Casus

Gerrit Brouwer woonde met twee ongetrouwde zusters op een hem in eigendom toebehorende boerderij in Baambrugge. In 1954 verpachtte hij aan Van den Bosch enige percelen weiland. Op verzoek van Van den Bosch werd in het pachtcontract een koopoptie opgenomen o.m. met betrekking tot de boerderij, die zelf niet in het verpachte object was begrepen. De volgende clausules werden in dit verband in de pachtovereenkomst vermeld:

‘Bij overlijden van de langstlevende van de verpachter en zijne bij hem inwonende zusters heeft de pachter het recht het verpachte, alsmede de hofstede, met schuren en verdere bijgebouwen, erf, grond en tuin aan het Zanden Jaagpad nr. 4 te Baambrugge te kopen voor de koopsom, … , mits zijn verlangen daartoe binnen drie maanden na het overlijden van de langstlevende van de verpachter en zijne zusters aan de executeur-testamentair of de erven te hebben kenbaar gemaakt. Indien de verpachter, zijne erfgenamen en rechtverkrijgenden, gedurende het leven van de langstlevende van hem en zijne zusters tot vervreemding wensen over te gaan, bestaat de verplichting dit schriftelijk aan de pachter mede te delen, waarna deze gedurende drie maanden het recht heeft het gebruik te maken van het recht van koop op de wijze als hierboven omschreven’.

Gerrit sterft en ook een van de zusters stierf. Neeltje Brouwer blijft als enige over. Zij schenkt vervolgens het huis aan haar achterneef en bijzondere vertrouwensman Rolf Pos. Na het overlijden van Neeltje maakt Van den Bosch binnen drie maanden aan de erfgenamen van Neeltje kenbaar dat hij de boerderij wilt kopen. Inmiddels bleek de boerderij echter aan Pos te zijn geschonken. Van den Bosch stelt dat Pos een onrechtmatige daad pleegt jegens hem.

Rechtsvraag

Was de aanvaarding van de schenking door Pos een onrechtmatig handelen van hem tegenover Van den Bosch?

Essentie

De Hoge Raad concludeerde dat de overeengekomen koopoptie geldig was en dat Pos onrechtmatig had gehandeld jegens Van den Bosch door de schenking te aanvaarden.
Als relevant voor het onrechtmatigheidsoordeel merkte de Hoge Raad aan:
(a) Pos kende de optie;
(b) Hij moet zich bewust zijn geweest van het aanmerkelijk nadeel dat Van den Bosch zou lijden, indien het hem onmogelijk zou worden gemaakt van de optie gebruik te maken;
(c) Pos had een bijzondere vertrouwenspositie ten opzichte van de 86-jarige Neeltje en kon invloed op haar uitoefenen.

Het handelen met iemand terwijl men weet, dat deze door dit handelen een door hem met een ander gesloten overeenkomst schendt, is op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig. Bijkomende omstandigheden kunnen echter dit handelen onrechtmatig doen zijn. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor aangehaalde rechtspraak over dubbele verkoop de volgende gedragingen van derden, als in strijd met de zorgvuldigheid die een derde in het maatschappelijk verkeer jegens een ander betaamt, onrechtmatig geoordeeld:

Het door een derde aanvaarden van een schenking van een onroerend goed waarbij deze gebruik maakt van zijn bijzondere vertrouwenspositie ten opzichte van de schenkster en de invloed die hij op haar kan uitoefenen, terwijl deze derde ermee bekend is dat deze schenkster aan een ander een koopoptie heeft verleend waaruit een recht van koop op dat onroerend goed voortvloeit, en hij zich bewust moet zijn van het aanmerkelijk nadeel (het wegvallen van een redelijkerwijs te verwachten voordeel) dat deze ander zou lijden indien het hem onmogelijk zou worden gemaakt om van deze koopoptie gebruik te maken.

Opmerkelijk aan dit arrest is overigens dat er (schade)vergoeding is toegewezen, niet in de vorm van betaling van een geldsom, maar in de vorm van het overdragen van de onroerende zaak tegen betaling van de geschatte waarde. Deze mogelijkheid tot schadevergoeding is later in de wet opgenomen (=codificatie) zie art. 6:103 BW.