Casus

Brandverzekering naar herbouwwaarde zonder verplichting tot herbouw.

Rechtsvraag

Is de verzekeraar gehouden naar herbouwwaarde af te rekenen, wanneer de verzekerde niet herbouwt?

Essentie

In het cassatiemiddel wordt terecht niet aangevoerd dat het zgn. indemniteitsbeginsel – medebrengende dat een overeenkomst van schadeverzekering behoort te zijn gericht op vergoeding van de schade welke de verzekerde zal lijden als gevolg van het onzeker voorval waartegen de verzekering dekking geeft – zich er tegen verzet een opstal te verzekeren tegen brandschade naar herbouwwaarde zonder verplichting tot herbouw. Het middel betoogt echter dat het indemniteitsbeginsel niet toelaat bij een zodanige schadeverzekering de schade als overeengekomen naar herbouwwaarde te vergoeden, wanneer de verzekerde niet herbouwt. Deze opvatting kan in haar algemeenheid niet worden aanvaard. Of ook in een geval dat de verzekerde zelf niet tot herbouw van de tenietgegane opstal overgaat, vergoeding naar herbouwwaarde verenigbaar is met het indemniteitsbeginsel, zal van de omstandigheden afhangen.

Denkbaar is dat de verzekerde voor het behoud van de functie die het tenietgegane gebouw voor hem had op andere wijze offers moet brengen, bijv. door het aanschaffen van vervangende gebouwen, in welk geval zijn schade in de koopprijs tot uitdrukking komt, of, zoals in het onderhavige geval is geschied, door verkoop van het terrein waarop het tenietgegane gebouw stond, aan een koper die na herbouw die functie herstelt, in welk geval die schade tot uitdrukking komt in de lagere verkoopprijs die hij ontvangt. In beide gevallen is van onevenredigheid met het indemniteitsbeginsel geen sprake zolang de verzekerde door vergoeding naar herbouwwaarde niet in een duidelijk voordeliger positie geraakt.