Casus

Grove schuld bij wanprestatie en exoneratie.

Een twintigjarig fabrieksmeisje had zich in 1930 bij haar ziekenfonds gemeld met de klacht van overtollige gezichtsbeharing en werd doorverwezen naar een röntgenoloog. De laatste had op een zeker risico van de behandeling gewezen, en vervolgens 12 a 15 keer bestraald. De gevolgen bleven niet uit. De schoonheidskuur leidde tot ernstige misvorming van het gezicht van de patiënte. Bij de aansprakelijkheidsstelling van de arts doet hij een beroep op een exoneratiebeding.

Essentie

In casu overwoog de rechtbank dat in 1930 al met klem in medische kringen gepropageerd werd dat röntgenbehandeling bij overtollige gezichtsbeharing wegens de daaraan verbonden gevaren achterwege dient te blijven; dat het risico door het meisje bij gebrek aan wetenschap niet aanvaard was, en dat het aan de geneesheer is om de geschiktheid van de behandeling en de beoordeling van de risico’s te bewerkstelligen. Het Haagse Hof neemt deze zienswijze over en acht gezien het onevenredig gevaar dat aan de behandeling gebonden was een contractuele uitsluiting van de aansprakelijkheid in strijd met de openbare orde en de goede zeden. De HR volgt het Hof met de overweging: ‘dat het Hof een contractuele uitsluiting van X’s aansprakelijkheid tegenover Y voor de gevolgen van een zodanige behandeling, welke, naar hij toen wist of behoorde te weten, medisch onverantwoord was en derhalve door hem niet mocht worden ondernomen, terecht als in strijd met de openbare orde en de goede zeden heeft beoordeeld’.