijvoorbeeld voor het wassen van de auto in de wasstraat, dan wordt de bijtelling
privégebruik auto daardoor niet lager. De bijtelling wordt alleen lager als u met uw werknemer hebt
afgesproken dat hij de betaling aan derden voor u of namens u doet en u die betaling verrekent als bijdrage
voor het privégebruik. In dat geval mag u de betaling niet vergoeden.
Let op!
Een boete die uw werknemer u betaalt, omdat hij de auto privé heeft gebruikt tegen uw verbod in, is
geen eigen bijdrage voor het privégebruik.
Het saldo van de bijtelling privégebruik auto en de eigen bijdrage voor privégebruik van uw werknemer
mag op kalenderjaarbasis niet negatief zijn. U moet over het saldo loonbelasting/premie volksverzekeringen
inhouden en premies werknemersverzekeringen betalen, en werkgeversheffing Zvw betalen of bijdrage Zvw
inhouden. In de aangifte loonheffingen vermeldt u de waarde van het privégebruik en de eigen bijdrage van
uw werknemer (zie paragraaf 21.3.23).
Voorbeeld
U stelt aan uw werknemer een auto ter beschikking waarvan de grondslag voor de bijtelling
privégebruik auto € 24.000 is. Het loontijdvak is 1 maand en het bijtellingspercentage is 22%. Uw
werknemer betaalt een eigen bijdrage voor privégebruik van € 100 per maand. U rekent dan voor
ieder loontijdvak tot zijn loon 1/12 x 22% x € 24.000 – € 100 (eigen bijdrage) = € 340.
Het kan voorkomen dat de eigen bijdrage in een loontijdvak meer is dan de bijtelling privégebruik auto.
Dan mag het saldo in dat loontijdvak wel negatief zijn, als het totale saldo op kalenderjaarbasis maar niet
negatief is. Als aan het einde van het kalenderjaar blijkt dat per saldo te veel eigen bijdrage is verrekend,
kan het zijn dat u 1 of meer correcties moet doen op de eerdere aangiften loonheffingen (zie ook hoofdstuk
12).
Voorbeeld
U stelt een auto ter beschikking aan uw werknemer. Het loontijdvak is 1 maand. De bijtelling
privégebruik auto is € 500 per maand. Uw werknemer betaalt u een eigen bijdrage voor
privégebruik auto van € 560 per maand. In de aangiften loonheffingen over januari tot en met
november hebt u rekening gehouden met € 500 privégebruik auto en € 560 eigen bijdrage van uw
werknemer. Bij de aangifte over december constateert u dat er eind november per saldo sprake is
van een negatieve bijtelling van 11 x € 500 – 11 x € 560 = € 660.
Op kalenderjaarbasis mag de totale bijtelling privégebruik auto niet negatief zijn. U moet dit als
volgt herstellen:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 261
– In de aangifte over december houdt u geen rekening met de eigen bijdrage.
– Voor november stuurt u een correctie in. U corrigeert daarbij de eigen bijdrage van € 560 naar
€ 400.
Schematisch overzicht van de maandelijkse verwerking
Loontijdvak Bijtelling
Eigen bijdrage
van de
werknemer
Correctie
versturen
Bijtelling (na
correctie)
Eigen bijdrage van
de werknemer (na
correctie)
Januari € 500 € 560 nee € 500 € 560
Februari € 500 € 560 nee € 500 € 560
Maart € 500 € 560 nee € 500 € 560
April € 500 € 560 nee € 500 € 560
Mei € 500 € 560 nee € 500 € 560
Juni € 500 € 560 nee € 500 € 560
Juli € 500 € 560 nee € 500 € 560
Augustus € 500 € 560 nee € 500 € 560
September € 500 € 560 nee € 500 € 560
Oktober € 500 € 560 nee € 500 € 560
November € 500 € 560 ja € 500 € 400
December € 500 € 0 nee € 500 € 0
totaal € 6.000 € 6.160 € 6.000 € 6.000
21.3.8 Privégebruik auto en weinig of geen loon in geld
Als uw werknemer weinig of geen loon in geld krijgt (bijvoorbeeld door onbetaald verlof), moet u
over de bijtelling privégebruik auto ook alle loonheffingen betalen. U mag de loonbelasting/premie
volksverzekeringen en bijdrage Zvw, als u die inhoudt, verhalen op uw werknemer (maar niet de
premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw). U kunt dit doen via verrekening in het
eerstvolgende loontijdvak. Als u dat niet doet, kunnen zich 2 situaties voordoen:
– U verhaalt dit bedrag pas in een later loontijdvak. U geeft uw werknemer dan een lening voor dit bedrag
tot het moment waarop u de bedragen alsnog verhaalt. Het rentevoordeel over deze lening is loon voor
uw werknemer (zie paragraaf 20.2.5). U kunt dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf
8.1.3).
– U verhaalt dit bedrag niet meer op uw werknemer. Het bedrag is nettoloon van uw werknemer. U moet
dit voordeel omrekenen naar een brutoloon (zie paragraaf 7.4). U kunt dit nettoloon ook aanwijzen als
eindheffingsloon.
Werknemers met vakantiebonnen
Er zijn speciale tabellen voor werknemers met vakantiebonnen (zie ook paragraaf 7.3.7), omdat deze
werknemers in de vakantieperiode geen loon genieten. Als u voor deze werknemers bijtelling bij het loon
moet tellen, moet u dit ook doen in hun vakantieperiode. Hierdoor berekent u op jaarbasis een te laag bedrag
aan loonbelasting/premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw
of bijdrage Zvw. Om dit te voorkomen mag u de bijtelling over de vakantieperiode bij het loon tellen over
het loontijdvak dat aan de vakantieperiode voorafgaat of daarop volgt. U mag de bijtelling ook over deze 2
loontijdvakken verdelen.
21.3.9 Vergoedingen voor laadpaal en elektriciteit voor elektrische auto
U laat een laadpaal bij uw werknemer thuis plaatsen of u vergoedt de kosten van het plaatsen van een
laadpaal. Deze voordelen voor uw werknemer zitten al in de bijtelling privégebruik verwerkt en zijn geen
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 262
loon. Dit geldt ook voor de elektriciteit voor de auto en eventuele nodige aanpassingen, zoals een extra groep
in de meterkast en een meter om het verbruik te meten.
21.3.10 Een deel van het kalenderjaar een auto ter beschikking stellen
Stelt u uw werknemer voor een deel van het kalenderjaar een auto ter beschikking? Bijvoorbeeld omdat
hij niet het hele kalenderjaar bij u werkt? Dan moet u de regeling voor privégebruik auto naar tijdsgelang
toepassen. Om daarbij vast te stellen of uw werknemer op kalenderjaarbasis meer dan 500 privékilometers
rijdt (zie paragraaf 21.3.15), moet u de gereden privékilometers omrekenen tot het aantal privékilometers
dat uw werknemer zou rijden in een heel kalenderjaar.
Voorbeeld 1
U stelt van 1 januari tot en met 31 maart een auto ter beschikking met een grondslag voor
de bijtelling privégebruik auto van € 24.000. Voor deze auto geldt een bijtelling van 22%. Uw
werknemer rijdt in die periode 100 kilometer privé. Omgerekend naar een heel jaar zou uw
werknemer 12/3 x 100 = 400 kilometer privé rijden. U hoeft nu niets bij het loon te tellen, omdat
uw werknemer op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé rijdt.
Voorbeeld 2
Uw werknemer rijdt in dezelfde periode niet 100, maar 200 kilometer privé. Omgerekend naar
een heel jaar zou uw werknemer 12/3 x 200 = 800 kilometer privé rijden. Dat is dus meer dan
500 kilometer. Op kalenderjaarbasis is de bijtelling 22% van € 24.000 = € 5.280. Over de periode
1 januari tot en met 31 maart is de bijtelling privégebruik auto 3/12 x € 5.280 = € 1.320. Bij een
loontijdvak van 1 maand is de bijtelling € 440 per maand.
Als u de auto ter beschikking stelt in de loop van een kalendermaand, gaat u voor de bijtelling in die maand
uit van het aantal kalenderdagen waarop de auto ter beschikking is gesteld.
Voorbeeld 3
U stelt vanaf 15 april een auto ter beschikking aan uw werknemer. U hebt een loontijdvak van een maand en
voor de auto geldt een bijtellingspercentage van 22%. De grondslag voor de bijtelling € 20.000.
De bijtelling voor april is € 195, 56 (22% x € 20.000 = € 4.400; € 4.400 x 1/12 = € 366,67; € 366,67 : 30
dagen = € 12,22; € 12,22 x 16 = €195,56).
21.3.11 In de loop van het kalenderjaar een andere auto ter beschikking stellen
Als u in de loop van het kalenderjaar een andere auto aan uw werknemer ter beschikking stelt, moet u
bijtellen als uw werknemer in dat jaar in totaal meer dan 500 kilometer privé rijdt (zie paragraaf 21.3.15). U
moet de bijtelling voor elke auto naar tijdsgelang berekenen.
Voorbeeld 1
U stelt van 1 januari tot en met 31 maart een auto ter beschikking. Uw werknemer rijdt in die
periode 50 kilometer privé met deze auto. Van 1 april tot en met 31 december stelt u een andere
auto ter beschikking. Met deze auto rijdt uw werknemer 300 kilometer privé. U hoeft nu niets bij
het loon te tellen, omdat uw werknemer op kalenderjaarbasis in totaal 350 kilometer privé rijdt.
Voorbeeld 2
U stelt van 1 januari tot en met 31 oktober een auto ter beschikking met een grondslag voor de
bijtelling privégebruik auto van € 24.000. Van 1 november tot en met 31 december krijgt uw
werknemer een auto met een grondslag voor de bijtelling privégebruik auto van € 30.000. Voor
beide auto’s geldt een bijtelling van 22%. Uw werknemer rijdt in de periode 1 januari tot en met
31 oktober 450 kilometer privé. In de periode 1 november tot en met 31 december rijdt hij 100
kilometer privé. In totaal rijdt hij in dat kalenderjaar 550 kilometer privé.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 263
Op kalenderjaarbasis is de bijtelling privégebruik auto voor de 1e auto 22% van € 24.000 =
€ 5.280. Over de periode 1 januari tot en met 31 oktober is de bijtelling 10/12 x € 5.280 = € 4.400.
Op kalenderjaarbasis is de bijtelling privégebruik auto voor de 2e auto 22% van € 30.000 =
€ 6.600. Over de periode 1 november tot en met 31 december is de bijtelling 2/12 x € 6.600 =
€ 1.100. De totale bijtelling is € 4.400 + € 1.100 = € 5.500.
Het kan zijn dat u in een kalenderjaar een andere auto ter beschikking stelt en dat uw werknemer maar met
1 van die auto’s privé rijdt. Als dat op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer is, moet u toch ook voor de
auto waarmee niet privé is gereden, privégebruik auto berekenen en bijtellen.
Voorbeeld 3
U stelt van 1 januari tot en met 31 juli een auto ter beschikking met een grondslag voor de bijtelling
van € 24.000. Uw werknemer rijdt met deze auto niet privé. U telt daarom voor de loontijdvakken
van januari tot en met juli niets bij het loon van uw werknemer. Van 1 augustus tot en met
31 december stelt u een auto ter beschikking met een grondslag voor de bijtelling privégebruik van
€ 30.000. Met deze auto rijdt uw werknemer van augustus tot en met december 1.000 kilometer
privé. Voor de 1e auto geldt een bijtelling van 22%, voor de 2e auto (een auto zonder CO2-uitstoot)
een bijtelling van 4%.
Omdat uw werknemer op kalenderjaarbasis meer dan 500 kilometer privé rijdt, moet u voor het
hele kalenderjaar privégebruik auto bij het loon tellen. Over de periode januari tot en met juli moet
u dus alsnog bij het loon tellen 7/12 x 22% van € 24.000 = € 3.080. Bij een loontijdvak van 1
maand is de bijtelling € 440 per maand. Voor de aangiftetermijnen die voorbij zijn, moet u een
correctie insturen (zie hoofdstuk 12). Vanaf 1 augustus moet u per maand bij het loon tellen 1/12 x
4% van € 30.000 = € 100.
Als u een andere auto ter beschikking stelt in de loop van een kalendermaand, gaat u voor de bijtelling van
beide auto’s uit van het aantal kalenderdagen waarop ze aan de werknemer ter beschikking stonden.
Voorbeeld 4
U stelt vanaf 17 april een andere auto ter beschikking aan uw werknemer. U hebt een loontijdvak
van een maand en voor beide auto’s geldt een bijtellingspercentage van 22%. De grondslag voor
de bijtelling van auto 1 (ter beschikking gesteld tot en met 16 april) is € 20.000, die van auto 2 (ter
beschikking gesteld vanaf 17 april) € 25.000.
De bijtelling voor april is voor auto 1 € 195,56 (22% x € 20.000 = € 4.400; € 4.400 x 1/12 =
€ 366,67; € 366,67 : 30 dagen = € 12,22; € 12,22 x 16 = €195,56). Voor auto 2 is de bijtelling €
213,89 (22% x € 25.000 = € 5.500; € 5.500 x 1/12 = € 458,33; € 458,33 : 30 dagen = € 15,28; €
15,28 x 14 = €213,89).
21.3.12 Meer dan 1 auto tegelijk ter beschikking stellen
Stelt u een werknemer gelijktijdig 2 of meer auto’s ter beschikking? Dan moet u het privégebruik per
auto beoordelen. De bijtelling privégebruik auto past u toe voor elke auto waarmee de werknemer op
kalenderjaarbasis meer dan 500 privékilometers rijdt. Als uw werknemer met geen enkele auto op
kalenderjaarbasis meer dan 500 privékilometers rijdt, hoeft u niets bij te tellen (zie paragraaf 21.3.15).
Voorbeeld
U stelt een werknemer 2 auto’s gelijktijdig ter beschikking. De werknemer rijdt met auto 1 op
jaarbasis meer dan 500 privékilometers. De werknemer kan aantonen dat hij auto 2 niet privé
gebruikt. In dat geval moet u alleen voor auto 1 bijtellen.
Redelijke toepassing van deze regels betekent dat de bijtelling privégebruik auto bij meerdere ter
beschikking gestelde auto’s beperkt kan blijven tot 1 auto als de werknemer alleenstaand is of als in
zijn gezin 1 persoon een rijbewijs heeft. U houdt alleen rekening met de bijtelling van de auto met de
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 264
hoogste cataloguswaarde. Als in het gezin van de werknemer 2 personen een rijbewijs hebben, berekent
u de bijtelling over 2 auto’s. U houdt alleen rekening met de bijtelling van de 2 auto’s met de hoogste
cataloguswaarde.
Stellen wij vast dat u toch over meer dan 1 of meer dan 2 auto’s moet bijtellen, dan moeten wij aantonen
waarom. Bij het vaststellen houden we rekening met eigen auto’s van de werknemer die voor privégebruik
net zo geschikt zijn als 1 van de ter beschikking gestelde auto’s.
Weet u niet voor hoeveel auto’s u moet bijtellen, neem dan contact op met Belastingdienst/team Auto/PGA,
Postbus 4660, 8000 KA Zwolle.
21.3.13 Auto’s die ingericht en uiterlijk herkenbaar zijn voor bepaalde diensten
Voor auto’s die ingericht zijn voor bepaalde diensten en uiterlijk als zodanig herkenbaar zijn, geldt voor
privégebruik het volgende: voor deze auto’s nemen we aan dat uw werknemers op kalenderjaarbasis
maximaal 500 kilometer privé rijden, tenzij anders blijkt. Het gaat om auto’s die worden gebruikt:
– door de politie
– door de brandweer
– voor het vervoer van zieken en gewonden
– voor het vervoer van stoffelijke overschotten
– voor het vervoer van gevangenen
– voor het vervoer van zieke of gewonde dieren
– voor geldtransport
21.3.14 (Collectieve) afspraak over geen privégebruik auto met de Belastingdienst
U kunt met Belastingdienst/team Auto/PGA (Postbus 4660, 8000 KA Zwolle) voor (een groep van) uw
werknemers afspreken dat het privégebruik van een auto niet is toegestaan. En dat u daar bijvoorbeeld
toezicht op houdt. U legt de afspraak schriftelijk vast. Uw werknemer kan deze afspraak als bewijsmiddel
gebruiken om bijtelling privégebruik auto te voorkomen. Hij hoeft dan geen rittenregistratie (zie paragraaf
21.3.18) bij te houden.
21.3.15 Geen bijtelling bij maximaal 500 kilometer privégebruik
U mag de bijtelling privégebruik auto achterwege laten als uw werknemer op kalenderjaarbasis maximaal
500 kilometer privé rijdt. Daar mag u in de volgende 3 gevallen van uitgaan:
– Uw werknemer heeft een sluitende rittenregistratie waaruit blijkt dat hij niet meer dan 500
privékilometers rijdt (zie paragraaf 21.3.18).
– U kunt met een ander soort bewijs volgens de zogenoemde vrije bewijsleer aantonen dat de werknemer
niet meer dan 500 privékilometers rijdt(zie paragraaf 21.3.19).
– U hebt een kopie van de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ van uw werknemer (zie paragraaf 21.3.16).
21.3.16 Verklaring geen privégebruik auto
Als uw werknemer met een ter beschikking gestelde auto op kalenderjaarbasis maximaal 500 kilometer privé
rijdt, kan hij een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ aanvragen. Uw werknemer kan het aanvraagformulier
online invullen en versturen. Daarvoor heeft hij een DigiD nodig. Werknemers zonder DigiD kunnen een
aanvraagformulier bestellen bij de BelastingTelefoon: 0800 – 0543.
Let op!
Uw werknemer kan geen verklaring aanvragen als hij in een auto rijdt waarvoor u met ons een
(collectieve) afspraak hebt gemaakt voor het privégebruik (zie paragraaf 21.3.14).
Voor een bestelauto mag uw werknemer in sommige situaties geen verklaring aanvragen (zie paragraaf
21.4.6).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 265
Op ons verzoek moet uw werknemer in of na afloop van een kalenderjaar overtuigend kunnen bewijzen
dat hij maximaal 500 kilometer per kalenderjaar privé rijdt of heeft gereden, met een rittenregistratie (zie
paragraaf 21.3.18) of met ander bewijs (zie paragraaf 21.3.19). Zie paragraaf 21.3.21 voor informatie over
de bijtelling privégebruik auto voor de autobranche.
U bewaart een kopie van de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ bij uw administratie. Met de verklaring laat
u de bijtelling achterwege vanaf het eerstvolgende loontijdvak waarover u het loon moet berekenen. U mag
de bijtelling privégebruik auto niet corrigeren voor loontijdvakken waarover uw werknemer al loon heeft
gekregen.
Voorbeeld
U hebt aan uw werknemer een auto ter beschikking gesteld. Op 23 mei hebt u aan hem het loon
over mei betaald. Bij de loonberekening hebt u rekening gehouden met de bijtelling privégebruik
auto. Op 25 mei geeft uw werknemer u een kopie van zijn ‘Verklaring geen privégebruik auto’.
Door deze verklaring moet u de bijtelling privégebruik auto vanaf juni achterwege laten. U mag
de loonberekening voor januari tot en met mei niet corrigeren. Wel kan uw werknemer tegen de
bijtelling van mei bezwaar bij ons maken.
U mag geen rekening houden met een verklaring als u weet dat uw werknemer op kalenderjaarbasis meer
dan 500 kilometer privé rijdt met een ter beschikking gestelde auto.
Voorbeeld
Uw werknemer beschikt van januari tot en met mei over een auto met een grondslag voor de
bijtelling privégebruik auto van € 24.000. Uw werknemer rijdt in deze periode met de auto
1.000 kilometer privé. De bijtelling is op kalenderjaarbasis 22% van € 24.000 = € 5.280. Bij een
loontijdvak van 1 maand telt u € 440 per maand bij het loon.
Op 1 juni krijgt uw werknemer een andere auto met een grondslag voor de bijtelling privégebruik
auto van € 30.000. Uw werknemer geeft u voor deze auto een ‘Verklaring geen privégebruik auto’.
Omdat u weet dat hij van januari tot en met mei al 1.000 kilometer privé heeft gereden, mag u
geen rekening houden met de verklaring (zie paragraaf 21.3.11). Vanaf 1 juni moet u daarom per
maand bij het loon tellen 1/12 x 22% van € 30.000 = € 550.
Door de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ krijgt u geen naheffingsaanslag als achteraf blijkt dat uw
werknemer de verklaring ten onrechte heeft aangevraagd, bijvoorbeeld omdat hij toch meer dan 500
kilometer privé gaat rijden. In zo’n geval krijgt uw werknemer een naheffingsaanslag voor de loonbelasting/
premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen en de bijdrage Zvw over de loontijdvakken
die al voorbij zijn. U betaalt zelf dan geen werkgeversheffing Zvw en premies werknemersverzekeringen. Wij
kunnen de naheffingsaanslag verhogen met heffingsrente of belastingrente en een boete. Naheffen kan tot
en met 5 jaar na afloop van een kalenderjaar.
Let op!
Als u weet dat uw werknemer de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ ten onrechte heeft gekregen, moet
u de verklaring negeren en de bijtelling privégebruik auto toch bij het loon tellen.
Voorbeeld
Uw werknemer rijdt in een auto die hij niet privé gebruikt met een grondslag voor de bijtelling
privégebruik auto van € 24.000. U hebt van hem een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ gekregen.
Eind september vraagt hij om intrekking van de verklaring, omdat hij op kalenderjaarbasis meer
dan 500 kilometer gaat rijden. Het loontijdvak is 1 maand.
Op basis van deze gegevens krijgt uw werknemer van ons een naheffingsaanslag loonbelasting/
premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en bijdrage Zvw over de bijtelling
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 266
privégebruik auto over januari tot en met september. De bijtelling privégebruik auto is 9/12 x 22%
van € 24.000 = € 3.960. We kunnen de aanslag verhogen met een boete. Bovendien berekenen we
belastingrente als we de aanslag in een volgend kalenderjaar opleggen.
Vanaf 1 oktober moet u maandelijks bij het loon tellen 1/12 x 22% van € 24.000 = € 440. Over de
bijtelling privégebruik auto moet u loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en premies
werknemersverzekeringen betalen, en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
21.3.17 Wijzigen of intrekken Verklaring geen privégebruik auto
De ‘Verklaring geen privégebruik auto’ geldt voor onbepaalde tijd. Uw werknemer moet alle wijzigingen aan
ons doorgeven. Het gaat dan om een (nieuw) kenteken of om wijzigingen die leiden tot het intrekken van de
verklaring.
(Nieuw) kenteken opgeven
Uw werknemer geeft een (nieuw) kenteken op met het formulier ‘Verklaring geen privégebruik auto:
(nieuw) kenteken opgeven’. Hij kan dit formulier online invullen en versturen. Daarvoor heeft hij een DigiD
nodig. Werknemers zonder DigiD kunnen een formulier bestellen bij de BelastingTelefoon: 0800 – 0543. Uw
werknemer krijgt binnen 2 weken na ontvangst bericht van Belastingdienst/team Auto/PGA over de wijziging
van de verklaring.
Verklaring intrekken
Wijzigingen die leiden tot het intrekken van de ‘Verklaring geen privégebruik auto’, moet uw werknemer zo
snel mogelijk aan ons doorgeven. Als hij dit niet of niet op tijd doet, kan uw werknemer een boete krijgen
van maximaal € 5.278.
Uw werknemer trekt de verklaring in met het formulier ‘Verklaring geen privégebruik auto: intrekken’. Hij
kan dit formulier online invullen en versturen. Daarvoor heeft hij een DigiD nodig. Werknemers zonder DigiD
kunnen een formulier bestellen bij de BelastingTelefoon: 0800 – 0543. Uw werknemer krijgt binnen 2 weken
na ontvangst bericht van Belastingdienst/team Auto/PGA over de intrekking van de verklaring.
Bij intrekking van de verklaring moet uw werknemer u zo spoedig mogelijk informeren. Als uw werknemer bij
ons aangeeft dat hij in het kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé gaat rijden, krijgt u een brief over de
intrekking met informatie die voor u als werkgever belangrijk is.
De volgende wijzigingen leiden tot intrekken van de verklaring:
– Uw werknemer gaat in het kalenderjaar meer dan 500 kilometer privé rijden.
– Uw werknemer heeft niet langer een auto tot zijn beschikking.
– Uw werknemer gaat in een bestelauto rijden die hij buiten werktijd niet kan gebruiken.
– Uw werknemer gaat in een bestelauto rijden waarvoor een schriftelijk verbod op privégebruik geldt.
– Uw werknemer gaat in een bestelauto rijden die (nagenoeg) uitsluitend geschikt is voor het vervoer van
goederen.
– Uw werknemer gaat in een bestelauto rijden waarvoor eindheffing geldt (zie paragraaf 21.4.5).
– Uw werknemer gaat in een (bestel)auto rijden waarvoor u met ons een (collectieve) afspraak voor het
privégebruik hebt gemaakt.
Let op!
Als u namens uw werknemer een ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ indient, moet uw
werknemer de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ zelf intrekken (zie paragraaf 21.4.7).
De volgende wijzigingen leiden niet tot intrekken van de verklaring:
– Uw werknemer geeft een verandering van het kenteken op.
– Uw werknemer geeft het kenteken op dat nog niet bekend was toen hij de verklaring aanvroeg.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 267
21.3.18 Rittenregistratie
Door een sluitende rittenregistratie kan uw werknemer bewijzen dat hij in het kalenderjaar maximaal 500
kilometer privé heeft gereden. Een rit is de enkelereisafstand tussen 2 adressen. Er is sprake van een rit met
een gemengd karakter als uw werknemer tijdens de rit zowel zakelijke kilometers als privékilometers rijdt.
Gegevens voor een volledig sluitende rittenregistratie
De rittenregistratie is volledig sluitend als uw werknemer de volgende gegevens registreert:
Autogegevens
– merk
– type
– kenteken
– periode waarin de auto aan de werknemer ter beschikking staat
Uw werknemer moet de begindatum en, als u die al weet, de einddatum invullen.
Ritgegevens
– datum
– ritnummer
Uw werknemer moet de ritten per dag nummeren.
– beginstand van de kilometerteller
– eindstand van de kilometerteller
– vertrekadres
– afwijkende route
Uw werknemer hoeft deze route alleen in te vullen als die afwijkt van de gebruikelijke route.
– bezoekadres
Uw werknemer moet het bezoekadres invullen als het gaat om een zakelijke rit of als het gaat om een rit
met zakelijke kilometers en privékilometers. Het bezoekadres is in beide gevallen het zakelijke adres dat
uw werknemer bezoekt.
– privérit?
Uw werknemer moet invullen of de rit privé was. Alleen het doel van een rit bepaalt of deze zakelijk of
privé was. Als uw werknemer tijdens zijn werk bijvoorbeeld een bezoek aan de dokter brengt en daarbij
de auto gebruikt om tijd te besparen, geldt dit als een privérit.
Zijn er meer gebruikers per auto, dan moet uit de rittenregistratie blijken welke gebruiker een rit heeft
gemaakt. Dat kan bijvoorbeeld door een extra kolom in de registratie.
De rapportages met de bijbehorende documenten vormen de controleerbare rittenregistratie die als bewijs
dient dat uw werknemer maximaal 500 kilometer privé rijdt. U kunt de juistheid van een rittenregistratie
controleren met bijvoorbeeld kantooragenda’s, orderbriefjes, garagenota’s en digitale routeplanners. Deze
gegevens moet u ook bij uw loonadministratie bewaren, zodat u ze kunt laten zien tijdens een onderzoek
door ons en wij de gegevens kunnen controleren.
Rittenregistratiesysteem
De rittenregistratie kunt u ook geautomatiseerd laten doen met een zogenoemd rittenregistratiesysteem.
Daarmee laat de bestuurder nauwkeurig het aantal kilometers vastleggen dat hij met de auto heeft gereden.
Het systeem legt automatisch per rit een aantal gegevens vast waarvan u een schriftelijke rapportage kunt
krijgen. Het systeem draagt zo bij aan verminderen van het administratieve werk. De bestuurder moet
zelf wel aangeven of het om een zakelijke rit of privérit gaat. Daarom blijft het bij een geautomatiseerde
registratie nodig om bijvoorbeeld agenda’s en orderbriefjes te bewaren.
Maakt u gebruik van een systeem met een Keurmerk RitRegistratieSystemen, dan gaan wij ervan uit dat uw
rittenregistratie sluitend is. Wij kunnen nog wel controleren of een rit zakelijk of privé is.
Als u een rittenregistratiesysteem gebruikt, moet u aan de volgende voorwaarden voldoen:
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 268
– In het rittenregistratiesysteem moeten dezelfde gegevens staan als in een handmatige volledig sluitende
rittenadministratie.
– Als de afgelegde afstand wordt bepaald met externe systemen zoals gps, wijkt deze afstand af van
de afgelegde kilometers volgens de kilometerteller. In dat geval moet u minimaal elke 2 maanden
het verschil tussen de afgelegde afstand volgens de kilometerteller en de afgelegde afstand volgens
het rittenregistratiesysteem met een aparte correctierit verwerken in de rittenregistratie. Het verschil
verdeelt u evenredig over de zakelijke kilometers en privékilometers die in die periode zijn gereden.
Voorbeeld 1
Uw werknemer reist op een werkdag van zijn woning naar zijn werk. Hij werkt de hele dag op
dezelfde plek en rijdt ’s avonds weer naar huis. In zijn rittenregistratie moet hij die dag 2 ritten
registreren.
Voorbeeld 2
Uw werknemer reist op een werkdag van zijn woning naar zijn werk. Van zijn werk reist hij naar
klant A, van klant A naar klant B, van klant B naar klant C, van klant C weer naar zijn werk en aan
het einde van zijn werkdag naar huis. Uw werknemer moet die dag dus 6 ritten registreren.
Let op!
Als uw werknemer tijdens een zakelijke rit omrijdt, bijvoorbeeld om zijn kind naar de crèche te brengen,
dan heeft die rit een gemengd karakter. De omrijkilometers zijn privékilometers.
Rij-instructeurs
Rij-instructeurs hoeven om praktische redenen per werkdag alleen de begin- en eindkilometerstand te
noteren.
Vereenvoudigde rittenregistratie bestelauto’s
Voor bestelauto’s mag u een vereenvoudigde rittenregistratie gebruiken (zie paragraaf 21.4.8).
21.3.19 Ander bewijs
Een sluitende rittenregistratie, eventueel met een ‘Verklaring geen privégebruik auto’, is een manier om te
bewijzen dat uw werknemer met een auto maximaal 500 kilometer per kalenderjaar privé rijdt. Maar uw
werknemer is niet aan deze manier gebonden. Ook andere vormen van bewijs zijn aanvaardbaar. Dit heet
de vrije bewijsleer. We noemen hier enkele vormen die in de praktijk aanvaardbaar zijn als bewijs en enkele
vormen die dat niet zijn.
Aanvaardbaar bewijs
Er is sprake van aanvaardbaar als bewijs als u en uw werknemer schriftelijk hebben afgesproken dat
privégebruik niet is toegestaan, bijvoorbeeld als een aanvulling op de arbeidsovereenkomst. Kenmerken
hierbij zijn:
– U controleert het autogebruik en u administreert uw bevindingen.
– Uw werknemer is niet verzekerd voor privégebruik.
– Uw werknemer heeft zelf ook een auto.
– Bij overtreding van het verbod legt u een passende sanctie op, bijvoorbeeld een geldboete die in
verhouding staat tot de loonheffingen over het privégebruik.
Voor ondersteunend bewijs kunt u (in overleg met ons) ook andere gegevens vastleggen, bijvoorbeeld
werkroosters, vakantieoverzichten, ziekte- en verlofstaten, garagenota’s, schaderapporten, bekeuringen en
dergelijke.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 269
Bij een onregelmatig reispatroon, bijvoorbeeld het reispatroon van een vertegenwoordiger, moet u vaker
aandacht besteden aan de controle van het autogebruik dan bij een regelmatig reispatroon. In overleg met
ons kunt u de controle steekproefsgewijs doen. Bij een onderzoek door ons moet u aannemelijk kunnen
maken dat u voldoende aandacht hebt besteed aan controle van het autogebruik.
Onaanvaardbaar bewijs
De volgende manieren zijn in ieder geval niet aanvaardbaar als bewijs:
– Er is uitsluitend een schriftelijke afspraak tussen u en uw werknemer dat privégebruik is verboden.
Misschien is daarbij wel een sanctie opgenomen, maar niets over controle van de afspraak. Er is ook niet
gebleken dat er feitelijk wel controle is.
– Er is alleen een gespecificeerde schatting van het zakelijk gebruik van de auto en van het woonwerkverkeer.
21.3.20 Auto’s ouder dan 15 jaar
Vanaf het moment dat een auto ouder is dan 15 jaar, vormt de waarde in het economische verkeer van
de auto de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto. Het bijtellingspercentage voor alle auto’s ouder
dan 15 jaar is 35% in plaats van 22%. Als de auto bijvoorbeeld op 1 mei 15 jaar en 1 dag oud is, neemt
u voor de 1e 4 maanden als grondslag het totaalbedrag van de cataloguswaarde inclusief btw, de bpm
en de accessoires (zie paragraaf 21.3.2). Daarna gaat u uit van de waarde in het economische verkeer.
Voor de vaststelling van deze waarde kunnen veilingprijzen een indicatie geven. U kunt ook kijken naar de
taxatiewaarde van de auto voor de verzekering of naar de actuele kilometer- en leaseprijzen. De waarde in
het economische verkeer kan hoger zijn dan de oorspronkelijke nieuwprijs van de auto.
21.3.21 Bijtelling privégebruik auto voor de autobranche
Als u werkgever bent in de autobranche, kan het zijn dat uw werknemers auto’s wisselend gebruiken.
Hierdoor kan het moeilijk zijn om de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto vast te stellen. Daarom
kunt u de grondslag op een praktische manier vaststellen met de ‘Handreiking privégebruik auto’. U kunt
deze handreiking downloaden van belastingdienst.nl.
Toezicht
Telt u bij op grond van de ‘Handreiking privégebruik auto’? Dan moet u ervoor zorgen dat voor elke
werknemer uit uw administratie blijkt op welke auto de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto per
dag is gebaseerd. En waarom u de grondslag op die auto hebt gebaseerd. Daarom moet u de juistheid
en volledigheid van de registratie regelmatig controleren, zodat u de bijtelling correct in uw aangifte
loonheffingen kunt verwerken. In de handreiking vindt u hiervoor richtlijnen. In de handreiking staan ook
richtlijnen voor het toezicht dat u moet houden als u niet bijtelt.
Autoverhuurbranche: aantal privékilometers bewijzen
Bent u werkgever in de autoverhuurbranche? Dan hebt u waarschijnlijk werknemers die verschillende
personenauto’s uit het verhuurwagenpark tot hun beschikking hebben voor uitsluitend de volgende
werkzaamheden:
– ophalen en wegbrengen
– door de wasstraat halen
– aftanken
– wegbrengen en ophalen voor onderhoud en reparatie
Voor u en deze werknemers (hikers) is het bijhouden van een rittenregistratie vaak een grote last. Om
praktische redenen mag u daarom het bewijs voor het aantal gereden privékilometers leveren met een
verbod op privégebruik en op gebruik voor woon-werkverkeer van de personenauto’s van uw zaak. Daarbij
gelden de volgende voorwaarden:
– U legt het verbod vast in een schriftelijke overeenkomst.
– U ziet toe op de naleving van het verbod.
– Bij overtreding van het verbod legt u een sanctie op.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 270
– Uw werknemer vraagt geen ‘Verklaring geen privégebruik auto’ aan.
U kunt een Voorbeeldovereenkomst verbod op privégebruik en gebruik woon-werkverkeer ter beschikking
gestelde personenauto’s downloaden van belastingdienst.nl.
21.3.22 Gevolgen bijtelling voor loongerelateerde regelingen
De bijtelling privégebruik auto heeft ook invloed op loongerelateerde regelingen zoals de
gebruikelijkloonregeling (zie paragraaf 16.1) en de 30%-regeling (zie paragraaf 17.4). Door de bijtelling
privégebruik auto zijn er ook gevolgen voor bijvoorbeeld de zorg- en huurtoeslag.
Over de bijtelling privégebruik auto mag geen pensioen worden opgebouwd.
21.3.23 Verwerking privégebruik auto in de aangifte loonheffingen
Per loontijdvak telt u bij het loon van uw werknemer een tijdsevenredig deel van de bijtelling privégebruik
auto. Dat bedrag boekt u in kolom 4 van de loonstaat. De eigen bijdrage voor privégebruik auto van uw
werknemer vermeldt u ook in kolom 4 van de loonstaat als negatief bedrag.
Bij de werknemersgegevens in de aangifte loonheffingen vermeldt u het loon waarover u de loonheffingen
hebt berekend. Daarnaast vermeldt u de volgende gegevens:
– de waarde van het privégebruik auto vóór aftrek van de eigen bijdrage voor privégebruik auto van uw
werknemer
– de eigen bijdrage van uw werknemer voor het privégebruik auto
Het kan zijn dat u een auto aan uw werknemer ter beschikking hebt gesteld, maar geen privégebruik auto bij
zijn loon telt. In dit geval moet u in de aangifte loonheffingen 1 van de volgende codes vermelden:
– code 1 (Afspraak via werkgever met de Belastingdienst) als u met ons een collectieve afspraak hebt
gemaakt (zie paragraaf 21.3.14)
U moet deze code ook gebruiken als u privégebruik van een bestelauto hebt verboden.
– code 2 (Werknemer heeft een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ van de Belastingdienst) als uw
werknemer een kopie van de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ bij u heeft ingeleverd (zie paragraaf
21.3.16)
– code 3 (Ander bewijs personen- en bestelauto) als u geen collectieve afspraak met ons hebt gemaakt, of
als uw werknemer geen ‘Verklaring geen privégebruik auto’ bij u heeft ingeleverd
Deze code gebruikt u ook voor een bestelauto die uitsluitend geschikt is voor vervoer van goederen (zie
paragraaf 21.4.3), of die uw werknemer buiten werktijd niet kan gebruiken (zie paragraaf 21.4.2).
– code 5 (Doorlopend afwisselend gebruik bestelauto) als u voor de werknemer eindheffing toepast, omdat
hij en andere werknemers de bestelauto doorlopend afwisselend gebruiken (zie paragraaf 21.4.5 en 24.6)
– code 7 (‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’) als u namens uw werknemer deze verklaring
bij ons hebt ingediend (zie paragraaf 21.4.7)
21.3.24 Stroomschema ter beschikking gestelde personenauto
Gebruik het stroomschema hierna als u een personenauto aan uw werknemer ter beschikking stelt.
Let op!
De bijtellingspercentages in het stroomschema gelden alleen voor personenauto’s met een datum 1e
toelating in 2019, 2018 en 2017. Voor de bijtellingspercentages van andere auto’s zie paragraaf 21.3.4,
21.3.5 en 21.3.6.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 271
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 272
21.4 Reizen met een bestelauto van de zaak
U kunt uw werknemer een bestelauto van de zaak ter beschikking stellen. Onder het begrip ‘bestelauto’
verstaan we een auto met een laadruimte die niet is ingericht voor het vervoer van personen en die is
voorzien van een laadvloer. De auto moet voldoen aan de inrichtingseisen voor de laadruimte van een
bestelauto en moet met rijbewijs B bestuurd mogen worden. Op belastingdienst.nl bij ‘Eisen aan ombouw en
inrichting’ vindt u of uw bestelauto voldoet aan de inrichtingseisen.
Als uw werknemer de bestelauto die u hem ter beschikking stelt, ook voor privédoeleinden mag gebruiken,
geldt een bijzondere regeling voor het privégebruik: de bijtelling. Hierbij geldt hetzelfde als voor het ter
beschikking stellen van een personenauto (zie paragraaf 21.3), maar voor bestelauto’s zijn er daarnaast
aanvullende regels. Die regels vindt u in dit gedeelte. De volgende onderwerpen komen aan de orde:
– verbod privégebruik bestelauto (zie paragraaf 21.4.1)
– gebruik bestelauto buiten werktijd niet mogelijk (zie paragraaf 21.4.2)
– bestelauto (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen (zie paragraaf 21.4.3)
– berekening van de bijtelling (zie paragraaf 21.4.4)
– doorlopend afwisselend gebruik bestelauto (zie paragraaf 21.4.5)
– ‘Verklaring geen privégebruik auto’ (zie paragraaf 21.4.6)
– ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ (zie paragraaf 21.4.7)
– vereenvoudigde rittenregistratie (zie paragraaf 21.4.8)
– stroomschema ter beschikking gestelde bestelauto (zie paragraaf 21.4.9)
De ‘Handreiking privégebruik auto’ kunt u als werkgever in de autobranche ook toepassen voor bestelauto’s
(zie paragraaf 21.3.21).
Let op!
Het voordeel van het privégebruik van de auto van de zaak is altijd loon van de werknemer. U kunt dit
loon dus niet aanwijzen als eindheffingsloon. Er is 1 uitzondering: de bijtelling voor de buitengewone
beveiligingsmaatregelen (zie paragraaf 21.3.2) kunt u wel aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf
8.1.3).
21.4.1 Verbod privégebruik bestelauto
Als u een bestelauto ter beschikking stelt waarvoor u privégebruik verbiedt, is de regeling privégebruik
auto niet van toepassing. U hoeft dus niets bij het loon te tellen voor het privégebruik auto. U moet dan wel
voldoen aan de volgende voorwaarden:
– U legt uw verbod vast in een schriftelijke afspraak en bewaart deze bij uw loonadministratie.
– U ziet toe op de naleving van uw verbod. Bij controle door ons moet u uw toezicht aannemelijk kunnen
maken. Daarom moet u uw waarnemingen vastleggen en bewaren bij uw loonadministratie. U kunt met
Belastingdienst/team Auto/PGA (Postbus 4660, 8000 KA Zwolle) afspraken maken over de mate van
toezicht en de bewaartermijn(en) van uw waarnemingen. U kunt toezicht op de naleving van het verbod
houden door bijvoorbeeld:
– de kilometerstanden te vergelijken met de meldingen van het aantal gereden kilometers die u met de
leasemaatschappij(en) bent overeengekomen
– de kilometerstanden te vergelijken met de hoeveelheid gebruikte brandstof
– gegevens te controleren over verkeersboetes, schademeldingen of tanken buiten werktijd
– Bij overtreding van het verbod legt u een sanctie op, bijvoorbeeld:
– een geldboete die in verhouding staat tot de loonheffingen over het privégebruik
– ontslag
In overleg met VNO-NCW en EVO hebben wij een voorbeeldafspraak gemaakt waarmee u uw verbod op
privégebruik schriftelijk kunt vastleggen. U kunt de voorbeeldafspraak downloaden van belastingdienst.nl.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 273
Als u de voorbeeldafspraak niet gebruikt of als u deze wijzigt, kan het zijn dat de schriftelijke vastlegging van
uw verbod niet (meer) voldoet. Om dit te voorkomen kunt u uw afspraak voor goedkeuring voorleggen aan
Belastingdienst/team Auto/PGA, Postbus 4660, 8000 KA Zwolle.
Een verbod op privégebruik van een bestelauto geeft u in de aangifte loonheffingen aan met code 1 (Afspraak
via werkgever met Belastingdienst).
21.4.2 Gebruik bestelauto buiten werktijd niet mogelijk
Kan uw werknemer een ter beschikking gestelde bestelauto niet buiten werktijd gebruiken, dan geldt de
regeling voor privégebruik auto niet. U hoeft dus niets bij het loon te tellen voor het privégebruik. Dat is
bijvoorbeeld zo bij een bestelauto die uw werknemer buiten werktijd op uw bedrijfsterrein zet, waarbij
controleerbaar is dat privégebruik niet mogelijk is.
21.4.3 Bestelauto (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen
Is een ter beschikking gestelde bestelauto (nagenoeg) uitsluitend geschikt voor vervoer van goederen, dan
geldt de regeling voor privégebruik niet. Gebruikt de werknemer de bestelauto voor privé, dan is de waarde
in het economische verkeer van de gereden privékilometers loon van de werknemer. Dat is bijvoorbeeld zo
bij een bestelauto met alleen een bestuurdersstoel als de bevestigingspunten van de passagiersstoel zijn
weggeslepen of dichtgelast.
Als uw werknemer deze auto toch privé gebruikt, moet u de waarde in het economische verkeer van
het privégebruik aanmerken als loon. Die waarde is het aantal privékilometers vermenigvuldigd met de
kilometerprijs van de bestelauto. De kilometerprijs bestaat uit de kosten per kilometer van de auto aan
brandstof, onderhoud, reparatie, afschrijving, motorrijtuigenbelasting en verzekering. Dit loon vermindert
u met de eigen bijdrage van uw werknemer voor het privégebruik van de bestelauto. De uitkomst mag niet
negatief zijn.
Uw werknemer hoeft voor deze bestelauto geen rittenregistratie bij te houden.
21.4.4 Berekening van de bijtelling
De grondslag voor de berekening van de bijtelling voor een bestelauto is hetzelfde als voor een personenauto
(zie paragraaf 21.3.2). Alleen als het kenteken van de bestelauto is toegekend vóór 1 juli 2005, is de
grondslag anders. U gaat dan uit van de grondslag voor de bijtelling privégebruik auto, inclusief de btw en
zonder de bpm. Deze grondslag is in de regel inclusief de accessoires die ‘af fabriek’ of door de dealer of de
importeur zijn aangebracht vóór de datum van de toekenning van het kenteken, ongeacht of u de auto dan al
aan uw werknemer ter beschikking hebt gesteld.
Accessoires die waren vrijgesteld voor de bpm, tellen ook mee voor de vaststelling van de grondslag voor de
bijtelling privégebruik auto.
21.4.5 Doorlopend afwisselend gebruik bestelauto
Het kan zijn dat 2 of meer werknemers door de aard van het werk een bestelauto doorlopend afwisselend
gebruiken. In principe moet u ook dan gebruikmaken van de normale regeling voor privégebruik auto (zie
paragraaf 21.3.1). Maar in deze situatie kan het bezwaarlijk zijn de regeling individueel toe te passen. In dat
geval moet u eindheffing toepassen voor het privégebruik.
Voorbeeld 1
Een bedrijf heeft 3 bestelauto’s en 7 monteurs. Bij een melding gebruiken ze willekeurig 1 van de
beschikbare bestelauto’s. In deze situatie is sprake van doorlopend afwisselend gebruik en moet u
eindheffing toepassen.
Voorbeeld 2
2 van uw werknemers hebben ieder een bestelauto. Ze besluiten deze auto’s dagelijks te ruilen.
Er is nu geen sprake van doorlopend afwisselend gebruik. Eindheffing is voor deze bestelauto’s
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 274
niet mogelijk. Er is ook geen sprake van doorlopend afwisselend gebruik als werknemer A een
bestelauto de ene week gebruikt en werknemer B de volgende week.
De eindheffing is op jaarbasis een vast bedrag van € 300 per bestelauto. Bij een loontijdvak van 1 maand
geeft u dan in elke aangifte loonheffingen € 25 per bestelauto aan (zie paragraaf 24.6). De toepassing
van de eindheffing geeft u in de aangiften loonheffingen aan met code 5 (Doorlopend afwisselend gebruik
bestelauto). Bij deze eindheffing hoeft uw werknemer geen rittenregistratie bij te houden.
21.4.6 Verklaring geen privégebruik auto
Net als voor een personenauto mag de werknemer voor een bestelauto een ‘Verklaring geen privégebruik
auto’ aanvragen (zie paragraaf 21.3.16). Maar voor een bestelauto mag dat in de volgende situaties niet:
– Uw werknemer rijdt in een bestelauto waarvoor u een (collectieve) afspraak met ons hebt gemaakt over
het privégebruik (zie paragraaf 21.3.14).
– Uw werknemer rijdt in een bestelauto waarvoor de regeling privégebruik auto niet geldt (zie paragraaf
21.4.1, paragraaf 21.4.2 en 21.4.3).
– Uw werknemer rijdt in een bestelauto waarvoor u eindheffing toepast, omdat 2 of meer werknemers deze
auto door de aard van het werk doorlopend afwisselend gebruiken (zie paragraaf 21.4.5).
– Uw werknemer heeft voor deze bestelauto een ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ (zie
paragraaf 21.4.7).
Zie paragraaf 21.3.16 voor informatie over de ‘Verklaring geen privégebruik auto’.
21.4.7 Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto
Heeft uw werknemer een bestelauto van de zaak die hij uitsluitend zakelijk (dus: 0 kilometer privé) gebruikt?
Dan kunt u namens uw werknemer de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ bij ons indienen.
Vanaf de ingangsdatum van de verklaring:
– hoeft u geen bijtelling voor het privégebruik auto bij het loon van uw werknemer te tellen
– hoeft uw werknemer geen rittenregistratie bij te houden
Heeft een werknemer voor een bestelauto een ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’? Dan kunt u
voor die werknemer voor die bestelauto geen ‘Verklaring geen privégebruik auto’ gebruiken.
Verklaring indienen
U dient de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ in namens uw werknemer. Dat doet u
digitaal via ‘Inloggen voor ondernemers’ op onze internetsite. Na het verzenden maakt u een afdruk
van de verklaring. Deze laat u door uw werknemer ondertekenen en bewaart u bij de loonadministratie.
De verklaring is voor onbepaalde tijd geldig. U en uw werknemer krijgen allebei van ons een
ontvangstbevestiging van de verklaring.
Vanaf de ingangsdatum van de verklaring mag uw werknemer de bestelauto niet privé gebruiken. Als wij de
bestelauto bij een controle op een ongebruikelijk tijdstip of op een bijzondere locatie aantreffen, kunnen wij u
en uw werknemer vragen het zakelijke karakter van de rit aan te tonen. Bewaar bewijsstukken daarom goed.
Wat u moet weten over de verklaring
Heeft uw werknemer een ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’, dan is het volgende van belang:
– De ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ geldt niet met terugwerkende kracht. Heeft uw
werknemer de bestelauto al op 1 januari 2019 tot zijn beschikking en dient u de verklaring pas later voor
hem in? Dan moet uw werknemer kunnen bewijzen dat hij tot de ingangsdatum van de verklaring op
jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de bestelauto (zie paragraaf 21.3.15).
– Als uw werknemer een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ voor de bestelauto heeft, moet hij deze
intrekken en u dat laten weten. Hij moet deze verklaring intrekken op de dag waarop u voor hem de
‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ indient.
– Voor iedere combinatie van een werknemer met een bestelauto is een aparte ‘Verklaring uitsluitend
zakelijk gebruik bestelauto’ nodig. 2 werknemers die dezelfde bestelauto uitsluitend zakelijk gebruiken,
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 275
moeten dus ieder een verklaring hebben. En een werknemer die verschillende bestelauto’s uitsluitend
zakelijk gebruikt, moet voor iedere bestelauto een verklaring hebben.
– In de aangifte loonheffingen gebruikt u code 7 om aan te geven dat u voor een werknemer niets hebt
bijgeteld omdat hij een ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ heeft.
– Verandert er iets in de situatie? Bijvoorbeeld omdat uw werknemer een andere bestelauto krijgt? Of
omdat uw werknemer de bestelauto toch privé gaat gebruiken? Dan hebben zowel u als uw werknemer
een meldingsplicht om deze veranderingen op tijd aan ons door te geven. Dat kan betekenen dat uw
werknemer u moet vragen om de verklaring in te trekken.
‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ niet mogelijk
In een aantal gevallen kunt u voor uw werknemer geen ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’
indienen:
– Uw werknemer heeft in het kalenderjaar al meer dan 500 kilometer privé gereden.
– Uw werknemer rijdt in een bestelauto waarvoor u een (collectieve) afspraak met ons hebt gemaakt over
het privégebruik auto (zie paragraaf 21.3.14).
– Uw werknemer rijdt in een bestelauto waarvoor de regeling privégebruik auto niet geldt (zie paragraaf
21.4.1, paragraaf 21.4.2 en 21.4.3).
– Uw werknemer rijdt in een bestelauto waarvoor u eindheffing toepast, omdat 2 of meer werknemers deze
auto door de aard van het werk doorlopend afwisselend gebruiken (zie paragraaf 21.4.5).
Verklaring op verzoek van uw werknemer intrekken
In de volgende situaties moet uw werknemer u vragen de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’
in te trekken:
– Uw werknemer heeft de bestelauto niet meer.
– Uw werknemer gaat privé met de bestelauto rijden.
– Uw werknemer heeft u onterecht gevraagd de verklaring in te dienen.
– Uw werknemer mag de bestelauto door een andere regeling niet privé gebruiken.
U trekt de verklaring namens uw werknemer in. Dat doet u digitaal via ‘Inloggen voor ondernemers’ op onze
internetsite met het formulier ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’. Na het verzenden maakt u
een afdruk van de intrekking van de verklaring. Deze laat u door uw werknemer ondertekenen en bewaart u
bij de loonadministratie. Zowel u als uw werknemer krijgen daarna van ons een ontvangstbevestiging waarin
staat dat de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ is ingetrokken.
Voor het niet of niet op tijd intrekken van de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ kunnen uw
werknemer en u een boete krijgen van maximaal € 5.278.
Als u de verklaring intrekt voordat uw werknemer de bestelauto privé gebruikt, gaan wij ervan uit dat
hij in de periode waarin hij de verklaring had, geen privékilometers met de bestelauto heeft gereden. De
werknemer kan dan een ‘Verklaring geen privégebruik auto’ bij ons aanvragen als hij op kalenderjaarbasis
niet meer dan 500 privékilometers gaat rijden en vanaf die datum alsnog een rittenregistratie bijhoudt.
Verklaring op eigen initiatief intrekken
Het kan voorkomen dat u weet of vermoedt dat uw werknemer de bestelauto toch privé gebruikt, maar hij
de verklaring niet door u wil laten intrekken. In dat geval moet u dat aan ons melden. U stuurt dan een brief
naar:
Belastingdienst/team Auto/PGA
Antwoordnummer 2555
8000 WZ Zwolle
In de brief legt u uit waarom u vermoedt of weet dat uw werknemer privé rijdt. Daarnaast vermeldt u:
– uw gegevens
– uw loonheffingennummer
– de naam en het adres van uw werknemer
– het burgerservicenummer van uw werknemer
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 276
– het kenteken van de bestelauto
Uw werknemer kan dan van ons een beschikking krijgen, waarin staat dat wij de verklaring intrekken en per
wanneer. Uw werknemer kan hiertegen bezwaar maken. Daarnaast kan uw werknemer een naheffingsaanslag
loonbelasting/premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en eventueel bijdrage Zvw
krijgen voor de periode waarin hij de beschikking had over de bestelauto. In dat geval krijgt u van ons
bericht vanaf wanneer u de bijtelling bij het loon van de werknemer moet tellen.
Als u weet dat uw werknemer privé rijdt met de bestelauto, moet u vanaf dat moment de bijtelling bij het
loon tellen. Als u vermoedt dat er sprake is van privégebruik, wacht u na uw melding onze beslissing af.
Naheffingsaanslag en boete
Kunt u of uw werknemer het zakelijke gebruik niet aantonen? Dan gaan wij ervan uit dat uw werknemer
meer dan 500 kilometer per jaar privé met de bestelauto heeft gereden. Uw werknemer krijgt een
naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en bijdrage
Zvw voor de periode waarover u ten onrechte niets hebt bijgeteld voor het privégebruik van de bestelauto.
Uw werknemer kan ook een boete krijgen.
Hebt u niet voldaan aan uw meldingsplicht? Of hebt u toestemming gegeven voor het privégebruik van de
bestelauto? Dan moet u uw aangifte over 2019 corrigeren. Voor aangiftetijdvakken van 2018 en eerder dient
u losse correcties in en krijgt u een naheffingsaanslag (zie hoofdstuk 12). U kunt ook een boete krijgen.
De loonbelasting/premie volksverzekeringen en de bijdrage Zvw verhaalt u op uw werknemer. Doet u
dat niet, dan moet u dit voordeel als loon van de werknemer belasten. U mag dit loon ook aanwijzen als
eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Voorbeeld: gedeeltelijk privégebruik auto
Een werknemer start bij u op 1 maart. Omdat de nieuwe bestelauto nog niet beschikbaar is, krijgt
hij de 1e maand een personenauto tot zijn beschikking. Uw werknemer dient een ‘Verklaring geen
privégebruik auto’ in en houdt een rittenregistratie bij. In maart rijdt hij 60 kilometer privé.
Per 1 april krijgt de werknemer de nieuwe bestelauto tot zijn beschikking. Hij geeft aan ons door
dat de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ per 1 april moet worden ingetrokken. Op 1 april dient
u namens hem de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ in met als ingangsdatum 5
april. Uw werknemer houdt nog 4 dagen een rittenregistratie bij, rijdt geen privékilometers met de
bestelauto en stopt daarna met het bijhouden van de rittenregistratie. Hij bewaart zijn agenda met
afspraken. U bewaart alle werkbonnen, zodat u altijd kunt aantonen welke ritten uw werknemer
heeft gemaakt.
Per 1 november krijgt uw werknemer een andere functie. Bij de functie hoort een personenauto, die
uw werknemer ook graag privé wil gebruiken. Hij moet u vragen de ‘Verklaring uitsluitend zakelijk
gebruik bestelauto’ per 1 november in te trekken, omdat hij de bestelauto dan niet meer tot zijn
beschikking heeft. Als uw werknemer privé gaat rijden zonder rittenregistratie of ander bewijs dat
hij niet meer dan 500 privékilometers rijdt, moet u per 1 november bijtellen voor de personenauto.
En uw werknemer krijgt een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen, premies
werknemersverzekeringen en bijdrage Zvw voor de periode van maart tot november.
Om dit te voorkomen vraagt uw werknemer meteen weer een ‘Verklaring geen privégebruik
auto’ aan en houdt hij vanaf 1 november weer een rittenregistratie bij. Hij berekent hoeveel
privékilometers hij tot 1 januari kan rijden. In totaal mag hij dit jaar 416 (10/12 van 500) kilometer
privé rijden, omdat hij pas vanaf 1 maart een auto van u tot zijn beschikking had. In maart reed
hij al 60 kilometer privé. In de periode van 1 november tot 1 januari kan hij dus nog maximaal
356 kilometer privé rijden, zonder belasting te hoeven betalen voor het privégebruik van de ter
beschikking gestelde auto’s.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 277
Per 1 januari van het nieuwe jaar laat uw werknemer de ‘Verklaring geen privégebruik auto’ door
ons intrekken, omdat hij meer dan 500 kilometer privé gaat rijden met de personenauto. U rekent
de bijtelling privégebruik auto tot het loon van de werknemer.
21.4.8 Vereenvoudigde rittenregistratie
U mag de bijtelling privégebruik bestelauto achterwege laten als blijkt dat uw werknemer op
kalenderjaarbasis maximaal 500 kilometer privé rijdt. U mag de bijtelling ook achterwege laten als u van
uw werknemer een kopie van zijn ‘Verklaring geen privégebruik auto’ hebt gekregen. In beide situaties kan
de werknemer het bewijs met een rittenregistratie leveren. Hierin moet hij elke zakelijke rit en elke privérit
registreren.
Als uw werknemer door de aard van de werkzaamheden (vaak) veel ritten op een dag heeft, kan het
bijhouden van een rittenregistratie een grote administratieve en financiële last zijn voor u en uw werknemer,
omdat de zakelijke ritten tijdens werktijd worden bijgehouden. In dit geval kan om praktische redenen het
bewijs met een vereenvoudigde rittenregistratie geleverd worden. Hierbij geldt de voorwaarde dat u met uw
werknemer schriftelijk hebt afgesproken dat:
– de werknemer een vereenvoudigde rittenregistratie heeft
– privégebruik tijdens werk- en lunchtijd niet is toegestaan
– u in uw administratie informatie hebt over zakelijke bestemmingen
In overleg met de organisaties VNO-NCW, EVO, Uneto-Vni, Fosag en Bouwend Nederland hebben wij een
voorbeeldafspraak gemaakt waarmee u de afspraak schriftelijk kunt vastleggen. In de toelichting bij de
voorbeeldafspraak staat hoe de vereenvoudigde rittenregistratie eruitziet. U kunt deze voorbeeldafspraak
downloaden van belastingdienst.nl.
Als u de voorbeeldafspraak niet gebruikt of als u deze wijzigt, kan het zijn dat de schriftelijke vastlegging van
de afspraak niet (meer) voldoet. Om dit te voorkomen kunt u uw afspraak voor goedkeuring voorleggen aan
Belastingdienst/team Auto/PGA, Postbus 4660, 8000 KA Zwolle.
21.4.9 Stroomschema ter beschikking gestelde bestelauto
Gebruik het stroomschema hierna als u een bestelauto aan uw werknemer ter beschikking stelt.
Let op!
De bijtellingspercentages in het stroomschema gelden alleen voor bestelauto’s met een datum 1e
toelating in 2019, 2018 en 2017. Voor de bijtellingspercentages van andere bestelauto’s zie paragraaf
21.3.4, 21.3.5 en 21.3.6.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 278
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 279
21.5 Reizen met een ander vervoermiddel van de zaak
Als u een ander vervoermiddel dan een personen- of bestelauto aan uw werknemer ter beschikking stelt,
zoals een motor, bromfiets, (elektrische) scooter of (elektrische) fiets, is de waarde in het economische
verkeer van het privégebruik loon van uw werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie
paragraaf 8.1.3).
De waarde is het aantal privékilometers vermenigvuldigd met de werkelijke kilometerprijs en verminderd
met de eigen bijdrage van uw werknemer voor het privégebruik. De kilometerprijs bestaat uit de kosten per
kilometer van een vervoermiddel aan brandstof, onderhoud, reparatie, afschrijving, motorrijtuigenbelasting
en verzekering. Als dat een negatief bedrag oplevert, mag u dat niet van het loon aftrekken. Bij de
berekening van het aantal privékilometers zijn de kilometers voor woon-werkverkeer zakelijk.
Als u een vervoermiddel ter beschikking stelt aan uw werknemer, is er sprake van vervoer vanwege de
werkgever. Een kilometervergoeding is dan loon van uw werknemer (zie paragraaf 21.9).
Meer informatie over het vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van een fiets vindt u in paragraaf
21.7.
21.6 Reizen met een taxi, boot of vliegtuig
Als uw werknemer voor zijn werk met een taxi, boot of vliegtuig reist, mag u de werkelijke reiskosten
onbelast vergoeden. Voor deze vervoermiddelen geldt de maximale onbelaste vergoeding van € 0,19 per
kilometer dus niet. De onbelaste vergoeding van de werkelijke reiskosten is een gerichte vrijstelling. U moet
de vergoeding dan wel aanwijzen als eindheffingsloon, bijvoorbeeld door deze in uw administratie op te
nemen als eindheffingsloon.
Voor deze vervoermiddelen mag u ook een vaste, onbelaste kostenvergoeding geven als u voldoet aan de
voorwaarden (zie paragraaf 4.6.1).
Als u boot- of vliegtickets verstrekt aan uw werknemer voor reizen voor zijn werk, is dat onbelast (gerichte
vrijstelling). U moet de verstrekking dan wel aanwijzen als eindheffingsloon, bijvoorbeeld door deze in uw
administratie op te nemen als eindheffingsloon. U mag dan geen onbelaste kilometervergoeding aan uw
werknemer betalen, omdat er sprake is van vervoer vanwege de werkgever (zie paragraaf 21.9). Als u wel
een vergoeding betaalt, is deze loon van uw werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon
(zie paragraaf 8.1.3).
21.7 Fietsen
In deze paragraaf leest u welke regels gelden als u een fiets aan uw werknemer vergoedt, verstrekt of ter
beschikking stelt. Deze regels gelden ook voor een elektrische fiets, zoals een e-bike of speed pedelec.
In deze paragraaf komt aan bod:
– vergoeden van een fiets (zie paragraaf 21.7.1)
– verstrekken van een fiets (zie paragraaf 21.7.2)
– ter beschikking stellen van een fiets (zie paragraaf 21.7.3)
– met de fiets samenhangende zaken en fietsverzekering (zie paragraaf 21.7.4)
– stroomschema fiets (zie paragraaf 21.7.5)
Zie paragraaf 21.10.1 voor informatie over het vergoeden van stallingskosten en het ter beschikking stellen
van een stallingsplaats.
21.7.1 Fiets vergoeden
Vergoedt u aan uw werknemer (een deel van) de aanschafprijs van een fiets die hij heeft gekocht? Dan is die
vergoeding loon van de werknemer. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf
8.1.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 280
U mag uw werknemer een onbelaste (vaste) vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer (gerichte
vrijstelling) betalen voor zakelijke reizen waarvoor hij de fiets gebruikt, als u de vergoeding als
eindheffingsloon aanwijst. Dat kunt u bijvoorbeeld doen door de vergoeding als eindheffingsloon op te nemen
in uw administratie (zie paragraaf 21.1.1 en 21.1.2).
21.7.2 Fiets verstrekken
Hebt u aan uw werknemer een fiets verstrekt, dan wordt uw werknemer eigenaar van de fiets. De
factuurwaarde of de waarde in het economische verkeer van de fiets is loon van uw werknemer. Maar u mag
dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
U mag uw werknemer een onbelaste (vaste) vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer (gerichte
vrijstelling) betalen voor zakelijke reizen waarvoor hij de fiets gebruikt, als u de vergoeding als
eindheffingsloon aanwijst. Dat kunt u bijvoorbeeld doen door de vergoeding als eindheffingsloon op te nemen
in uw administratie (zie paragraaf 21.1.1 en 21.1.2).
21.7.3 Ter beschikking stellen van een fiets
Als u een fiets aan uw werknemer ter beschikking stelt, dan blijft de fiets uw eigendom. U hoeft niets bij
het loon te tellen als uw werknemer de fiets alleen gebruikt voor reizen voor het werk. Gebruikt hij de fiets
ook privé? Dan is de waarde in het economische verkeer van het privégebruik loon van de werknemer. Deze
waarde is het aantal privékilometers vermenigvuldigd met de kilometerprijs. De kilometerprijs bestaat uit
de kosten per kilometer van de fiets aan elektriciteit, onderhoud, reparatie, afschrijving en verzekering. Een
eigen bijdrage van uw werknemer voor het privégebruik trekt u van de waarde in het economische verkeer
af. Als dat een negatief bedrag oplevert, mag u dat niet van het loon aftrekken.
Bij de berekening van het aantal privékilometers telt u de kilometers voor woon-werkverkeer niet mee: dit
zijn zakelijke kilometers. Onder woon-werkverkeer vallen ook de kilometers die uw werknemer in de loop
van een werkdag rijdt tussen de plek van het werk en zijn woning, bijvoorbeeld de kilometers om thuis te
lunchen.
U mag uw werknemer geen (vaste) onbelaste vergoeding betalen voor zakelijke reizen waarvoor hij de fiets
gebruikt, omdat er sprake is van vervoer vanwege de werkgever (zie paragraaf 21.9).
21.7.4 Met de fiets samenhangende zaken en fietsverzekering
Een vergoeding voor of een verstrekking van met de fiets samenhangende zaken en een fietsverzekering is
loon van de werknemer. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Voorbeelden van zaken die met de fiets samenhangen, zijn: een regenpak, reparatiekosten, een extra slot
of een steun voor de tas. Als u een fiets ter beschikking stelt, is de vergoeding van de reparatiekosten, een
extra slot of een steun voor de tas geen loon, maar een vergoeding voor intermediaire kosten. Een regenpak
dat u aan uw werknemer ter beschikking stelt, is wel loon van uw werknemer. Maar u mag dit loon ook
aanwijzen als eindheffingsloon.
21.7.5 Stroomschema fiets
Gebruik dit stroomschema als uw werknemer met de fiets reist.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 281
21.8 Carpoolregeling
Het kan zijn dat uw werknemer 1 of meer collega’s in de auto meeneemt naar het werk, het zogenoemde
carpoolen. Voor de vraag welke onbelaste reiskostenvergoedingen u dan kunt betalen, onderscheiden we de
volgende situaties:
– Uw werknemer reist met een eigen auto (zie paragraaf 21.8.1).
– Uw werknemer reist met een auto van de zaak (zie paragraaf 21.8.2).
21.8.1 Uw werknemer reist met een eigen auto
U mag aan uw werknemer de onbelaste maximale vergoeding van € 0,19 per kilometer betalen. Dit is een
gerichte vrijstelling. U moet de vergoeding dan wel aanwijzen als eindheffingsloon, bijvoorbeeld door deze in
uw administratie op te nemen als eindheffingsloon (zie paragraaf 21.1.1 en 21.1.2).
Als u het carpoolen zelf organiseert en regelt dat uw werknemer 1 of meer collega’s ophaalt, moet hij
misschien omrijden. Dan mag u uw werknemer ook voor de omrijkilometers een onbelaste vergoeding
betalen van maximaal € 0,19 per kilometer. Voor de collega’s die meerijden, is er sprake van vervoer
vanwege de werkgever (zie paragraaf 21.9). U mag aan hen geen onbelaste vergoeding betalen.
Als uw werknemer zélf besluit om 1 of meer collega’s mee te nemen, mag u ook aan die collega(‘s) een
onbelaste vergoeding betalen van maximaal € 0,19 per kilometer. U mag dan aan uw werknemer die rijdt,
geen onbelaste vergoeding betalen voor eventuele omrijkilometers, omdat deze kilometers een privékarakter
hebben.
Let op!
U organiseert het carpoolen niet zelf als u bijvoorbeeld voor uw werknemers een
belangstellingsregistratie bijhoudt. En ook niet als u uw werknemers vraagt om aan u door te geven hoe
zij het carpoolen hebben georganiseerd.
21.8.2 Uw werknemer reist met een auto van de zaak
Als uw werknemer met een auto van de zaak reist, is voor hem sprake van vervoer vanwege de werkgever. U
mag hem dan geen onbelaste reiskostenvergoeding betalen (zie paragraaf 21.9).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 282
Als u zelf organiseert dat uw werknemer in de auto van de zaak 1 of meer collega’s meeneemt, is er ook
voor die collega(‘s) sprake van vervoer vanwege de werkgever. Dan mag u ook aan hen geen onbelaste
reiskostenvergoeding betalen.
Als uw werknemer zelf besluit 1 of meer collega’s mee te nemen in de auto van de zaak, mag u aan die
collega(‘s) wel een onbelaste reiskostenvergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer betalen. Dit is een
gerichte vrijstelling. U moet de vergoeding dan wel aanwijzen als eindheffingsloon, bijvoorbeeld door deze in
uw administratie op te nemen als eindheffingsloon.
21.9 Vervoer vanwege de werkgever
In de volgende situaties is er sprake van vervoer vanwege de werkgever:
– U organiseert het vervoer van uw werknemer, bijvoorbeeld met een personeelsbus of door een auto of
fiets van de zaak ter beschikking te stellen.
– U regelt dat uw werknemer meerijdt in het privévervoermiddel van een collega die daarvoor een
vergoeding krijgt.
– Uw werknemer reist per openbaar vervoer met vervoerbewijzen die u hebt gekocht.
U mag in deze situaties geen onbelaste kilometervergoeding betalen. Als u een vergoeding betaalt, is deze
loon van uw werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
21.10 Parkeergelegenheid
In deze paragraaf leest u met welke regels u rekening moet houden als u aan uw werknemer
parkeergelegenheid vergoedt, verstrekt of ter beschikking stelt. Het maakt daarbij uit of:
– uw werknemer met een eigen vervoermiddel reist (zie paragraaf 21.10.1)
– uw werknemer met een vervoermiddel van de zaak reist (zie paragraaf 21.10.2)
In beide situaties moet u vervolgens kijken waar de parkeergelegenheid zich bevindt: in of bij de woning van
uw werknemer of bij de plek van het werk.
Bij een parkeergelegenheid kunt u denken aan een (vaste) parkeerplaats, parkeerdek, garage of oprijlaan
voor een auto, maar ook aan een stallingsruimte voor een motor of een fiets. De plek van het werk kan de
vaste arbeidsplaats van uw werknemer zijn, maar ook het adres van een klant.
21.10.1 Uw werknemer reist met een eigen vervoermiddel
Parkeren bij de woning van de werknemer
Het vergoeden, verstrekken en ter beschikking stellen van parkeergelegenheid in of bij de woning van uw
werknemer is belast. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Parkeren bij het werk: parkeren op of bij de werkplek
Gebruiken uw werknemers een parkeerplaats of garage op uw bedrijfsterrein? Dan maken deze deel uit van
de werkplek (zie paragraaf 20.2.1). Deze parkeervoorziening is onbelast (nihilwaardering).
Gebruiken uw werknemers een parkeerplaats in de omgeving van de werkplek? Dan maakt deze ook deel
uit van de werkplek als u verantwoordelijk bent voor die parkeerplaats. Dat wil zeggen dat een werknemer u
met succes aansprakelijk kan stellen als door uw nalatigheid bijvoorbeeld zijn auto beschadigd raakt. In dat
geval mag u deze parkeergelegenheid onbelast ter beschikking stellen.
Kan de werknemer u niet met succes aansprakelijk stellen, dan is het ter beschikking stellen van de
parkeergelegenheid belast.
Parkeren bij het werk: parkeren op andere plekken
Voor andere parkeerplaatsen en garages die uw werknemers gebruiken, hebt u geen
(arbo)verantwoordelijkheid. Het vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van parkeergelegenheid
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 283
bij het werk, bijvoorbeeld met een parkeerkaart voor het parkeren bij een klant, is in deze gevallen loon van
de werknemer voor zover dit loon samen met een kilometervergoeding van u (of een vast bedrag) hoger is
dan € 0,19 per kilometer (zie paragraaf 21.1.4). Deze parkeervoorzieningen waardeert u op de waarde in
het economische verkeer of de factuurwaarde. Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie
paragraaf 8.1.3).
21.10.2 Uw werknemer reist met een vervoermiddel van de zaak
Bij het vergoeden, verstrekken en ter beschikking stellen van een parkeergelegenheid of stalling geldt het
volgende:
– Heeft uw werknemer een parkeervergunning of een stalling op zijn naam voor een parkeergelegenheid
bij zijn woning die ook gebruikt kan worden voor andere vervoermiddelen? Dan is de vergoeding van de
kosten van de parkeervergunning of stalling, of de verstrekking of terbeschikkingstelling ervan, loon van
uw werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
– Heeft uw werknemer een parkeervergunning op kenteken of een stalling die alleen bestemd is voor
het vervoermiddel van de zaak, dan hoort de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling van de
vergunning of stalling niet tot het loon. De kosten van de parkeervergunning of stalling horen tot de
intermediaire kosten (zie paragraaf 4.12.2).
– Als de werknemer het vervoermiddel van de zaak in zijn garage zet, is er soms sprake van een
reële (zakelijke) verhuursituatie. Dat is het geval als uw werknemer de garage uitsluitend voor het
vervoermiddel van de zaak gebruikt. U kunt de werknemer dan voor het gebruik van de garage een
onbelaste vergoeding geven in de vorm van huur. Als de garage gedeeltelijk ter beschikking van uw
werknemer blijft staan, bijvoorbeeld voor opslag, is er geen sprake van een reële verhuursituatie. Een
vergoeding voor het gebruik van de garage is dan loon van uw werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen
als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
21.11 Reiskosten voor periodiek gezinsbezoek
Vergoedt u reiskosten aan werknemers die verblijven in de plaats waar ze werken (bijvoorbeeld op kamers
of intern) en periodiek hun gezin bezoeken? Dan geldt voor deze reiskostenvergoeding hetzelfde als voor
andere zakelijke reizen (zie paragraaf 21.1 en 21.2). Als uw werknemer een eigen vervoermiddel gebruikt,
mag u hem dus maximaal € 0,19 per kilometer onbelast vergoeden. Als uw werknemer per taxi, boot of
vliegtuig reist, mag u de werkelijke reiskosten onbelast vergoeden (zie paragraaf 21.6).
Reiskosten zeevarenden
Uw werknemers die als kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel werken op een zeeschip, maken reizen met
een eigen vervoermiddel tussen de woning of de verblijfsplaats aan de wal en de ligplaats van het schip. De
reiskostenvergoedingen aan deze zeevarenden voor reizen tussen de woning of verblijfplaats aan de wal en
de ligplaats van het schip zijn onbelast tot maximaal € 0,19 per kilometer.
Als de partner of de kinderen die tot het gezin horen van deze zeevarenden, reizen maken tussen de woning
of de verblijfplaats van uw werknemer aan de wal en het schip, mag u deze reiskosten tot maximaal € 0,19
per kilometer onbelast vergoeden aan de werknemer. Dat mag alleen als het schip voor zeer korte tijd in de
haven van Duinkerken of Hamburg ligt of in 1 van de havens die in de kuststrook daartussen liggen.
Let op!
Als u een hogere vergoeding dan € 0,19 per kilometer aan uw werknemer betaalt, is het meerdere loon
van de werknemer. U mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 284
21.12 Tijdelijk ander vervoer door wegwerkzaamheden
Maakt uw werknemer gebruik van tijdelijk, speciaal georganiseerd, vervoer van werknemers bij
wegwerkzaamheden? Dan is de vergoeding die u voor dat speciale vervoer betaalt, loon van de werknemer.
Maar u mag dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon (zie paragraaf 8.1.3).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 285
22 Levensloopregeling
Sinds 1 januari 2012 is de levensloopregeling niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers. Voor
bestaande deelnemers geldt overgangsrecht: werknemers die op 31 december 2011 een levenslooptegoed
hadden van € 3.000 (inclusief het rendement over 2011) of meer, mogen nog gebruik blijven maken van de
levensloopregeling. Werknemers die gebruik hebben gemaakt van de 80%-regeling, mogen geen gebruik
meer maken van de levensloopregeling.
De informatie in dit hoofdstuk geldt alleen voor werknemers voor wie het overgangsrecht geldt. U leest meer
over:
– hoe sparen in de levensloopregeling werkt (zie paragraaf 22.1)
– welke bijdrage u mag geven (zie paragraaf 22.2)
– wat u schriftelijk vastlegt (zie paragraaf 22.3)
– hoe de werknemer het levenslooptegoed opneemt (zie paragraaf 22.4)
– wat u doet als de werknemer overlijdt (zie paragraaf 22.5)
– de levensloopverlofkorting (zie paragraaf 22.6)
– het omzetten van de levensloopregeling omzetten in pensioen (zie paragraaf 22.7)
– de deelname van de directeur-grootaandeelhouder aan de levensloopregeling (zie paragraaf 22.8)
Volledige of gedeeltelijke opname mogelijk
Uw werknemer mag het levenslooptegoed volledig of gedeeltelijk opnemen voor elk doel.
22.1 Sparen in de levensloopregeling
Een werknemer kan u op grond van een levensloopregeling vragen om per jaar een bedrag van maximaal
12% van zijn loon in te houden. Dit bedrag maakt u over naar een door de werknemer gekozen:
– bank, als storting op een levenslooprekening
– verzekeraar, als premie voor een levensloopverzekering
– beleggingsinstelling, als storting voor een levenslooprecht van deelneming
Het bedrag dat u inhoudt, is aftrekbaar voor de loonbelasting/volksverzekeringen, de
werknemersverzekeringen en de Zvw. Een werkgeversbijdrage voor de levensloopregeling is geen loon voor
de loonbelasting/volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de Zvw.
Maximaal te sparen bedrag
Een werknemer mag per kalenderjaar maximaal 12% sparen van zijn loon in dat jaar. U mag dit percentage
berekenen over:
– het loon in geld, verhoogd met de waarde van loon in natura en belaste fooien en uitkeringen uit fondsen
(het totaal van kolom 3, 4 en 5 van de loonstaat)
– het fiscale loon, verhoogd met ingehouden bijdragen van de werknemer
Voor de berekening van de maximale bijdrage voor de levensloopregeling mag u dus ook uitgaan van het
bedrag van kolom 14, verhoogd met bijvoorbeeld pensioenpremies en de inleg voor de levensloopregeling.
Als het levenslooptegoed aan het begin van het kalenderjaar 210% of meer is van het jaarloon over het
voorgaande kalenderjaar, mag een werknemer dat jaar niet langer sparen in zijn levensloopregeling. Het
levenslooptegoed kan door behaalde rendementen daarna verder boven de 210% uitstijgen. Heeft een
werknemer het voorgaande kalenderjaar niet het hele jaar bij u gewerkt, dan mag u het loon herleiden naar
een jaarloon.
Levenslooptegoeden of verlofspaartegoeden die een werknemer heeft bij ex-werkgevers, tellen mee
voor het maximale levenslooptegoed van 210%. Daarom moet de 1e nieuwe werkgever bij wie een
werknemer weer spaart in een levensloopregeling, de bestaande tegoeden meetellen. U moet daarom
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 286
een schriftelijke verklaring van uw werknemer vragen waarin hij aangeeft of u rekening moet houden met
levenslooptegoeden of verlofspaartegoeden die hij bij ex-werkgevers heeft opgebouwd.
Maximumbedrag voor oudere werknemers
Voor werknemers die op 31 december 2005 51 jaar of ouder waren, maar nog geen 56 jaar, is er een
overgangsregeling. Deze werknemers mogen meer sparen dan 12% van het loon van dat jaar. Voorwaarde is
wel dat het levenslooptegoed aan het eind van dat jaar niet meer is dan 210% van het in dat jaar verdiende
loon.
Maximumbedrag bij deeltijd, demotie en loonsverlaging
Als een werknemer, vooruitlopend op zijn pensioen, in deeltijd gaat werken of een lager gekwalificeerde
functie accepteert, mag u bij de bepaling van het maximale levenslooptegoed uit blijven gaan van zijn
eerdere hogere loon. De loonsverlaging moet dan wel plaatsvinden binnen 10 jaar voor de pensioendatum
in de pensioenregeling. Ook moet de werknemer ten minste 50% van de arbeidsduur vóór de loonsverlaging
blijven werken.
Als u het loon om andere redenen verlaagt, kan in de loop van het jaar blijken dat u meer dan 12% van
het loon hebt ingehouden voor de levensloopregeling. U moet het te veel gestorte bedrag dan in hetzelfde
kalenderjaar terugbetalen aan uw werknemer en hierop loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden.
Over het terugbetaalde bedrag betaalt u ook premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw.
22.2 Bijdrage werkgever
U mag een bijdrage geven voor de levensloopregeling. Als u een bijdrage geeft, moet deze aan de volgende
voorwaarden voldoen:
– U geeft deze bijdrage aan al uw werknemers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, ook als zij
niet gebruikmaken van de levensloopregeling.
– U stelt geen voorwaarden aan het moment waarop uw werknemer het levenslooptegoed mag opnemen.
Er zijn 4 mogelijkheden:
– U voldoet aan beide voorwaarden. Dan is de bijdrage voor de werknemer die gebruikmaakt van de
levensloopregeling, geen loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen
en de Zvw. De bijdrage voor werknemers die geen levensloopregeling hebben, is belast loon voor alle
loonheffingen.
– U voldoet alleen aan de 1e voorwaarde. Dan geldt de levensloopregeling niet.
– U voldoet alleen aan de 2e voorwaarde. Dan geldt de levensloopregeling alleen voor werknemers die van
u een bijdrage aan de regeling krijgen, die hetzelfde is als of lager is dan de bijdrage aan vergelijkbare
werknemers die niet gebruikmaken van de levensloopregeling.
– U voldoet aan geen van beide voorwaarden. Dan geldt de levensloopregeling niet meer. U moet dan de
levenslooptegoeden van alle werknemers die tot op dat moment zijn gespaard, als loon uit vroegere
dienstbetrekking behandelen.
22.3 Schriftelijk vastleggen
Een levensloopregeling met een werknemer moet u schriftelijk vastleggen. U moet daarin ten minste het
volgende opnemen:
– de naam van de instelling waar de werknemer spaart
– een bepaling dat de werknemer schriftelijk aan u verklaart of u rekening moet houden met
levenslooptegoed of verlofspaartegoed dat hij bij een ex-werkgever heeft opgebouwd
Let op!
Een werknemer die na 31 december 2011 nog gebruik mag maken van de levensloopregeling, moet
u een levensloopregeling aanbieden als deze werknemer daarom vraagt. Maar het levenslooptegoed
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 287
geeft uw werknemer nog geen wettelijk recht om het verlof op te nemen. Dat kan alleen met uw
toestemming, behalve als het gaat om verlof waar werknemers volgens de wet recht op hebben, zoals
ouderschapsverlof.
22.4 Opnemen uit levenslooptegoed
De instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht, maakt het geld dat de werknemer van de
levenslooprekening opneemt (of de uitkering uit de levensloopverzekering) aan u over. Het opgenomen
bedrag is loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. U houdt loonbelasting/premie volksverzekeringen in en
verrekent de opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u premies werknemersverzekeringen en de
werkgeversheffing Zvw.
Opnames uit levenslooptegoed voor oudere werknemers
Opnames uit het levenslooptegoed door werknemers die geboren zijn in 1957 of daarvoor (en dus 61 jaar
of ouder zijn op 1 januari 2019), zijn loon uit vroegere dienstbetrekking. U houdt loonbelasting/premie
volksverzekeringen in en verrekent de opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u geen premies
werknemersverzekeringen, maar wel werkgeversheffing Zvw.
Let op!
Als uw werknemer – geboren in 1957 of daarvoor – naast zijn levensloopverlof voor u blijft werken,
moet u hem tweemaal in uw aangifte loonheffingen opnemen. U gebruikt voor deze werknemer dan 2
verschillende nummers inkomstenverhouding. Het nummer inkomstenverhouding dat u al voor deze
werknemer gebruikt, blijft u gebruiken voor het loon dat hij verdient (dit is loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking). Voor de opnames uit het levenslooptegoed (loon uit vroegere dienstbetrekking)
gebruikt u een nieuw nummer. Zie paragraaf 3.4.2 voor meer informatie over het gebruik van de
nummers inkomstenverhouding.
Als uw werknemer met pensioen gaat of de AOW-leeftijd bereikt
Heeft uw werknemer het spaartegoed van een levensloopregeling nog niet (volledig) opgenomen en bereikt
hij de AOW-leeftijd of gaat hij met pensioen voordat hij de AOW-leeftijd bereikt? Dan houdt u op dit bedrag
loonheffingen in. Hoe u dat doet, hangt af van de situatie.
Uw werknemer bereikt de AOW-leeftijd
Op de dag voordat uw werknemer de AOW-leeftijd bereikt, belast u het tegoed als loon uit vroegere
dienstbetrekking. U houdt op het tegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de
opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u over de uitkering de werkgeversheffing Zvw, maar
geen premies werknemersverzekeringen.
Uw werknemer gaat met pensioen en is bij het begin van het kalenderjaar jonger dan 61 jaar
Op de dag voordat uw werknemer met pensioen gaat, belast u het tegoed als loon uit tegenwoordige
dienstbetrekking. U houdt op het tegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de
opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u over het tegoed de werkgeversheffing Zvw en de
premies werknemersverzekeringen.
Uw werknemer gaat met pensioen en is bij het begin van het kalenderjaar 61 jaar of ouder
Op de dag voordat uw werknemer met pensioen gaat, belast u het tegoed als loon uit vroegere
dienstbetrekking. U houdt op het tegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent de
opgebouwde levensloopverlofkorting. Verder betaalt u over de uitkering de werkgeversheffing Zvw, maar
geen premies werknemersverzekeringen.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 288
Let op!
Laat uw werknemer het pensioen gedeeltelijk ingaan, dan hoeft u het restant levenslooptegoed niet in 1
keer te belasten. Want voor de levensloopregeling geldt het gedeeltelijk ingaan van het pensioen niet als
het ingaan van het pensioen.
Ex-werknemers zonder nieuwe werkgever
U houdt geen loonheffingen in voor ex-werknemers die na hun vertrek bij u geen nieuwe werkgever
hebben gevonden. De levensloopinstelling (bijvoorbeeld een bank) moet dat doen. De instelling moet op
het uitbetaalde levenslooptegoed loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en aan ons betalen.
De instelling hoeft geen premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw te betalen of
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw in te houden.
22.5 Overlijden van de werknemer
Bij overlijden van de werknemer mag u zijn levenslooptegoed ineens ter beschikking stellen aan de
erfgenamen.
Voor de loonheffingen is het levenslooptegoed loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de overleden
werknemer, tenzij de overleden werknemer aan het begin van het kalenderjaar 61 jaar of ouder was.
In dat geval is het levenslooptegoed loon uit vroegere dienstbetrekking en betaalt u geen premies
werknemersverzekeringen. U betaalt in beide situaties wel werkgeversheffing Zvw over de uitkering.
Voor de inkomstenbelasting kunnen de erfgenamen dit loon beschouwen als postuum loon (zie paragraaf
9.2.3) en kiezen:
– opnemen in de aangifte van de overledene als loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking
(afhankelijk van de leeftijd van de overledene)
– opnemen in hun eigen aangifte als loon uit vroegere dienstbetrekking van een ander
Let op!
Bij uitkering van het levenslooptegoed bij het overlijden van een werknemer, hebben de erfgenamen
geen recht op levensloopverlofkorting (zie paragraaf 22.6).
22.6 Levensloopverlofkorting
Werknemers hebben bij opname uit de levensloopregeling recht op een korting op de loonbelasting/
premie volksverzekeringen die zij moeten betalen: de levensloopverlofkorting. Bij de berekening van
de loonbelasting/premie volksverzekeringen houdt u rekening met deze extra heffingskorting als de
werknemer bij u de loonheffingskorting verrekent. Zie paragraaf 23.1.6 voor meer informatie over de
levensloopverlofkorting.
Let op!
Sinds 2012 kunnen werknemers geen rechten op levensloopverlofkorting meer opbouwen. De rechten
die een werknemer tot en met 2011 heeft opgebouwd, blijven bestaan.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 289
22.7 Levensloopregeling en pensioen
Uw werknemer mag het levenslooptegoed ook omzetten in pensioen, zolang de volledige pensioenregeling
maar blijft voldoen aan de voorwaarden (zie paragraaf 19.4). Bij omzetting van het levenslooptegoed in
pensioen verrekent u géén levensloopverlofkorting. U bent niet verplicht om aan omzetting mee te werken.
22.8 Deelname directeur-grootaandeelhouder aan levensloopregeling
Ook een directeur-grootaandeelhouder kan nog gebruikmaken van een levensloopregeling zolang hij voldoet
aan de voorwaarden. Voor een directeur-grootaandeelhouder geldt de zogenoemde gebruikelijkloonregeling
(zie paragraaf 16.1). Het gebruikelijk loon is het loon ná toepassing van de wettelijke vrijstellingen, zoals de
vrijstelling van een inleg in een levensloopregeling. Deelname aan een levensloopregeling kan dus gevolgen
hebben voor de gebruikelijkloonregeling.
De levensloopregeling heeft geen gevolgen voor de gebruikelijkloonregeling als aan de volgende 2
voorwaarden is voldaan:
– De directeur-grootaandeelhouder maakt aannemelijk dat zijn werkelijke loon vóór inleg in de
levensloopregeling niet lager is dan het gebruikelijk loon vóór inleg in de levensloopregeling.
– De inleg in de levensloopregeling is niet hoger dan 12% van het loon.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 290
23 Heffingskortingen
Een heffingskorting is een korting op de loon- en inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen van
een werknemer of uitkeringsgerechtigde (hierna: werknemer). Er zijn 8 heffingskortingen. Met 6 van deze
heffingskortingen – samen de zogenoemde loonheffingskorting – houdt u op verzoek van uw werknemer
rekening bij het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 23.1).
De werknemer kan alle heffingskortingen – inclusief de loonheffingskorting – laten verrekenen via zijn
aangifte inkomstenbelasting.
Alle heffingskortingen zijn persoonlijk. Uw werknemer kan ze niet overdragen aan iemand anders.
Heffingskortingen en inkomstenbelasting
Er zijn 2 heffingskortingen waarmee u geen rekening houdt: de werknemer moet deze zelf laten verrekenen
via de inkomstenbelasting. Dat kan na afloop van het jaar met de aangifte inkomstenbelasting, maar ook
vooraf met een verzoek om een voorlopige aanslag. Dan krijgt de werknemer maandelijks een bedrag op zijn
rekening gestort.
Het gaat om de volgende heffingskortingen:
– de inkomensafhankelijke combinatiekorting
– de korting voor groene beleggingen
23.1 Loonheffingskorting
De loonheffingskorting is de verzamelnaam voor de 6 heffingskortingen waarmee u rekening houdt bij het
bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u inhoudt op het loon. De loonheffingskorting
kan bestaan uit de volgende heffingskortingen:
– de algemene heffingskorting (zie paragraaf 23.1.1)
– de arbeidskorting (zie paragraaf 23.1.2)
– de ouderenkorting (zie paragraaf 23.1.3)
– de alleenstaande-ouderenkorting (zie paragraaf 23.1.4)
– de jonggehandicaptenkorting (zie paragraaf 23.1.5)
– de levensloopverlofkorting (zie paragraaf 23.1.6)
Let op!
Per 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Werknemers kunnen dus niet meer beginnen
met sparen in deze regeling. Voor bestaande deelnemers geldt overgangsrecht (zie hoofdstuk 22).
Op verzoek van de werknemer toepassen
Elke werknemer die aan de voorwaarden voldoet, heeft recht op de loonheffingskorting. Uw werknemer moet
u schriftelijk vragen de loonheffingskorting toe te passen, bijvoorbeeld met een ‘Model opgaaf gegevens voor
de loonheffingen’ (zie paragraaf 2.3.1). Als uw werknemer de loonheffingskorting niet meer bij u wil of mag
laten toepassen, moet hij dat ook schriftelijk aan u laten weten.
Voor de jonggehandicaptenkorting geldt een uitzondering: ook als de werknemer de loonheffingskorting niet
bij u laat toepassen, mag u de jonggehandicaptenkorting verrekenen (zie paragraaf 23.1.5).
Als de werknemer u niet heeft gevraagd de loonheffingskorting toe te passen, loopt hij de korting niet mis:
hij kan de loonheffingskorting verrekenen via zijn aangifte inkomstenbelasting.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 291
Let op!
Werknemers die al vóór 1 januari 2007 bij u in dienst waren, hoeven u niet schriftelijk te vragen de
loonheffingskorting toe te passen. Wij stellen de loonbelastingverklaring die zij in die tijd hebben
ingevuld en ondertekend, met dit verzoek gelijk.
In de rubriek ‘Gegevens voor tabeltoepassing’ op de loonstaat vermeldt u of u de loonheffingskorting toepast.
Daarnaast geeft u apart aan of u de jonggehandicaptenkorting toepast (zie paragraaf 9.1).
Loonheffingskorting en de loonbelastingtabellen
De algemene heffingskorting en de ouderenkorting zijn verwerkt in de witte en de groene tijdvaktabellen.
De arbeidskorting is alleen verwerkt in de witte tijdvaktabellen. De alleenstaande-ouderenkorting is
alleen verwerkt in de groene tijdvaktabellen voor de AOW-, de Anw- en de AIO-uitkering. U hoeft deze 4
heffingskortingen dus niet zelf te berekenen. De jonggehandicaptenkorting en de levensloopverlofkorting
moet u wel zelf berekenen (zie paragraaf 7.3.1).
De tabel voor bijzondere beloningen heeft een kolom ‘verrekeningspercentage loonheffingskorting’ voor
werknemers voor wie u de loonheffingskorting toepast. Met dit verrekeningspercentage past u bij bijzondere
beloningen de op- en afbouw toe van de arbeidskorting en de afbouw van de algemene heffingskorting.
Werknemers die niet volledig belasting- of premieplichtig zijn
De loonheffingskorting kent een belasting- en een premiedeel. Bij werknemers die niet belastingplichtig
zijn voor de loonbelasting of niet (volledig) premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen, moet u de
loonheffingskorting verminderen. Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, is die vermindering
in de witte en groene tijdvaktabellen verwerkt. De AOW-leeftijd is in 2019 66 jaar en 4 maanden.
Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn
Alle werknemers die in Nederland verzekerd zijn voor volksverzekeringen, hebben recht op het premiedeel
van de loonheffingskorting. Het maakt voor het premiedeel niet uit van welk land een werknemer inwoner is.
Tot 2019 hadden alle werknemers ook recht op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Maar vanaf
2019 hebben alleen inwoners van Nederland hier nog recht op. Niet-inwoners van Nederland hebben dus
geen recht meer op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Wanneer iemand inwoner is van Nederland,
kunt u lezen in paragraaf 2.3.1.
Voor 1 heffingskorting, namelijk de arbeidskorting, geldt een uitzondering: inwoners van een andere lidstaat
van de EU, van een EER-land (IJsland, Noorwegen en Liechtenstein), Zwitserland of een BES-eiland (Bonaire,
Sint Eustatius en Saba) hebben wél recht op het belastingdeel van deze heffingskorting.
Werknemers met meer dan 1 werkgever of uitkeringsinstantie
Maar 1 werkgever of uitkeringsinstantie mag de loonheffingskorting toepassen. Als de werknemer wil dat
u de loonheffingskorting toepast, dan moet hij u een schriftelijk, ondertekend verzoek geven, voorzien van
datum (zie paragraaf 2.3). Als de werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen, dan mag u
alleen rekening houden met de jonggehandicaptenkorting.
Als de werknemer meer dan 1 werkgever of uitkeringsinstantie heeft, is het mogelijk dat hij niet de volledige
loonheffingskorting kan laten verrekenen.
Ook is het mogelijk dat de werknemer ervoor kiest om de loonheffingskorting bij geen enkele werkgever
of uitkeringsinstantie te laten toepassen. De werknemer kan dan teruggaaf vragen via zijn aangifte
inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Of met een verzoek om een voorlopige aanslag.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 292
Loonbelastingtabellen
De nieuwe loonbelasting- en premietabellen vindt u op belastingdienst.nl. De tabellen zijn vanaf 2017
gepubliceerd in de rekenhulp Loonbelastingtabellen. In deze rekenhulp zijn ook de tabellen opgenomen voor
de minder gebruikelijke situaties met een afwijkende belasting- of premieplicht. Tot 2017 stonden deze in de
herleidingsregels.
De rekenhulp vindt u op belastingdienst.nl/tabellen. Voor oudere jaren vindt u de tabellen en de
herleidingsregels nog als download op belastingdienst.nl.
Vanaf 2019 zijn er meer loonbelastingtabellen (zie hoofdstuk 7). Dat is het gevolg van het onderscheid
tussen inwoners en niet-inwoners van Nederland voor de heffingskortingen en van aanpassingen in
belastingverdragen.
23.1.1 Algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting wordt in 2019 afgebouwd met 5,147% van het inkomen uit werk en woning
als dit inkomen € 20.384 of meer is per jaar, maar niet meer dan € 68.507. In 2019 is de algemene
heffingskorting maximaal € 2.477. De korting wordt afgebouwd tot nihil. Als de werknemer de AOW-leeftijd
heeft bereikt, is de heffingskorting in 2019 maximaal € 1.268. De korting wordt afgebouwd tot nihil. Zie voor
meer informatie tabel 2e en 2f achter in dit handboek.
De algemene heffingskorting en de afbouw daarvan zijn verwerkt in de loonbelastingtabellen, de tabel voor
bijzondere beloningen en de rekenregels.
Let op!
Met ingang van 1 januari 2019 maakt het voor de algemene heffingskorting uit van welk land uw
werknemer inwoner is. Zie paragraaf 23.1 onder ‘Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn’.
23.1.2 Arbeidskorting
Een werknemer met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft recht op de arbeidskorting. De
arbeidskorting is een percentage van dat loon tot een maximumbedrag. De arbeidskorting wordt alleen
berekend over tijdvakloon en niet over eenmalige beloningen of beloningen die u maar eenmaal per jaar
toekent, zoals gratificaties, tantièmes of vakantiebijslag. In de tabel voor bijzondere beloningen wordt wel
rekening gehouden met de opbouw en de afbouw van de arbeidskorting.
Wat u voor het toepassen van de arbeidskorting tot het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking rekent, leest
u in paragraaf 7.3.2.
Let op!
– Met ingang van 1 januari 2019 maakt het voor de arbeidskorting uit van welk land uw werknemer
inwoner is. Zie paragraaf 23.1 onder ‘Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn’.
– Is uw werknemer op 1 januari 2019 61 jaar of ouder? Dan is de opname uit het levenslooptegoed
loon uit vroegere dienstbetrekking. U mag hierop dus geen arbeidskorting toepassen.
U moet over elk loontijdvak bijhouden welk bedrag aan arbeidskorting u hebt verrekend met de
loonbelasting/premie volksverzekeringen van de werknemer. Deze verrekende arbeidskorting vindt u in de
witte tijdvaktabellen. U vermeldt de verrekende arbeidskorting in kolom 18 van de loonstaat (zie paragraaf
9.2.13) en in de aangifte loonheffingen. Ook neemt u het totaalbedrag van de verrekende arbeidskorting
op in de jaaropgaaf voor de werknemer (zie hoofdstuk 13). Want de werknemer moet dit bedrag in zijn
aangifte inkomstenbelasting invullen. In de jaaropgaaf zet u alleen de arbeidskorting die u via de reguliere
tijdvaktabel hebt verrekend. De arbeidskorting die u hebt verrekend met het ‘verrekeningspercentage
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 293
loonheffingskorting’ van de tabel bijzondere beloningen (zie paragraaf 23.1), neemt u niet op in de
jaaropgaaf.
De arbeidskorting is per jaar maximaal € 3.399 (zie tabel 2a achter in dit handboek). De korting is verwerkt
in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de rekenregels.
Arbeidskorting voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt
Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, geldt een andere arbeidskorting dan voor jongere
werknemers (zie tabel 2b achter in dit handboek). U past deze arbeidskorting toe vanaf de eerste
loonbetaling nadat de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt. De arbeidskorting is per jaar maximaal
€ 1.740. Deze korting is verwerkt in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de
rekenregels.
Afbouw arbeidskorting voor loon hoger dan € 34.060
De arbeidskorting voor lagere inkomens wordt in 2019 verder verhoogd naar maximaal € 3.399. Daarnaast
wordt de arbeidskorting voor hogere inkomens afgebouwd tot nihil. In 2019 wordt de arbeidskorting
verminderd met 6,000% van het inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking als dit inkomen meer is dan
€ 34.060 per jaar, maar niet meer dan € 90.710. De arbeidskorting is nihil als het inkomen uit tegenwoordige
dienstbetrekking hoger is dan € 90.710.
Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, geldt een afbouw van 3,069% van het loon boven
de € 34.060, met een maximum van € 1.740. Deze arbeidskorting is nihil als het inkomen hoger is dan
€ 90.710. De afbouw van de arbeidskorting is verwerkt in de witte tijdvaktabellen, de tabel voor bijzondere
beloningen en de rekenregels.
Let op!
Soms moet uw werknemer via de aangifte inkomstenbelasting (een deel van) de afbouw van de
arbeidskorting van maximaal € 3.399 aan ons betalen. Dat komt voor als uw werknemer op jaarbasis
een loon heeft dat hoger is dan € 34.060 en zich 1 van de volgende situaties voordoet:
– Uw werknemer had in 1 of meer loontijdvakken een loon beneden de afbouwgrens (herleid naar het
tijdvakbedrag) en hij krijgt via de witte tijdvaktabel een tijdvakevenredige arbeidskorting zonder
afbouw.
– Uw werknemer heeft verschillende werkgevers. Per werkgever blijft hij onder de afbouwgrens, maar
zijn jaarloon komt boven de afbouwgrens uit.
– Uw werknemer heeft naast loon nog ander arbeidsinkomen (winst uit onderneming of resultaat
uit overige werkzaamheden). Voor het loon blijft hij onder de afbouwgrens, maar zijn totale
arbeidsinkomen komt boven de afbouwgrens uit.
23.1.3 Ouderenkorting
Een werknemer heeft recht op de ouderenkorting als hij de AOW-leeftijd heeft bereikt. De ouderenkorting is
€ 1.596 voor werknemers met een inkomen van € 36.783. Is het inkomen hoger dan € 36.783, dan wordt de
ouderenkorting afgebouwd met 15% van het verschil tussen het inkomen en € 36.783. Vanaf een inkomen
van € 47.423 heeft de werknemer geen recht meer op ouderenkorting.
Voorbeeld
Uw werknemer heeft een salaris van € 40.000. De ouderenkorting is dan:
€ 1.596 – 15% van (€ 40.000 – € 36.783) = € 1.596 – € 482 = € 1.114.
U past via de tijdvaktabel de ouderenkorting toe vanaf de eerste loonbetaling in de maand waarin uw
werknemer de AOW-leeftijd bereikt.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 294
Let op!
Met ingang van 1 januari 2019 maakt het voor de ouderenkorting uit van welk land uw werknemer
inwoner is. Zie paragraaf 23.1 onder ‘Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn’.
23.1.4 Alleenstaande-ouderenkorting
Alleen de Sociale Verzekeringsbank past de alleenstaande-ouderenkorting toe. Er moet dan sprake
zijn van een AOW-uitkering voor alleenstaanden. De SVB past deze korting ook toe op de aanvullende
inkomensvoorziening ouderen, de AIO-uitkering.
De alleenstaande-ouderenkorting is € 429. De SVB past deze korting toe vanaf de eerste loonbetaling
in de maand waarin de uitkeringsgerechtigde de AOW-leeftijd bereikt. Dat doet de SVB alleen als de
uitkeringsgerechtigde de SVB hierom schriftelijk heeft gevraagd.
Let op!
Met ingang van 1 januari 2019 maakt het voor de alleenstaande-ouderenkorting uit van welk land uw
werknemer inwoner is. Zie paragraaf 23.1 onder ‘Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn’.
23.1.5 Jonggehandicaptenkorting
De jonggehandicaptenkorting geldt voor iedereen die:
– een Wet Wajong-uitkering krijgt
– recht heeft op een Wet Wajong-uitkering, maar deze uitkering niet krijgt omdat hij nog andere inkomsten
heeft
Als u een Wet Wajong-uitkering (door)betaalt, mag u altijd de jonggehandicaptenkorting verrekenen. Dit
geldt ook als uw werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen.
Het kan zijn dat uw werknemer wel recht heeft op een Wet Wajong-uitkering, maar deze niet krijgt
omdat hij nog andere inkomsten heeft. Dan mag u de jonggehandicaptenkorting verrekenen als u bij uw
loonadministratie een kopie bewaart van de brief die UWV heeft gestuurd aan uw werknemer, waarin staat
dat deze recht heeft op de jonggehandicaptenkorting.
De jonggehandicaptenkorting is € 737 per jaar. Deze heffingskorting is niet in de tabellen of in de rekenregels
verwerkt. U moet het tabelbedrag van de loonbelasting/premie volksverzekeringen zelf verminderen met
de jonggehandicaptenkorting. Gebruikt u de maandtabel, de vierwekentabel, de weektabel, de dagtabel of
de kwartaaltabel, dan is de korting 1/12, 1/13, 1/52, 1/260 respectievelijk 1/4 deel. Heeft uw werknemer
een loontijdvak waarvoor geen tabel bestaat? Dan gebruikt u voor het berekenen van de korting dezelfde
herleidingsregels die u gebruikt voor het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie
paragraaf 7.3.5).
23.1.6 Levensloopverlofkorting
Per 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Werknemers kunnen niet meer beginnen met sparen
in deze regeling. Voor bestaande deelnemers geldt overgangsrecht (zie hoofdstuk 22).
Als uw werknemer op grond van het overgangsrecht doorspaart, bouwt hij vanaf 2012 geen
levensloopverlofkorting meer op. De rechten die hij heeft opgebouwd tot en met 2011, blijven bestaan.
Bij het berekenen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen houdt u voor deze werknemer rekening
met de levensloopverlofkorting, als hij u daar schriftelijk om heeft gevraagd. De levensloopverlofkorting
is gelijk aan het opgenomen bedrag uit de levensloopregeling met een maximum van € 215 per gespaard
kalenderjaar.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 295
Voorbeeld
Een werknemer is in 2011 begonnen met sparen in de levensloopregeling. Hij heeft dus recht op
€ 215 levensloopverlofkorting.
Als de werknemer in november en in december 2019 € 50 opneemt, dan verrekent u in november
en in december € 50 aan levensloopverlofkorting met de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Er blijft dan nog € 115 levensloopverlofkorting over. U mag dit bedrag verrekenen bij volgende
opnames van het levenslooptegoed.
Is de opname in november en in december € 1.000, dan verrekent u alleen in november € 215 met
de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Per jaar bouwt uw werknemer € 215 levensloopverlofkorting op. Dus als uw werknemer geld opneemt
uit de levensloopregeling en hij daarvoor bijvoorbeeld 2 jaar heeft gespaard, verrekent u maximaal 2
x € 215 = € 430. Hebt u in voorgaande jaren al levensloopverlofkorting verrekend, dan verlaagt dit de
levensloopverlofkorting in latere jaren. Als u bij een werknemer in het 1e jaar bijvoorbeeld € 100 aan
levensloopverlofkorting hebt verrekend, dan mag u in het 2e jaar maximaal (2 x € 215) – € 100 = € 330
verrekenen.
Vanaf 2012 bouwt uw werknemer geen levensloopverlofkorting meer op. Dus als hij in 2019 geld opneemt
uit de levensloopregeling en hij vanaf bijvoorbeeld 2010 heeft gespaard, verrekent u maximaal 2 x € 215 =
€ 430, omdat hij alleen over 2010 en 2011 levensloopverlofkorting kon opbouwen.
Als uw werknemer naast zijn opname uit de levensloopregeling ook ander loon krijgt, kunt u de
levensloopverlofkorting verrekenen met het totaalbedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.
Voorbeeld
Een werknemer met een maandloon krijgt in november en december 2019 € 600 aan loon
en neemt daarnaast in beide maanden € 400 aan levenslooptegoed op. De werknemer is
begin 2011 begonnen met de levensloopregeling. Hij heeft niet eerder gebruikgemaakt
van de levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting is € 215, omdat hij in 2012
geen levensloopverlofkorting meer kon opbouwen. Het bedrag aan loonbelasting/premie
volksverzekeringen is volgens de witte maandtabel bijvoorbeeld € 115 bij een loon van € 1.000
(€ 600 + € 400). U verrekent dan in november € 115 en in december het restant van € 100 (€ 215
– € 115).
U vermeldt het bedrag van de toegepaste levensloopverlofkorting in kolom 19 van de loonstaat (zie paragraaf
9.2.14) en het totaalbedrag vermeldt u op de jaaropgaaf voor de werknemer (zie hoofdstuk 13).
Let op!
De werknemer mag het saldo van de levensloopregeling ook omzetten in pensioen, zolang de volledige
pensioenregeling voldoet aan de wettelijke pensioenvoorwaarden (zie paragraaf 22.7). Bij het
omzetten in pensioen verrekent u geen levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting is ook
niet van toepassing als u het levenslooptegoed na het overlijden van de werknemer uitbetaalt aan de
erfgenamen.
.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 296
24 Eindheffingen
Over bepaalde vormen van loon heffen wij de loonbelasting en eventuele premie volksverzekeringen in de
vorm van een zogenoemde eindheffing. Deze eindheffing houdt u niet in op het loon van uw werknemer,
maar komt voor uw rekening. Eindheffingsloon is geen loon voor de werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Een uitzondering is het eindheffingsloon bij naheffingsaanslagen:
hierover betaalt u alle loonheffingen, tenzij u deze loonbestanddelen had kunnen of moeten aanwijzen als
eindheffingsloon.
Eindheffingsloon hoort niet (meer) tot het loon van uw werknemer en hoort dus ook niet tot zijn
verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting. De loonbelasting en eventuele premie volksverzekeringen
die u over dit loon betaalt, kan uw werknemer niet verrekenen met de inkomstenbelasting/premie
volksverzekeringen.
U boekt eindheffingsloon niet in de loonstaat.
U vindt in dit hoofdstuk informatie over de volgende (pseudo-)eindheffingen:
– eindheffing naheffingsaanslagen (zie paragraaf 24.1)
– eindheffing publiekrechtelijke uitkeringen (zie paragraaf 24.2)
– eindheffing tijdelijke knelpunten van ernstige aard (zie paragraaf 24.3)
– eindheffing verstrekking aan anderen dan uw werknemers (zie paragraaf 24.4)
– eindheffing goederen en diensten in de promotionele sfeer en voordelen uit spaarsystemen (zie paragraaf
24.5)
– eindheffing doorlopend afwisselend gebruik bestelauto’s (zie paragraaf 24.6)
– pseudo-eindheffing RVU-regeling (zie paragraaf 24.7)
– pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen (zie paragraaf 24.8)
Hoe u de eindheffing berekent, leest u ook in dit hoofdstuk (zie paragraaf 24.9). Zie hoofdstuk 8 voor
informatie over de eindheffing werkkostenregeling. De berekening van de eindheffing bij uitkeringen aan
algemene bijstand ingevolge de Participatiewet vindt u in de ‘Rekenregels en handleiding loonheffingen over
bijstandsuitkeringen 2019’. U kunt deze brochure binnenkort downloaden van belastingdienst.nl.
Eindheffing geen loon voor werknemersverzekeringen en Zvw
Over eindheffingsloon betaalt u alleen loonbelasting en eventueel premie volksverzekeringen. U betaalt
over eindheffingsloon dus geen premies werknemersverzekeringen en werkgeversheffing Zvw en u
houdt ook geen bijdrage Zvw in op het loon van uw werknemer. Een uitzondering is het loon waarbij
wij door het opleggen van een naheffingsaanslag eindheffing toepassen. Hierover moet u wel premies
werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of bijdrage Zvw inhouden, tenzij u op
dit loon zelf de eindheffing had kunnen of moeten toepassen (zie paragraaf 24.1).
Let op!
U betaalt alleen loonbelasting voor de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die u
als eindheffingsloon in uw administratie opneemt en die boven uw vrije ruimte uitkomen (zie hoofdstuk
8).
24.1 Eindheffing naheffingsaanslagen
Als u een naheffingsaanslag krijgt, heffen wij de loonbelasting/premie volksverzekeringen in de vorm van een
eindheffing. Deze eindheffingsbestanddelen zijn ook loon voor de werknemersverzekeringen en de Zvw.
Op de regel dat wij een naheffingsaanslag opleggen met eindheffing, zijn 2 uitzonderingen:
– U vraagt om een naheffingsaanslag die u wilt en kunt verhalen op uw werknemers.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 297
– U krijgt van ons een beschikking waarin staat dat wij de eindheffing niet toepassen. Dit kan gebeuren als
de volgende 2 omstandigheden voor u gelden:
– Er zijn geen praktische bezwaren tegen het opleggen van een naheffingsaanslag, bijvoorbeeld als het
om een klein aantal werknemers gaat.
– Eindheffing zou onbedoelde financiële voordelen hebben voor 1 of meer werknemers, zoals
tariefvoordelen of een hogere toeslag.
In deze 2 uitzonderingsgevallen is er geen sprake van eindheffing, maar van loon van de werknemer voor
alle loonheffingen. U moet in deze 2 gevallen per werknemer de aangifte corrigeren. Zie hoofdstuk 12 voor
informatie over hoe u corrigeert.
Uitzondering: alleen loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen
Eindheffingsbestanddelen van naheffingsaanslagen zijn loon voor alle loonheffingen. Maar er is een
uitzondering waarin de eindheffingsbestanddelen alleen loon voor de loonbelasting en eventueel voor
de premie volksverzekeringen zijn. Dit geldt voor loonbestanddelen waarover u zelf de eindheffing had
moeten of kunnen toepassen (zie paragraaf 24.4, 24.5 en 24.6). U kunt ons dan niet meer vragen om een
naheffingsaanslag die u op uw werknemers wilt verhalen.
Eindheffing berekenen
Zijn de eindheffingsbestanddelen van de naheffingsaanslag alleen loon voor de loonbelasting/
volksverzekeringen? Dan berekenen wij de loonbelasting/premie volksverzekeringen met het tabeltarief dat
gold toen de werknemer het loon genoot.
Wij passen het tabeltarief ook toe als de eindheffingsbestanddelen waarover wij de naheffingsaanslag
opleggen, ook loon zijn voor de werknemersverzekeringen en voor de Zvw. Wij gebruiken dan het tabeltarief,
de percentages voor de werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw die golden toen
de werknemer het loon genoot.
Wij berekenen de eindheffing bij een naheffingsaanslag anders als u aannemelijk kunt maken dat het
eindheffingsloon brutoloon was. De berekening gaat in 2 stappen:
1 Wij berekenen de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het brutoloon volgens het enkelvoudige
tarief van het jaar waarover we naheffen (zie paragraaf 24.9.2). Wij berekenen hierover ook de premies
werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Het totaal van de loonbelasting/
premie volksverzekeringen en de eventuele bijdrage Zvw is het nettovoordeel dat uw werknemer heeft,
omdat u de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de bijdrage Zvw voor uw rekening neemt.
2 Over dit nettovoordeel berekenen wij de loonbelasting/premie volksverzekeringen volgens het tabeltarief
op het tijdstip waarop u de eindheffing voor uw rekening neemt. Over het totaal van het nettovoordeel en
de loonbelasting/premie volksverzekeringen berekenen wij de premies werknemersverzekeringen en de
inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
Voor het totaal van stap 1 en 2 leggen wij een naheffingsaanslag op.
Het tabeltarief en het enkelvoudige tarief voor 2019 vindt u achter in dit handboek (zie tabel 5, 6a en 6b).
De eindheffingstarieven voor 2018, 2017, 2016, 2015 en 2014 kunt u vinden in tabel 5, 6a en 6b van
de handboeken van die jaren. U kunt het handboek 2018, het handboek 2017, het handboek 2016, het
handboek 2015 en het handboek 2014 downloaden.
Als u van ons een naheffingsaanslag krijgt, verhogen wij het bedrag van de aanslag eventueel met een boete
en belastingrente.
24.2 Eindheffing publiekrechtelijke uitkeringen
De eindheffing publiekrechtelijke uitkeringen wordt maar door een beperkt aantal overheidsinstellingen
toegepast. Daarom behandelen wij deze uitkeringen en de bijbehorende eindheffing niet in dit handboek.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 298
24.3 Eindheffing tijdelijke knelpunten van ernstige aard
Er kunnen omstandigheden zijn waardoor wij redelijkerwijs niet van u kunnen verwachten dat u bepaalde
loonbestanddelen per werknemer afzonderlijk juist, op tijd en volledig verwerkt. Denk bijvoorbeeld aan
technische, administratieve of arbeidsrechtelijke problemen.
In deze omstandigheden kunnen wij besluiten dat u voor deze loonbestanddelen tijdelijk (in het algemeen
maximaal een jaar) kunt volstaan met eindheffing. U krijgt dan een beschikking van ons.
Als u eindheffing toepast, zijn deze loonbestanddelen geen loon voor de werknemersverzekeringen en de
Zvw.
Eindheffing berekenen
Voor het berekenen van de eindheffing gebruikt u het tabeltarief (zie paragraaf 24.9.1).
Eindheffing verwerken in de aangifte
U verwerkt de eindheffing in de aangifte over het tijdvak waarin uw werknemers de loonbestanddelen
genieten. In de aangifte loonheffingen vermeldt u het bedrag van de eindheffing in de rubriek ‘Eindheffing
publiekrechtelijke uitkeringen en tijdelijke knelpunten van ernstige aard’.
24.4 Eindheffing verstrekkingen aan anderen dan uw werknemers
U mag de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor uw rekening nemen voor verstrekkingen aan
uw zakelijke relaties die u tegelijkertijd en voor dezelfde gelegenheid ook aan uw werknemers geeft. Dat
kunt u doen door over de verstrekkingen eindheffing aan ons te betalen. Uw relaties hoeven dan over deze
geschenken geen belasting meer te betalen.
Voor alle verstrekkingen geldt dat u de ontvanger moet meedelen dat u eindheffing toepast. U kunt ook in
uw algemene voorwaarden een bepaling opnemen dat u over deze verstrekkingen eindheffing toepast. Verder
moet u vastleggen wie de ontvanger van de verstrekking is.
U mag de eindheffing ook toepassen als de ontvanger van de verstrekking geen natuurlijk persoon is, maar
bijvoorbeeld een bv.
Als u eindheffing toepast, zijn deze verstrekkingen geen loon voor de werknemersverzekeringen en de Zvw.
Eindheffing berekenen
Als de waarde van de verstrekking niet meer is dan € 136, betaalt u 45% eindheffing. Is de waarde van de
verstrekking meer dan € 136, dan betaalt u over de volledige waarde 75% eindheffing.
Eindheffing verwerken in de aangifte
U verwerkt de eindheffing in de aangifte over het tijdvak waarin uw zakelijke relaties de verstrekkingen
genieten. In de aangifte loonheffingen vermeldt u het bedrag van de eindheffing in de rubriek ‘Eindheffing
publiekrechtelijke uitkeringen en tijdelijke knelpunten van ernstige aard’.
24.5 Eindheffing goederen en diensten in de promotionele sfeer en
voordelen uit spaarsystemen voor anderen dan uw werknemers
U mag ook eindheffing toepassen over de waarde in het economische verkeer van goederen of diensten in de
promotionele sfeer en over de voordelen uit spaarsystemen (papier of digitaal) die u niet aan uw werknemers
geeft, maar aan anderen. De waarde van de voordelen uit spaarsystemen is de gemiddelde waarde in het
economische verkeer van de goederen of diensten die bij het inleveren van spaarpunten worden verstrekt.
Voor alle goederen en diensten in de promotionele sfeer en het voordeel uit spaarsystemen geldt dat u
aan de ontvanger moet meedelen dat u eindheffing toepast. U kunt ook in uw algemene voorwaarden
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 299
een bepaling opnemen dat u over deze goederen, diensten en voordelen uit spaarsystemen eindheffing
toepast. Verder moet u vastleggen wie de ontvanger is van de goederen, de diensten en het voordeel uit
spaarsystemen.
U mag de eindheffing ook toepassen als de ontvanger van de goederen, de diensten en het voordeel uit
spaarsystemen geen natuurlijk persoon is, maar bijvoorbeeld een bv.
Als u eindheffing toepast, zijn deze goederen en diensten in de promotionele sfeer en de voordelen uit
spaarsystemen geen loon voor de werknemersverzekeringen en de Zvw.
Eindheffing berekenen
Als de waarde van de goederen, diensten of voordelen uit spaarsystemen niet meer is dan € 136, dan betaalt
u 45% eindheffing. Is de waarde meer dan € 136, dan betaalt u over de volledige waarde 75% eindheffing.
Eindheffing verwerken in de aangifte
U verwerkt de eindheffing in de aangifte over het tijdvak waarin uw zakelijke relaties deze goederen,
diensten en voordelen genieten. In de aangifte loonheffingen vermeldt u het bedrag van de eindheffing in de
rubriek ‘Eindheffing publiekrechtelijke uitkeringen en tijdelijke knelpunten van ernstige aard’.
24.6 Eindheffing doorlopend afwisselend gebruik bestelauto’s
Als 2 of meer werknemers door de aard van het werk een bestelauto doorlopend afwisselend gebruiken,
kan het moeilijk zijn om de regeling voor privégebruik individueel toe te passen. In dat geval betaalt u
eindheffing over de bijtelling privégebruik auto. Zie paragraaf 21.4.5 voor informatie over wanneer er sprake
is van doorlopend afwisselend gebruik.
Als u eindheffing toepast, is de bijtelling alleen loon voor de loonbelasting en niet voor de
werknemersverzekeringen en de Zvw.
Eindheffing berekenen
De eindheffing voor doorlopend afwisselend gebruik van bestelauto’s is op jaarbasis een vast bedrag van
€ 300 per bestelauto. Bij een aangiftetijdvak van een maand geeft u dan € 25 per bestelauto per maand aan.
Het bedrag van de eindheffing vermeldt u in de aangifte loonheffingen in de rubriek ‘Eindheffing doorlopend
afwisselend gebruik bestelauto’.
24.7 Pseudo-eindheffing RVU-regeling
Bij regelingen voor vervroegd uittreden (RVU-regelingen) en het omslaggefinancierde deel van
prepensioenregelingen betaalt u een pseudo-eindheffing over de uitkeringen uit deze regelingen, de
werkgeversbijdragen en -premies. Deze pseudo-eindheffing is 52%.
U vermeldt deze eindheffing in de aangifte loonheffingen in de rubriek ‘Pseudo-eindheffing RVU’.
U hoeft deze eindheffing niet toe te passen als er voor de RVU-regeling of het omslaggefinancierde deel van
de prepensioenregeling een overgangsregeling geldt (zie ook paragraaf 19.4.2).
Let op!
De uitkeringen uit RVU-regelingen en het omslaggefinancierde deel van prepensioenregelingen moet u
als loon van de werknemer in de aangifte loonheffingen blijven verwerken.
Ontslagvergoeding
In sommige gevallen beschouwen wij een ontslagvergoeding als een RVU-regeling. U moet dan 52% pseudoeindheffing RVU betalen over de ontslagvergoeding. Voordat u een ontslagvergoeding uitbetaalt, kunt u aan
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 300
ons vragen of wij deze ontslagvergoeding zien als een RVU-regeling. U krijgt dan van ons een beschikking,
waartegen u bezwaar kunt maken.
24.8 Pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen
U moet 75% belasting betalen over het excessieve deel van vertrekvergoedingen van werknemers die bij u
uit dienst gaan. In 2019 betaalt u deze zogenoemde pseudo-eindheffing in de volgende situaties:
– De werknemer gaat in 2019 bij u uit dienst, het toetsloon is meer dan € 551.000 en de vertrekvergoeding
is hoger dan het toetsloon. Hoe u het toetsloon en het excessieve deel van de vertrekvergoeding
berekent, kunt u lezen in de ‘Toelichting excessieve vertrekvergoeding 2019’. U kunt deze toelichting
binnenkort downloaden van belastingdienst.nl.
– U doet in 2019 nog nabetalingen voor een werknemer die in 2018, 2017, 2016, 2015 of 2014 bij u uit
dienst is gegaan. Hebt u voor deze werknemer in deze jaren ook al pseudo-eindheffing betaald, dan
leest u bij stap 5 van de ‘Toelichting excessieve vertrekvergoeding’ van deze jaren hoe u de pseudoeindheffing berekent. Als de nabetaling de 1e vertrekvergoeding is voor de werknemer, gebruik dan
deze toelichtingen om te bepalen of, en zo ja, hoeveel pseudo-eindheffing u moet betalen. U kunt de
toelichting 2018, de toelichting 2017, de toelichting 2016, de toelichting 2015 en de toelichting 2014
downloaden van belastingdienst.nl.
U mag de pseudo-eindheffing voor excessieve vertrekvergoedingen niet opnemen in uw reguliere aangifte
loonheffingen. Zie paragraaf 11.7 voor informatie over hoe u de aangifte moet doen.
24.9 Eindheffing berekenen
De berekening van de eindheffing die u moet betalen, wijkt af van de regels voor de berekening van de
loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie hoofdstuk 7). Er zijn afzonderlijke tabellen voor de eindheffing
(zie tabel 5, 6a en 6b achter in dit handboek). U verwerkt de eindheffing in de aangifte over het tijdvak
waarin het genietingsmoment valt.
Welk tarief u moet toepassen, hangt af van het loonbestanddeel waarover u eindheffing toepast. Wanneer u
de vaste tarieven (45%, 52% of 75%) en het vaste bedrag van € 300 op jaarbasis moet toepassen, leest u
in de bovenstaande paragrafen. Zie paragraaf 24.9.1 voor meer informatie over het tabeltarief en paragraaf
24.9.2 voor informatie over het enkelvoudige tarief.
24.9.1 Tabeltarief
Het tabeltarief is een percentage dat wij toepassen op het eindheffingsloon bij naheffingsaanslagen (zie
paragraaf 24.1), en dat u moet toepassen bij publiekrechtelijke uitkeringen (zie paragraaf 24.2) en bij
tijdelijke knelpunten van ernstige aard (zie paragraaf 24.3). De hoogte van het percentage is afhankelijk van:
– het jaarloon van de werknemer voor toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen (zie ook
paragraaf 7.3.6)
– de leeftijd van de werknemer (jonger of ouder dan de AOW-leeftijd)
– het al dan niet toepassen van de loonheffingskorting
– het land waar de werknemer inwoner van is (Nederland, een land van de landenkring of een derde land)
Er zijn 3 soorten tabeltarieven:
– het tabeltarief voor werknemers jonger dan de AOW-leeftijd (zie tabel 5 achter in dit handboek)
– het tabeltarief voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben, geboren in 1945 of eerder (zie tabel 6a
achter in dit handboek)
– het tabeltarief voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben, geboren in 1946 of later (zie tabel 6b achter
in dit handboek)
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 301
Voorbeeld
U betaalt een werknemer loon waarover u, op basis van een beschikking van de inspecteur, de
eindheffing tijdelijke knelpunten van ernstige aard toepast. De werknemer is 40 jaar. Hij heeft een
jaarloon van € 25.000 en recht op loonheffingskorting. Het tabeltarief is 61,50%.
Afwijkende tarieven voor enkele groepen werknemers
Voor enkele groepen werknemers gelden tarieven die afwijken. Het gaat om de volgende groepen:
– werknemers die uitsluitend premie volksverzekeringen moeten betalen
– werknemers die uitsluitend loonbelasting moeten betalen
– anonieme werknemers
– aannemers van werk, thuiswerkers, sekswerkers en gelijkgestelden (zie ook hoofdstuk 16)
De afwijkende tarieven staan achter in dit handboek (zie tabel 5, 6a en 6b).
24.9.2 Enkelvoudig tarief
Het enkelvoudige tarief is een percentage dat wij toepassen bij het berekenen van de eindheffing bij een
naheffingsaanslag (stap 1) als u aannemelijk kunt maken dat het eindheffingsloon brutoloon was (zie
paragraaf 24.1). De hoogte van het percentage van het enkelvoudige tarief is afhankelijk van:
– het jaarloon van de werknemer voor de toepassing van de tabel voor bijzondere beloningen (zie ook
paragraaf 7.3.6)
– de leeftijd van de werknemer (jonger of ouder dan de AOW-leeftijd)
– het al dan niet toepassen van de loonheffingskorting
– het land waar de werknemer inwoner van is (Nederland, een land van de landenkring of een derde land)
Er zijn 3 soorten enkelvoudige tarieven:
– het enkelvoudige tarief voor werknemers jonger dan de AOW-leeftijd (zie tabel 5 achter in dit handboek)
– het enkelvoudige tarief voor werknemers met de AOW-leeftijd en ouder, geboren in 1945 of eerder (zie
tabel 6a achter in dit handboek)
– het enkelvoudig tarief voor werknemers met de AOW-leeftijd en ouder, geboren in 1946 of later (zie tabel
6b achter in dit handboek)
Afwijkende tarieven voor enkele groepen werknemers
Voor enkele groepen werknemers gelden tarieven die afwijken. Het betreft de volgende groepen:
– werknemers die uitsluitend premie volksverzekeringen moeten betalen
– werknemers die uitsluitend loonbelasting moeten betalen
– anonieme werknemers
– aannemers van werk, thuiswerkers, sekswerkers en gelijkgestelden
De afwijkende tarieven staan in achter in dit handboek (zie tabel 5, 6a en 6b).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 302
25 Afdrachtverminderingen
U kunt op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
(WVA) minder belasting en premies betalen voor verschillende groepen werknemers. U betaalt dan minder
loonbelasting/premie volksverzekeringen en eindheffing dan u aangeeft. De belangrijkste doelen van de
afdrachtverminderingen zijn het stimuleren van werkgelegenheid en het bevorderen van onderzoek.
U kunt recht hebben op de volgende afdrachtverminderingen:
– afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (zie paragraaf 25.1)
– afdrachtvermindering zeevaart (zie paragraaf 25.2)
Bij elke soort afdrachtvermindering leggen wij uit welke voorwaarden er gelden en hoe u de
afdrachtvermindering toepast.
Begrip ‘werknemer’
Het begrip ‘werknemer’ is voor de afdrachtverminderingen beperkter dan voor de loonheffingen. Onder een
werknemer voor de afdrachtverminderingen verstaan wij:
– werknemers die bij u in echte dienstbetrekking zijn (zie paragraaf 1.1.1)
– de volgende werknemers met een fictieve dienstbetrekking (zie paragraaf 1.1.2):
– meewerkende kinderen
– bestuurders van coöperaties met werknemerszelfbestuur
– gelijkgestelden
U kunt de afdrachtverminderingen alleen toepassen voor bovenstaande werknemers. Maar u kunt de
afdrachtverminderingen wel verrekenen met de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u voor andere
werknemers moet betalen (zie paragraaf 25.1.6 en 25.2.8).
Let op!
U kunt de afdrachtvermindering niet toepassen voor een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in
een vennootschap als zijn werkelijk genoten loon nihil is.
25.1 Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
In deze paragraaf lichten wij de volgende aspecten van de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
(hierna: afdrachtvermindering S&O) toe:
– grondslag afdrachtvermindering S&O (zie paragraaf 25.1.1)
– hoogte afdrachtvermindering S&O (zie paragraaf 25.1.2)
– duur afdrachtvermindering S&O (zie paragraaf 25.1.3)
– administratieve verplichtingen (zie paragraaf 25.1.4)
– samenloop met afdrachtvermindering zeevaart (zie paragraaf 25.1.5)
– afdrachtvermindering S&O verrekenen in de aangifte (zie paragraaf 25.1.6)
– correctie-S&O-verklaring (zie paragraaf 25.1.7)
Let op!
De uitvoering van de regeling afdrachtvermindering S&O is bijna volledig overgedragen aan
de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Kijk voor meer informatie over deze
afdrachtvermindering op rvo.nl. RVO.nl hanteert voor de term S&O de term WBSO (Wet Bevordering
Speur- en Ontwikkelingswerk).
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 303
25.1.1 Grondslag afdrachtvermindering S&O
De afdrachtvermindering S&O is gebaseerd op de loonkosten van werknemers die speur- en
ontwikkelingswerk doen, en op de overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk. Om in
aanmerking te kunnen komen voor een afdrachtvermindering S&O, moet u een zogenoemde S&O-verklaring
hebben. U vraagt deze verklaring zelf aan bij RVO.nl. Wij controleren alleen of uw afdrachtvermindering S&O
overeenkomt met uw S&O-verklaring van RVO.nl.
U vraagt de S&O-verklaring uiterlijk een maand voor het begin van de werkzaamheden aan bij RVO.nl. Dit
doet u met een aanvraagprogramma op rvo.nl. Via deze site kunt u ook de ‘Handleiding WBSO’ downloaden.
Buitenland
Ook de loonkosten van uw werknemer die in een ander EU-land speur- en ontwikkelingswerk doet, en
de overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk in het buitenland, tellen mee voor de
afdrachtvermindering S&O.
Meer informatie over de grondslag voor de afdrachtvermindering S&O vindt u op rvo.nl.
Definitie S&O-werkzaamheden
Meer informatie over de werkzaamheden die in aanmerking komen voor afdrachtvermindering S&O, vindt u op
rvo.nl.
Let op!
Het eindheffingsloon valt niet onder het loonbegrip voor de afdrachtverminderingen.
25.1.2 Hoogte afdrachtvermindering S&O
In 2019 is de afdrachtvermindering S&O:
– 32% van de loonkosten en de overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk, tot een
bedrag van € 350.000
– 16% over het meerdere
Starters
Voor starters is de afdrachtvermindering S&O:
– 40% van de loonkosten en de overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk, tot een
bedrag van € 350.000
– 16% over het meerdere
U bent een starter als u aan de volgende 2 voorwaarden voldoet:
– U was in 1 of meer van de 5 voorafgaande kalenderjaren geen werkgever.
– In de 5 voorafgaande kalenderjaren hebt u niet meer dan 2 keer de afdrachtvermindering S&O
aangevraagd.
Als u speur- en ontwikkelingswerk voortzet dat vroeger direct of indirect werd uitgevoerd door een verbonden
vennootschap (zie paragraaf 4.11) of door iemand die nu een aanmerkelijk belang heeft, moet u de
verklaringen meetellen die aan deze vennootschap of de aanmerkelijkbelanghouder zijn afgegeven.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 304
Let op!
U moet altijd een eigen S&O-verklaring hebben, ook als u het speur- en ontwikkelingswerk van een
ander voortzet.
25.1.3 Duur afdrachtvermindering S&O
U kunt in 1 kalenderjaar voor maximaal 3 perioden een S&O-verklaring aanvragen. De perioden mogen
minimaal 3 en maximaal 12 kalendermaanden beslaan.
25.1.4 Administratieve verplichtingen
U hebt de volgende administratieve verplichtingen:
– U moet een administratie van het speur- en ontwikkelingswerk bijhouden. Deze moet voor controle
beschikbaar zijn binnen 2 maanden na het kalenderkwartaal waarin het speur- en ontwikkelingswerk is
gedaan.
– De urenadministratie van het speur- en ontwikkelingswerk moet voor controle beschikbaar zijn binnen 10
werkdagen na de dag waarop het speur- en ontwikkelingswerk is gedaan.
RVO.nl kan uw project- en urenadministratie controleren en een correctie-S&O-verklaring vaststellen. Zie
paragraaf 25.1.7.
Meer informatie over administratieve verplichtingen voor de afdrachtvermindering S&O vindt u op rvo.nl.
25.1.5 Samenloop met afdrachtvermindering zeevaart
U kunt de afdrachtvermindering S&O niet toepassen op loon waarop u de afdrachtvermindering zeevaart al
toepast.
25.1.6 Afdrachtvermindering S&O verrekenen in de aangifte
In de aangifte loonheffingen trekt u het totale bedrag van de afdrachtvermindering S&O per aangiftetijdvak
af van het totale bedrag aan ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen en eindheffing dat u moet
betalen. U past de afdrachtvermindering S&O alleen toe over aangiftetijdvakken die eindigen in de periode van
de S&O-verklaring. Voor die tijdvakken verrekent u in de aangifte loonheffingen maximaal een evenredig deel
van het nog ongebruikte bedrag van de S&O-verklaring.
Voorbeeld 1
U hebt een S&O-verklaring voor de periode juli tot en met september voor een bedrag van € 3.000.
In juli mag u maximaal 1/3 deel van € 3.000 verrekenen. Stel dat u in uw aangifte loonheffingen
over juli maar € 600 aan afdrachtvermindering S&O verrekent. In augustus mag u dan maximaal
€ 1.200 verrekenen. Dit is het evenredige deel van het ongebruikte bedrag van € 2.400.
Voorbeeld 2
U hebt een S&O-verklaring voor januari tot en met april van € 8.000 en u hebt een aangiftetijdvak
van 4 weken. De aangiftetijdvakken die volledig of deels samenvallen met de periode van uw S&Overklaring zijn:
– 1e tijdvak (1 januari tot en met 27 januari): u mag € 2.000 verrekenen
– 2e tijdvak (28 januari tot en met 24 februari): u mag € 2.000 verrekenen
– 3e tijdvak (25 februari tot en met 24 maart): u mag € 2.000 verrekenen
– 4e tijdvak (25 maart tot en met 21 april): u mag € 2.000 verrekenen
In het 5e tijdvak (22 april tot en met 19 mei) mag u niet meer verrekenen. Dit tijdvak eindigt in
mei, terwijl uw verklaring tot en met april is afgegeven.
Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2019 | Uitgave 1 juli 2019 305
Het totaalbedrag van de loonbelasting/premie volksverzekeringen en eindheffing mag door de
afdrachtverminderingen niet negatief worden. U mag de totaalbedragen naar boven afronden op hele euro’s.
De bedragen per werknemer mag u niet afronden.
Als u een loonheffingennummer hebt met verschillende subnummers, zoals L01 en L02, dan mag u de
afdrachtverminderingen onderling verrekenen.
Is aan het einde van de S&O-periode een deel van de afdrachtvermindering S&O niet verrekend? Dan mag u
het restant verrekenen met alle tijdvakken in het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft,
als daar nog ruimte voor is. In dat geval kunt u een correctie indienen voor de eerder ingediende aangifte
(zie hoofdstuk 12). Dat hoeft niet als u verrekent met een toekomstig tijdvak.
Voorbeeld 3
U hebt een S&O-verklaring van € 30.000 voor september tot en met december. In deze periode moet
u per tijdvak € 9.000 loonbelasting/premie volksverzekeringen en eindheffingen betalen.
In september mag u de loonbelasting/premie volksverzekeringen verminderen met € 7.500
(€ 30.000:4). In oktober wordt uw project tijdelijk stilgelegd, waardoor u tijdelijk geen recht hebt
op afdrachtvermindering. In november wordt het project vervolgd. U mag dan het evenredige
deel van het ongebruikte bedrag van de afdrachtvermindering (€ 11.250) in mindering brengen
(zie ook voorbeeld 1). Maar er is maar ruimte voor € 9.000. In december geldt hetzelfde: ook
in dit tijdvak kunt u maximaal € 9.000 in mindering brengen. Het totale onbenutte deel van de
afdrachtvermindering is dan aan het eind van de periode € 4.500. U mag nu het restant toch nog
verrekenen in 1 van de tijdvakken binnen het kalenderjaar, als daar nog ruimte voor is. U moet dan
1 of meer correcties indienen.
25.1.7 Correctie-S&O-verklaring
U moet de loonkosten en de overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk, doorgeven aan
RVO.nl. Dat doet u digitaal via rvo.nl en uiterlijk binnen:
– 3 maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft
– 3 maanden na de afgifte van de laatste S&O-verklaring voor het kalenderjaar, als die verklaring in het
daaropvolgende kalenderjaar is afgegeven
Als achteraf blijkt dat de loonkosten en overige kosten en uitgaven voor speur- en ontwikkelingswerk minder
zijn dan wat in de S&O-verklaring staat, dan zal RVO.nl de verklaring herzien. U krijgt dan van RVO.nl een
correctie-S&O-verklaring. Hierin staat 1 correctiebedrag voor alle S&O-verklaringen van het kalenderjaar. Het
bedrag van de correctie neemt u als negatieve afdrachtvermindering op in de aangifte loonheffingen over het
tijdvak waarin de correctieverklaring is afgegeven, of in de aangifte over het daaropvolgende tijdvak. U dient
dus geen correctie in over de al verstreken aangiftetijdvakken waarop de correctie-S&O-verklaring betrekking
heeft.
Einde inhoudingsplicht
Als uw inhoudingsplicht eindigt in een jaar waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, moet u de S&Ouren en eventueel uw kosten en uitgaven binnen 1 kalendermaand na het einde van uw inhoudingsplicht
doorgeven. Dat doet u schriftelijk bij RVO.nl: Postbus 10073, 8000 GB Zwolle. Of per e-mail: wbso@rvo.nl.
Uw inhoudingsplicht eindigt bijvoorbee